Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.4.1.3
8.4.1.3 Vermogensbenadeling
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS294089:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de erfrechtspauliana o.a. Kolkman 2005. Art. 4:190 lid 4 BW sluit de toepasselijkheid van art. 3:45 BW uit.
Zie over art. 4:204 lid 1 sub c BW en art. 4:212 BW, hiema nr. 725.
Blijft een derde-beslagene in gebreke verklaring te doen, dan maakt hij daardoor het verhaal door de beslaglegger op de vordering onmogelijk en is hij schadeplichtig (art. 477a lid 1 eerste zin Rv). Onttrekt een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam of een door de rechter benoemde vereffenaar opzettelijk goederen der nalatenschap aan het verhaal van de schuldeisers, dan zijn zij ook schadeplichtig jegens de schuldeisers der nalatenschap die daardoor schade lijden (art. 4:212 BW).
Zie HR 28 juni 1957, NJ 1957, 514 (Erba), m.nt. LEHR.
Zie o.a. Gispen 1998, p. 49; Mellema-Kranenburg 1996, nr. 6; en Hof 's-Hertogenbosch 3 februari 1986, NJ 1987, 182; en HR 24 februari 1995, NJ 1996, 472 (Ontvanger/Gerritse; Sigmacon II).
Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn administratieverplichting (art. 2:10 BW) of aan zijn verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening (art. 2:394 BW), heeft het bestuur zijn taak onbehoorlijk vervuld en word t vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:138/248 lid 2 BW). Dezelfde regel geldt voor aandeelhouders: bij een onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur, kan alleen de rechtspersoon de bestuurders aanspreken, niet de aandeelhouders die daardoor schade hebben geleden (art. 2:9 BW).
Zie HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597 (Peeters q.q./Gatzen), m.nt. BW; alsmede: HR 8 november 1991, NJ 1992,174 (Nimox/Van den End q.q.), m.nt. Ma; de drie arresten HR 23 december 1994, NJ 1995, 627-629 (THB), m.nt. WMK; HR 21 december 2001, NJ 2005, 95 (Lunderstadt/De Kok I) en HR 21 december 2001, NJ 2005, 96 (Sobi/Hurks II), beide m.nt. S.C.J.J. Kortmann; HR 16 september 2005, ]OR 2006/52 (De Bont/Bannenberg q.q.), m.nt. S.C.J.J. Kortmann & N.S.G.J. Vermunt; en HR 24 apri12009, JOR 2010/22 (Dekker q.q./Lutece), m.nt. N.E.D. Faber. Dezelfde regel geldt voor aan deelhouders: alleen de rechtspersoon kan van de derde die de rechtspersoon schade heeft toegebracht, schadevergoeding vorderen, niet de aandeelhouders die daardoor ook zijn benadeeld. Zie HR 2 december 1994, NJ 1995,288 (Poot/ABP), m.nt. Ma.
Bijvoorbeeld, als een bestuurder namens de rechtspersoon verplichtingen is aangegaan op het moment dat deze wist of behoorde te we ten dat die verplichtingen niet meer (geheel) nagekomen konden worden in verband met de slechte financiële toestand van de schuldenaar (de zgn. Beklamel-vordering, zie HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 (Beklamel)); of als de schijn van kredietwaardigheid is gewekt; of als de vordering van de schuldeiser onbetaald is gebleven, gevolgd door het faillissement van de rechtspersoon, door betalingsonwil bij de bestuurder, zie HR 16 september 2005, JOR 2006/52 (De Bont/Bannenberg q.q.), m.nt. S.C.J.J. Kortmann & N.S.G.J. Vermunt.
Dit houdt verband met art. 1 EP, EVRM. Zie HR 21 december 2001, NJ 2005, 95 (Lunderstadt/De Kok I) en HR 21 december 2001, NJ 2005, 96 (Sobi/Hurks II), beide m.nt. S.C.J.J. Kortmann; en HR 16 september 2005, JOR 2006/52 (De Bont/Bannenberg q.q.), m.nt. S.C.J.J. Kortmann & N.S.G.J. Vermunt. Over de vraag wanneer sprake is van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers en wanneer alleen van benadeling van een of meer individuele schuldeisers bestaat discussie. Zie o.a. Van Andel 2006, hoofdstuk 2.
Zie HR 21 december 2001, NJ 2005, 95 (Lunderstadt/De Kok I), m.nt. S.C.J.J. Kortmann.
489. Nauw verwant aan het veroorzaken van een wanprestatie is het benadelen van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. De schuldenaar kan zijn schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadelen doordat hij bijvoorbeeld goederen aan zijn vermogen onttrekt (vgl. art. 3:45 BW, art. 42 e.v. Fw, art. 4:212 BW), één schuldeiser boven de andere schuldeisers begunstigt (vgl. art. 47 Fw) of een nalatenschap verwerpt (vgl. art. 4:205 BW).
De schuldeiser die door een onverplichte rechtshandeling van de schuldenaar in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld, kan de rechtshandeling vernietigen, als de schuldenaar bij het verrichten van de rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn (art. 3:45 lid 1 BW; de 'actio Pauliana').1 De rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak (art. 3:49 BW). De vernietiging heeft slechts relatieve werking (art. 3:45 lid 4 BW). Als een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, kan de rechtbank op zijn verzoek bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft, zal worden vereffend, en kan zij zo nodig een vereffenaar benoemen (art. 4:205 BW; de 'erfrechtspauliana').2 Worden de belangen van een of meer schuldeisers van een erfgenaam door een gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig geschaad, dan kan de rechtsbank op hun verzoek ook een vereffenaar benoemen (art. 4:204 lid 1 sub c BW).3
De schuldeiser kan de derde die bij de benadeling van de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser betrokken is geweest, aansprakelijk stellen op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).4 De mogelijkheid om te vernietigen ex art. 3:45 BW sluit de toepassing van art. 6:162 BW niet uit.5
490. Bespreking van art. 42-47 Fw, art. 2:138/248 BW en de Peeters/Gatzen-vordering kan in deze studie achterwege blijven. In het faillissement van de schuldenaar zijn niet de schuldeisers tot vernietiging van de rechtshandeling bevoegd, maar is de curator van de schuldenaar hiertoe exclusief bevoegd (art. 42-47 Fw).6 Hij oefent zijn bevoegdheden uit ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.7 Zijn de gezamenlijke schuldeisers door een derde benadeeld, dan is de curator met uitsluiting van de gezamenlijke schuldeisers bevoegd om tegen deze derden een schadevergoedingsvordering in te stellen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De curator kan iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk stellen, als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:138/248lid1 BW).8 De curator kan voorts met uitsluiting van de gezamenlijke schuldeisers ook andere derden aanspreken die de gezamenlijke schuldeisers hebben benadeeld (art. 6:162 BW, de zogenaamde 'Peeters/Gatzenvordering'). 9 De bevoegdheid tot vernietiging ex art. 42-47 Fw en de bevoegdheid om genoemde schadevergoedingsvorderingen in te dienen, blijven buiten beschouwing, omdat deze bevoegdheden exclusief aan de curator van de schuldenaar toekomen. Aan de kant van de schuldeiser die de schade heeft geleden, ontbreekt de bevoegdheid daartoe, waardoor ook de vraag achterwege kan blijven of de bevoegdheid aan de stille cedent of de stille cessionaris toekomt. Is overigens alleen een individuele schuldeiser van de gefailleerde door een derde benadeeld,10 dan kan hij in het faillissement van de schuldenaar wél een vordering jegens de derde instellen.11 Bij samenloop tussen de vordering die moet worden ingesteld door de curator en die door de individuele schuldeiser op grond van hetzelfde feitencomplex kan het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement meebrengen dat eerst op de vordering van de curator en dan op die van de individuele schuldeisers wordt beslist.12