Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.4.2
3.5.4.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583624:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra).
Vgl. reeds Asser 1999, nr. 5.10. Zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 228.
Vgl. reeds Asser 1999, nr. 5.10.
Zie hierna nr. 135.
Art. 3:93 lid 3 BW is in werking getreden op 1 oktober 2004. Het arrest is gewezen op 26 november 2004.
Dit kan anders zijn ten aanzien van schadevergoedingsvorderingen die na de stille cessie in het vermogen van de stille cessionaris zijn ontstaan en waarvan de stille cedent nakoming eist. Vgl. hierna hoofdstuk 6, passim.
Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber dienen te stellen en zo nodig dienen te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Dit zal zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als de schuldenaar om schorsing van het geding ex art. 225lid1 sub c Rv vraagt. Zie hierna nr. 141.
Zie o.a. HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254 (Zomerdijk/Goudsblom), m.nt. Ma. Vgl. ook r.o. 1, Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. A.I.M. van Mierlo; HR 7 juni 1991, NJ 1992, 392; en Hof Amsterdam 21 juni 1951, NJ 1952, 102.
Zie HR 8 december 1989, NJ 1990, 498 (Werkhoven Engels/De Bever), m.nt. JBMV. Zie ook HR 3 december 1937, NJ 1938, 352, m.nt. EMM; en HR 17juni 1938, NJ 1939, 495, m.nt. PS.
Zie o.a. HR 19 maart 2004, NJ 2004, 619 (overlijden); HR 10 september 2004, NJ 2005, 223, m.nt. HJS onder NJ 2005, 224 (fusie); en HR 11 maart 2005, NJ 2005, 224, m.nt. HJS (zuivere splitsing). Vgl. ook HR 24 mei 1991, NJ 1991, 675, m.nt. MS; HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493; HR 5 januari 2001, NJ 2001, 80; en HR 23 maart 2007, NJ 2007, 177 (De Bruin/AM Wonen). Zie hierna nr. 150.
133. In het arrest Haanljes/Damstra1 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een door een rechthebbende aan een derde gegeven last om een vordering in te stellen, in beginsel meebrengt dat de derde in eigen naam in rechte kan optreden. De lasthebber is in dat geval niet gehouden in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt. Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber dienen te stellen en zo nodig dienen te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden.2
In deze kwestie procedeerde de oude schuldeiser krachtens lastgeving ten behoeve van de nieuwe schuldeiser. Het ging om het instellen van vorderingen uit hoofde van een recht van erfpacht. In deze zaak behoefte de lasthebber niet kenbaar te maken dat hij in hoedanigheid procedeerde, omdat het in de procedure duidelijk was om welke vorderingen het ging. Dat de oude schuldeiser als lasthebber aan de procedure deelnam, was voor het materiële geding niet van belang; de vorderingen ten aanzien waarvan werd geprocedeerd, bleven dezelfde vorderingen. Evenmin voor het voor het vaststellen van het materiële geding van belang om de identiteit van de lastgever, de nieuwe schuldeiser, te kennen. Het oordeel van de Hoge Raad is om die reden begrijpelijk.
Als het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, dient de lasthebber te stellen en te bewijzen dat hij krachtens een last tot inning in eigen naam procesbevoegd is.3 In dát verband zal ook bekend worden dat hij in hoedanigheid procedeert. Als het in dat verband ook noodzakelijk is om de identiteit van de lastgever te onthullen, is de lasthebber daartoe gehouden. Kan de lasthebber bewijzen dat hij procesbevoegd is zonder dat hij daarbij de identiteit van de lastgever hoeft te onthullen, dan hoeft hij de naam van de lastgever niet te noemen.4
134. Het arrest Haantjes/Damstra sluit goed aan bij de stille cessie. Het is minder dan twee maanden na de invoering van art. 3:94 lid 3 BW gewezen.5 Uit het arrest volgt dat een door de stille cessionaris aan de stille cedent gegeven last tot inning in beginsel meebrengt dat de stille cedent in eigen naam in rechte kan optreden. De stille cedent is niet gehouden in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van de stille cessionaris optreedt. Het is gerechtvaardigd dat de stille cedent niet kenbaar hoeft te maken dat hij ten behoeve van de stille cessionaris procedeert. Voor de schuldenaar is immers vanaf het begin van de procedure duidelijk om welke vordering het gaat. Over het materiële geding kan bij de schuldenaar en de rechter derhalve geen verwarring bestaan.6
Eerst indien het verweer van de schuldenaar daartoe aanleiding geeft, zal de stille cedent dienen te stellen en zo nodig dienen te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de stille cessionaris op te treden. Hij dient in dat geval duidelijkheid te verschaffen omtrent zijn procesbevoegdheid. In dat kader zal duidelijk worden dat hij als lasthebber procedeert, dus in hoedanigheid procedeert. Het is niet zonder meer noodzakelijk dat daarbij ook de identiteit van de lastgever wordt bekend gemaakt.
135. Uit het arrest Haantjes/Damstra volgt naar mijn mening ook dat als de stille cessie tijdens de procedure plaatsvindt, op de stille cedent geen verplichting rust om de wederpartij van de stille cessie op de hoogte te stellen. Wordt aanvaard dat de stille cedent niet gehouden is in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt, dan zal hij daartoe ook niet op een later moment gehouden zijn.7 Deze regel wordt bevestigd door andere rechtspraak, waaruit blijkt dat als geen verandering optreedt in het materiële geding, de formele procespartij in een andere hoedanigheid aan de procedure kan deelnemen en hij dit bovendien niet kenbaar hoeft te maken aan zijn processuele wederpartij.8 Hetzelfde geldt ook voor arbitrageprocedures.9 Deze uitkomst sluit aan bij de rechtspraak inzake het instellen van rechtsmiddelen, waaruit blijkt dat bij de overgang van een vordering de formele procespartij niet gehouden is de wederpartij daarvan op de hoogte te stellen.10