Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/9.3.1:9.3.1 De gevolgen van eigenlijke vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/9.3.1
9.3.1 De gevolgen van eigenlijke vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90960:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zij hebben dezelfde rechtsgevolgen ondanks de verschillende benamingen. Wichers 2002, p. 158.
Westermann/Westermann, Gurksy & Eichmann 2011, §52 , nr.16.
Hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.1.2.
Zie hoofdstuk 9, paragraaf 9.2.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eigenlijke vermenging (Vermengungen Vermischung) wordt in het Duitse recht geregeld in §948 BGB.1 Van Vermengung van vaste roerende zaken en van Vermischung van vloeistoffen en gassen is sprake als deze zaken op een zodanige wijze worden verenigd dat zij niet meer gescheiden kunnen worden, zonder dat sprake is van zaaksvorming.2 §948 BGB vereist voor beide gevallen van vermenging dat de zaken untrennbar vermengd zijn. Dit houdt in dat een scheiding van de zaken fysiek onmogelijk of economisch onverantwoord is.3 Een fysieke scheiding is niet mogelijk bij de vermenging van vloeistoffen of gassen. Vaste zaken zijn economisch gezien niet te scheiden, indien de scheiding onevenredig hoge kosten meebrengt. In dit kader dient een afweging te worden gemaakt tussen de kosten voor afscheiding en de aanspraken van de oorspronkelijke eigenaren. Zijn de kosten voor scheiding hoger dan de waarden van de oorspronkelijke zaken, dan is sprake van economische onscheidbaarheid.4
Anders dan bij roerende natrekking is niet vereist dat de zaken wezenlijke bestanddelen worden van de vermengde hoeveelheid. §948 BGB verwijst niet naar §93 BGB. De regeling van vermenging heeft ook een andere strekking:
“§948 BGB ist eine Zuordnungsnorm (…) die anders als §947 BGB nicht die Erhaltung der wirtschaftlichen Einheit bezweckt, sondern die Lösung des Interessenkonflikts zwischen Stoffeigentümern, deren Sachen tatsächlich oder wirtschaftlich untrennbar miteinander vermischt oder vermengt sind.”5
De regeling strekt ertoe om een belangenconflict op te lossen tussen de eigenaren wiens oorspronkelijke zaken zijn vermengd. Dit geschiedt doordat §948 BGB bepaalt dat de oorspronkelijke eigenaren in beginsel mede-eigenaars worden van de door vermenging ontstane eenheidszaak.6
Aan de regels van eigendomstoewijzing bij vermenging ligt, evenals bij natrekking, ten grondslag dat de rechtszekerheid voor bestaande rechten in beginsel moet worden gewaarborgd. Dit is neergelegd in §947 lid 1 BGB dat de hoofdregel vormt bij de eigendomstoewijzing bij vermenging via §948 BGB. Op grond van deze bepalingen worden de aandelen van de oorspronkelijke eigenaren bepaald naar rato van de waarde van de oorspronkelijke zaken op het moment van vermenging.7
Dit geldt ook voor de beperkte rechten op de oorspronkelijke zaken. Zij komen in beginsel te rusten op het met de oorspronkelijke zaak corresponderende aandeel in de mede-eigendom op grond van §949 tweede zin BGB. In de literatuur wordt betoogd dat deze bepaling van overeenkomstige toepassing is op het eigendomsvoorbehoud.8 De leverancier verkrijgt daarom een aandeel in de mede-eigendom onder dezelfde ontbindende voorwaarde als waaronder de oorspronkelijke zaken waren overgedragen.9
Het voorgaande leidt uitzondering indien één van de oorspronkelijke zaken als hoofdzaak wordt aangewezen op grond van de verkeersopvatting. Een zaak is hoofdzaak als de onderdelen gemist kunnen worden zonder dat het wezen van de eenheidszaak zich wijzigt.10 Deze vermenging heeft tot gevolg dat de eigendom van de hoofdzaak de eigendom van de bestanddelen gaat omvatten (§947 lid 2 BGB). Dit betekent voor de leverancier dat zijn eigendomsrecht met betrekking tot de hoofdzaak ook de bestanddelen omvat, of dat hij zijn voorbehouden eigendom op een bestanddeel verliest ten gunste van de eigenaar van de hoofdzaak.11
In het Duitse recht mag, evenals bij natrekking, niet snel worden aangenomen dat één van de zaken de hoofdzaak is.12 Dit geldt zowel bij de vermenging van gelijksoortige als ongelijksoortige zaken. Ook de rechtspraak is erg terughoudend in het aanwijzen van een hoofdzaak.13 De gedachte is dat voorkomen moet worden dat de oorspronkelijke eigenaren snel hun rechten verliezen. Het Duitse recht is op dit punt vergelijkbaar met eigenlijke vermenging van gelijksoortige zaken in het Nederlandse recht waar eveneens terughoudendheid is geboden bij het aanwijzen van een hoofdzaak, omdat dit leidt tot het verlies van recht voor de gerechtigden tot de bestanddelen.14
Daarnaast bestaat in de Duitse literatuur discussie over de vraag of een hoofdzaak kan worden aangewezen bij vermenging van gelijksoortige zaken. Verschillende auteurs menen dat dit niet mogelijk is, omdat bij vermenging van gelijksoortige zaken geen sprake kan zijn van een wezensverandering.15 Een hoofdzaak kan alleen bestaan bij ongelijksoortige zaken. Anderen zijn van oordeel dat de verkeersopvatting als criterium ook toegepast kan worden bij vermenging van gelijksoortige zaken. De verkeersopvatting wijst in dat geval een hoofdzaak aan indien een zaak de andere zaak qua hoeveelheid in grote mate overtreft.16 Aangenomen wordt wel dat sprake moet zijn van een extreem hoeveelheids- of waardeverschil, zodat de bescherming van de eigenaren van de bestanddelen niet noodzakelijk is.17 Op grond van de verkeersopvatting moet worden bepaald of er een dergelijk waardeverschil bestaat.18 Wordt deze tweede stroming gevolgd, dan kan de leverancier zijn voorbehouden eigendom wel verliezen als gevolg van eigenlijke vermenging in tegenstelling tot de eerste situatie. Dit is echter een uitzonderingssituatie, omdat sprake moet zijn van een extreem hoeveelheid- of waardeverschil. Ook bij deze stroming verlengt de voorrangspositie van de leverancier zich dus in beginsel tot een aandeel in de eenheidszaak.