Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.4:3.4 Samenvatting en conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.4
3.4 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583081:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is in kaart gebracht welke invloed twee algemene leerstukken, de rechterlijke onafhankelijkheid en de staatsrechtelijke verhouding tussen rechter en wetgever, uitoefenen ten aanzien van de mogelijkheid tot vaststelling van rechtersregelingen.
De rechterlijke onafhankelijkheid levert in dit kader geen onoverkomelijke belemmeringen op. Hoewel de rechter ook ten opzichte van andere rechters tot op zekere hoogte onafhankelijk dient te zijn, brengt deze vorm van onafhankelijkheid niet mee dat de rechter zich niets behoeft aan te trekken van hetgeen andere rechters beslissen. Integendeel, de rechter is gebonden aan het recht, waarvan de beslissingen van andere rechters een belangrijk deel vormen. De opvatting dat de rechterlijke onafhankelijkheid in de weg staat aan gebondenheid van de rechter aan een rechtersregeling is derhalve onjuist te achten. Wel kan de individuele onafhankelijkheid van de rechter mogelijk bepaalde grenzen aan de (wijze van) vaststelling van rechtersregelingen met zich brengen. Hierop zal in § 5.2 nader worden teruggekomen.
De verhouding tussen rechter en wetgever levert een gecompliceerder beeld op. In algemene zin staat deze staatsrechtelijke verhouding niet aan rechtsvorming door de rechter in de weg. De rechter, zeker de burgerlijke rechter, heeft een belangrijke rechtsvormende taak. Hij kan in voorkomend geval de reeds bestaande rechtsregels nader concretiseren, aanvullen of verfijnen, of zelfs tot de vorming van geheel nieuwe rechtsregels komen. Wel kent de rechtsvormende taak van de rechter grenzen, die bereikt worden daar waar het gaat om afwegingen en keuzen van (rechts)politieke aard. Het zijn echter niet zozeer deze inhoudelijke grenzen die een probleem kunnen opleveren bij rechtersregelingen: het gaat bij dit type regels immers veelal slechts om een nadere invulling van het bestaande recht ten aanzien van onderwerpen waar de wetgever zich niet of nauwelijks mee bezighoudt en die niet het voorwerp van politiek debat vormen. De vaststelling van rechtersregelingen blijkt veeleer op een andere manier de grens met de wetgever in zicht te brengen: de rechter verlaat hierdoor zijn eigenlijke - rechtsprekende - functie en gaat buiten die hoedanigheid over tot de vorming van rechtsregels. Het is de vraag in hoeverre dit geoorloofd moet worden geacht. Aangezien het antwoord op deze vraag echter mede zal afhangen van de juridische status die aan rechtersregelingen wordt toegekend, zal hierop in § 4.5, bij de bespreking van de bindende werking van rechtersregelingen, nader worden ingegaan.