Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.4.2
4.4.4.2 Een 'impliciete' bevoegdheid tot vaststelling
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583070:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.3.4.
Anders: Köhne 2000, p. 145-149; zie over de vraag of de verschillen tussen bestuur en rechter wellicht aan een dergelijke analogie in de weg staan hierna § 4.4.6.
'In beginsel', want in sommige gevallen zal het doel dat de wetgever had bij de toekenning van beslissingsruimte juist meebrengen dat deze niet door een algemene (rechters)regeling kan worden ingevuld (zie daarover hierna § 4.4.4.3).
Aldus ook Snijders 2001, p. 22. Een voorbeeld van het eerste (afwijking door de wetgever van een rechtersregeling) zal zich mogelijk binnen afzienbare tijd voordoen op het gebied van de vergoeding bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst (art. 7:685 lid 8 BW). De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft namelijk aangegeven, de vergoedingen die door toepassing van de kantonrechtersformule toegekend worden te hoog te vinden en heeft aangekondigd de hoogte van de vergoeding in de wet te zuüen normeren (zie Handelingen 11 2003/04, nr. 33, p. 2289-2290). Een voorbeeld van het laatste (overnemen van een rechtersregeling door de wetgever) is te vinden op het gebied van de schuldsanering: in (een voorontwerp voor) een wetsvoorstel tot herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (gepubliceerd op www.justitie.nl) wordt voorgesteld een aantal van de Recofa-aanbevelingen (waarover § 2.8) te codificeren.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 114.
Zie hierover uitgebreider § 5.2.3.
Eerder is al aan de orde gekomen dat de vaststelling van beleidsregels door het bestuur, ook toen daarvoor nog geen wettelijke grondslag aanwezig was, niettemin geoorloofd werd geacht. Hierbij speelden met name de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol. Aanvaard was dat de toekenning van beslissingsruimte aan het bestuur tevens de bevoegdheid impliceerde, ter mvulling van deze ruimte beleidsregels vast te stellen.1
Ten aanzien van de vaststelling van rechtersregelingen kan eenzelfde redenering gevolgd worden.2 Zoals in de voorgaande paragraaf bleek, wordt het optreden van de rechter beheerst door bepaalde algemene rechtsbeginselen, de 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging'. Deze beginselen kunnen in dit opzicht een vergelijkbare rol spelen als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voor het optreden van bestuursorganen. Ook voor rechters geldt immers dat zij de hun toekomende beslissingsruimte niet naar willekeur mogen invullen, en dat zij waar mogelijk juist dienen te streven naar een consistente invulling daarvan. De bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen kan daarom beschouwd worden als een 'impliciete bevoegdheid', die besloten ligt in het feit dat de wetgever aan de rechter een zekere beslissingsruimte heeft gelaten. Anders geformuleerd: waar de wetgever de rechter beslissingsruimte laat, kan in beginsel3 worden aangenomen dat de wetgever de rechter daarmee tevens de bevoegdheid heeft willen geven, deze beslissingsruimte via een algemene regeling nader in te vullen. Dit neemt uiteraard niet weg, dat de wetgever altijd het laatste woord behoudt: hij kan immers, ook wanneer ten aanzien van een bepaald onderwerp reeds een rechtersregeling tot stand is gekomen, de nadere regeling van dat onderwerp (alsnog) ter hand nemen, en daarbij hetzij van de eerdere rechtersregeling afwijken, hetzij deze als eigen regel overnemen.4 De hier bedoelde impliciete bevoegdheid van de rechter bestaat dus slechts voorzover, en zolang als, de wetgever op een bepaald punt beslissingsruimte aan de rechter laat. Bij de vorming van jurisprudentierecht door de rechter werkt dit overigens niet anders: ook dan kan de wetgever te allen tijde de rechter 'overrulen' door de wet aan te passen, of andersom: de rechter volgen door een rechterlijke uitspraak te codificeren.
Aan recente wetgeving zijn enige aanwijzingen te ontlenen dat (ook) de wetgever inderdaad op deze wijze een rol weggelegd ziet voor de vaststelling van rechtersregelingen door rechters of gerechten. Zo bepaalt het nieuwe art. 35 Rv sinds 1 januari 2002 het volgende:
"1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en kunnen beperkingen worden gesteld aan de mogelijkheid om daarvoor uitstel te krijgen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere nadere regels worden gesteld betreffende het verloop van de procedure, alsmede nadere regels ter bevordering van de eenheid van de wijze van rechtspleging bij de verschillende gerechten."
Op het eerste gezicht lijkt deze bepaling juist te pleiten tegen de vaststelling van nadere regels omtrent termijnen, procedureverloop en wijze van rechtspleging door rechters: het is immers juist de (gedelegeerde) wetgever die hier expliciet bevoegd wordt verklaard dergelijke regels te stellen. Uit de totstand-komingsgeschiedenis van deze bepaling blijkt echter duidelijk dat het tegendeel het geval is:
"Het tot stand brengen van een landelijk rolreglement kan namelijk in de eerste plaats beschouwd worden als een verantwoordelijkheid voor de rechterlijke macht zelf. (-) De regeling van artikel 2.4.12 [= art. 35 - KT], eerste lid, brengt tot uitdrukking dat ook de (materiële) wetgever uiteindelijk verantwoordelijkheid draagt voor uniformering en bewaking van de termijnen in een civiele procedure. Van de nieuwe bevoegdheid zal pas gebruik gemaakt worden als blijkt dat op andere wijze uniforme regels niet binnen redelijke termijn tot stand komen. (-)
Evenals ten aanzien van de bevoegdheid ingevolge het eerste lid zal van de bevoegdheid van het tweede lid slechts gebruikt worden gemaakt wanneer nadere regels als hier aan de orde niet op andere wijze (-) tot stand komen."5
Uit deze formulering blijkt duidelijk dat de wetgever in de eerste plaats de rechterlijke macht verantwoordelijk (en daarmee, impliciet, 'bevoegd') acht tot vaststelling van 'nadere regels' (met andere woorden: een rechtersregeling) omtrent de genoemde onderwerpen. Wel blijft de wetgever ook zélf bevoegd dergelijke regels te geven, bijvoorbeeld in het genoemde geval dat deze niet binnen een redelijke termijn door de rechterlijke macht tot stand worden gebracht. Zoals hierboven al is opgemerkt, bestaat deze mogelijkheid natuurlijk altijd: ook wanneer door rechters wél een rechtersregeling is vastgesteld, behoudt de wetgever vanzelfsprekend de bevoegdheid zelf een (eventueel afwijkende) nadere regeling te treffen.
In de herziene Wet RO, die eveneens per 1 januari 2002 in werking is getreden, is in de artikelen 23 lid 3 en 94 voorzien in 'zorgplichten' van de gerechtsbesturen, respectievelijk de Raad voor de rechtspraak: deze organen hebben een taak bij de bevordering van 'de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing'. De betekenis van de hier bedoelde bepalingen zal in hoofdstuk 5 nader aan de orde komen; vooruitlopend daarop kan thans vast worden opgemerkt dat ook de herziene Wet RO uitgaat van een bevoegdheid van rechters en gerechten om ten aanzien van bepaalde onderwerpen algemene (rechters)regelingen tot stand te brengen.6