Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.2.3
9.2.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585945:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773; en T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 655. De bevoegdheid heeft betrekking zowel op overeenkomsten die aan de vordering ten grondslag liggen, als op overeenkomsten die zijn aangegaan met betrekking tot het in vruchtgebruik gegeven goed. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 656-657.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 138.
Hij is ook bevoegd tot het stellen van de redelijke termijn ex art. 7:40 lid 1 BW.
Zie hiervóór nr. 47-48 en 429.
De bevoegdheden van de curator zijn uitgewerkt in art. 37 e.v. Fw, op grond waarvan hij onder meer bevoegd is om huur-, pacht-, arbeids- en agentuurovereenkomsten op te zeggen (art. 39-40 Fw). Deze regeling blijft buiten beschouwing. Zie daarover nader o.a. Verstijlen 2006, p. 87 e.v.; Van Zanten 2007. De bepalingen zijn niet van overeenkomstige toepassing op de vereffenaar van een nalatenschap. Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 474.
Zie hiervóór nr. 39.
Zie voor bewind bijvoorbeeld, T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 468; Asser/De Boer 1 * 2010, nr. 1133; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 416, 420; Asser/Perrick 4* 2009, nr. 537; Schols, Blankman & Vegter 2004, p. 15 en p. 84-85. In de literatuur wordt aangenomen dat het bewind ook een heel vermogen kan omvatten; daartoe kunnen dan ook rechtsverhoudingen behoren (zie o.a. Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 416, 420). Het bijzondere in het onderhavige geval is dat de beheersbevoegde derde (de bewindvoerder, de vruchtgebruiker of de deelgenoot) de bevoegdheden ten aanzien van de rechtsverhouding óók heeft als hij alleen ten aanzien van een vordering (i.t.t. het gehele vermogen) bevoegd is.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657. Vgl. voorts V.V. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 655; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 650.
Op de bevoegdheid om in rechte vernietiging te vorderen is art. 3:218 BW van toepassing. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657.
Vergelijk over de beschikkingsbevoegdheid ook hiervóór nr. 430 en 432.
Zie M.v.A., Parl. Gesch. Boek 3, p. 772-773.
Anders: Broekveldt 2003a, nr. 73-74 en nr. 129, die naar mijn mening te vergaande bevoegdheden aan de beslegger toekent, en daarvoor ook geen (wettelijke) grondslag aanvoert. Naar mijn mening maakt Broekveldt onvoldoende onderscheid tussen de verschillende soorten wilsrechten. Zie Broekveldt 2003a, nr. 59 e.v.
Zie hiervóór nr. 200.
Zie hiervóór nr. 196.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773. Zie o.a. Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 23.3 en 23.4; Verdaas 2008a, nr. 339.
Zie hiervóór nr. 469 en 473.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773; Verdaas 2008a, nr. 340. Ontbinding en vernietiging zijn in dit opzicht niet anders geregeld dan afstand van de verpande vordering door de pandgever. Zie hiervóór nr. 473. Anders: Rongen 2002b, p. 281-284, die verdedigt dat de beëindiging van de overeenkomst door de pandgever niet aan de pandhouder kan worden tegengeworpen; hij beroept zich daarbij onder verwijzing naar art. 475 Rv op de 'fixerende werking van het pandrecht'. Zie voor bezwaren tegen het aannemen van een dergelijke 'fixerende werking' hiervóór nr. 474. De zienswijze van Rongen heeft in de literatuur vooralsnog geen bijval gekregen. Zie bijvoorbeeld Verdaas 2008a, nr. 340 e.v. De pandhouder zal overigens geen last ondervinden van een opzegging van de overeenkomst als hij een pandrecht heeft op een bestaande vordering, omdat dergelijke vorderingen door de opzegging niet teniet gaan. Vgl. Verdaas 2008a, nr. 343. Gaat het om een verpanding bij voorbaat van relatief toekomstige vorderingen, dan is dit anders. Vgl. hiervoor bij de overgang van vorderingen.
Vgl. voor de opzegging van een overeenkomst, Hof 's-Gravenhage 21 mei 1980, NJ 1981, 18.
Zie ook hiervóór nr. 473. Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773.
517. Omtrent de uitoefening van de bevoegdheden tot beëindiging van de overeenkomst, waartoe de stille cedent als partij bij de overeenkomst bevoegd is, kunnen de stille cedent en de stille cessionaris afspraken rnaken. Zij kunnen bijvoorbeeld overeenkomen dat de stille cedent in bepaalde gevallen de toestemming behoeft van de stille cessionaris. De beeindiging van de overeenkomst kan immers gevolgen hebben voor het voortbestaan van de stil gecedeerde vordering. Hieronder wordt nagegaan in hoeverre de andere rechtsfiguren de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris nader kunnen inkleuren.
De beheersbevoegde derde is blijkens de parlementaire geschiedenis bij de regelingen van vruchtgebruik en gemeenschap bevoegd tot ontbinding en tot opzegging van de overeenkomst indien dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, is de vruchtgebruiker tot ontbinding en opzegging van overeenkomsten slechts bevoegd, wanneer dit aan een goed beheer dienstig kan zijn (art. 3:210 lid 2 BW). In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat de bevoegdheid tot ontbinding en de bevoegdheid tot opzegging net als de inningsbevoegdheid uit de beheersbevoegdheid van de vruchtgebruiker voortvloeien (art. 3:207 lid 2 BW).1 In de parlementaire geschiedenis bij regeling van gemeenschap wordt opgemerkt dat onder beheer worden begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn: daaronder valt ook het opzeggen of het ontbinden van overeenkomsten.2
Uit het voorgaande volgt dat de beheersbevoegde derde met uitsluiting van de rechthebbende tot het opzeggen en het ontbinden van de overeenkomsten bevoegd is, waaronder het inroepen van het recht van reclame.3 De vruchtgebruiker, de beheersbevoegde deelgenoot, de bewindvoerder, de curator, de vereffenaar en de executeur zijn derhalve op grond van hun beheersbevoegdheid4 tot ontbinding en opzegging bevoegd.5 Dat de curator, de vereffenaar en de executeur hiertoe bevoegd zijn, verwondert niet. Zij zijn immers bevoegd ten aanzien van een gehele vermogenspositie (het afgescheiden faillissementsvermogen respectievelijk de nalatenschap),6 en uit dien hoofde ook bevoegd over de rechtsverhouding uit overeenkomst. Met name bij vruchtgebruik, gemeenschap en bewind is het toekennen van de bevoegdheid tot het opzeggen en het ontbinden van de aan de vordering onderliggende overeenkomst opmerkelijk, omdat deze rechtsfiguren blijkens de tekst van de wet aileen betrekking hebben op goederen en niet op rechtsverhoudingen uit overeenkomst.7 De beheersbevoegde derde heeft in dit opzicht meer bevoegdheden dan de nieuwe schuldeiser.
518. Uit het nemo-plus-beginsel volgt dat als de vordering eerst wordt overgedragen, en vervolgens een derde beheersbevoegd wordt ten aanzien van de vordering, hij de bevoegdheid tot opzegging en ontbinding ontbeert. De derde die tot uitoefening van andermans recht bevoegd is, kan immers niet meer rechten jegens de schuldenaar uitoefenen dan die de rechthebbende zelf heeft. Omgekeerd is het de vraag of een bewindvoerder of vruchtgebruiker bevoegd moet blijven tot ontbinding en opzegging als de vordering overgaat op een nieuwe schuldeiser. Is de vordering niet meer bezwaard of onder bewind gesteld, dan vervalt daarmee de oorzaak van de bevoegdheid tot opzegging of ontbinding van de bewindvoerder respectievelijk de vruchtgebruiker. De hoofdgerechtigde respectievelijk de rechthebbende wordt weer bevoegd tot opzegging en ontbinding van de overeenkomst.
519. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij de regeling van vruchtgebruik maakt de bevoegdheid tot vernietiging géén onderdeel uit van de beheersbevoegdheid. Gaat het om een overeenkomst die door de hoofdgerechtigde of zijn rechtsvoorganger is aangegaan, zoals bijvoorbeeld de overeenkomst waaruit de naderhand aan het vruchtgebruik onderworpen vordering voortspruit, of een huurovereenkomst die vóór de vestiging van het vruchtgebruik ten aanzien van het goed is aangegaan, en waaraan de vruchtgebruiker is gebonden uit hoofde van art. 7:226 BW, dan zijn de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde op grond van art. 3:207 lid 2 BW aileen gezamenlijk tot de vemietiging daarvan bevoegd.8 Een dergelijke handeling gaat de beheersbevoegdheid van de vruchtgebruiker te buiten.9 De keuze hiervoor wordt niet toegelicht, maar denkbaar is dat de gronden voor ontbinding en opzegging 'zakelijk' zijn, en die voor vernietiging 'persoonlijk', en dat om die reden de vruchtgebruiker de bevoegdheid niet zelfstandig toekomt. De bevoegdheid tot vemietiging van de aan de vordering onderliggende overeenkomst komt derhalve toe aan de beschikkingsbevoegde persoon of personen. Bij gemeenschap komt de bevoegdheid op grond van art. 3:170 lid 3 BW aan de gezamenlijke deelgenoten toe.10
520. De pandhouder en de beslaglegger zijn ten aanzien van verpande respectievelijk beslagen vordering niet beheersbevoegd. Zij zijn derhaive niet bevoegd tot opzegging of ontbinding van de aan de vordering onderliggende overeenkomst. Zij zijn evenmin bevoegd tot vernietiging daarvan. In de parlementaire geschiedenis bij pand wordt opgemerkt dat de bevoegdheid tot het verrichten van rechtshandelingen zoais de ontbinding van de overeenkomst waaruit de verpande vordering voortspruit (art. 6:265 BW) of beëindiging van een Iopende rechtsbetrekking (zoais huur- en arbeidsovereenkomsten) waaruit de vorderingen zijn verpand bij de pandgever dienen te blijven, omdat dit rechtshandelingen zijn die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen.11 Hetzelfde geidt voor de beslaglegger.12 De pandhouder en de beslaglegger zijn wel bevoegd om de aan de vordering onderliggende overeenkomst op te zeggen, als de vordering door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW en art. 477 lid4 Rv).13 De toekenning van deze bevoegdheid is een uitzondering op de regel dat zij niet opzeggingsbevoegd zijn. De bevoegdheden van de pandhouder en de beslaglegger zijn in dit opzicht vergelijkbaar met die van de nieuwe schuideiser. Ook de nieuwe schuldeiser is in beginsel niet bevoegd tot ontbinding en opzegging, maar is wel bevoegd om de vordering door opzegging vervroegd opeisbaar te maken.14
De pandgever blijft blijkens de parlementaire geschiedenis tot ontbinding, opzegging en vernietiging van de aan de verpande vordering onderliggende overeenkomst bevoegd, ook ais de verpande vordering daardoor teniet gaat.15 Dit sluit aan bij zijn bevoegdheid om ten aanzien van de verpande vordering beschikkingshandelingen te verrichten. 16 Indien voldaan is aan de vereisten van art. 3:45 BW kan de pandhouder de rechtshandeling waardoor de overeenkomst is ontbonden of vernietigd, en zijn vordering teniet is gegaan, vernietigen op grond van de actio Pauliana.17 Ook de geëxecuteerde blijft bevoegd om de onderliggende overeenkomst te ontbinden, op te zeggen of te vernietigen, ook als de beslagen vordering daardoor tenietgaat.18Art. 475h Rv biedt de beslaglegger geen bescherming tegen het tenietgaan van de vordering door de ontbinding of de vernietiging, omdat op grond van deze bepaling alleen het tenietgaan van de vordering door afstand aan de beslaglegger kan worden tegengeworpen. Voor een overeenkomstige toepassing op de ontbinding van de onderliggende overeenkomst is door de wetgever blijkens de gedetailleerde opsomming niet gekozen. De beslaglegger kan tegen de ontbinding en de vernietiging ageren op grond van art. 3:45 BW (actio Pauliana).19
521. Uit de overgang van de vordering volgt dat de stille cedent bevoegd blijft om de aan de vordering onderliggende overeenkomst te ontbinden en op te zeggen; uit de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris kan voortvloeien dat de stille cedent daarvoor de toestemming van de stille cessionaris behoeft. Op grond van het voorgaande is goed verdedigbaar dat als de stille cedent krachtens lastgeving beheersbevoegd is, en de ontbinding of opzegging dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering, hij deze toestemming in beginsel niet behoeft. Hetzelfde geldt voor het geval waarin de stille cedent de opzeggingsbevoegdheid of de vernietigingsbevoegdheid ex art. 6:233 BW van de stille cessionaris ten behoeve van de stille cessionaris uitoefent. De stille cedent kan zich bij de vernietiging van een algemene voorwaarde ten behoeve van de stille cessionaris op dezelfde bescherming beroepen als waarop hij zich (zelf) vóór de stille cessie kon beroepen. Dat hij zich op niet méér bescherming kan beroepen volgt ook uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW.
Uit het voorgaande volgt voorts dat tussen de bevoegdheid tot ontbinding en opzegging enerzijds en de bevoegdheid tot vernietiging anderzijds een verschil wordt gemaakt. Dat hangt mogelijk samen met de gronden voor de beëindiging. Ontbindings- en opzeggingsgronden zijn 'zakelijker'; vernietigingsgronden zijn 'persoonlijker'. Het is om die reden goed verdedigbaar dat de stille cedent om die reden als partij bij de overeenkomst meer vrijheid dient toe te komen in de uitoefening van de bevoegdheid tot vernietiging dan bij de uitoefening van de bevoegdheid tot ontbinding of tot opzegging, en derhalve bij de bevoegdheid om de overeenkomst te vernietigen terughoudendheid dient te worden betracht met betrekking tot het opleggen van een verplichting tot het vragen van de toestemming van de stille cessionaris.