Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.4.3
3.5.4.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583623:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld van 212 lastgevers, HR 13 mei 2005, LJN: AS4174 (SOBI/De Zeven Provinciën).
Zie bijvoorbeeld HR 7 april1978, NJ 1978, 624; vgl. ook HR 22 februari 2008, NJ 2008, 125, waar een persoon in hoedanigheid van beneficiair testamentair erfgenaam, executeur van de nalatenschap en lasthebber van de zes kinderen als legitimarissen van de erflater optrad. Vgl. ook (bijzondere curator), HR 6 oktober 2006, NJ 2006, 656; en (bewindvoerder in een noodregeling), Rb. Almelo 28 december 2005, JOR 2006/92, m.nt. J.M. Blanco Fernández.
Zie o.a. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 591-592; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1283-1284; Asser 1999, par. 3; HR 24 april1992, NJ 1992, 461 (Carreau Gaschereau/Sunresorts); en HR 8 september 2000, NJ 2000, 604 (Cento Nederland/Cento); HR 12 maart 2004, NJ 2009, 549 (XS4ALL), m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2009, 551; HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 202 (Brink/ABN Amra), m.nt. HJS. Vgl. ook Rb. Amsterdam 23 maart 1977, NJ 1978, 25. Een passage in de Toelichting Meijers, waarin staat dat de zelfstandig procederende deelgenoot niet verplicht is in zijn dagvaarding te stellen dat hij de eis instelt ten behoeve van alle deelgenoten, moet in het licht van deze rechtspraak als achterhaald worden beschouwd. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 590.
Zie bijvoorbeeld HR 2 februari 1996, NJ 1996,569 ('X, pro se en als gevolmachtigde van haar zoon Y').
Zie HR 21 november 2003, NJ 2004, 130 (Hermans/Fortis).
Of in het kader van het vorderen van het opheffen van beslagen, die door een procesbevoegde derde (q.q.) zijn gelegd. Zie ten aanzien van een executeur, Gem. Hof NA en Aruba 31 maart 2009, LJN: BI0033, en daarover Luijten & Meijer 2009.
De rechtspraak laat evenwel zien dat soms tot in cassatie onduidelijk is in welke hoedanigheid een aansprakelijk gestelde in de procedure betrokken is. Zie bijvoorbeeld aansprakelijkheidsstelling van de ouder in het kader van een onrechtmatige daad van het kind, HR 22 september 1995, NJ 1995, 731; de aansprakelijkheidsstelling van curatoren, HR 19 april1996, NJ 1996,727 (Maclou/Van Schuppen), m.nt. WMK; HR 19 december 2002, NJ 2004, 293 (Curatoren Mobell/Interplan), m.nt. PvS; en HR 8 mei 2009, JOR 2009/211 (Jakobs/Pasman q.q.), m.nt. P.S. Bakker; en vgl. de aansprakelijkheidsstelling van vennoten van een v.o.f of c.v., HR 9 mei 1969, NJ 1969, 307, m.nt. HD; HR 13 december 2002, NJ 2004, 212, m.nt. HJS; en vgl. HR 3 december 1971, NJ 1972,117.
Het criterium voor aansprakelijkheid kan verschillen, afhankelijk van de hoedanigheid waarin de gedaagde aansprakelijk wordt gesteld. Ook kan het van belang zijn voor de vraag of de gedaagde de door hem gemaakte kosten in rekening kan brengen bij de rechthebbende ten wiens behoeve hij procedeert, vgl. Gem. Hof NA en Aruba 31 maart 2009, LJN: BI0033.
Zie HR 17 juni 1994, NJ 1995, 367 (Rabobank/Sporting Connection), m.nt. HJS.
Zie HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 202 (Brink/ABN Amro), m.nt. HJS; HR 14 december 2007, NJ 2008, 10 (Doelant Lemelerveld c.s./Veltmaat). Zie ook hieronder. Bij deze uitleg kan ook de proceshouding van de eisende partij een rol spelen, vgl. Gem. Hof NA en Aruba 31 maart 2009, LJN: BI0033.
Zie bijvoorbeeld voor derdenbeslag: Rb. Middelburg 15 mei 1968, NJ 1969, 117; Hof's-Gravenhage 28 mei 1969, NJ 1970, 248; HR 15 april 1994, NJ 1995, 268 (Roham/McGregor), m.nt. HJS; HR 9 mei 2003, NJ 2003, 517 (Accountancy/Anova); Broekveldt 2003b, p. 82-83; en HR 11 maart 2005, NJ 2005, 224, m.nt. HJS.
De pandhouder en vruchtgebruiker kunnen pas in rechte nakoming vorderen nadat mededeling is gedaan aan de schuldenaar; de beslaglegger kan dat pas nadat het executoriaal beslag aan de schuldenaar is betekend.
De reden waarom in de tenaamstelling niet wordt vermeld dat de pandhouder, de vruchtgebruiker en de beslaglegger in hoedanigheid procederen, laat zich mogelijk verklaren omdat zij in andere gevallen uit hoofde van hun eigen recht procederen en dan optreden als materiële en formele procespartij, dus niet in hoedanigheid. Zie hiervóór nr. 122.
Zie o.a. Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. A.I.M. van Mierlo; HR 19 februari 1994, NJ 1994, 290 (Groningen/Erven Zuidema); HR 7juni 1991, NJ 1992, 392; Hof Amsterdam 21 juni 1951, NJ 1952,102. Blijft een gevolmachtigde ook na het overlijden van de materiële procespartij aan als formele procespartij ten behoeve van diens erfgenamen, dan hoeft de identiteit van de erfgenamen niet bekend te zijn om duidelijk te maken om welke rechten en/of verplichtingen het gaat. Ook bij het dagvaarden van de gezamenlijke erfgenamen kan vermelding van hun namen en woonplaatsen op grond van art. 53 aanhef en sub b Rv achterwege blijven, indien de dagvaarding wordt betekend aan de executeur, vereffenaar of bewindvoerder. Zie Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 362a.
Zie o.a. HR 5 november 1976, NJ 1977, 586.
Bijvoorbeeld door middel van een verklaring van erfrecht (art. 4:188 lid 1 sub d BW).
Zie F.E. Vermeulen 2005, p. 169, l.k.; en vgl. in dezelfde zin Mijnssen 1971, p. 933.
Zie F.E. Vermeulen 2005, p. 169, l.k.
Vgl. ten aanzien van de openbare cessie, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 396.
136. De stille cessie is bij uitstek 'geheim'. Voor de schuldenaar is niet duidelijk dat de stille cedent in rechte nakoming van andermans vordering eist. Een last tot inning in eigen naam, zoals die bij de stille cessie zal worden gebruikt, verschilt daarmee van de meeste andere rechtsfiguren waarbij een derde ten aanzien van andermans vordering procedeert.
In de regel vermeldt de formele procespartij die in hoedanigheid procedeert namelijk zijn hoedanigheid in de tenaamstelling van het processtuk. Bijvoorbeeld: eiser X, in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van volmachtgever Y;1 of eiser X, in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van Z.2 De formele procespartij die buiten rechte als onmiddellijk vertegenwoordiger optreedt of in eigen naam maar krachtens bepaalde aanstelling of functie, zoals een gevolmachtigde, een bewindvoerder, een executeur, een vereffenaar en een curator, vermeldt in rechte zijn hoedanigheid vermelden.
Kan een formele procespartij zowel pro se als q.q. optreden en kan daardoor onduidelijkheid bestaan over de rechten en/of verplichtingen die in het geding zijn, zoals bij een procederende deelgenoot, dan dient de formele procespartij aan het begin van de procedure kenbaar te maken in welke hoedanigheid hij de procedure voert.3 De formele procespartij kan ook in beide hoedanigheden in de procedure zijn betrokken.4 Als uit het inleidend processtuk niet blijkt dat de procespartij (mede) in hoedanigheid procedeert, wordt aangenomen dat hij alleen voor zichzelf procedeert. De procespartij kan in de procedure niet van hoedanigheid veranderen, als deze verandering van hoedanigheid een verandering van het materiële geding met zich brengt. Bijvoorbeeld, de procespartij die in eerste aanleg een vordering heeft ingesteld uitsluitend ten behoeve van zichzelf, kan niet bij wijze van wijziging van eis in hoger beroep een vordering instellen ten behoeve van de gemeenschap waarvan hij deelgenoot is aangezien hij dan als procespartij optreedt in een andere hoedanigheid dan die waarin hij zijn vordering in eerste aanleg heeft ingesteld.5
(Hetzelfde geldt als een formele procespartij zowel pro se als q.q. als gedaagde in de procedure kan worden betrokken, bijvoorbeeld in het kader van een aansprakelijkheidsstelling.6 Aan het begin van de procedure dient duidelijk te zijn in welke hoedanigheid de gedaagde aansprakelijk wordt gesteld.7 Dit is onder meer van belang voor het verweer van de gedaagde.8)
Of een formele procespartij pro se procedeert of (ook) in hoedanigheid is een kwestie van uitleg. De tenaamstelling van het processtuk is niet beslissend. De hoedanigheid kan ook uit het processtuk zelf blijken. In het arrest Rabobank/Sporting Connection9 oordeelde de Hoge Raad dat de omstandigheid dat een van de twee gemeenschappelijke hypotheekhouders niet wordt vermeld in het inleidend verzoek, niet verhindert dat het verzoek strekt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, dus van de beide hypotheekhouders. Ook uit het processtuk zelf kan blijken dat het strekt tot een uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De vraag in welke hoedanigheid een eisende partij optreedt, vergt uitleg van het exploot waarmee de desbetreffende instantie wordt ingeleid. Ingevolge art. 3:59 BW zijn de art. 3:33 en 3:35 BW op deze uitleg overeenkomstig van toepassing.10
Naar aanleiding hiervan kan worden ingegaan op de positie van de pandhouder, de vruchtgebruiker en de beslaglegger. Wordt een nakomingsprocedure door een pandhouder, vruchtgebruiker of beslaglegger gevoerd, dan wordt in de tenaamstelling van het processtuk gewoonlijk niet vermeld dat zij in hoedanigheid procederen.11 Uit het voorgaande volgt dat dit ook niet nodig is, omdat in de regel duidelijk is om welke materiële aanspraak het gaat. Uit het processtuk zelf zal bovendien volgen dat de pandhouder, de vruchtgebruiker of de beslaglegger in hoedanigheid procedeert. De schuldenaar die in rechte wordt betrokken, weet dat de pandhouder, de vruchtgebruiker of de beslaglegger niet een eigen vordering te gelde maakt, maar in hoedanigheid optreedt.12 Hij weet ook om welke vordering het gaat.13 Zoals gezegd, verschilt de stille cessie in dit opzicht van de andere rechtsfiguren. Voor de schuldenaar is niet duidelijk dat de stille cedent nakoming eist van andermans vordering. Zoals uiteengezet, is dat ook geen probleem, omdat – anders dan bijvoorbeeld bij de procederende deelgenoot – geen verwarring kan bestaan omtrent het materiële geding.
137. Als duidelijk is om welke aanspraken het gaat, en ook de procesbevoegdheid voldoende duidelijk kan worden gemaakt, is niet vereist dat de naam van de materiële procespartij wordt genoemd. Dit blijkt onder meer uit de parlementaire geschiedenis bij gemeenschap, waarin wordt gesteld dat de deelgenoot moet vermelden dat hij optreedt in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, "zoveel mogelijk met name genoemde deelgenoten".14 Het blijkt voorts uit de rechtspraak waarin de aanduiding (ten behoeve van) 'de gezamenlijke erven' voldoende wordt geacht.15 Het blijkt ook uit de rechtspraak waarin een maatschap als zodanig in rechte kan optreden, zonder vermelding van de gezamenlijke vennoten.16 Bestaat over het materiële geding duidelijkheid en is desverlangd voldoende gesteld en bewezen dat de formele procespartij procesbevoegd is,17 dan kan de vermelding van de naam van de materiële procespartij achterwege blijven. Anders dan Vermeulen verdedigt, heeft de processuele wederpartij niet in alle gevallen een (processueel) recht om te weten tegen wie hij procedeert.18 Hij zal in voorkomende gevallen bijvoorbeeld met een algemene aanduiding, zoals 'de gezamenlijke erven', genoegen moet nemen. Op de formele procespartij rust in dat verband evenmin een "legitimatieplicht".19
Derhalve, dient de stille cedent naar aanleiding van het verweer van de schuldenaar duidelijkheid te verschaffen omtrent zijn procesbevoegdheid, en dient hij in dat kader kenbaar te maken dat hij als lasthebber procedeert, dan kan hij de naam van de stille cessionaris noemen, maar hij is daartoe niet verplicht als hij ook zonder het noemen van diens naam kan bewijzen dat hij procesbevoegd is.
Als de stille cedent stelt en bewijst dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de stille cessionaris op te treden, zal daarin geen mededeling besloten liggen. Zou dit anders zijn, dan zou de schuldenaar tegen de wens van de stille cedent en de stille cessionaris het moment van mededeling kunnen te bepalen, hetgeen niet wenselijk is.20