Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.2.2.5
9.2.2.5 Uitzonderingen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585947:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 196.
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 528, waar ook wordt gesproken over de bevoegdheid tot opzegging van een huur. Vgl. ook Wibier 2009a, nr. 20.
Zie hiervóór nr. 465.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 528; T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 584, en p. 585-586. Zie voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 261 en 309; Losbladige Verbintenissenrecht 2009 (T.J. Mellema-Kranenburg), art. 6:159, aant. 4 en 19; Van Achterberg 1999, nr. 69; Wibier 2009a, nr. 50; Verdaas 2008a, nr. 339; Van Rijssen 2006, par. 14.3.4, en par. 2.2.3.10 en 2.2.3.11 (p. 228 e.v.); Van Rijssen 2008, p. 567 e.v. Vgl. Wiarda 1937, p. 328-330; en HR 7 maart 1958, NJ 1958, 278.
Zie ten aanzien van art. 6:251 BW: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 548 en vgl. nr. 542 en 544; Linssen 1995, p. 1270; en ten aanzien van art. 7:420 BW: Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 110. Anders ten aanzien van art. 6:251 BW: Losbladige Verbintenissenrecht 1999 (J.C. van der Steur), art. 6:251, aant. 5; en Beversluis 2009, p. 305 e.v., p. 314; en anders ten aanzien van art. 7:420 BW: S.Y.Th. Meijer 1999, p. 135-138. De bepalingen hebben alleen betrekking op de overgang van rechten zoals vorderingen. Vgl. o.a. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 932-933; en M.v.T., Parl. Gesch. Boek 7 (lnv. 3, 5 en 6), p. 355-356. In M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 933 is te lezen: 'Wel kan worden gezegd dat vaak de schuldeiser ook na overgang van het goed belang bij zijn rechten wegens niet-nakoming door de wederpartij behoudt. Men denke aan het recht op vergoeding van door de schuldeiser geleden schade, waarbij deze uit de aard van de zaak steeds een eigen belang heeft, en aan het recht op ontbinding, waarbij hij belang houdt.' De passage bevestigt alleen dat de bevoegdheid tot ontbinding bij de oude schuldeiser achterblijft. Daarin kan niet worden gelezen dat de bevoegdheid op de nieuwe schuldeiser kan overgaan.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 928. Vgl. M.v.T., Parl. Gesch. Boek 7 (lnv. 3, 5 en 6), p. 355-356. Zie ook Linssen 1995, p. 1274, nt. 30.
513. In bepaalde gevallen komt de bevoegdheid om de overeenkomst te beëindigen of een beding in de algemene voorwaarden te vernietigen wel toe aan de nieuwe schuldeiser.
Bestaat de overeenkomst uit niet meer dan een geldvordering, en is de bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen alleen bedongen om daardoor ook de vordering vervroegd opeisbaar te maken, zoals bij geldleningen, dan is deze bevoegdheid blijkens de parlementaire geschiedenis een nevenrecht.1 Omdat de rechtsverhouding niet méér behelst dan de geldvordering zelf, en de opzeggingsbevoegdheid alleen tot doel heeft de vordering opeisbaar te maken, is deze bevoegdheid aan de vordering verbonden. De hoofdregel heeft derhalve betrekking op de overgang van geldvorderingen bij wederkerige (duur)overeenkomsten zoals huur, pacht, arbeid, opdracht en lastgeving.2
514. Heeft de vernietiging van een algemene voorwaarde betrekking op een beding dat als nevenrecht met de vordering op de nieuwe schuldeiser is overgegaan, dan is de nieuwe schuldeiser eveneens bevoegd om dit beding te vernietigen op grond van art. 6:233 BW. Hij is immers ook bevoegd om deze bedingen te wijzigen.3 De oude schuldeiser blijft bevoegd om de bedingen die bij hem achterblijven te wijzigen dan wel te vernietigen op grond van art. 6:233 BW. De nieuwe schuldeiser heeft dezelfde bevoegdheid tot vernietiging als de oude schuldeiser. Hij geniet niet meer of minder bescherming dan zijn rechtsvoorganger. Draagt bijvoorbeeld een rechtspersoon een vordering over aan een consument, dan geniet de consument niet méér bescherming op grond van art. 6:233 sub a jo 6:236-237 BW jegens de schuldenaar van de vordering (de gebruiker van de algemene voorwaarden) dan zijn rechtsvoorganger. Die uitkomst is billijk. De bedingen zijn aan hem bij het tot stand komen van de overeenkomst immers niet als algemene voorwaarden opgedrongen. Of hij bescherming verdient tegen de verkrijging van een vordering waarin dergelijke bedingen voorkomen, is afhankelijk van de rechtsverhouding tussen hem en de overdragende (rechts)persoon. Wordt met de overdracht beoogd om de beschermingsbepalingen van afd. 6.5.3 BW (algemene voorwaarden) te omzeilen, dan is de overeenkomst tot overdracht tussen de rechtspersoon en de consument mogelijk vernietigbaar (art. 3:40 lid 1 jo 2 BW).
515. Bij overgang onder algemene titel en bij contractsovergang (vgl. o.a. art. 6:159 BW), gaat de rechtsverhouding uit overeenkomst op de nieuwe schuldeiser over. De nieuwe schuldeiser wordt de partij bij de overeenkomst en is om die reden ook bevoegd om de overeenkomst te ontbinden, op te zeggen of te vemietigen. De oude schuldeiser is hiertoe niet meer bevoegd.4 Bij overgang van de vordering op grond van art. 7:420 BW of art. 6:251 BW gaan de bevoegdheden niet mee over.5 Is de nieuwe schuldeiser echter verplicht om op grond van art. 7:421 BW of art. 6:251 lid 2 BW ook de tegenprestatie te verrichten, dan kan hij ontbinden op grond van art. 6:261 lid 2 jo 6:265 BW.6