Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.4.2.1:VIII.4.2.1 Oplegging van maatregelen en ontoerekeningsvatbaarheid
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.4.2.1
VIII.4.2.1 Oplegging van maatregelen en ontoerekeningsvatbaarheid
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596296:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het leerstuk van opzet bij de psychisch gestoorde in verband met de in het algemeen als onwenselijk ervaren situatie dat vrijspraak de oplegging van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en TBS uitsluit, illustreert dat. Zie daarover Nieboer 1970, p. 91-100; Knigge 1993, p. 21-22; Van Dijk 2008, p. 301; Stevens & Prinsen 2009, i.h.b. p. 115.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het strafrechtelijk sanctiestelsel kent drie uitzonderingen op de regel dat sancties eerst na positieve beantwoording van de eerste drie vragen van artikel 350 Sv aan de orde komen. Niet toevallig betreft het drie maatregelen die strekken tot bescherming van de maatschappij tegen gevaarlijke personen of goederen. De maatregelen van last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 37 Sr), terbeschikkingstelling (art. 37a Sr e.v.) en onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen (art. 36b Sr e.v.), zijn met het begaan van een strafbaar feit niet zo verknocht als bijvoorbeeld de sancties die een vergeldende reactie op strafbaar gedrag vormen, zoals de boete en de gevangenisstraf. De met voornoemde maatregelen beoogde veiligheid komt niet alleen in het geding waar iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, maar kan eveneens gevaar lopen als een bestanddeel of element van het strafbare feit niet is vervuld.1
De bestaansgrond voor de last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en de terbeschikkingstelling brengt mee dat zij niet alleen aan de gedeeltelijk verwijtbare dader, maar ook aan de volledig ontoerekeningsvatbare kunnen worden opgelegd (art. 352 lid 2 Sv). Dan wordt derhalve gesanctioneerd terwijl niet is voldaan aan een voorwaarde voor strafbaarheid, te weten de toerekenbaarheid van de dader. In eerdere hoofdstukken over de bewijsdimensie werd benadrukt dat in principe ook de negatieve voorwaarden voor strafbaarheid (het ontbreken van rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden) buiten twijfel moeten staan voordat kan worden gesanctioneerd. Dit zou de indruk kunnen wekken dat de rechter die een volledig ontoerekeningsvatbare verdachte één van deze maatregelen oplegt, de onschuldpresumptie met voeten treedt.
Dit is mijns inziens niet het geval. Beide vrijheidsbenemende maatregelen bejegenen de betrokkene tot op zekere hoogte als schuldige, zo volgt uit artikel 37 lid 1 en 37a lid 1 Sr. Beide bepalingen verlangen dat een strafbaar feit door de verdachte is “begaan”. Precies dat ook stelt de strafrechter buiten twijfel: de verdachte heeft het strafbare feit begaan, maar dat feit kan hem ingevolge artikel 39 Sr niet worden toegerekend. De daaropvolgende sanctie sluit naadloos op die vaststelling aan. De maatregel impliceert niets anders of meer dan met het ontslag van alle rechtsvervolging uitdrukkelijk is vastgesteld.