Overwegend ontleend aan par. 6.2 van het arrest van het hof.
HR, 30-01-2026, nr. 24/00082
ECLI:NL:HR:2026:125
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-01-2026
- Zaaknummer
24/00082
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:125, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3511
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1052
ECLI:NL:PHR:2025:1052, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:125
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑06‑2024
- Vindplaatsen
NTS 2026/8
Uitspraak 30‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Martelcontainerzaak. Deelneming aan criminele organisatie die plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en voorhanden hebben van vuurwapens tot oogmerk heeft (art. 140.1 Sr). Ne bis in idem, art. 68 Sr. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM in vervolging t.z.v. deelneming aan criminele organisatie in deze zaak (26Douglasville), nu verdachte eerder in zaak 26Sartell onherroepelijk is veroordeeld voor deelneming aan criminele organisatie. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BM9102 t.a.v. beoordelingskader m.b.t. “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr. Hof heeft bij zijn oordeel over vraag of tll. in deze zaak (26Douglasville) hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr betreft als feit dat is opgenomen in tll. in zaak 26Sartell, het volgende in aanmerking genomen. (i) Juridische aard van beide tlgd. feiten is grotendeels hetzelfde, maar er bestaan 2 belangrijke verschillen. Ten eerste, OM heeft in zaak 26Sartell tll. kennelijk mede (wat betreft daarin genoemde Opiumwetdelicten) toegesneden op art. 11b Opiumwet, zodat in die zaak tlgd. criminele organisatie naar zijn aard andersoortige criminele organisatie is dan in zaak 26Douglasville tlgd. criminele organisatie. Daarnaast is er, gelet op strafmaxima die op feiten zijn gesteld, belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties. (ii) Wat betreft aard van tlgd. gedragingen is allereerst van belang dat criminele organisatie in zaak 26Sartell volgens tll. een organisatie betreft die plegen van (gewoonte)witwassen en Opiumwetdelicten tot oogmerk had, terwijl tll. in zaak 26Douglasville organisatie betreft die plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en voorhanden hebben van vuurwapens tot oogmerk heeft. Daarin komt (in de aan hof voorbehouden uitleg van tll.) als bedoeling van opsteller van tll. tot uitdrukking dat in zaak 26Douglasville aan verdachte deelneming aan andersoortige criminele organisatie wordt verweten dan criminele organisatie in zaak 26Sartell. (iii) Daarnaast is wat betreft aard van tlgd. gedragingen van belang dat tlgd. periodes, pleegplaatsen en groep van deelnemers van tlgd. criminele organisatie aanzienlijk verschillen. Deze verschillen moeten daarbij worden gezien tegen achtergrond van omstandigheden zoals die uit onderzoek naar voren komen en die inhoud van onderscheiden tenlasteleggingen hebben bepaald. Deze omstandigheden houden in dat aanvankelijk sprake was van criminele organisatie die zich uitsluitend bezighield met grootschalige invoer van en handel in cocaïne en witwassen van inkomsten die daaruit voortvloeiden en dat oogmerk van die organisatie alleen daarop was gericht (organisatie waarop zaak 26Sartell betrekking had). Door 2 bijzondere omstandigheden (diefstal van miljoenen aan drugsinkomsten en liquidatie van 1 van leden) is organisatie “vizier gaan verleggen” en is deze zich ook gaan bezighouden met (voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van organisatie en haar deelnemers, onder wie verdachte. Die gedragingen vonden plaats in veel beperktere periode en met grote groep andere deelnemers. O.g.v. deze overwegingen is hof tot oordeel gekomen dat niet sprake is van hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr. V.zv. hof dit oordeel heeft doen steunen op onder (i) genoemde overweging, heeft het miskend dat verdachte in zaak 26Sartell is vervolgd voor (o.m.) deelneming aan criminele organisatie a.b.i. art. 140 Sr en niet voor deelneming aan criminele organisatie a.b.i. art. 11b Opiumwet. Juridische aard van tlgd. in zaak 26Sartell en in deze zaak 26Douglasvillle is in zoverre niet verschillend. Dit leidt echter niet tot cassatie, nu onder (ii) en (iii) genoemde overwegingen ’s hofs oordeel zelfstandig kunnen dragen. Daaruit volgt immers dat deelneming aan de op drugshandel gerichte organisatie waarop tll. in zaak 26Sartell betrekking heeft, en deelneming aan de op plegen van geweld gerichte organisatie waarop tll. in zaak 26Douglasville betrekking heeft, niet in zodanig verband met elkaar staan dat moet worden gesproken van 1 feitencomplex en dat dus sprake is van aanzienlijk verschil in gedragingen van verdachte waarop onderscheiden tenlasteleggingen betrekking hebben. Daaraan doet niet af dat, zoals in die overwegingen van hof tot uitdrukking komt, in deze zaak aanvankelijk sprake was van samenwerkingsverband dat zich uitsluitend bezighield met drugshandel en dat a.g.v. gewijzigde omstandigheden men zich vanuit dit samenwerkingsverband, zij het in gedeeltelijk andere samenstelling, ook ging richten op (voorbereiding van) geweldsdelicten. Zo’n omstandigheid staat er immers niet aan in de weg dat verdachte wordt verweten aan meerdere organisaties a.b.i. art. 140 Sr te hebben deelgenomen, mits in feitelijk opzicht voldoende duidelijk verschil kan worden gemaakt wat betreft misdrijven waarop organisatie oogmerk heeft, en gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met verwezenlijking van dat oogmerk, één en ander zoals omschreven in betreffende tenlasteleggingen. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met HR:2025:1515, HR:2025:1516, HR:2025:1517 en HR:2025:1518 en met 23/05006 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00082
Datum 30 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2023, nummer 23-001422-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en A.A. Boersma bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde feit. Het voert daartoe onder meer aan dat de verdachte voor hetzelfde feit al eerder onherroepelijk is veroordeeld.
De uitspraak van het hof (de zaak 26Douglasville)
2.2.1
Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
“hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht),
- opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht),
- gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht)
- afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht),
- opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of
- het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie).”
2.2.2
Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Primair omdat sprake zou zijn van de vervolging voor een feit (deelneming aan een criminele organisatie) waarvoor de verdachte al eerder is vervolgd en inmiddels onherroepelijk veroordeeld, namelijk door de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van het onderzoek 26Sartell. De vervolging naar aanleiding van het onderzoek 26Douglasville is volgens de verdediging daarom in strijd met het bepaalde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De verdediging heeft aan het verweer – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd:
(i) [verdachte] maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne;
(ii) die organisatie bestond in de kern uit [medeverdachte 10] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 9] en hemzelf;
(iii) [verdachte] is naar aanleiding van het onderzoek 26Sartell vervolgd voor deelneming aan deze criminele organisatie en onherroepelijk veroordeeld;
(iv) [medeverdachte 13] heeft heel veel geld dat met de drugshandel is verdiend gestolen;
(v) [medeverdachte 10] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 8] en [verdachte] hebben geprobeerd dat geld terug te halen wat, mede naar aanleiding van de liquidatie van [medeverdachte 12] (volgens [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 13] ), resulteerde in (voorgenomen) geweld;
(vi) dit is niet gedaan door een andere organisatie maar, in opdracht van [medeverdachte 10] , door (met name) [medeverdachte 8] , die er in zoverre een taak bij kreeg en waarvoor hij zelf een aantal anderen heeft ingeschakeld;
(vii) dit laat onverlet dat de in 26Douglasville ten laste gelegde criminele organisatie bestaat uit dezelfde kerndeelnemers, te weten: [medeverdachte 10] , [medeverdachte 8] en [verdachte] ;
(viii) er zijn bovendien overeenkomstige periodes ten laste gelegd;
(ix) en er is geen verschil in gedragingen van de verdachte op grond waarvan zijn deelneming aan de criminele organisatie kan worden bewezen;
(x) het bewijs is bovendien grotendeels afkomstig uit dezelfde bron, namelijk EncroChat-berichten en is in zowel het dossier 26Sartell als (grotendeels) in het dossier 26Douglasville opgenomen.
Afgezien hiervan dient volgens de raadsman bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr de ratio van de strafbaarstelling van artikel 140 Sr te worden betrokken: de bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties, zonder dat de beoogde misdrijven nader geconcretiseerd zijn (een abstract gevaarzettingsdelict). Voor een bewezenverklaring is dan ook niet vereist dat een verdachte opzet had op één of meer concreet omschreven misdrijven. Bij het bestanddeel deelneming gaat het erom dat de verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en daarin een aandeel heeft, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, het plegen van misdrijven. Hiervoor is [verdachte] volgens de raadsman in 26Sartell al veroordeeld. Dat die criminele organisatie zich, in dezelfde periode en met in de kern dezelfde personen, ook ging bezighouden met geweldsdelicten die bovendien verband hielden met de drugsdelicten, maakt volgens de raadsman niet dat er daarmee een nieuwe organisatie is ontstaan.
Toetsingskader artikel 68 Sr
In artikel 68 Sr is bepaald dat niemand nogmaals kan worden vervolgd voor een feit waarover door een Nederlandse rechter al onherroepelijk is beslist. Over de daarbij aan te leggen maatstaf heeft de Hoge Raad het volgende bepaald (bijv. HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559):
(...)
Juridische aard van de feiten
De verdachte wordt in het onderhavige onderzoek, net als in het onderzoek 26Sartell het geval was, vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. De juridische aard van de beide ten laste gelegde feiten is dus grotendeels dezelfde, maar er zijn twee belangrijke verschillen. In 26Sartell is het oogmerk van de organisatie beperkt tot witwassen en Opiumwetdelicten. Met dat laatste heeft het Openbaar Ministerie kennelijk artikel 11b van de Opiumwet (Ow) ten laste gelegd, een specialis van de ‘gewone’ – en naar zijn aard dus andersoortige – criminele organisatie. In 26Douglasville is het oogmerk van de organisatie beperkt tot een zestal commune feiten, waaronder moord, gijzeling, afpersing in vereniging en zware mishandeling met voorbedachte rade. Op deze commune feiten staat twaalf jaar of meer gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 140, derde lid, Sr is de maximumstraf dan (sinds 1 januari 2020) tien jaar gevangenisstraf, in plaats van zes jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in het eerste lid en acht jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b Ow. In zoverre is er dus ook een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties.
Vervolgens moeten de aard van de gedragingen en de overige omstandigheden van het geval onderzocht worden. Daarbij is eerst van belang hoe de verschillende tenlasteleggingen luiden en wat ten aanzien daarvan het relevante beoordelingskader is.
Tenlastelegging 26Sartell
De verdachte is door de rechtbank Rotterdam op 11 april 2022 veroordeeld voor – samengevat – (feit 1) het medeplegen van de invoer van ongeveer 1.200 kilo cocaïne, (feit 2) het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot invoer van verdovende middelen en (feit 3) deelneming aan een criminele organisatie. De tenlastelegging ten aanzien van feit 3 luidt:
“(zaaksdossier […] , art. 140 Sr)
hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020,
- te [plaats] en/of althans (elders) in Nederland; en/of
- te [plaats] en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje; en/of
- te [plaats] althans (elders) in Italië;
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a, eerste lid Opiumwet.”
Tenlastelegging 26Douglasville
Voor het gemak geeft het hof hieronder nogmaals de onderhavige tenlastelegging weer:
“hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht),
- opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht),
- gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht),
- afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht),
- opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of
- het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie)”.
(...)
Aard van de gedragingen
Vastgesteld kan worden dat de gedragingen van de verdachte in de tenlasteleggingen niet nader zijn omschreven, anders geformuleerd: waar de deelneming door de verdachte uit heeft bestaan. Hiervan zal dus moeten blijken uit de bewijsmiddelen. Bij de beoordeling van de aard van de ‘gedraging van de verdachte’ is van belang dat het in dit geval niet uitsluitend gaat om een specifieke gedraging van de verdachte zelf, maar zijn vanwege de aard van de strafbaarstelling bij de beoordeling ook de ‘gedragingen’ van de criminele organisatie van belang. Dat zal nader worden toegelicht.
Voor het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, moeten worden vastgesteld dat:
(i) sprake is geweest van een organisatie;
(ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven;
(iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Bij onderdeel (ii) geldt dat het niet noodzakelijk is dat de door de organisatie beoogde misdrijven al zijn gepleegd. Het is in beginsel zelfs niet relevant welk soort misdrijven door de organisatie wordt beoogd, als het maar gaat om misdrijven en niet om overtredingen. De beoogde misdrijven hoeven dan ook, zoals door de verdediging is benadrukt, niet nader te worden geconcretiseerd in de tenlastelegging. Dat betekent echter niet dat het Openbaar Ministerie er ook niet voor mag kiezen om de beoogde misdrijven te specificeren in de tenlastelegging om in zoverre het oogmerk van de ten laste gelegde criminele organisatie te begrenzen. De tenlastelegging krijgt dan een meer ‘accessoir karakter’. Het standpunt van de verdediging dat de wetsgeschiedenis zich hiertegen verzet, deelt het hof niet. Dat is niet uitdrukkelijk als bedoeling van de wetgever geformuleerd en bovendien in strijd met het volgende.
Soms zal het Openbaar Ministerie namelijk moeten specificeren en dus begrenzen. Dat volgt om te beginnen uit de wettelijke systematiek, waar in aanvulling op de deelname aan de ‘algemene’ criminele organisatie (artikel 140 Sr) ook de deelname aan de terroristische organisatie (artikel 140a Sr) en de deelname aan de criminele Opiumwetorganisatie (artikel 11b Ow) strafbaar zijn gesteld. De deelname aan deze organisaties kan naast elkaar, zoals bij herhaling gebeurt bij 140 Sr- en 11b Ow-organisaties, maar ook afzonderlijk ten laste worden gelegd. Bij dergelijke vervolgingen moeten de misdrijven waarop het oogmerk van de organisaties is gericht logischerwijs nader worden omschreven. Dat zelfde geldt in het geval het Openbaar Ministerie een verdachte wil vervolgen, zoals hiervoor onder het kopje ‘Juridische aard van de feiten’ is toegelicht voor deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van feiten waarop twaalf jaar of meer gevangenisstraf staat (artikel 140, derde lid, Sr). Ook dan zal het oogmerk dus nader gespecificeerd moeten worden door in de tenlastelegging te vermelden welke misdrijven de organisatie beoogde te plegen.
De vraag is dan of zodanige begrenzing, als die bij een eerste vervolging (tenlastelegging) wordt aangebracht, ertoe kan leiden dat de verdachte, bij gelegenheid van een tweede vervolging, de deelname aan (min of meer) dezelfde criminele organisatie, maar die andere misdrijven tot oogmerk heeft, ten laste kan worden gelegd.
Die vraag moet in zijn algemeenheid bevestigend worden beantwoord. In de eerste plaats omdat ten opzichte van een vervolging voor overtreding van artikel 140 Sr de overtreding van artikel 140a Sr of artikel 11b Ow in elk geval wettelijk gezien een ander strafbaar feit oplevert.
In de tweede plaats is van belang dat de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht weliswaar niet op de tenlastelegging behoeven te worden gespecificeerd, maar dat het oogmerk wel uit de bewijsvoering moet blijken. In het dossier dat het Openbaar Ministerie aan de rechter presenteert, waartegen de verdachte zich ter terechtzitting verweert en waaraan de rechter vervolgens zijn bewijsmiddelen ontleent zullen de beoogde misdrijven in enige mate moeten zijn geconcretiseerd, al was het maar om vast te kunnen stellen dát het om misdrijven gaat. Het zijn ook enkel die (voorgenomen) misdrijven die de rechter bij het bepalen van de strafmaat kan betrekken. Het zou voor de vervolging van criminele organisaties die in de loop van de tijd het criminele vizier, al dan niet deels, hebben verlegd praktisch zeer bezwaarlijk, en maatschappelijk onwenselijk, zijn wanneer bij een vervolging – als de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven – geen scheiding zou mogen worden aangebracht in de door de criminele organisatie beoogde misdrijven.
In dat verband is van belang dat volgens de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 10] de criminele organisatie waaraan [verdachte] heeft deelgenomen het vizier daadwerkelijk is gaan verleggen. Er was naar eigen zeggen aanvankelijk enkel een drugsorganisatie en ‘die was niet van het geweld’. [medeverdachte 10] zou daar zelfs om bekend hebben gestaan; om die reden zou de groep lange tijd uit handen van justitie hebben kunnen blijven. Dat de groep eerder niet van geweld was volgt volgens de verdediging ook uit EncroChat-berichten. In de woorden van de verdediging: geweld was dus nieuw voor de organisatie.
De opsteller van de tenlasteleggingen in 26Sartell en 26Douglasville heeft deze ontwikkeling duidelijk aangebracht: de criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell betreft blijkens de tenlastelegging een organisatie die tot oogmerk had het plegen van (gewoonte)witwassen en Opiumwetdelicten. In het onderzoek 26Douglasville gaat het om een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en het voorhanden hebben van vuurwapens. In zoverre is duidelijk dat de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging is geweest om in het onderzoek 26Douglasville aan de verdachte deelname aan een andersoortige criminele organisatie te verwijten dan de criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell. De officier van justitie heeft dit ook nadrukkelijk ter terechtzitting in zowel 26Sartell als in 26Douglasville benoemd. Bovendien vindt dit steun in de wijze waarop de overige strafrechtelijke verwijten, en de samenhang hiervan met de criminele organisatie, op de beide tenlasteleggingen zijn opgenomen. In het onderzoek 26Sartell is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij als medepleger (feit 1) cocaïne heeft ingevoerd en (feit 2) de invoer van verdovende middelen heeft voorbereid, waarna (feit 3) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van (onder meer) deze delicten. In het onderzoek 26Douglasville is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij onder (feit 1) als medepleger verschillende geweldsdelicten heeft voorbereid, waarna (feit 2) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van wederom (onder meer) deze delicten. Dat [verdachte] van feit 1 door de rechtbank is vrijgesproken, is in dit verband voor de beoordeling niet van belang.
Wel van belang is verder dat de ten laste gelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers aan de beide criminele organisaties weliswaar deels overeenkomen, maar niet dezelfde zijn of beter gezegd: behoorlijk verschillen. Dat een verdachte niet bekend hoeft te zijn met alle deelnemers van een organisatie, doet daar niet aan af. En de omstandigheid dat het bewijs voor de beide criminele organisaties in belangrijke mate uit dezelfde bron, te weten EncroChat-data, afkomstig is, is in het licht van de maatstaf die bij deze beoordeling wordt aangelegd evenmin relevant.
Tussenconclusie
Het voorgaande houdt samengevat in dat het Openbaar Ministerie een begrenzing mag aanbrengen in de vervolging voor deelneming aan een criminele organisatie door het oogmerk van die organisatie te beperken tot meer specifiek omschreven misdrijven. Dit staat onder omstandigheden een tweede vervolging voor deelneming aan (min of meer) dezelfde organisatie niet in de weg voor zover het oogmerk van die organisatie is beperkt tot andere specifiek omschreven misdrijven. Een andere uitleg zou tot de ongerijmde uitkomst leiden dat bij de vervolging van een verdachte voor de deelname aan een criminele organisatie, het door de organisatie gewijzigde oogmerk – tot uitdrukking komend in andersoortige strafbare feiten waarop het vizier werd gericht – niet meer betrokken zouden kunnen worden in een tweede vervolging, ook niet als die wijziging pas later bekend wordt, bijvoorbeeld nadat een encryptietelefoon is gekraakt. Deze uitkomst kan niet als juist worden aanvaard.
Van deze omstandigheden is in dit geval sprake. Uit het voorgaande volgt immers dat de verdachte aanvankelijk slechts deelnemer was van een criminele organisatie die zich uitsluitend bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de inkomsten die daaruit voortvloeiden. In zoverre was het oogmerk van die organisatie enkel daar op gericht. Door twee bijzondere omstandigheden, te weten de diefstal van miljoenen drugsinkomsten en de liquidatie van één van de leden, is de organisatie zich ook gaan bezig houden met (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde een nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van de organisatie en haar deelnemers, waaronder [verdachte] . En die gedragingen vonden plaats in een veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers. In zoverre staan de gedragingen die waren gericht op de drugshandel en de gedragingen die waren gericht op het plegen van geweld niet in zodanig verband met elkaar dat moet worden gesproken van één feitencomplex. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de organisatie zozeer van karakter wijzigde dat gesproken moet worden van een andere organisatie in de zin van artikel 140 Sr.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de juridische aard van de feiten en de aard van de gedragingen is het hof van oordeel dat de tenlastelegging in 26Douglasville niet hetzelfde feit, in de zin van artikel 68 Sr, betreft als opgenomen in de tenlastelegging van 26Sartell. In zoverre wordt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verworpen.”
2.2.3
Het hof heeft het onder 2 tenlastegelegde bewezenverklaard zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2. Het hof heeft dat feit gekwalificeerd als “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en bij de toepasselijke wettelijke voorschriften artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aangehaald.
De uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de zaak 26Sartell)
2.3.1
Het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2022 in de strafzaak tegen de verdachte met parketnummer 10-960124-20 is – gedeeltelijk – weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 en is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBROT:2022:2795. Aan de verdachte was in die zaak (26Sartell) onder 3 tenlastegelegd dat:
“(zaaksdossier Barca, art. 140 Sr)
hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020,
- te [plaats] en/of althans (elders) in Nederland; en/of
- te [plaats] en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje; en/of
- te [plaats] althans (elders) in Italië;
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a, eerste lid Opiumwet.”
2.3.2
Daarvan is door de rechtbank bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020,
- te [plaats] en/of althans (elders) in Nederland; en
- te [plaats] en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje;
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en [medeverdachte 10] en/of een of meer andere personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet.”
De rechtbank heeft dit feit gekwalificeerd als “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en heeft bij de toepasselijke wettelijke voorschriften artikel 140 Sr aangehaald.
Juridisch kader
2.4
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 68 lid 1 Sr:
“Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.”
- Artikel 140 lid 1 Sr:
“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
- Artikel 11b lid 1 (oud) van de Opiumwet:
“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde, vierde en vijfde lid, of 11a, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.5
Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.)
2.6.1
Het hof heeft bij zijn oordeel over de vraag of de tenlastelegging in deze zaak – 26Douglasville – hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr betreft als het feit dat is opgenomen in de tenlastelegging in de zaak 26Sartell, het volgende in aanmerking genomen.(i) De juridische aard van de beide tenlastegelegde feiten is grotendeels hetzelfde, maar er bestaan twee belangrijke verschillen. Ten eerste, het openbaar ministerie heeft in de zaak 26Sartell de tenlastelegging kennelijk mede – dat wil zeggen: wat betreft de daarin genoemde Opiumwetdelicten – toegesneden op artikel 11b Opiumwet, zodat de in die zaak tenlastegelegde criminele organisatie een naar zijn aard andersoortige criminele organisatie is dan de in de zaak 26Douglasville tenlastegelegde criminele organisatie. Daarnaast is er, gelet op de strafmaxima die op de feiten zijn gesteld, een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties.(ii) Wat betreft de aard van de tenlastegelegde gedragingen is allereerst van belang dat de criminele organisatie in de zaak 26Sartell volgens de tenlastelegging een organisatie betreft die het plegen van (gewoonte)witwassen en Opiumwetdelicten tot oogmerk had, terwijl de tenlastelegging in de zaak 26Douglasville een organisatie betreft die het plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en het voorhanden hebben van vuurwapens tot oogmerk heeft. Daarin komt – in de aan het hof voorbehouden uitleg van de tenlastelegging – als de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging tot uitdrukking dat in de zaak 26Douglasville aan de verdachte deelneming aan een andersoortige criminele organisatie wordt verweten dan de criminele organisatie in de zaak 26Sartell.(iii) Daarnaast is wat betreft de aard van de tenlastegelegde gedragingen van belang dat de tenlastegelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers van de tenlastegelegde criminele organisatie aanzienlijk verschillen. Deze verschillen moeten daarbij worden gezien tegen de achtergrond van de omstandigheden zoals die uit het onderzoek naar voren komen en die de inhoud van de onderscheiden tenlasteleggingen hebben bepaald. Deze omstandigheden houden in dat aanvankelijk sprake was van een criminele organisatie die zich uitsluitend bezighield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de inkomsten die daaruit voortvloeiden en dat het oogmerk van die organisatie alleen daarop was gericht (de organisatie waarop de zaak 26Sartell betrekking had). Door twee bijzondere omstandigheden, te weten de diefstal van miljoenen aan drugsinkomsten en de liquidatie van één van de leden, is de organisatie “het vizier gaan verleggen” en is deze zich ook gaan bezighouden met (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde een nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van de organisatie en haar deelnemers, onder wie de verdachte. Die gedragingen vonden plaats in een veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers.
2.6.2
Op grond van deze overwegingen is het hof tot het oordeel gekomen dat niet sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr.
2.7.1
Voor zover het hof dit oordeel heeft doen steunen op de onder (i) genoemde overweging, heeft het miskend dat de verdachte in de zaak 26Sartell is vervolgd voor (onder meer) deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr en niet voor deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11b Opiumwet. De juridische aard van het tenlastegelegde in de zaak 26Sartell en in deze zaak 26Douglasvillle is in zoverre niet verschillend. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
2.7.2
Dit leidt echter niet tot cassatie, nu de onder (ii) en (iii) genoemde overwegingen het oordeel van het hof zelfstandig kunnen dragen. Daaruit volgt immers dat de deelneming aan de op drugshandel gerichte organisatie waarop de tenlastelegging in de zaak 26Sartell betrekking heeft, en de deelneming aan de op het plegen van geweld gerichte organisatie waarop de tenlastelegging in de zaak 26Douglasville betrekking heeft, niet in zodanig verband met elkaar staan dat moet worden gesproken van één feitencomplex en dat dus sprake is van een aanzienlijk verschil in de gedragingen van de verdachte waarop de onderscheiden tenlasteleggingen betrekking hebben. Daaraan doet niet af dat, zoals in die overwegingen van het hof tot uitdrukking komt, in deze zaak aanvankelijk sprake was van een samenwerkingsverband dat zich uitsluitend bezighield met drugshandel en dat als gevolg van gewijzigde omstandigheden men zich vanuit dit samenwerkingsverband, zij het in een gedeeltelijk andere samenstelling, ook ging richten op (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Zo’n omstandigheid staat er immers niet aan in de weg dat een verdachte wordt verweten aan meerdere organisaties in de zin van artikel 140 Sr te hebben deelgenomen, mits in feitelijk opzicht een voldoende duidelijk verschil kan worden gemaakt wat betreft de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk heeft, en de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van dat oogmerk, één en ander zoals omschreven in de betreffende tenlasteleggingen.
2.8
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.9
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans, T.B. Trotman, R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2026.
Conclusie 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Martelcontainerzaak (samenhang met 23/04982, 23/05005, 23/05052 en 23/05054). Deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Middel klaagt onder meer over verwerping verweer dat OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van art. 68 Sr. Oordeel hof dat geen sprake is van hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr is niet zonder meer begrijpelijk en getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00082
Zitting 30 september 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 20 december 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001422-22) voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/04982, 23/05005, 23/05052 en 23/05054. In die zaken heb ik op 8 juli 2025 geconcludeerd.
1.3
Het cassatieberoep is op 3 januari 2024 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, en A.A. Boersma, advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd over de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegen schending van art. 68 Sr, althans dat sprake is van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans dat toepassing moet worden gegeven aan art. 55 of 56 Sr.
1.4
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel slaagt en dat de zaak moet worden teruggewezen naar het hof Amsterdam.
2. Korte schets van de zaak
De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich onder leiding van [medeverdachte 1] bezighield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne. In die organisatie was de verdachte de rechterhand van [medeverdachte 1] . De groep bestond naast [medeverdachte 1] en de verdachte (onder andere) uit [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en na de aanhouding van die laatste, [medeverdachte 2] . Met de drugshandel werd veel geld verdiend. Het ging mis toen één van de leden van de groepering, [medeverdachte 3] , zich een bedrag van ongeveer 85 miljoen euro had toegeëigend. Geprobeerd is dat geld bij hem terug te halen. Nadat [medeverdachte 3] ‘in de stoel heeft gezeten’ is ongeveer 22,5 miljoen euro terugbetaald. Tot verdere terugbetaling is het nooit gekomen. [medeverdachte 3] zou uit wraak een oude groepsgenoot, [medeverdachte 4] , hebben laten doodschieten. Het conflict over het met drugshandel verkregen geld heeft er onder andere toe geleid dat de leiding van de organisatie in Wouwse Plantage een complex heeft laten inrichten met een aantal cellen en een ruimte om mensen te martelen.1.
Het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie heeft in de opsporing en de vervolging een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de drugs- en de witwasfeiten (26Sartell) en anderzijds de geweldsfeiten (26 Douglasville). De drugs- en witwasfeiten zijn vervolgd bij de rechtbank Rotterdam, de geweldsfeiten bij de rechtbank Amsterdam. Bij beide vervolgingen prijkten op de tenlastelegging het misdrijf deelnemen aan een criminele organisatie (art. 140 Sr).2.
De verdachte is op 11 april 2022 door de rechtbank Rotterdam voor een tweetal drugsdelicten en voor het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten (gewoonte)witwassen en/of opiumwetdelicten als bedoeld in art. 10 lid 3, 4 en 5 en/of art. 10a lid 1 Opiumwet) veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar. Die veroordeling is onherroepelijk.
Exact een maand later, op 11 mei 2022, is de verdachte door de rechtbank Amsterdam (enkel) voor het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (als moord, zware mishandeling met voorbedachten rade en gijzeling) veroordeeld tot een gevangenisstraf van eveneens acht jaar. In hoger beroep is hem voor dat feit een gevangenisstraf opgelegd van zeven jaar. Door de verdediging is onder meer het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de strafvervolging voor art. 140 Sr, omdat hij voor datzelfde feit al is vervolgd voor de rechtbank Rotterdam. Dat verweer is niet gehonoreerd en daarover wordt in cassatie geklaagd.
3. De tenlastelegging en de bewezenverklaring in de onderhavige strafzaak (onderzoek 26Douglasville)
3.1
Aan de verdachte is in de onderhavige strafzaak tenlastegelegd dat:
“hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te Capelle aan den IJssel, Den Haag, Nieuwegein, Rotterdam, Schiedam, Utrecht, Wouw, Wouwse Plantage en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 14] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht),
- opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht),
- gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht),
- afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht),
- opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of
- het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie).”
3.2
Daarvan heeft het hof Amsterdam bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2020 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 14] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht),
- opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht),
- gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht),
- afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht),
- opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en
- het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie)”
Het hof heeft het feit gekwalificeerd als “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en heeft bij de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 140 Sr aangehaald.
4. De tenlastelegging en de bewezenverklaring in de onherroepelijke strafzaak (onderzoek 26Sartell)
4.1
De verdachte is voor de Rotterdamse rechtbank vervolgd voor 1. het medeplegen van de invoer van ongeveer 1.200 kilo cocaïne, 2. het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van verdovende middelen en 3. deelneming aan een criminele organisatie. De tenlastelegging ten aanzien van feit 3 luidt dat
“(zaaksdossier Barca, art. 140 Sr)
hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020,
- te Rotterdam en/of althans (elders) in Nederland; en/of
- te Barcelona en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje; en/of
- te Milaan althans (elders) in Italië;
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 16] en/of een of meer andere personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a, eerste lid Opiumwet.”
4.2
De rechtbank Rotterdam heeft in haar vonnis van 11 april 2022 alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten bewezen verklaard. De bewezenverklaring voor feit 3 luidt als volgt:
“hij in de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020,
- te Rotterdam en/of althans (elders) in Nederland; en
- te Barcelona en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje;
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en [medeverdachte 1] en/of een of meer andere personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a, eerste lid Opiumwet.”
De rechtbank heeft deze bewezenverklaring gekwalificeerd als “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en heeft bij de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 140 Sr aangehaald.
5. De in de onderhavige zaak (26Douglasville) gevoerde verweren en de daarop gegeven respons
5.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt wat betreft de zitting van 1 november 2023 onder meer het volgende in:
“De raadsman van de verdachte [verdachte] deelt mee:
Mijn cliënt heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (…). Ik ga bij mijn pleidooi opnieuw een artikel 68 Sr-verweer voeren en subsidiair zal ik een verweer gericht op eendaadse samenloop voeren. Er is door het Openbaar Ministerie een knip gemaakt bij de artikel 140 Sr-verdenking en zij hebben dit feit accessoir gemaakt aan het gronddelict, maar er is sprake van één verhaal. De berichten van Mysticsteak [A-G: dit is de verdachte [verdachte] ] die in het dossier in Douglasville zitten zijn ook te vinden in het dossier in de zaak Sartell. In zowel het requisitoir in Douglasville als het requisitoir in Sartell wordt naar elkaar verwezen.”
5.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de verdachte op de zitting van 13 november 2023 de verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. In zijn pleidooi heeft de raadsman het op de zitting van 1 november 2023 aangekondigde art. 68 Sr-verweer uitvoerig onderbouwd. Zonder het pleidooi van de raadsman tekort te willen doen, heb ik mij omwille van de omvang en de leesbaarheid van deze conclusie beperkt tot het citeren uit de pleitnota. Hierin is onder meer het volgende te lezen:3.
“1. INLEIDING
1.1.
[verdachte] is twee keer aangehouden, twee keer vervolgd, twee keer in voorlopige hechtenis gegaan, en uiteindelijk twee keer veroordeeld. Dit alles voor één verhaal, één constellatie van ontwikkelingen, één feitencomplex en één en hetzelfde strafbare feit: deelname aan een criminele organisatie.
(…)
1.5.
Het gaat niet om de concreet beoogde misdrijven van de organisatie. Die hoeven ook helemaal niet te worden opgenomen in de tenlastelegging (…). Dat is ook de reden dat deelnemers van dergelijke organisaties part noch deel hoeven te hebben gehad in die concrete beoogde misdrijven. Sterker nog, het is niet eens nodig dat de deelnemers wetenschap hadden van de concreet beoogde misdrijven van de organisatie.
1.6.
Het gaat ook niet om de deelnemers. Het is niet nodig dat alle deelnemers contact met elkaar hebben. Zij hoeven niet eens weet te hebben gehad van elkaars bestaan. Deelnemers kunnen komen en gaan. (…). Het enige wat nodig is, is dat de organisatie een vaste kern heeft die een bepaalde duurzaamheid vertoont.
1.7.
Waar het in essentie om gaat is dat men heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (meervoud). De opzet van de deelnemer ziet op de deelneming aan de criminele organisatie, niet op de beoogde misdrijven van die organisatie. Dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven, en welke dat dan precies zijn, moet blijken uit de bewijsvoering – niet uit de tenlastelegging.
1.8.
Wat zien we nu in 26Sartell en 26Douglasville? Twee strafrechtelijke onderzoeken. Beide onder leiding van het Landelijk Parket. Twee vervolgingen voor deelname aan een criminele organisatie. Beide onderzoeken staan bol van waar het zogenaamd niet over zou moeten gaan: 26Sartell is gelardeerd met bevindingen over (voorgenomen) geweld, meer specifiek de martelcontainters; 26Douglasville is gelardeerd met bevindingen over invoer en handel van verdovende middelen en witwassen. Beide onderzoeken maken veelvuldig gebruik van elkaars bevindingen (126dd SV).
(…)
1.9.
Twee tenlastegelegde organisaties, met dezelfde kerndeelnemers, dezelfde rollen van die kerndeelnemers, in overeenkomstige periodes en met overlappende bewijsmiddelen. En dat – ik zei het al – voor één verhaal. En dat er sprake is van één verhaal volgt niet alleen uit de verklaringen van onder andere [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het volgt ook – zoals zal blijken – uit de onderliggende zaaksdossiers, requisitoiren en vonnissen.
1.10.
De feiten zijn heel simpel. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] (hierna: A1) en [medeverdachte 4] maakten – samen met anderen – deel uit van een groep. Een groep die bezig was met de invoer en handel van drugs en alles wat daarbij komt kijken. Er werd geld verdiend. Geld dat door A1 werd gestolen, en geld dat terug moest. A1 splitste zich logischerwijs af van de groep, en de personen die resteerden, [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , hebben dat geld geprobeerd terug te halen. Dat laatste is – op z’n zachtst gezegd – gruwelijk uit de hand is gelopen.
(…)
1.15.
Het conflict waar 26Douglasville op ziet, is ontstaan in 26Sartell. Het geld dat is gestolen, is verdiend in 26Sartell, en het geld waarmee het (voorgenomen) geweld in 26Douglasville is bekostigd, komt ook weer uit de werkzaamheden in 26Sartell.
Voorzitter, leden van het Hof, de cirkel is rond. Geld verdiend met drugs, geld gestolen, geld proberen terug te halen met geld dat weer is verdiend met drugs. En dat allemaal door steeds dezelfde kerndeelnemers in overeenkomstige periodes. Waarbij die kerndeelnemers ook nog eens dezelfde rollen vervulden. [medeverdachte 1] als baas en [verdachte] als ‘rechterhand’ – die kwalificatie kreeg hij wederom in het requisitoir van de Advocaten-Generaal, maar [dat] zullen we nog veel, veel vaker terug zien.
1.16.
Het Openbaar Ministerie heeft desondanks in één feitencomplex een knip gezet. Bij 26Sartell gaat het volgens het Openbaar Ministerie om drugs, en bij 26Douglasville gaat het om (voorgenomen) geweld. De gezette knip is niet alleen een onjuiste weerspiegeling van de feiten, het zorgt er ook voor dat het zicht van de verdediging en u, de feitenrechter, op het grotere plaatje wordt ontnomen.
1.17.
En juridisch is het ook onjuist. Niet alleen wordt met de wijze van inrichting een juridische diversificatie aangebracht in één feitencomplex, maar daarbij wordt artikel 140 Sr ook nog eens accessoir gemaakt aan de – ik noem het even: – gronddelicten, terwijl het bij artikel 140 Sr niet om de gronddelicten gaat, maar om de bescherming van de openbare orde.
[verdachte] heeft in 26Douglasville ook geen betrokkenheid bij de gronddelicten. (…) Het gaat om de deelname door [verdachte] aan de organisatie, niet om zijn deelname aan de concreet beoogde misdrijven van die organisatie.(…).
(…)
1.21.
Bedenkt u zich daarbij ook dat artikel 140 Sr een voortdurend delict is. (…)
De Encrochat-gesprekken gaan – zo zal blijken – met vaak dezelfde personen ((kern)deelnemers) over van drugs naar (voorgenomen) geweld, van witwassen naar wapens, weer terug naar drugs, etc. Vaak zelfs in hetzelfde gesprek. (…).
(…)
Vonnis 26Sartell: [verdachte] was de ‘rechterhand’ van [medeverdachte 1] , [verdachte] was dagelijks met [medeverdachte 1] en aanwezig bij belangrijke afspraken, [verdachte] was verantwoordelijk voor het beheer van de administratie en de contante gelden van de organisatie.
Vonnis 26Douglasville: [verdachte] was de ‘rechterhand’ van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 1] waren regelmatig in elkaars nabijheid en hadden samen afspraken met derden, [verdachte] had veelvuldig contact met [medeverdachte 1] , [verdachte] was verantwoordelijk voor de opslag van grote geldbedragen binnen de organisatie.
2. Artikel 140 SR
(…)
Nieuwe organisatie?
2.15.
Kijkend naar de ratio en bestanddelen van artikel 140 Sr kan (…) niet gesteld worden dat er in 26Douglasville sprake is van een nieuwe organisatie. De kern is hetzelfde, het oogmerk blijft hetzelfde (plegen van misdrijven), de periodes zijn overeenkomstig, etc. Dat [medeverdachte 2] een nieuwe taak heeft gekregen, en daar mensen heeft bijgehaald, maakt (…) niet dat er kan worden gesteld dat er sprake is van een nieuwe organisatie.
(…)
3. ÉÉN FEITENCOMPLEX, TWEE ZAKEN
(…)
Onderzoek 26Sartell, meer specifiek zaaksdossier Barca
(…)
Vonnis 26Sartell
3.16.
Bewezen is verklaard dat [verdachte] in de periode 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
3.17.
De Rechtbank Rotterdam beschrijft [verdachte] als ‘personal asistant/chauffeur/rechterhand’ van [medeverdachte 1] . In opdracht van [medeverdachte 1] regelde [verdachte] ‘van alles’, waaronder bijvoorbeeld het regelen van telefoons, het voeren van onderhandelingen, verkoop van verdovende middelen (onder andere door contact te hebben met [medeverdachte 2] ) betalingen aan leveranciers, en dat de administratie van de organisatie klopt. Ook volgt dat [verdachte] binnen het CSV verantwoordelijk is voor het beheer van de (contante) gelden van het CSV.
3.18.
Het bewijs ter zake [verdachte] is met name gebaseerd op Encrochat-berichten, maar ook observaties spelen daarin een rol. Ik zei het al: ook de observaties van 1 en 3 juni 2020.
(…)
26Douglasville
(…)
Vonnis 26Douglasville
3.28.
Tot slot het vonnis 26Douglasville. Bewezen is verklaard dat [verdachte] zich in de periode 29 maart 2020 tot en met 22 juni 2020 schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.
3.29.
Volgens het vonnis was [verdachte] veelvuldig samen met [medeverdachte 1] , zette hij in opdracht van hem opdrachten uit bij anderen en was hij betrokken bij de gelden van de organisatie.
(…)
3.31.
Ter zake de deelname van [verdachte] is de bewijsvoering gebaseerd op twee punten. Enerzijds Encrochat-berichten, anderzijds de observaties van onder meer 1 en 3 juni 2020. Voorzitter, leden van het Hof, die observaties kennen we. Die worden namelijk ook in 26Sartell aangehaald, maar dan – u raadt het al – ter onderbouwing van het bestaan van de organisatie 26Sartell, en de deelname daaraan door [verdachte] .
3.32.
En ook de Encrochat-berichten kennen we. Die zitten – zoals gezegd – allemaal in 26Sartell. Uit het requisitoir van de Advocaten-Generaal blijkt dat zij zich aansluiten bij de Encrochat-berichten die de Rechtbank in het vonnis heeft aangehaald. Zoals ik al zei, lopen de Encrochat-berichten van 26Sartell en 26Douglasville dwars door elkaar heen. Dat geldt ook voor de berichten die de Rechtbank Amsterdam in haar vonnis heeft aangehaald. Ik benoem enkele daarvan.
(…)
3.33.
Relevant is dat de Rechtbank enkel bewijs heeft gezien voor contact met de deelnemers [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 14] en [medeverdachte 1] . En nu juist met die personen had hij ook contact in 26Sartell.
(…)
3.35.
Voorzitter, leden van het Hof, er zijn overeenkomsten te over:
Zelfde feit. Zelfde kerndeelnemers. Zelfde duurzaamheid. Zelfde bewijsmiddelen. Zelfde deelneming. Zelfde gedragingen. Overeenkomstige periode.
4. FORMEEL VERWEER: OPENBAAR MINISTERIE NIET-ONTVANKELIJK
4.1.
Het formele verweer huist op twee gronden. Strijd met artikel 68 Sr en strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
(…)
Aard en de kennelijke strekking van de gedragingen
4.8.
De aard en de kennelijke strekking van de gedragingen is een en hetzelfde. Voor wat betreft de aard: zowel in 26Sartell als in 26Douglasville is [verdachte] de ‘rechterhand’ van [medeverdachte 1] . In opdracht van [medeverdachte 1] doet hij ‘van alles’, waaronder het uitzetten van opdrachten van anderen, beheer van de administratie, het beheer van de (contante) gelden(stashes), omgang met [medeverdachte 1] , contact met [medeverdachte 1] , etc.
4.9.
Voorzitter, artikel 140 Sr is een ruim delict, waaronder veel uiteenlopende gedragingen kunnen vallen. Maar de gedragingen van [verdachte] zijn niet anders. Zowel de zaaksdossiers, de requisitoiren en vonnissen spreken over dezelfde soort gedragingen. Soms letterlijk dezelfde gedraging (contact met [medeverdachte 1] , administratie en geldstashes). Maar ook de gedraging van [verdachte] door het uitzetten van opdrachten bij anderen, valt onder gedragingen die bewezen zijn verklaard in 26Sartell ( [verdachte] regelt ‘van alles’).
4.10.
De strekking van de gedragingen is, bezien tegen de achtergrond van de strafbaarstelling van artikel 140 Sr, ook hetzelfde. Namelijk gedragingen die zien op het deelnemen aan de organisatie. Nogmaals: geen gedragingen die zien op de deelname van de beoogde misdrijven, daar gaat het niet om.
De tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder
4.11.
De gedragingen hebben alle plaatsgehad in dezelfde tenlastegelegde periode. En zijn gebaseerd op hetzelfde bewijs: Encrochat-berichten en observaties. In de zaaksdossier, requisitoiren en vonnissen, zien we ook terug dat het bewijs voor het bestaan van de organisaties, de duurzaamheid daarvan en de deelneming door [verdachte] met name zijn gestoeld op de periode 27 maart - 22 juni 2020.
4.12.
Zoals we hebben gezien zijn de gedragingen niet alleen gelijk(soortig), maar vinden ze ook gelijktijdig plaats (voortdurend delict). Soms zelfs op dezelfde dag, in hetzelfde gesprek, met dezelfde (kern)deelnemers ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] ). Nogmaals: de Rechtbank heeft in 26Douglasville overwogen dat [verdachte] enkel contact heeft gehad met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 14] en [medeverdachte 2] . Niet met de overige deelnemers.
(…)
Europese jurisprudentie ne bis in idem
4.20.
Uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat het Hof bij de beoordeling van ne bis in idem meer oog heeft voor de feiten, waaronder de gedragingen van de verdachte, dan voor de juridische kwalificatie en strafmaxima. Het EHRM heeft in de zaak Zolotukhin onder meer het volgende overwogen:
"The Court’s inquiry should therefore focus on those facts which constitute a set of concrete factual circumstances involging the same defendant and inextricably linked together in time and space, the existence of which must be demonstrates in order to secure a conviction or institute criminal proceedings.”(…)
4.22.
En ook het Europese Hof van Justitie kijkt meer naar de feiten. In de zaak Van Ebsroeck, dat – kort gezegd – ging over een vervolging in België voor de export van verdovende middelen nadat de verdachte voor diezelfde partij drugs al was veroordeeld voor import, maar dan in Noorwegen. Het Hof oordeelde:
“het enige relevante criterium voor de toepassing van artikel 54 SUO [is] de gelijkheid van de materiele feiten, begrepen als het bestaan van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.”
(…)
Conclusie ne bis in idem
4.24.
Het is hetzelfde feit. De juridische aard is gelijk. En de gedragingen van [verdachte] zijn ook identiek: gedragingen die zien op het deelnemen aan een criminele organisatie. Welke deelname dan ook nog eens wordt gestoeld op dezelfde bewijsmiddelen. Gedragingen waarvoor hij al onherroepelijk is veroordeeld, en dus niet nogmaals kan worden veroordeeld.
4.25.
Voorzitter, leden van het Hof, de Hoge Raad heeft het over een ‘aanzienlijk verschil’ in gedragingen. Er is geen verschil, laat staan een aanzienlijk verschil. En zou die er al zijn, maken de omstandigheden van het geval, waaronder het gegeven dat het Openbaar Ministerie één feitencomplex heeft opgeknipt en twee keer heeft vervolgd voor 140 Sr, waarbij de tenlastelegging accessoir is gemaakt aan de gronddelicten, dat in casu niet nogmaals vervolgd kan worden.
4.26.
Met inachtneming van al het voorgaande wil ik u verzoeken het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
Beginselen van behoorlijke procesorde
4.27.
Naast strijd met artikel 68 Wetboek van Strafrecht levert de dubbele vervolging ook strijd op met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ook kan berusten op regels van ongeschreven recht of beginselen van behoorlijk procesrecht.
4.28.
De beginselen waar het verweer op is gestoeld is ne bis in idem als ongeschreven beginsel van een goede procesorde, het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging en het vertrouwensbeginsel.
(…)
6. MATERIEEL VERWEER: SAMENLOOP
(…)
7. CONCLUSIE
7.1.
Primair: Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ne bis in idem en/of strijd met de goede procesorde.”
5.3
Het hof heeft het gevoerde verweer, voor zover dat was gericht op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van art. 68 Sr dan wel strijd met de beginselen van een goede procesorde, als volgt samengevat en verworpen:
“2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
2.1
Ne bis in idem
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Primair omdat sprake zou zijn van de vervolging voor een feit (deelneming aan een criminele organisatie) waarvoor de verdachte al eerder is vervolgd en inmiddels onherroepelijk veroordeeld, namelijk door de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van het onderzoek 26Sartell. De vervolging naar aanleiding van het onderzoek 26Douglasville is volgens de verdediging daarom in strijd met het bepaalde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De verdediging heeft aan het verweer – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd:
(i) [verdachte] maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne;
(ii) die organisatie bestond in de kern uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en hemzelf;
(iii) [verdachte] is naar aanleiding van het onderzoek 26Sartell vervolgd voor deelneming aan deze criminele organisatie en onherroepelijk veroordeeld;
(iv) [medeverdachte 3] heeft heel veel geld dat met de drugshandel is verdiend gestolen;
(v) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben geprobeerd dat geld terug te halen wat, mede naar aanleiding van de liquidatie van [medeverdachte 4] (volgens [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 3] ), resulteerde in (voorgenomen) geweld;
(vi) dit is niet gedaan door een andere organisatie maar, in opdracht van [medeverdachte 1] , door (met name) [medeverdachte 2] , die er in zoverre een taak bij kreeg en waarvoor hij zelf een aantal anderen heeft ingeschakeld;
(vii) dit laat onverlet dat de in 26Douglasville ten laste gelegde criminele organisatie bestaat uit dezelfde kerndeelnemers, te weten: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ;
(viii) er zijn bovendien overeenkomstige periodes ten laste gelegd;
(ix) en er is geen verschil in gedragingen van de verdachte op grond waarvan zijn deelneming aan de criminele organisatie kan worden bewezen;
(x) het bewijs is bovendien grotendeels afkomstig uit dezelfde bron, namelijk EncroChat-berichten en is in zowel het dossier 26Sartell als (grotendeels) in het dossier 26Douglasville opgenomen.
Afgezien hiervan dient volgens de raadsman bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr de ratio van de strafbaarstelling van artikel 140 Sr te worden betrokken: de bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties, zonder dat de beoogde misdrijven nader geconcretiseerd zijn (een abstract gevaarzettingsdelict). Voor een bewezenverklaring is dan ook niet vereist dat een verdachte opzet had op één of meer concreet omschreven misdrijven. Bij het bestanddeel deelneming gaat het erom dat de verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en daarin een aandeel heeft, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, het plegen van misdrijven. Hiervoor is [verdachte] volgens de raadsman in 26Sartell al veroordeeld. Dat die criminele organisatie zich, in dezelfde periode en met in de kern dezelfde personen, ook ging bezighouden met geweldsdelicten die bovendien verband hielden met de drugsdelicten, maakt volgens de raadsman niet dat er daarmee een nieuwe organisatie is ontstaan.
Toetsingskader artikel 68 Sr
In artikel 68 Sr is bepaald dat niemand nogmaals kan worden vervolgd voor een feit waarover door een Nederlandse rechter al onherroepelijk is beslist. Over de daarbij aan te leggen maatstaf heeft de Hoge Raad het volgende bepaald (bijv. HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559):
“Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.”
Juridische aard van de feiten
De verdachte wordt in het onderhavige onderzoek, net als in het onderzoek 26Sartell het geval was, vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. De juridische aard van de beide ten laste gelegde feiten is dus grotendeels dezelfde, maar er zijn twee belangrijke verschillen. In 26Sartell is het oogmerk van de organisatie beperkt tot witwassen en Opiumwetdelicten. Met dat laatste heeft het Openbaar Ministerie kennelijk artikel 11b van de Opiumwet (Ow) ten laste gelegd, een specialis van de ‘gewone’ – en naar zijn aard dus andersoortige – criminele organisatie. In 26Douglasville is het oogmerk van de organisatie beperkt tot een zestal commune feiten, waaronder moord, gijzeling, afpersing in vereniging en zware mishandeling met voorbedachte rade. Op deze commune feiten staat twaalf jaar of meer gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 140, derde lid, Sr is de maximumstraf dan (sinds 1 januari 2020) tien jaar gevangenisstraf, in plaats van zes jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in het eerste lid en acht jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b Ow. In zoverre is er dus ook een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties.
Vervolgens moeten de aard van de gedragingen en de overige omstandigheden van het geval onderzocht worden. Daarbij is eerst van belang hoe de verschillende tenlasteleggingen luiden en wat ten aanzien daarvan het relevante beoordelingskader is.
Tenlastelegging 26Sartell
De verdachte is door de rechtbank Rotterdam op 11 april 2022 veroordeeld voor – samengevat –
(feit 1) het medeplegen van de invoer van ongeveer 1.200 kilo cocaïne, (feit 2) het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot invoer van verdovende middelen en (feit 3) deelneming aan een criminele organisatie. De tenlastelegging ten aanzien van feit 3 luidt:
“(zaaksdossier Barca, art. 140 Sr)
hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020,
- te Rotterdam en/of althans (elders) in Nederland; en/of
- te Barcelona en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje; en/of
- te Milaan althans (elders) in Italië;
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 16] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a, eerste lid Opiumwet.”
Tenlastelegging 26Douglasville
Voor het gemak geeft het hof hieronder nogmaals de onderhavige tenlastelegging weer:
“hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te Capelle aan den IJssel, Den Haag, Nieuwegein, Rotterdam, Schiedam, Utrecht, Wouw, Wouwse Plantage en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 14] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht),
- opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht),
- gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht),
- afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht),
- opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of
- het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie)”.
Artikel 140 Sr
De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140 lid 1 Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven.
Van een ’organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Voor 'deelneming' in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het 'oogmerk' tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Aard van de gedragingen
Vastgesteld kan worden dat de gedragingen van de verdachte in de tenlasteleggingen niet nader zijn omschreven, anders geformuleerd: waar de deelneming door de verdachte uit heeft bestaan. Hiervan zal dus moeten blijken uit de bewijsmiddelen. Bij de beoordeling van de aard van de ‘gedraging van de verdachte’ is van belang dat het in dit geval niet uitsluitend gaat om een specifieke gedraging van de verdachte zelf, maar zijn vanwege de aard van de strafbaarstelling bij de beoordeling ook de ‘gedragingen’ van de criminele organisatie van belang. Dat zal nader worden toegelicht.
Voor het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, moeten worden vastgesteld dat:
(i) sprake is geweest van een organisatie;
(ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven;
(iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Bij onderdeel (ii) geldt dat het niet noodzakelijk is dat de door de organisatie beoogde misdrijven al zijn gepleegd. Het is in beginsel zelfs niet relevant welk soort misdrijven door de organisatie wordt beoogd, als het maar gaat om misdrijven en niet om overtredingen. De beoogde misdrijven hoeven dan ook, zoals door de verdediging is benadrukt, niet nader te worden geconcretiseerd in de tenlastelegging. Dat betekent echter niet dat het Openbaar Ministerie er ook niet voor mag kiezen om de beoogde misdrijven te specificeren in de tenlastelegging om in zoverre het oogmerk van de ten laste gelegde criminele organisatie te begrenzen. De tenlastelegging krijgt dan een meer ‘accessoir karakter’. Het standpunt van de verdediging dat de wetsgeschiedenis zich hiertegen verzet, deelt het hof niet. Dat is niet uitdrukkelijk als bedoeling van de wetgever geformuleerd en bovendien in strijd met het volgende.
Soms zal het Openbaar Ministerie namelijk moeten specificeren en dus begrenzen. Dat volgt om te beginnen uit de wettelijke systematiek, waar in aanvulling op de deelname aan de ‘algemene’ criminele organisatie (artikel 140 Sr) ook de deelname aan de terroristische organisatie (artikel 140a Sr) en de deelname aan de criminele Opiumwetorganisatie (artikel 11b Ow) strafbaar zijn gesteld. De deelname aan deze organisaties kan naast elkaar, zoals bij herhaling gebeurt bij 140 Sr- en 11b Ow-organisaties, maar ook afzonderlijk ten laste worden gelegd. Bij dergelijke vervolgingen moeten de misdrijven waarop het oogmerk van de organisaties is gericht logischerwijs nader worden omschreven. Dat zelfde geldt in het geval het Openbaar Ministerie een verdachte wil vervolgen, zoals hiervoor onder het kopje ‘Juridische aard van de feiten’ is toegelicht’ voor deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van feiten waarop twaalf jaar of meer gevangenisstraf staat (artikel 140, derde lid, Sr). Ook dan zal het oogmerk dus nader gespecificeerd moeten worden door in de tenlastelegging te vermelden welke misdrijven de organisatie beoogde te plegen.
De vraag is dan of zodanige begrenzing, als die bij een eerste vervolging (tenlastelegging) wordt aangebracht, ertoe kan leiden dat de verdachte, bij gelegenheid van een tweede vervolging, de deelname aan (min of meer) dezelfde criminele organisatie, maar die andere misdrijven tot oogmerk heeft, ten laste kan worden gelegd.
Die vraag moet in zijn algemeenheid bevestigend worden beantwoord. In de eerste plaats omdat ten opzichte van een vervolging voor overtreding van artikel 140 Sr de overtreding van artikel 140a Sr of artikel 11b Ow in elk geval wettelijk gezien een ander strafbaar feit oplevert.
In de tweede plaats is van belang dat de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht weliswaar niet op de tenlastelegging behoeven te worden gespecificeerd, maar dat het oogmerk wel uit de bewijsvoering moet blijken. In het dossier dat het Openbaar Ministerie aan de rechter presenteert, waartegen de verdachte zich ter terechtzitting verweert en waaraan de rechter vervolgens zijn bewijsmiddelen ontleent zullen de beoogde misdrijven in enige mate moeten zijn geconcretiseerd, al was het maar om vast te kunnen stellen dát het om misdrijven gaat. Het zijn ook enkel die (voorgenomen) misdrijven die de rechter bij het bepalen van de strafmaat kan betrekken. Het zou voor de vervolging van criminele organisaties die in de loop van de tijd het criminele vizier, al dan niet deels, hebben verlegd praktisch zeer bezwaarlijk, en maatschappelijk onwenselijk, zijn wanneer bij een vervolging – als de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven – geen scheiding zou mogen worden aangebracht in de door de criminele organisatie beoogde misdrijven.
In dat verband is van belang dat volgens de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] de criminele organisatie waaraan [verdachte] heeft deelgenomen het vizier daadwerkelijk is gaan verleggen. Er was naar eigen zeggen aanvankelijk enkel een drugsorganisatie en ‘die was niet van het geweld’. [medeverdachte 1] zou daar zelfs om bekend hebben gestaan; om die reden zou de groep lange tijd uit handen van justitie hebben kunnen blijven. Dat de groep eerder niet van geweld was volgt volgens de verdediging ook uit EncroChat-berichten. In de woorden van de verdediging: geweld was dus nieuw voor de organisatie.
De opsteller van de tenlasteleggingen in 26Sartell en 26Douglasville heeft deze ontwikkeling duidelijk aangebracht: de criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell betreft blijkens de tenlastelegging een organisatie die tot oogmerk had het plegen van (gewoonte)witwassen en Opiumwetdelicten. In het onderzoek 26Douglasville gaat het om een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en het voorhanden hebben van vuurwapens. In zoverre is duidelijk dat de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging is geweest om in het onderzoek 26Douglasville aan de verdachte deelname aan een andersoortige criminele organisatie te verwijten dan de criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell. De officier van justitie heeft dit ook nadrukkelijk ter terechtzitting in zowel 26Sartell als in 26Douglasville benoemd. Bovendien vindt dit steun in de wijze waarop de overige strafrechtelijke verwijten, en de samenhang hiervan met de criminele organisatie, op de beide tenlasteleggingen zijn opgenomen. In het onderzoek 26Sartell is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij als medepleger (feit 1) cocaïne heeft ingevoerd en (feit 2) de invoer van verdovende middelen heeft voorbereid, waarna (feit 3) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van (onder meer) deze delicten. In het onderzoek 26Douglasville is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij onder (feit 1) als medepleger verschillende geweldsdelicten heeft voorbereid, waarna (feit 2) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van wederom (onder meer) deze delicten. Dat [verdachte] van feit 1 door de rechtbank is vrijgesproken, is in dit verband voor de beoordeling niet van belang.
Wel van belang is verder dat de ten laste gelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers aan de beide criminele organisaties weliswaar deels overeenkomen, maar niet dezelfde zijn of beter gezegd: behoorlijk verschillen. Dat een verdachte niet bekend hoeft te zijn met alle deelnemers van een organisatie, doet daar niet aan af. En de omstandigheid dat het bewijs voor de beide criminele organisaties in belangrijke mate uit dezelfde bron, te weten EncroChat-data, afkomstig is, is in het licht van de maatstaf die bij deze beoordeling wordt aangelegd evenmin relevant.
Tussenconclusie
Het voorgaande houdt samengevat in dat het Openbaar Ministerie een begrenzing mag aanbrengen in de vervolging voor deelneming aan een criminele organisatie door het oogmerk van die organisatie te beperken tot meer specifiek omschreven misdrijven. Dit staat onder omstandigheden een tweede vervolging voor deelneming aan (min of meer) dezelfde organisatie niet in de weg voor zover het oogmerk van die organisatie is beperkt tot andere specifiek omschreven misdrijven. Een andere uitleg zou tot de ongerijmde uitkomst leiden dat bij de vervolging van een verdachte voor de deelname aan een criminele organisatie, het door de organisatie gewijzigde oogmerk – tot uitdrukking komend in andersoortige strafbare feiten waarop het vizier werd gericht – niet meer betrokken zouden kunnen worden in een tweede vervolging, ook niet als die wijziging pas later bekend wordt, bijvoorbeeld nadat een encryptietelefoon is gekraakt. Deze uitkomst kan niet als juist worden aanvaard.
Van deze omstandigheden is in dit geval sprake. Uit het voorgaande volgt immers dat de verdachte aanvankelijk slechts deelnemer was van een criminele organisatie die zich uitsluitend bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de inkomsten die daaruit voortvloeiden. In zoverre was het oogmerk van die organisatie enkel daar op gericht. Door twee bijzondere omstandigheden, te weten de diefstal van miljoenen drugsinkomsten en de liquidatie van één van de leden, is de organisatie zich ook gaan bezig houden met (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde een nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van de organisatie en haar deelnemers, waaronder [verdachte] . En die gedragingen vonden plaats in een veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers. In zoverre staan de gedragingen die waren gericht op de drugshandel en de gedragingen die waren gericht op het plegen van geweld niet in zodanig verband met elkaar dat moet worden gesproken van één feitencomplex. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de organisatie zozeer van karakter wijzigde dat gesproken moet worden van een andere organisatie in de zin van artikel 140 Sr.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de juridische aard van de feiten en de aard van de gedragingen is het hof van oordeel dat de tenlastelegging in 26Douglasville niet hetzelfde feit, in de zin van artikel 68 Sr, betreft als opgenomen in de tenlastelegging van 26Sartell. In zoverre wordt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verworpen.
2.2
Beginselen van een goede procesorde
Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de vervolging van [verdachte] in 26Douglasville in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, te weten ne bis in idem als ongeschreven beginsel van een goede procesorde, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het vertrouwensbeginsel.
Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging van een verdachte op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, in dit verband ook wel omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23).
Uit hetgeen hiervoor in verband met ne bis in idem is overwogen vloeit naar het oordeel van het hof voort dat geen sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Er waren juist goede redenen de vervolging naar aanleiding van 26Sartell te scheiden van de vervolging naar aanleiding van 26Douglasville, ook al bestond er een zeker verband tussen beide zaken. Ook overigens valt uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing niet af te leiden. In zoverre wordt het verweer verworpen. Voor zover het verweer gestoeld is op schending van ne bis in idem als ongeschreven beginsel van een goede procesorde, treft dit hetzelfde lot.
Een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Van de zijde van het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen, zijn in deze zaak geen concrete toezeggingen gedaan aan de verdachte van niet-vervolging ter zake het onderhavige feit. Verder stuit de stelling van de verdediging, dat [verdachte] er op mocht vertrouwen dat hij in 26Sartell vervolgd zou worden voor de – in zijn visie – gehele criminele organisatie, en niet slechts voor een deel (verdovende middelen en witwassen), af op hetgeen hiervoor ten aanzien van het verschil in organisaties is overwogen. Ook dit onderdeel van het verweer wordt verworpen.
2.3
Conclusie
Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.”
6. Het middel
6.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof bij zijn oordeel dat het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van art. 68 Sr moet worden verworpen, is uitgegaan van een onjuist toetsingskader, althans dat dat oordeel onbegrijpelijk is, althans dat het oordeel dat er geen sprake is van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, dan wel geen toepassing moet worden gegeven aan art. 55 of 56 Sr, onbegrijpelijk is.
6.2
Voordat ik overga tot de bespreking van het middel haal ik eerst de in dit verband relevante wetsartikelen aan zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde feit in de onderhavige zaak 26Douglasville en in de zaak 26Sartell. Vervolgens geef ik aan de hand van de wetsgeschiedenis en de rechtspraak een korte toelichting op de reikwijdte en/of de strekking van deze artikelen.
6.3
De wettelijke bepalingen waar het gelet op het middel om gaat zijn:
Art. 68 lid 1 Sr:
“Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.”
Art. 140 lid 1 Sr:
“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Art. 140 lid 3 Sr (ingevoerd op 1.1.2020):
“Indien een organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, wordt het in het eerste lid bedoelde feit gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, of 11a, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 140, vierde en vijfde lid (was tot 1.1.2020: derde en vierde lid), van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.”
Deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 lid 1 Sr)
6.4
Het belang dat met de strafbaarstelling van het deelnemen aan een criminele organisatie wordt beschermd is de openbare orde. Beoogd wordt de samenleving te beschermen tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties.4.In een arrest van 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. N. Jörg (Hells Angels) heeft de Hoge Raad zijn tot dan toe gewezen rechtspraak over de reikwijdte van art. 140 lid 1 Sr “op hoofdlijnen” nog eens op een rijtje gezet. Hij heeft dat als volgt gedaan:
“2.4.2
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen.
2.4.3
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.
Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
2.4.4
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”
Deelneming aan een criminele drugsorganisatie (art. 11b Opiumwet)
6.5
Op 1 juni 2006 is in art. 11a Opiumwet een specifieke strafbaarstelling opgenomen voor – kort gezegd – het deelnemen aan een criminele drugsorganisatie. Dit wetsartikel, dat op 1 maart 2015 met de invoering van de strafbaarstelling van het voorbereiden van hennepteelt is vernummerd tot art. 11b Opiumwet,5.is ingevoerd in het kader van de implementatie van het Kaderbesluit drugshandel van de Raad van de Europese Unie van 25 oktober 2004 (nr. 2004/757/JBZ, PbEU L 335).6.Op grond van art. 4 lid 3 van het Kaderbesluit zijn de lidstaten verplicht tot een strafbaarstelling van tien jaar gevangenisstraf voor criminele organisaties die zich bezighouden met drugshandel. Aangezien die strafmaat via de regeling van de meerdaadse samenloop van art. 140 Sr en de betreffende opiumwetdelicten niet in alle gevallen zou worden bereikt – door een eveneens op 1 juni 2006 ingevoerde verhoging van het strafmaximum van art. 10 lid 3 Opiumwet van vier jaar gevangenisstraf naar zes jaar gevangenisstraf is dat wel het geval bij de harddrugs van lijst I, maar niet bij een grote hoeveelheid stoffen van lijst II – is in art. 11a (thans dus 11b) Opiumwet ‘een specialis’ van art. 140 Sr opgenomen.7.In de woorden van de wetgever:
“Uit het voorgaande blijkt dat de wijzigingen slechts in beperkte mate betrekking hebben op de lijst I stoffen. Hieruit blijkt dat Nederland op het terrein van de harddrugs nagenoeg geheel [opmerking A-G: en na de verhoging van de strafmaat van art. 10 lid 3 Opiumwet geheel] in de Europese pas loopt. De wijzigingen concentreren zich rond de softdrugs, meer in het bijzonder op de grootschalige illegale hennepteelt en illegale handel in cannabis in al dan niet georganiseerd verband [A-G: cursivering door mij].”8.
Deelneming aan een de samenleving ondermijnende criminele organisatie (art. 140 lid 3 Sr)
6.6
Met de invoering per 1 januari 2020 van de in het derde lid van art. 140 Sr opgenomen strafverzwaringsgrond is beoogd vormen van georganiseerde criminaliteit, waarvan een ondermijnend effect uitgaat op de samenleving, steviger te kunnen aanpakken.9.In de memorie van toelichting wordt in dit verband zowel gewezen op criminele organisaties die het plegen van ernstige geweldsmisdrijven als oogmerk hebben, als op criminele organisaties die zich bezig houden met de in- en uitvoer van harddrugs. Beide typen van organisaties worden door de wetgever over één kam geschoren. Over de drugsorganisaties is in de memorie van toelichting onder meer het volgende te lezen:
“De internationale drugshandel is de grootste ondermijnende misdaadmarkt in Nederland, waar naar schatting miljarden euro’s mee verdiend worden. Deze handel en de investering van de daarmee gegenereerde winsten, creëren onacceptabele (financiële) machtsposities. (…) Verwacht wordt dat het geweld rondom de handel in cocaïne de komende jaren verder zal toenemen, doordat nieuwe criminele groepen gaan concurreren met gevestigde criminele groepen.
(…)
Deelneming aan ernstig ondermijnende organisaties kan op dit moment worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren (140, eerste lid, Sr). Dat strafmaximum komt ontoereikend voor in die gevallen waarin een organisatie zich richt op het plegen van misdrijven als moord, ontvoering en andere zeer gewelddadige handelingen of ernstige ondermijnende activiteiten zoals de handel in harddrugs. [A-G: cursivering door mij]. Mede in het licht van de maatschappelijke onrust die dit soort criminele activiteiten veroorzaken ziet het kabinet aanleiding om het wettelijk strafmaximum te verhogen naar ten hoogste tien jaren gevangenisstraf indien de criminele organisatie tot oogmerk heeft zeer ernstige misdrijven te plegen. Hiermee wordt een signaal afgegeven van de sterke maatschappelijke afkeuring van criminele organisaties met een ernstig crimineel oogmerk.”10.
Waar de wetgever in 2006 nog terecht kon opmerken dat art. 11b Opiumwet (toen art. 11a) “een bijzondere regeling voor de criminele organisatie”11.betrof, te weten een ‘gekwalificeerde logische specialis’ van art. 140 lid 1 Sr,12.kan dat sinds 2020 niet meer worden volgehouden voor internationaal opererende harddrugsorganisaties. De wetsgeschiedenis van het op 1 januari 2020 in werking getreden art. 140 lid 3 Sr laat er immers geen twijfel over bestaan dat de 12-jaars feiten uit de Opiumwet (dé core business van de internationale drugsorganisaties) vanaf dat moment vallen binnen het bereik van art. 140 lid 3 Sr. Dat betekent dat sindsdien specifiek voor die drugsfeiten art. 140 lid 3 Sr ten opzichte van art. 11b Opiumwet heeft te gelden als ‘een gekwalificeerde systematische specialis’, terwijl art. 140 lid 3 Sr ten opzichte van art. 140 lid 1 Sr heeft te gelden als een gekwalificeerde logische specialis.13.Daaraan doet niet af dat uit de wetsgeschiedenis van art. 140 lid 3 Sr in het geheel niet blijkt dat de wetgever zich in het wetgevingstraject op enig moment lijkt te hebben gerealiseerd dat het strafmaximum voor internationale drugshandel geen zes jaar gevangenisstraf bedroeg (art. 140 lid 1 Sr), maar acht jaar gevangenisstraf (art. 11b Opiumwet). Uit de memorie van toelichting op de invoering van art. 140 lid 3 blijkt immers onmiskenbaar dat de wetgever bij alle ondermijnende criminele organisaties het vizier had gericht op een verhoging van de strafmaat naar 10 jaar gevangenisstraf.
Hetzelfde feit (art. 68 Sr)
6.7
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559, NJ 2023/344, zijn sinds 1 februari 2011 geldende rechtspraak over het toetsingskader dat geldt voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr, bevestigd. Dat kader luidt als volgt.
“2.5. Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.)”
6.8
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat bij een vervolging voor deelneming aan een criminele organisatie die is voorafgegaan of wordt gevolgd door een vervolging voor deelneming aan de uitvoering van de door de organisatie beoogde misdrijven, sprake kan zijn van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr.14.Dat de strekking van het deelnemen aan een criminele organisatie nogal eens zal verschillen van de strekking van de door de organisatie beoogde misdrijven, doet daaraan niet af. Dit volgt bijvoorbeeld uit een arrest van 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, NJ 2022/308, m.nt. J.H. Crijns, waar het ging om een zaak waarin de verdachte eerst in Duitsland was vervolgd voor het medeplegen van het als werkgever niet afdragen van sociale verzekeringspremies in de periode maart 2006 - oktober 2013 en later in Nederland wordt vervolgd voor het op verschillende plaatsen in Nederland en Duitsland deelnemen aan een criminele organisatie die onder meer tot oogmerk heeft het plegen van sociale verzekeringsfraude in de jaren januari 2006 tot en met mei 2011. De Hoge Raad overweegt in dit arrest:
“3.3.2 Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de eerste vervolging betrekking heeft op het door de verdachte begaan zijn van een concreet delict en de tweede vervolging het deelnemen aan een criminele organisatie betreft, staat het ne bis in idem-beginsel in de weg aan die latere vervolging voor het deelnemen aan een criminele organisatie als die deelneming van de verdachte op niets anders betrekking heeft dan het begaan van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd. Het begaan van een concreet delict zal echter slechts in uitzonderlijke gevallen de deelneming aan een criminele organisatie geheel omvatten. Artikel 140 Sr heeft immers betrekking op het deelnemen aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dat betekent dat het deelnemen door de verdachte zeker niet noodzakelijkerwijs hoeft te bestaan uit het door hem begaan zijn van een (enkel) concreet delict, terwijl artikel 140 Sr ook niet meer eist dan dat de organisatie het oogmerk heeft misdrijven te plegen.
3.3.3
Vervolging wegens het deelnemen aan een criminele organisatie is dus in ieder geval wel mogelijk indien de tenlastelegging ook ziet op andere deelnemingsgedragingen dan het begaan zijn van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd en/of op andere delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht.”
Een viertal jaren later concludeert P-G Bleichrodt (in een hierna onder randnr. 6.11 en 6.12 nog aan de orde komende verzoekschriftprocedure) naar aanleiding van dit arrest “dat gedragingen in het kader van een concreet delict waarvoor iemand al eerder is vervolgd ook ten grondslag kunnen worden gelegd aan een vervolging wegens deelneming aan een criminele organisatie wanneer deze laatste vervolging mede is gebaseerd op andere (deelnemings)gedragingen. Alleen als het begaan van een concreet delict de deelneming aan een criminele organisatie in zijn geheel omvat, is in deze context sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel.”15.
6.9
De omgekeerde situatie, dus als de verdachte eerst is vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie en later voor een concreet delict dat is begaan binnen het verband van de criminele organisatie, is evenmin zonder risico voor de vervolgende instantie. Volgens de Hoge Raad kan ook die handelwijze van het Openbaar Ministerie “vragen oproepen in verband met art. 68 Sr en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde”.16.
6.10
In de onderhavige zaak gaat het om een verdachte die twee maal is vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie. Bij een eerste blik op beide tenlasteleggingen springt vrijwel direct in het oog dat volgens de ene tenlastelegging het oogmerk van de organisatie was gericht op het begaan van drugsmisdrijven en witwassen (onderzoek 26Sartell) en volgens de andere tenlastelegging het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van geweldsmisdrijven (onderzoek 26Douglasville). Volgens de verdachte hebben beide tenlasteleggingen betrekking op dezelfde organisatie.
6.11
Over achtereenvolgende vervolgingen ter zake van deelneming aan een en dezelfde criminele organisatie zijn mij geen arresten van de Hoge Raad bekend.17.Wel heeft de Hoge Raad onlangs in een procedure naar aanleiding van een verzoekschrift tot regeling van rechtsmacht in de zin van art. 525 lid 1, aanhef en onder 1 Sv, over een hierop lijkende situatie geoordeeld.18.Volgens de steller van het verzoekschrift werd de verdachte zowel bij de rechtbank Limburg (onderzoek Coca) als – in hoger beroep van een vonnis van de rechtbank Zeeland/West-Brabant – bij het hof Den Bosch (onderzoek Nelson) vervolgd voor deelneming aan een en dezelfde criminele drugsorganisatie in de zin van art. 11b Opiumwet De Hoge Raad overweegt in zijn beslissing dat de regeling van art. 525 lid 1, aanhef en onder 1 Sv “beoogt om tegenstrijdige uitspraken en dubbele bestraffing van de verdachte te voorkomen” en dat “(d)eze bepaling moet worden bezien in het licht van artikel 68 Sr.”19.
6.12
P-G Bleichrodt concludeerde in deze verzoekschriftprocedure onder meer:
“57. Omdat de (deelnemings)gedragingen in beide onderzoeken betrekking hebben op Opiumwetdelicten, is het van belang te bezien in welke gevallen gedragingen die zijn verricht in het kader van twee verschillende Opiumwetdelicten als hetzelfde feit worden aangemerkt. Daarvoor is jurisprudentie over de vraag wanneer twee Opiumwetdelicten ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr opleveren instructief, omdat vanwege de gelijk(soortig)e strekking van de delictsomschrijvingen de feitelijke component – de gedragingen – op de voorgrond staat.
58. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de beoordeling of bij Opiumwetdelicten sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr de verwantschap in tijd en plaats van belang is. Ook is relevant of sprake is van dezelfde partij verdovende middelen dan wel dezelfde drugstransactie.
(…)
63. In geval van een vermeend positief competentiegeschil, dient op grond van art. 525 Sv te worden beoordeeld of twee rechters zich gelijktijdig ‘dezelfde zaak’ hebben aangetrokken. Uit het voorgaande volgt dat bij de beoordeling of sprake is van ‘dezelfde zaak’ moet worden aangesloten bij het criterium ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr en art. 313 Sv.”
6.13
Over een achtereenvolgende vervolging ter zake van deelneming aan een en dezelfde criminele organisatie is er wel een arrest van het Hof Den Haag van 2 juli 2024.20.Die zaak heeft betrekking op het onderzoek 26Sartell en betreft de vervolging van [medeverdachte 1] , de leidinggevende van die criminele organisatie. [medeverdachte 1] was evenals zijn rechterhand, de verdachte in de onderhavige zaak, op 20 december 2023 door het hof Amsterdam veroordeeld voor diens rol bij de criminele organisatie uit het onderzoek 26Douglasville. Het Haagse hof overweegt over (het leidinggeven aan) de criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell in relatie tot de criminele organisatie uit het onderzoek26Douglasville het volgende:
“Vergelijking van de bewezenverklaring inzake 26Douglasville met de tenlastelegging in deze zaak leert dat de juridische aard van de feiten in beide zaken identiek is, te weten het leidinggeven aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De toepasselijke strafmaxima zijn gelijk. Het beschermd belang van deze strafbaarstelling betreft de bescherming van de maatschappij tegen het (voortdurende) gevaar dat van criminele organisaties uitgaat. Voorts is in beide zaken sprake van eenheid van tijd (de bewezenverklaarde periode omvat alleen de laatste periode van het. in deze zaak tenlastegelegde tijdvak) en plaats (in het bijzonder Nederland).
(…)
Weliswaar betreffen de misdrijven waarop het oogmerk van de bewezenverklaarde criminele organisatie gericht is geweldsmisdrijven en is het oogmerk van de in deze zaak tenlastegelegde criminele organisatie gericht op overtreding van de Opiumwet en witwassen, maar dit onderscheid is naar het oordeel van het hof kunstmatig, mede gezien de gang van zaken als onder 17 beschreven [A-G: “17. Op 22 juni 2020 vindt een inval in de loods in de Wouwse Plantage plaats. Op deze dag wordt [medeverdachte 1] aangehouden inzake 26Sartell en op basis van deze verdenking in verzekering gesteld, terwijl [medeverdachte 2] (…) en [verdachte] op deze dag worden aangehouden inzake 26Douglasville en in verzekering gesteld.”] Noch de bewezenverklaring inzake 26Douglasville noch de onderhavige tenlastelegging ziet op een ander misdrijf dan dat van overtreding van artikel 140 Sr. (…) De misdrijven zijn alle de maatschappij ernstig ondermijnende activiteiten. (…)
De gedragingen van de verdachte als leidinggevende ter aansturing van de personen die zich bezig houden met de invoer van cocaïne, het witwassen en het conflict met [medeverdachte 3] zijn qua aard en kennelijke strekking vergelijkbaar zoals hiervoor uiteengezet.
Dit leidt tot de slotsom dat zowel de juridische verwijten als de feitelijke gedragingen waarop die verwijten zien, betrekking hebben op dezelfde concrete feiten als bedoeld in artikel 68 Sr. Aangezien de verdachte in de zaak 26Douglasville al onherroepelijk is veroordeeld, hij thans wederom wordt vervolgd voor het leiding geven aan dezelfde criminele organisatie dienen de advocaten-generaal niet ontvankelijk te worden verklaard in hun vervolging van verdachte voor dit feit.”
Bespreking van het middel, eerste deel
6.14
De stellers van het middel menen allereerst dat, “(n)u het hof ten aanzien van de aangevoerde schending van art. 68 Sr en de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer (mede) van belang heeft geacht dat er sprake is van een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties en de juridische aard van de feiten en gedragingen, (…) het hof (is) uitgegaan van een onjuist toetsingskader zodat het arrest om die reden niet in stand kan blijven.” In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het toetsingskader van de Hoge Raad van 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559, NJ 2023/344, gelet op de rechtspraak van het EHRM en het HvJ EU, teveel nadruk legt op de juridische kwalificatie. Het EHRM hanteert volgens de stellers van het middel een feitelijke toets en ook aan het feitsbegrip bij art. 50 HGEU moet een ruime, feitelijke uitleg worden gegeven. Daardoor is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ geen plaats voor juridische aspecten.
6.15
Vast staat dat het hof in de onderhavige zaak bij de beoordeling van het beroep op art. 68 Sr het toetsingskader heeft gehanteerd uit HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559, NJ 2023/344. In de visie van de Hoge Raad is dat het geldende kader. De door de stellers van het middel op dit kader geuite kritiek is niet nieuw. Al vrij snel nadat de Hoge Raad in 2011 voor het eerst de huidige opzet van zijn toetsingskader heeft geïntroduceerd,21.is deze kritiek geuit.22.Desalniettemin heeft de Raad eind 2023 expliciet vastgehouden aan dit kader,23.hetgeen wederom de pennen in beweging heeft gebracht.24.Om een drietal vooral praktische redenen ga ik hier in deze conclusie niet verder op in. De eerste reden is dat ik de indruk heb dat de praktijk van de afgelopen jaren in het algemeen niet heeft uitgewezen dat het door de Hoge Raad uitgedragen toetsingskader tot uitkomsten leidt die zich niet (goed) verdragen met de feitelijke toets van het EHRM en het Hof van Justitie.25.De tweede reden is dat ik meen dat het middel reeds op andere gronden slaagt. Daarmee ontbreekt de noodzaak om uitgerekend in deze zaak het toetsingskader zelf nog eens expliciet op houdbaarheid te bespreken. De derde reden is dat ik niet vermoed dat de Hoge Raad op dit moment aanleiding ziet voor een aanpassing van zijn toetsingskader. Dat vermoeden ontleen ik aan zijn tot aan de dag van vandaag consistente rechtspraak en aan de door mij als eerst genoemde reden.
Bespreking van het middel, tweede deel
6.16
In de toelichting op het middel wordt vermeld dat het hof wat betreft het deelnemen aan een criminele organisatie is uitgegaan van de juiste kaders. Beklemtoond wordt dat voor dat deelnemen niet is vereist dat komt vast te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.26.
6.17
In de toelichting op het middel worden vervolgens wel kanttekeningen geplaatst bij de wijze waarop het hof invulling heeft gegeven aan het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader voor hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr. Zo wordt er op gewezen dat het hof ervan uitgaat dat het Openbaar Ministerie in 26Sartell ‘kennelijk’ art. 11b Opiumwet heeft tenlastegelegd, terwijl het gerecht dat bevoegd was om over die zaak te oordelen (de rechtbank Rotterdam) het bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als overtreding van art. 140 Sr.
6.18
Verder wordt erop gewezen dat op de zitting van het hof de verdediging het beroep op art. 68 Sr heeft onderbouwd door onder meer te wijzen op de overlap en de samenhang tussen de onderliggende dossiers en op de omstandigheid dat ook in 26Sartell wordt gerefereerd aan geweldsfeiten. Bovendien wordt erop gewezen dat wat betreft de rol van de verdachte in beide zaken dezelfde gedragingen van de verdachte worden gepresenteerd.
6.19
6.20
Zoals ik hiervoor onder randnr. 6.15 heb aangegeven, heeft het hof op zichzelf het juiste door de Hoge Raad aangereikte toetsingskader gehanteerd. Met de stellers van het middel meen ik dat op de wijze waarop het hof aan dat kader invulling heeft gegeven – zoals hiervoor onder randnr. 5.3 weergegeven – wel wat is af te dingen.
6.21
Zo constateert het hof een verschil in beschermd rechtsgoed omdat naar zijn oordeel in 26Sartell art. 11b Opiumwet is tenlastegelegd, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om art. 140 lid 3 Sr. Terecht wijzen de stellers van het middel erop dat het Amsterdamse hof er hier aan voorbijgaat dat de rechtbank Rotterdam in 26Sartell het bewezenverklaarde niet heeft gekwalificeerd als een overtreding van art. 11b Opiumwet, maar als een overtreding van art. 140 Sr (welke kwalificatie overeenkomt met de door het Openbaar Ministerie in die zaak uitgestuurde dagvaarding). Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat het in beide zaken gaat om art. 140 Sr en daarmee dus ook over hetzelfde te beschermen rechtsgoed, te weten de openbare orde. Ik voeg daaraan nog toe dat de maximaal op te leggen straf voor het deelnemen aan een criminele organisatie bij beide tenlasteleggingen zowel voor als na de invoering van art. 140 lid 3 Sr aan elkaar gelijk is. Vóór 1 januari 2020 was dat zes jaar en – omdat in beide tenlasteleggingen door de criminele organisatie beoogde misdrijven worden vermeld die worden bedreigd met een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer – na 1 januari 2020 tien jaar. Aldus beschouwd blijft van het door het hof geconstateerde verschil in juridische aard van de feiten niet veel over: het beschermde rechtsgoed en de maximaal op te leggen gevangenisstraf zijn gelijk.
6.22
Wat betreft de (meer) feitelijke component van het toetsingskader heeft het hof geoordeeld dat er weliswaar overlap is in de tenlastegelegde periodes, de pleegplaatsen en de samenstelling van de leden van de criminele organisaties, maar dat daarin ook verschillen zitten en dat de gedragingen die waren gericht op de drugshandel en de gedragingen die waren gericht op het geweld niet in zodanig verband met elkaar staan dat er sprake is van één feitencomplex. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Ik merk op dat dit feitelijke oordeel lastig is te begrijpen tegen de achtergrond dat in beide tenlasteleggingen – naast de verdachte – [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als leden van de organisatie worden genoemd, dat [medeverdachte 1] in beide zaken is aangemerkt als leider van de criminele organisatie, dat de verdachte in beide dossiers als diens rechterhand wordt gepresenteerd, dat het bestaan van beide organisaties moet worden geplaatst in de context van de internationale drugshandel en dat de martelcontainers zijn ingericht om gestolen drugsgeld terug te halen. Een blik over de papieren muur leert bovendien dat binnen de criminele groepering waarop het onderzoek 26Sartell was gericht ook al sprake was van geweldshandelingen. Dat alles roept de vraag op of het hof wel voldoende oog heeft gehad voor de omstandigheden van het geval.
6.23
Ik voeg hieraan nog toe dat ik mij niet kan voorstellen dat wanneer het Openbaar Ministerie in de zaak 26Sartell op grond van art. 313 Sv een wijziging tenlastelegging zou hebben gevorderd die ertoe zou strekken de door de criminele organisatie beoogde misdrijven uit te breiden met ernstige geweldsfeiten, die wijziging niet zou zijn gehonoreerd. De kern van het verwijt van art. 140 Sr is immers het deelnemen aan een criminele organisatie. Het zwaartepunt ligt niet op de in de loop van de tenlastegelegde periode door die organisatie beoogde misdrijven.
6.24
Kortom, hoewel het hof het door de Hoge Raad geformuleerde kader heeft onderkend, ben ik het met de stellers van het middel eens dat de wijze waarop het hof aan dat kader invulling heeft gegeven, niet zonder meer begrijpelijk is en, gelet op hetgeen ik onder randnummer 6.21 besprak, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
6.25
Ik sluit af. De door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie aangereikte vuistregel “dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr” biedt in deze zaak niet onmiddellijk duidelijkheid. Er is geen aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten. Integendeel. Naar mijn mening zijn ze gelijk. Evenmin lijkt er sprake te zijn van een aanzienlijk verschil in de gedragingen van de verdachte. In beide zaken waren zijn gedragingen gericht op het ondersteunen van de leider van de organisatie, [medeverdachte 1] , en het heeft er alle schijn van dat in beide zaken de gedragingen van de verdachte moeten worden bezien in de context van de internationale drugshandel. Boven de zaken 26Sartell en 26 Douglasville hangt de zweem van één organisatie die in de strafvervolging van de verdachte wordt gepresenteerd als twee verschillende organisaties. Het Haagse hof verklaarde het Openbaar Ministerie op grond van art. 68 Sr niet ontvankelijk in zijn vervolging van de leidinggever aan de criminele drugsorganisatie (26Sartell) nadat die verdachte, [medeverdachte 1] , door het Amsterdamse hof al onherroepelijk was veroordeeld voor het leidinggeven aan de criminele geweldsorganisatie (26Douglasville).27.In de onderhavige zaak was de volgorde omgekeerd en achtte het Amsterdamse hof het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk in zijn vervolging voor deelneming aan de criminele geweldsorganisatie (26Douglasville) nadat de verdachte door het Haagse hof al onherroepelijk was veroordeeld voor deelneming aan de criminele drugsorganisatie (26Sartell).
6.26
Ik concludeer dat het oordeel van het hof dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr niet zonder meer begrijpelijk is en van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en dat het daartegen gerichte middel terecht is voorgesteld.
7. Slotsom
7.1
Het middel slaagt.
7.2
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑09‑2025
Met weglating van de in de pleitnota opgenomen voetnoten.
A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 30-31.
Wet van 12 november 2014, Stb. 2014, nr. 444, p.1.
Wet van 1 juni 2006, Stb. 2006, 292.
Voor een differentiatie van het strafmaximum van art. 140 Sr al naar gelang de ernst van de door de criminele organisatie beoogde misdrijven was eerder al gepleit door M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht. Een onderzoek naar de strafbaarstelling van deelneming aan misdaadorganisaties (diss. Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 301-303 en B.F. Keulen, Artikel 140 Sr. Vier internationale ontwikkelingen en een begrafenis? in Pet af, Liber amicorum D.H. de Jong, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 242.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 080, nr. 3, p. 5 en 6.
Kamerstukken II, 2006/06, 30 339, nr. 3, p. 6. In de Nota naar aanleiding van het verslag spreken de bewindslieden over “een speciesbepaling van artikel 140 Sr”. Zie Kamerstukken II, 2006/06, 30 339, nr. 7, p. 5.
Zie A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr (diss. OU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 130 en A.N. Kesteloo, Strafbare deelneming aan criminele organisaties, Art. 140 Sr, art. 140a Sr en art. 11b Opiumwet in theorie en praktijk (Praktijkwijzer strafrecht nr. 17), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 21.
Zie over logische en systematische specialiteit J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 578-582. In dit handboek wordt er terecht op gewezen dat het Openbaar Ministerie niet verplicht is de gekwalificeerde logische specialis ten laste te leggen. Bij de gekwalificeerde systematische specialiteit kan dat anders liggen als de wetgever met de gekwalificeerde strafbepaling uitschakeling van de andere bepaling op het oog had.
Zie hierover A.N. Kesteloo, ‘Niet gelijktijdig (consecutief) vervolgen binnen hetzelfde feitencomplex. De gevolgen van het niet gelijktijdig vervolgen, meer specifiek in het geval van artikel 140 Sr’, NTS 2021/27 en F.C.W. de Graaf, ‘Deelneming aan een criminele organisatie en ne bis in idem. De toepasselijkheid van het ne bis in idem-beginsel bij vervolging wegens deelneming aan een criminele organisatie na vervolging wegens een concreet misdrijf en vice versa’, NTS 2021/58.
Zie zijn conclusie vóór HR 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:772, NJ 2025/209, m.nt. A.J. Machielse, randnr. 54.
Zie HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113, NJ 2019/113, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6. en vgl. HR 26 november 1996, ECLI:NL:HR:1996,:ZD0583, NJ 1997/209, rov. 6.3.
Vermeldenswaard is wel de conclusie van A-G Wortel voor HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8439 (Clickfondszaak). Onder randnr. 66 merkt hij over een door art. 68 Sr begrensde vordering tot wijziging van de tenlastelegging bij deelneming aan een criminele organisatie van art. 140 lid 1 Sr op: “ Kenmerkend voor het in deze strafbepaling omschreven misdrijf is het in stand houden en doen functioneren van de organisatie die het begaan van misdrijven beoogt. Het is te verdedigen dat dit verwijt van deelneming aan de organisatie niet wezenlijk van karakter verandert doordat in de tenlastelegging wordt opgenomen dat het oogmerk van de organisatie mede gericht is geweest op misdrijven van een andere strekking dan de oorspronkelijk genoemde.” [cursivering door mij A-G].
HR 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:772, NJ 2025/209, m.nt. A.J. Machielse.
HR 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:772, NJ 2025/209, m.nt. A.J. Machielse, rov. 2.4.1. Vgl. eerder HR 27 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1575, NJ 1999/635, m.nt. J. de Hullu, rov. 3.3.6.
Hof Den Haag 2 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1102, NJFS 2024/248.
HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394, m.nt. Y. Buruma.
Zie onder meer de annotatie van Y. Buruma onder dit arrest en J.W. Ouwerkerk, 'Het feitsbegrip bij ne bis in idem en eendaadse samenloop: Tussen nationale uitlegging en internationale verplichtingen', DD 2012/47.
HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559, NJ 2023/344.
Zie J.W. Ouwerkerk, Het feitsbegrip bij ne bis in idem opnieuw bekeken, DD 2023/47.
Zie ook F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 269.
Zie voor deze kaders hiervoor onder randnr. 6.4.
Beroepschrift 06‑06‑2024
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam en A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 20 december 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 4 van het Zevende Protocol EVRM (4P7 EVRM), 50 EU-Grondvesthandvest, 55, 56 en 68 Sr, en wel om het navolgende:
Verdachte is eerder vervolgd terzake van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft gehad (verkort weergegeven) het plegen van misdrijven (zaak 26Sartell). Nadien is verdachte in de onderhavige zaak vervolgd terzake van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft (verkort weergegeven) het plegen van geweldsdelicten (zaak 26Douglasville).
De verweren zijn door het hof verworpen.
Nu het hof ten aanzien van de aangevoerde schending van art. 68 Sr en de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer (mede) van belang heeft geacht dat er sprake is van een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties en de juridische aard van de feiten en gedragingen is het hof uitgegaan van een onjuist toetsingskader zodat het arrest om die reden niet in stand kan blijven.
Aan het oordeel van het hof dat sprake is van een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties en juridische aard van de feiten en gedragingen heeft het hof (mede) ten grondslag gelegd dat in 26Sartell het oogmerk van de organisatie volgens het hof is beperkt tot witwassen en Opiumwetdelicten waaruit het hof heeft afgeleid dat het Openbaar Ministerie kennelijkartikel 11b van de Opiumwet (Ow) ten laste heeft gelegd, een specialis van de ‘gewone’ — en naar zijn aard dus andersoortige — criminele organisatie dan in 26Duoglasville het geval is nu daarin het oogmerk van de organisatie is beperkt tot een zestal commune feiten en op grond van het bepaalde in artikel 140, derde lid, Sr de maximumstraf dan (sinds 1 januari 2020) tien jaargevangenisstraf is, in plaats van zes jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in het eerste lid en acht jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b Ow zodat in zoverre er dus ook een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties is. In de zaak 26Sartell is evenwel bewezen verklaard dat verdachte (verkort weergegeven) in de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020, heeft deelgenomen aan een organisatie welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet. Het bewezenverklaarde is door de rechtbank gekwalificeerd als ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.’ Bij de ‘toepasselijke wettelijke voorschriften heeft de rechtbank onder meer art. 140 Sr aangehaald; art. 11b Opiumwet is daarbij (juist) niet genoemd. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat in 26Sartell het oogmerk van de organisatie beperkt is tot witwassen en Opiumwetdelicten zodat hieruit volgt dat het Openbaar Ministerie kennelijkartikel 11b van de Opiumwet (Ow) ten laste heeft gelegd, simpelweg onjuist en in strijd met hetgeen in het eerdere vonnis (en onherroepelijk) is vastgesteld zodat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is. Gelet hierop kan het arrest niet in stand blijven.
Hetgeen het hof in het kader van de artt. 68, 55 en 56 Sr (voorts) heeft overwogen, te weten dat de ten laste gelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers aan de beide criminele organisaties weliswaar deels overeenkomen, maar niet dezelfde zijn of beter gezegd: behoorlijk verschillen; de in deze zaak bewezenverklaarde zaak gepleegde gedragingen in een veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers plaatsvonden zodat de gedragingen die waren gericht op de drugshandel en de gedragingen die waren gericht op het plegen van geweld niet in zodanig verband met elkaar staan dat moet worden gesproken van één feitencomplex is voorts onjuist althans onbegrijpelijk nu het hof ten aanzien van het bewijs heeft vastgesteld en redengevend heeft geacht dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] (blijkens de voor het bewijs gebruikte verklaringen hebben verklaard dat zij) hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van invoer/handel van verdovende middelen.
Het bovenstaande klemt te meer nu uit het verhandelde ter terechtzitting/hetgeen de verdediging (onweersproken) heeft aangevoerd volgt dat:
zowel de bewijsconstructie van het Openbaar Ministerie als de bewijsvoering van de Rechtbanken op dezelfde bewijsmiddelen zijn gebaseerd, te weten Encrochat en observaties; de betreffende (in beide zaken voor het bewijs gebruikte) Encrochat-gesprekken met vaak dezelfde personen ((kern)deelnemers) over van drugs naar (voorgenomen) geweld gaan, van witwassen naar wapens, weer terug naar drugs, etc. ; vaak zelfs in hetzelfde gesprek;
alle Encrochat-berichten waarop [verdachte] in 26Douglasville is veroordeeld, in 26Sartell zijn opgenomen evenals de berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die — zoals gezegd — naast gesprekken over (voorgenomen) geweld ook veelvuldig spraken over verdovende middelen; ook gesprekken met andere personen uit 26Dougalsville in 26Sartell zijn opgenomen, zoals dat [medeverdachte 14] in opdracht van [verdachte]/[medeverdachte 1] geldstahes leeg moet maken;
ook observatieverslagen zoals die van 14 mei, 1 en 3 juni 2020 in beide zaken zijn opgenomen teneinde (kennelijk) duurzaamheid daarvan en de deelneming van deelnemers aan te tonen en ook in beide vonnissen worden gebruikt als bewijsmiddelen;
alle Encrochat-berichten met betrekking tot ‘geweld’ ook in de eerdere zaak zijn opgenomen;
in zowel 26Douglasville65 als 26Sartell66 het regelen van vuurwapens en politiekleding verschillende keren wordt aangehaald en zelfs terugkomt in het requisitoir van het Openbaar Ministerie in 26Douglasville en
ten aanzien van de rol van verdachte in beide zaken verwezen wordt naar dezelfde gedragingen.
Voorts is van belang dat de mogelijke slachtoffers van het te plegen van geweld eveneens aan de in de eerdere zaak bewezenverklaarde organisatie hebben deelgenomen en het plegen van geweld redengevend kan zijn voor het bestaan van een dergelijke organisatie.
Voor zover geen sprake is van schending van art. 68, 55 of 56 Sr meent verdachte dat de omstandigheid dat het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie redengevend is voor het bewijs van een nadien tenlastegelegde deelneming aan een andere organisatie schending van een beginsel van behoorlijke procesorde oplevert. Een dergelijk geval kan gelijk worden gesteld aan een geval waarin de eerste rechter het bewijs van de op art. 140 Sr toegesneden tenlastelegging klaarblijkelijk mede heeft aangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van verdachte en deze gedragingen vervolgens in een tweede op art. 140 Sr toegespitste tenlastelegging zijn opgenomen.
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te Capelle aan den IJssel, Den Haag, Nieuwegein, Rotterdam, Schiedam, Utrecht, Wouw, [A] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 6], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9], [medeverdachte 10], [medeverdachte 11], [medeverdachte 12], [medeverdachte 13], [medeverdachte 7], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 14] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- —
moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht),
- —
opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht),
- —
gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht) :
- —
afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 3 17 jo. 3 12, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- —
zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht),
- —
opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of
- —
het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie).’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 oktober, 1, 3, 6, 10, 13, 29 november en 13 december 2023 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsman van de verdachte [verdachte] deelt mee:
Mijn cliënt heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, maar voor de strafmaat maakt het uit welke EncroChat-berichten door hem en welke door [medeverdachte 1] zijn verstuurd. Ik ga bij mijn pleidooi opnieuw een artikel 68 Sr-verweer voeren en subsidiair zal ik een verweer gericht op eendaadse samenloop voeren. Er is door het Openbaar Ministerie een knip gemaakt bij de artikel 140 Sr-verdenking en zij hebben dit feit accessoir gemaakt aan het gronddelict, maar er is sprake van één verhaal. De berichten van Mysticsteak die in het dossier in Douglasville zitten zijn ook te vinden in het dossier in de zaak Sartell. In zowel het requisitoir in Douglasville als het requisitoir in Sartell wordt naar elkaar verwezen.
(…)
De raadsman van de verdachte [verdachte] voert het woord ter verdediging aan de hand van zijn pleitnota, die hij aan het hof overlegt en welke in het dossier wordt gevoegd. In aanvulling daarop voert hij aan:
- —
bij punt 1.6: de rechtbank heeft dit ook zo verwoord in het vonnis. De rechtbank heeft ook enkel opgenomen in het vonnis dat mijn cliënt contact heeft gehad met [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 14].
- —
bij punt 2.18: de rechtbank heeft bij de verwerping van het ne bis in idem-verweer gesteld dat al dan niet sprake is van ‘deelorganisaties’ of ‘divisies’. Dit bestaat niet in de wettelijke ’ systematiek. Het is niet mogelijk een criminele organisatie op te splitsen in ‘deelorganisaties’.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor het nemen van rust.
Na hervatting van het onderzoek gaat de raadsman van de verdachte [verdachte] verder met het voeren van het woord ter verdediging aan de hand van zijn pleitnota. In aanvulling daarop voert hij aan:
- —
bij punt 4.46: stel je voor dat deelnemers van een criminele organisatie op vijf verschillende plekken actief zijn voor die criminele organisatie en op die plekken vijf verschillende misdrijven plegen. In de visie van het Openbaar Ministerie kan je een verdachte dan vijf keer vervolgen voor deelname een criminele organisatie in die vijf steden en daarbij ook vijf keer een verschillend oogmerk ten laste leggen.
De raadsman van de verdachte [verdachte] antwoordt op vragen van de jongste raadsheer:
U houdt mij de hypothetische situatie voor dat sprake is van een criminele organisatie die zich bezighoudt met witwassen, drugs en feiten met een geweldscomponent en die vervolgens een heel ander soort geweldsfeit — stel voor: een aanslag op de koning — pleegt. Ook dan is naar mijn mening sprake van één criminele organisatie, omdat de misdrijven die de criminele organisatie pleegt niet gelijksoortig hoeven te zijn.
U houdt mij de hypothetische criminele organisatie voor die wordt vervolgd voor drugs, witwassen en geweldsfeiten. Pas na de vervolging voor die feiten — bijvoorbeeld omdat pas later PGP-telefoons worden gekraakt — blijkt dat deze criminele organisatie zich ook bezig hield met het beramen van een aanslag op de koning. Hoewel het niet goed voelt, denk ik datje in zo'n geval de leden van de criminele organisatie niet nog een keer zou kunnen vervolgen voor deelname aan een criminele organisatie, maar dan in het kader van de aanslag op de koning. Ook dan zou sprake zijn van strijd met het ne bis in idem-beginsel.
(…)
De raadsman van de verdachte [verdachte] antwoordt op vragen van de oudste raadsheer:
U houdt mij voor dat bij de criminele organisatie in deze zaak heel lang geen sprake is geweest van ‘een ministerie van geweld’ en dat door een onverwachtse gebeurtenis een stroom van gedragingen in gang is gezet die helemaal niet paste bij de drugsorganisatie en dat daardoor ineens wel een ‘ministerie van geweld’ is ontstaan. Bij dit nieuwe ministerie zijn vervolgens ook personen betrokken geraakt die niets te maken hadden met de drugshandel van de criminele organisatie en u vraagt mij te reageren. Naar mijn mening is in dit geval geen sprake van een nieuwe criminele organisatie. Het kader van de criminele organisatie is hetzelfde gebleven. Alleen het misdrijf geweld is toegevoegd. Dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de nieuwe personen die deelnamen aan het ‘ministerie van geweld’ niet kenden heeft te maken met de organisatiestructuur. [medeverdachte 2] kreeg er alleen een extra ‘geweldstaak’ bij. Voor de rest bleef de organisatie hetzelfde.
De raadsman van de verdachte [verdachte] gaat verder met het voeren van het woord ter verdediging aan de hand van zijn pleitnota. In aanvulling daarop voert hij aan:
- —
bij punt 4.38 van mijn pleitnotities hoort een voetnoot. Ik zal deze voetnoot later nog mailen aan de gri ffier. Noot griffier: de raadsman heeft per e-mai/bericht gestuurd dat in de ontbrekende voetnoot hoort te slaan: "uit het vonnis van 26Sartell volgt dal de Rechtbank Rotterdam LERB18004-0980 (proces-verbaal van bevindingen mysticsteak = [verdachte]), met daarin alle berichten van Mysticsteak, aanhaalt op pagina 36. Verder verwijst de rechtbank in haar voetnoten 15 t/m 18 tevens naar dit proces-verbaal.
(…)
De raadsman voert het woord in dupliek als volgt:
De bedoeling van de wetgever bij artikel 140 Sr is geweest om deze bepaling ruim op te zetten, zodat de toepassing daarvan breed kan zijn. Het is niet de eerste keer dat ik dit verweer heb gevoerd, maar het is wel de eerste keer dat ik het volledige plaatje kan laten zien doordat u nu alle stukken heeft. Daarom kan er naar mijn mening ook nu pas een volledige toets plaatsvinden van mijn ne bis in idem-verweer. Het was mogelijk geweest [medeverdachte 1] en [verdachte] in Sartell te vervolgen en de zaken van de andere verdachten in Douglasville af te scheiden. Dan wordt het ne bis in idem-beginsel niet geschonden en dan zouden de andere verdachten ook niet in Sartell worden getrokken. Er moet gezorgd worden dat mijn cliënt niet dubbel wordt bestraft, aangezien hij zowel in Sartell als Douglasville dezelfde rol toegedicht krijgt en sprake is van dezelfde kwalificatie in beide zaken. Er is sprake van exact dezelfde gedraging van mijn cliënt in beide zaken.'
1.3
In de pleitnota van mr. A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam, is onder meer aangevoerd:
‘1.1.
[verdachte] is twee keer aangehouden, twee keer vervolgd, twee keer in voorlopige hechtenis gegaan, en uiteindelijk twee keer veroordeeld. Dit alles voor één verhaal, één constellatie van ontwikkelingen, één feitencomplex en één en hetzelfde strafbare feit: deelname aan een criminele organisatie.
(…)
1.5.
Het gaat niet om de concreet beoogde misdrijven van de organisatie. Die hoeven ook helemaal niet te worden opgenomen in de tenlastelegging — zo weet ook het Openbaar Ministerie in 26Dougalsville.1 Dat is ook de reden dat deelnemers van dergelijke organisaties part noch deel hoeven te hebben gehad in die concrete beoogde misdrijven. Sterker nog, het is niet eens nodig dat de deelnemers wetenschap hadden van de concreet beoogde misdrijven van de organisatie.
1.6.
Het gaat ook niet om de deelnemers. Het is niet nodig dat alle deelnemers y contact met elkaar hebben. Zij hoeven niet eens weet te hebben gehad van elkaars bestaan. Deelnemers kunnen komen en gaan. Ook dat blijkt uit de Wetsgeschiedenis. Het enige wat nodig is, is dat de organisatie een vaste kern heeft die een bepaalde duurzaamheid vertoont.
1.7.
Waar het in essentie omgaat, is dat men heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (meervoud). De opzet van de deelnemer ziet op de deelneming aan de criminele organisatie, niet op de beoogde misdrijven van die organisatie. Dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven, en welke dat dan precies zijn, moet blijken uit de bewijsvoering — niet uit de tenlastelegging.
1.8.
Wat zien we nu in 26Sartell en 26Douglasville? Twee strafrechtelijke onderzoeken. Beide onder leiding van het Landelijk Parket. Twee vervolgingen voor deelname aan een criminele organisatie. Beide onderzoeken staan bol van waar het zogenaamd niet over zou moeten gaan: 26Sartell is gelardeerd met bevindingen over (voorgenomen) geweld, meer specifiek de martelcontainters; 26Douglasville is gelardeerd met bevindingen over invoer en handel van verdovende middelen en witwassen. Beide onderzoeken maken veelvuldig gebruik van eikaars bevindingen (126dd SV).
In eerste aanleg liepen de onderzoeken parallel maar nagenoeg simultaan op. 26Sartell in Rotterdam; 26Douglasville in Amsterdam. En zowel de bewijsconstructie van het Openbaar Ministerie als de bewijsvoering van de Rechtbanken zijn gebaseerd op dezelfde bewijsmiddelen: Encrochat en observaties.
(…)
1.10.
De feiten zijn heel simpel. [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) en [medeverdachte 4] maakten — samen met anderen — deel uit van een groep. Een groep die bezig was met de invoer en handel van drugs en alles wat daarbij komt kijken. Er werd geld verdiend. Geld dat door [medeverdachte 3] werd gestolen, en geld dat terug moest. [medeverdachte 3] splitste zich logischerwijs af van de groep, en de personen die resteerden, [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2], hebben dat geld geprobeerd terug te halen. Dat laatste is — op z'n zachtst gezegd — gruwelijk uit de hand is gelopen.
1.11.
Anders dan het Openbaar Ministerie stelt, is [medeverdachte 1] geen nieuwe alliantie aangegaan met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] heeft, naast de taken die hij al had in het kader van de verdovende middelen, simpelweg een nieuwe taak toebedeeld gekregen. De taak om het geld terug te halen, zo nodig met geweld. En nadat [medeverdachte 4] is geliquideerd, is dat (voorgenomen) geweld wat meer op de voorgrond komen te staan. Dat is geen afschuiven op [medeverdachte 2], dat is een feit. Uit het dossier blijkt ook gewoon dat hij, onder [medeverdachte 1], de verantwoordelijke is in dat verband.
1.12.
Het gegeven dat [medeverdachte 2] een nieuwe taak toebedeeld heeft gekregen, en daar allerlei mensen heeft bijgehaald, de overige tenlastegelegde deelnemers in 26Douglasville, maakt niet dat er ineens sprake is van een andere organisatie. Als [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] geldstahses moest leeghalen, deed hij dat ook niet altijd zelf.
Dan benaderde hij ook weer mensen, zonder dat [medeverdachte 1] dat wist. Dan is er toch ook niet ineens sprake van een andere organisatie?
(…)
1.15.
Het conflict waar 26Douglasville op ziet, is ontstaan in 26Sartell. Het geld dat is gestolen, is verdiend in 26Sartell, en het geld waarmee het (voorgenomen) geweld in 26Douglasville is bekostigd, komt ook weer uit de werkzaamheden in 26Sartell.
Voorzitter, leden van het Hof, de cirkel is rond. Geld verdiend met drugs, geld gestolen, geld proberen terug te halen met geld dat weer is verdiend met drugs. En dat allemaal door steeds dezelfde kerndeelnemers in overeenkomstige periodes. Waarbij die kerndeelnemers ook nog eens dezelfde rollen vervulden. [medeverdachte 1] als baas en [verdachte] als ‘rechterhand’ — die kwalificatie kreeg hij wederom in het requisitoir van de Advocaten-Generaal, maar zullen we nog veel, veel vaker terug zien.
1.16.
Het Openbaar Ministerie heeft desondanks in één feitencomplex een knip gezet. Bij 26Sartell gaat het volgens het Openbaar Ministerie om drugs, en bij 26Douglasville gaat het om (voorgenomen) geweld. De gezette knip is niet alleen een onjuiste weerspiegeling van de feiten, het zorgt er ook voor dat het zicht van de verdediging en u, de feitenrechter, op het grotere plaatje wordt ontnomen.
1.17.
En juridisch is het ook onjuist. Niet alleen wordt met de wijze van inrichting een juridische diversificatie aangebracht in één feitencomplex, maar daarbij Wordt artikel 140 Sr ook nog eens accessoir gemaakt aan de — ik noem het even: — gronddelicten5, terwijl het bij artikel 140 Sr niet om de gronddelicten gaat, maar om de bescherming van de openbare orde.
[verdachte] heeft in 26Douglasville ook geen betrokkenheid bij de gronddelicten. Niet voor niets is in eerste aanleg gerequireerd tot vrijspraak, niet voor niets had de Rechtbank al bij de behandeling van de vordering gevangenhouding geen ernstige bezwaren aangenomen voor feit 1 van het bevel bewaring, de voorbereidingshandelingen. Het gaat om de deelname door [verdachte] aan de organisatie, niet om zijn deelname aan de concreet beoogde misdrijven van die organisatie. Ik blijf dat benadrukken.
1.18.
Maar dus niet alleen in knip in de feiten, ook nog twee vervolgingen. Ik heb daar kritiek op, en sta daar gelukkig niet alleen in. De Hullu, Taverne, A-G Fokkens en A-G Knigge hebben zich expliciet uitgesproken over het opknippen van feitencomplexen, onder andere over zaken en tenlasteleggingen waarin strafbare feiten cumulatief ten laste werden gelegd.
1.19.
De meest sprekende daarvan betreft een arrest van de Hoge Raad uit 2010.
Met name omdat het hier gaat om openlijk geweld, dat te vinden is in dezelfde titel van het Wetboek van Strafrecht als artikel 140 Sr. In deze zaak waren verschillende handelingen van de verdachte binnen één feitencomplex opgeknipt in twee, cumulatief, tenlastegelegde feiten: openlijk geweld tegen personen en openlijk geweld tegen goederen. Het Hof had de feiten bewezenverklaard en gekwalificeerd als twee feiten.9
AG Knigge maakte in zijn conclusie gehakt van de inrichting van de tenlastelegging. Daarbij betrok hij (herhaaldelijk) de achtergrond en het doel van de strafbaarstelling van artikel 141 Sr: bescherming van aantasting van de openbare orde die van geweldpleging vanuit een groep uitgaat. Volgens Knigge moet de openlijke geweldpleging niet worden opgesplitst in de afzonderlijke geweldshandelingen waaruit zij bestaat. Één verstoring van de openbare orde, en dus één feit. Hij zegt dat een onjuiste wijze van tenlasteleggen een onjuiste toepassing van het materiele recht niet kan rechtvaardigen, en dat de onjuistheid van de tenlastelegging door de rechter moet worden gecorrigeerd.10
En wat doet de Hoge Raad? In navolging van Knigge leest de Hoge Raad de kwalificatie als één geval van openlijke geweldpleging. Goed verklaarbaar, want één feitencomplex met één strafbaar feit dat naar zijn aard meerdere geweldhandelingen kan bevatten.
1.20.
Vergelijk dat even met artikel 140 Sr in de zaken 26Sartell en 26Douglasville. Één feitencomplex, maar tweemaal vervolging van hetzelfde strafbare feit, dat naar zijn aard onder andere meerdere deelnemers en beoogde misdrijven kan bevatten.
1.21.
Bedenkt u zich daarbij ook dat artikel 140 Sr een voortdurend delict is. [verdachte] pleegde in één en dezelfde overeenkomstige periode dus voortdurend gedragingen die in relatie stonden tot beide organisaties? En getuige de zaaksdossiers, requisitoiren en vonnissen vonden die gedragingen plaats door berichten te versturen met Mysticsteak, Sonicjaw en Vuitonsport, door omgang te hebben met [medeverdachte 1] en bij verschillende ontmoetingen aanwezig te zijn.
De Encrochat-gesprekken gaan — zo zal blijken — met vaak dezelfde personen ((kern)deelnemers) over van drugs naar (voorgenomen) geweld, van witwassen naar wapens, weer terug naar drugs, etc. Vaak zelfs in hetzelfde gesprek. Ziet u het voor zich? Oh ik chat nu over drugs, ja dan ben ik dus nu bezig met organisatie A; oh nu chat ik over geweld, ik ben nu bezig met organisatie B. Zo werkt het feitelijk niet, en zo werkt het juridisch niet.
(…)
De gedraging Van [verdachte] is in de tenlastelegging niet nader geëxpliciteerd. Voor het toetsen van de gedraging zullen daarom de feiten bekeken moeten worden. Daar kom ik straks op, maar voor nu wil ik alvast uw aandacht voor enkele overwegingen uit de vonnissen.
Vonnis 26Sartell: [verdachte] was de ‘rechterhand’ van [medeverdachte 1], [verdachte] was dagelijks met [medeverdachte 1] en aanwezig bij belangrijke afspraken, [verdachte] was verantwoordelijk voor het beheer van de administratie en de contante gelden van de organisatie.12
Vonnis 26Douglasville: [verdachte] was de ‘rechterhand’ van [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 1] waren regelmatig in eikaars nabijheid en hadden samen afspraken met derden13, [verdachte] had veelvuldig contact met [medeverdachte 1], [verdachte] was verantwoordelijk voor de opslag van grote geldbedragen binnen de organisatie.14
Met alle respect: leg mij maar uit hoe dit niet dezelfde gedragingen zijn. Beheer van administratie, contante gelden en geldstashes. Het gaat om dezelfde administratie, dezelfde gelden en dezelfde stashes. De gedraging is exact hetzelfde.
De bewezenverklaarde deelnemingsgedraging van [verdachte] in 26Sartell door contact te hebben met [medeverdachte 1], is identiek aan zijn bewezenverklaarde deelnemingsgedraging in 26Douglasville. En vice versa. Door de overeenkomstige periodes, door dezelfde (kern)deelnemers, in dit geval even alleen [medeverdachte 1], door het gegeven dat sprake is van een voortdurend delict, levert dezelfde gedraging, contact hebben met [medeverdachte 1], mede het bewijs voor twee veroordelingen van hetzelfde feit. Dit kan toch niet?
(…)
Nieuwe organisatie?
2.15.
Kijkend naar de ratio en bestanddelen van artikel 140 Sr kan dus niet gesteld worden dat er in 26Douglasville sprake is van een nieuwe organisatie. De kern is hetzelfde, het oogmerk blijft hetzelfde (plegen van misdrijven), de periodes zijn overeenkomstig, etc. Dat [medeverdachte 2] een nieuwe taak heeft gekregen, en daar mensen heeft bijgehaald, maakt dus niet dat er kan worden gesteld dat er sprake is van een nieuwe organisatie.
2.16.
Dat blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis. Een vergelijking valt te trekken met de zogenoemde ‘fuzzy networks’. Dat zijn netwerken met een meer fluide organisatievorm, die — samengevat — bestaat uit losse samenwerkingsverbanden met wisselende samenstellingen. Aan de hand van de parlementaire geschiedenis beschrijft Kesteloo dat het de bedoeling van de Wetgever is geweest om ook deze samenwerkingsverbanden onder werking van de strafbaarstelling te laten vallen, hetgeen zijns inziens wordt bevestigd door het gegeven dat de wetgever de extensieve uitleg van de Hoge Raad en ruime toepassing van het artikel nooit heeft beperkt.(…)
2.17.
En zie in dit verband — tot slot — ook opmerkingen van Buruma omtrent deelneming van rechtspersonen. Buruma beschrijft concernvorming, waarbij meerdere rechtspersonen in onderling verband samenwerken en zo samen een criminele organisatie vormen: een B.V.-logistiek, een B.V.-inkoop en een B.V.- verkoop.
Als we die metafoor doortrekken naar 26Sartell en 26Douglasville hebben we te maken met onder meer een B.V.-invoer drugs, B.V.-verkoop drugs, B.V.- witwassen drugsgelden en een B.V.-geweld. De B.V's hebben alle dezelfde bestuurders (lees: kernleden), en het maakt daarbij niet uit in hoeverre voor de afzonderlijke B.V.'s verschillende werknemers (lees: deelnemers) werkzaam zijn. Waar het omgaat is dat de B.V.'s en hun bestuurders in onderling verband één concern vormen dat tot (naaste) doel heeft het plegen van misdrijven. Waarbij in casu geldt — ook al is dat niet noodzakelijk in het kader van het ‘oogmerk’ — dat de misdrijven in onderling verband staan met elkaar, en zelfs een gevolg zijn van elkaar.
2.18.
De oprichting van een geweldstak wil dus niet zeggen dat er daarmee een nieuwe organisatie ontstaat.
(…)
Onderzoek 26Sartell, meer specifiek zaaksdossier Barca
3.3.
Zoals gezegd werd het onderzoek gedraaid door het Landelijk Parket. 26Sartell is een samenvoeging van de onderzoeken Tumwater, Raymore en Sartell.21 Onderzoeken die zich richtten op [medeverdachte 1] en [verdachte] onder meer in relatie tot invoer en handel van verdovende middelen en witwassen.
(…)
3.6.
Uit Barca volgen onder andere de volgende (kern)deelnemers en hun rollen:
[medeverdachte 1]
Leider van de organisatie.25 Bij de resumé van zijn rol staat het volgende opgenomen:
‘Dat er sprake was van een organisatie kan bijvoorbeeld ook worden opgemaakt uit een bericht (gerelateerd in proces-verbaal LERCB18006-2161) dat [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) op 18 april 2020 naar [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) stuurde. Over het martelen van personen schrijft [medeverdachte 1]: ‘Ben normaal niet van déze afdeling Maar er zijn er nu een paar ik hoop dat ik de kans krijg om ze te martelen’.’
Oké, dus voor het bestaan van de organisatie van 26Sartell wordt een Encrochat-bericht aangehaald tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat ziet op geweld. Maar hoe zit dat dan? Want dat bericht gaat volgens het Openbaar Ministerie toch om de andere organisatie, of vermeende ‘nieuwe alliantie’ die zou zijn aangegaan, en niet om 26Sartell? Volgens de Politie dus niet.
(…)
En Voorzitter, leden van het Hof, u kent dit bericht. Want dit bericht zien we ook terug in 26Douglasville, maar dan ter onderbouwing van het bestaan van de organisatie tenlastegelegd in die zaak.
(…) [medeverdachte 2]
Bij de resumé van zijn rol staat het volgende:27
‘Uit onderstaande bevindingen kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 2] deel uit heeft gemaakt van een criminele organisatie. Hij lijkt betrokken te zijn bij de invoer van verdovende middelen en de voorbereiding daarop. Tevens lijkt hij betrokken te zijn bij de verkoop van ingevoerde cocaïne en wordt door de organisatie gebruik gemaakt van corruptieve contacten van [medeverdachte 2] in de Antwerpse haven.
(…)In de criminele organisatie speelt R. [medeverdachte 2] ook een prominente rol bij het (voorgenomen) geweld waarnaar onderzoek gedaan wordt binnen onderzoek Douglasville. Hierbij spreekt men van een alliantie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].’
Voorzitter, leden van het Hof, ‘in de criminele organisatie’. Dus niet in de andere criminele organisatie. Nee, in de beschreven organisatie waarin het in dat zaaksdossier gaat: 26Sartell.
[medeverdachte 4]
De rol van [medeverdachte 4] was belangrijk maar veelal faciliterend, onder andere wordt beschreven dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] op 8 april 2020 vraagt om tien handwapens, Glocks en Politiekleding.28
Zaaksdossier Barca, relaas, pagina 88.
3.7.
Het bestaan van de organisatie, het oogmerk, de deelnemers, hun rollen en deelneming is hoofdzakelijk gebaseerd op Encrochat-gesprekken en observaties. Evenals in 26Dougalsville wordt in 26Sartell met name de periode 27 maart 2020 — 22 juni 2020 aangehaald, zijnde de periode waarin Encrochat werd meegelezen door de Politie.
(…)
Alle Encrochat-berichten waarop [verdachte] in 26Douglasville is veroordeeld, zitten in 26Sartell. Allemaal! Evenals de berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die — zoals gezegd — naast gesprekken over (voorgenomen) geweld ook veelvuldig spraken over verdovende middelen.(…)
3.9.
En ook gesprekken met andere personen uit 26Dougalsville zitten in 26Sartell. Bijvoorbeeld Zen ik. Hij komt veelvuldig voor in 26Sartell. Onder andere dat hij in opdracht van [verdachte]/[medeverdachte 1] geldstahes leeg moet maken.
Volgens 26Sartell gaat dat onder meer om een stash met 11 miljoen.32 Volgens het proces-verbaal in 26Sartell moet [medeverdachte 14] in opdracht van [verdachte]/[medeverdachte 1] de stash leeghalen. Het leeghalen van precies diezelfde stash zien we ook in 26Douglasville. Daar is zelfs een hele paragraaf aan gewijd in het relaas proces-verbaal.33 En niet alleen in het zaaksdossier van 26Douglasville, maar ook in het requisitoir.34
Hetzelfde geldt voor het geldbedrag van 1 miljoen op 5 juni 2020. Zowel in 26Douglasville35 als in 26Sartell36. Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 850.000,- op 12 juni 2020; 26Sartell37 en 26Douglasville.38 Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 50.400 op 11 juni 2020; 26Sartell39 en 26Douglasville40. Hetzelfde geldt voor de betalingen en aanhouding van de brasman, M. Pèleteiro Calabrich. En ga zo maar door.
3.10.
Dan de observaties. In zaaksdossier Barca worden meerdere observaties beschreven. Onder andere die van 14 mei, 1 en 3 juni 2020. De observaties worden gebruikt om het bestaan van de organisatie in 26Sartell, de duurzaamheid daarvan en de deelneming van deelnemers aan te tonen.
En ook deze observaties kennen we. Niet alleen worden precies dezelfde observaties beschreven in het zaaksdossier van 26Douglasville, maken ze deel uit van de bewijsconstructie van zowel het Openbaar Ministerie in 26Douglasville als in 26Sartell, maar zelfs in beide vonnissen worden de observaties aangehaald, maar dan steeds ter onderbouwing van het bestaan en de duurzaamheid van die organisatie, en de deelneming daaraan door [verdachte].
Geweld binnen Barca?
3.11.
En hoe zit het met geweld? Blijkt dat uit onderzoek Barca? Jazeker — alle Encrochat-berichten zitten er in. En heeft de Politie die dan links laten liggen in zaaksdossier Barca? Nee hoor. Er is in het relaas onder het kopje ‘duurzaamheid’ zelfs een paragraaf gewijd aan geweld. De paragraaf begint als volgt:
‘In dit hoofdstuk wordt onder meer gerelateerd gerelateerd betreffende het plegen van geweld, liquidatiegevaar, de liquidatie van [medeverdachte 4], het aankopen van vuurwapens, etc. Door de Politie wordt in dit verband onder meer gerelateerd dat deze bevindingen in relatie staan tot een conflict met de heer [medeverdachte 3] (bijnaam [medeverdachte 3]).’
3.12.
Toch wel apart. Een hoofdstuk geweld om de duurzaamheid van een organisatie aan te tonen, die volgens de tenlastelegging dan weer niet gaat om geweld.
(…)
3.15.
En zoals in de inleiding al betoogd, maakt het Openbaar Ministerie ook (herhaaldelijk) het haakje naar andere gepleegde strafbare feiten:
‘Zo werd al gesproken over geweldsdelicten, bestaande uit bedreigingen met geweld, maar ook daadwerkelijk liquidaties aan toe. Verdachten worden daarvoor in onderzoek 26Sartell niet vervolgd, maar schrikbarende berichten over wat er met tegenstanders moet gaan gebeuren zijn ook in het onderhavige dossier in overvloed aanwezig.’(…)
26Douglasville
3.20.
Dan onderzoek 26Douglasville.
Zaaksdossier 140 Sr
3.21.
Onderzoek 26Douglasville is aangevangen op 20 april 2020.50 Het onderzoek is een opvolging van 26Antigo. Binnen 26Douglasville is onderzoek gedaan naar de betrokkenheid bij grootschalige handel in verdovende middelen, voorbereidingen daartoe en voorbereidingshandelingen van moord. Evenals 26Sartell staat het onderzoek onder leiding van het Landelijk Parket.
(…)
3.24.
Evenals in 26Sartell is het bewijs voor het bestaan van de organisatie, het oogmerk, de deelnemers en hun rollen, hoofdzakelijk gebaseerd op Enrochat- berichten en observaties, onder andere die van 14 mei, 1 juni en 3 juni 2020.
Requisitoir 26Douglasville
3.25.
Uit het requisitoir in eerste aanleg volgt dat [verdachte] ‘de rechterhand’ was van [medeverdachte 1]. [verdachte] voert opdrachten uit voor [medeverdachte 1], onder andere door deze verder uit te zetten bij derden. Verder is [verdachte] betrokken bij de geldzaken. Hij is onder andere verantwoordelijk voor het beheer van de geldstashes en een kloppende administratie.
‘want [verdachte] heeft het beheer over meerdere geldstashes, waarvan één van vermoedelijk 11 miljoen euro. Hij spreekt in dat verband ook over ‘mij admin’ die moet kloppen. Daaruit kan worden opgemaakt dat [verdachte] enerzijds (mede)zeggenschap over het geld heeft, en anderzijds daarover door middel van een kloppende administratie verantwoording moet afleggen.’70
Ik val in herhaling, maar ook dit kennen we. We kennen het uit de bewijsconstructie van het Openbaar Ministerie in 26Sartell, en uit de bewijsvoering van de Rechtbank in 2&Sartell. Letterlijk rechterhand. Letterlijk beheer van administratie. Letterlijk beheer (contante) gelden (geldstashes).
3.26.
Evenals in 26Sartell is de bewijsconstructie gestoeld op met name Encrochat-bevindingen en observaties. Observaties van 1 en 3 juni 2020. En ja, ook die kennen we, want die maakten ook deel uit van de bewijsconstructie in 26Sartell.72
3.27.
En evenals in 26Sartell wordt ook in 26Douglasville het haakje gemaakt naar het andere onderzoek:
‘Waar wij hier getuige van zijn is de achterkant van het recreatieve gebruik van cocaïne in Nederland en ons omringede landen. (…) Ook de zaak die waar we het vandaag over hebben, getuigt van de weerzinwekkende, maar kennelijk niet te vermijden effecten van die cocaïnehandel.’
Vonnis 26Douqlasville
3.28.
Tot slot het vonnis 26Douglasville. Bewezen is verklaard dat [verdachte] zich in de periode 29 maart 2020 tot en met 22 juni 2020 schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.
(…)
3.31.
Ter zake de deelname van [verdachte] is de bewijsvoering gebaseerd op twee punten. Enerzijds Ehcrochat-berichten, anderzijds de observaties van onder meer 1 en 3 juni 2020. Voorzitter, leden van het Hof, die observaties kennen we. Die worden namelijk ook in 26Sartell aangehaald, maar dan — u raadt het al — ter onderbouwing van het bestaan van de organisatie 26Sartell, en de deelname daaraan door [verdachte].
3.32.
En ook de Encrochat-berichten kennen we. Die zitten — zoals gezegd — allemaal in 26Sartell. Uit het requisitoir van de Advocaten-Generaal blijkt dat zij zich aansluiten bij de Encrochat-berichten die de Rechtbank in het vonnis heeft aangehaald. Zoals ik al zei, lopen de Encrochat-berichten van 26Sartell en 26Douglasville dwars door elkaar heen. Dat geldt ook voor de berichten die de Rechtbank Amsterdam in haar vonnis heeft aangehaald. Ik benoem enkele daarvan.
(…)
4. Formeel verweer: Openbaar ministerie niet-ontvankelijk
4.1.
Het formele verweer huist op twee gronden. Strijd met artikel 68 Sr en strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
(…)
4.3.
Het toetsingscriterium van de Hoge Raad ter zake artikel 68 Sr stamt uit 2011, en is sindsdien ongewijzigd. Het toetsingskader is in r.o. 2.9.1. en 2.9.2. geconcretiseerd.
(…)
Aard en de kennelijke strekking van de gedragingen
4.8.
De aard en de kennelijke strekking van de gedragingen is een en hetzelfde. Voor wat betreft de aard: zowel in 26Sartell als in 26Douglasville is [verdachte] de ‘rechterhand’ van [medeverdachte 1]. In opdracht van [medeverdachte 1] doet hij ‘van alles’, waaronder het uitzetten van opdrachten van anderen, beheer van de administratie, het beheer van de (contante) gelden(stashes), omgang met [medeverdachte 1], contact met [medeverdachte 1], etc.
4.9.
Voorzitter, artikel 140 Sr is een ruim delict, waaronder veel uiteenlopende gedragingen kunnen vallen. Maar de gedragingen van [verdachte] zijn niet anders. Zowel de zaaksdossiers, de requisitoiren en vonnissen spreken over dezelfde soort gedragingen. Soms letterlijk dezelfde gedraging (contact met [medeverdachte 1], administratie en geldstashes). Maar ook de gedraging van [verdachte] door het uitzetten van opdrachten bij anderen, valt onder gedragingen die bewezen zijn verklaard in 26Sartell ([verdachte] regelt ‘van alles’).
4.10.
De strekking van de gedragingen is, bezien tegen de achtergrond van de strafbaarstelling van artikel 140 Sr, ook hetzelfde. Namelijk gedragingen die zien óp het deelnemen aan de organisatie. Nogmaals: geen gedragingen die zien op de deelname van de beoogde misdrijven, daar gaat het niet om.
De tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder
4.11.
De gedragingen hebben alle plaatsgehad in dezelfde tenlastegelegde periode. En zijn gebaseerd op hetzelfde bewijs: Encrochat-berichten en observaties. In de zaaksdossier, requisitoiren en vonnissen, zien we pok terug dat het bewijs voor het bestaan van de organisaties, de duurzaamheid daarvan en de deelneming door [verdachte] met name zijn gestoeld op de periode 27 maart — 22 juni 2020.
4.12.
Zoals we hebben gezien zijn de gedragingen niet alleen gelijk(soortig), maar vinden ze ook gelijktijdig plaats (voortdurend delict). Soms zelfs op dezelfde dag, in hetzelfde gesprek, met dezelfde (kern)deelnemers ([medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2]). Nogmaals: de Rechtbank heeft in 26Douglasville overwogen dat [verdachte] enkel contact heeft gehad met [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 14] en [medeverdachte 2]. Niet met de overige deelnemers.(…)
Europese jurisprudentie ne bis in idem
4.20.
Uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat het Hof bij de beoordeling van ne bis in idem meer oog heeft voor ce feiten, waaronder de gedragingen van de verdachte, dan voor de juridische kwalificatie en strafmaxima. Het EHRM heeft in de zaak Zolotukhin onder meer het volgende overwogen:
(…)
4.22.
En ook het Europese Hof van Justitie kijkt meer naar de feiten. In de zaak Van Ebsroeck, dat — kort gezegd — ging over een vervolging in België voor de export van verdovende middelen nadat de verdachte voor diezelfde partij drugs al was veroordeeld voor import, maar dan in Noorwegen.
(…)
Conclusie ne bis in idem
4.24.
Het is hetzelfde feit. De juridische aard is gelijk. En de gedragingen van [verdachte] zijn ook identiek: gedragingen die zien op het deelnemen aan een criminele organisatie. Welke deelname dan ook nog eens wordt gestoeld op dezelfde bewijsmiddelen. Gedragingen waarvoor hij al onherroepelijk is veroordeeld, en dus niet nogmaals kan worden veroordeeld.
4.25.
Voorzitter, leden van het Hof, de Hoge Raad heeft het over een ‘aanzienlijk verschil’ in gedragingen. Er is geen verschil, laat staan een aanzienlijk verschil. En zou die er al zijn, maken de omstandigheden van het geval, waaronder het gegeven dat het Openbaar Ministerie één feitencomplex heeft opgeknipt en twee keer heeft vervolgd voor 140 Sr, waarbij de tenlastelegging accessoir is gemaakt aan de gronddelicten, dat in casu niet nogmaals vervolgd kan worden.
4.26.
Met inachtneming van al het voorgaande wil ik u verzoeken het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
Beginselen van behoorlijke procesorde
4.27.
Naast strijd met artikel 68 Wetboek van Strafrecht levert de dubbele vervolging ook strijd op met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ook kan berusten op regels van ongeschreven recht of beginselen van behoorlijk procesrecht.
4.28.
De beginselen waar het verweer op is gestoeld is ne bis in idem als ongeschreven beginsel van een goede procesorde111, het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging en het vertrouwensbeginsel.
(…)
4.32.
Ik haal een paar uitspraken aan. Allereerst een arrest van de Hoge Raad uit 1996.
(…)
4.33.
Dat het arrest van de Hoge Raad nog vigerend is, blijkt uit een arrest van 20 juni 2017. De Hoge Raad wees erop dat een niet-gelijktijdige vervolging van het beroeps- of bedrijfsmatig telen van hennep en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van dit feit ‘vragen kan oproepen in verband met art. 68 Sr en/of beginselen van een behoorlijke procesorde.’
4.34.
Uit hetgeen ik hiervoor heb aangehaald, is er niet alleen sprake van gelijksoortige en gelijktijdige gedragingen van [verdachte], maar ook van wezenlijke samenhang tussen de twee verwijten.
4.35.
Zie in dit verband ook een vonnis van de Rechtbank Amsterdam. De verdachte is eerst vervolgd en veroordeeld voor de gronddelicten, en later voor deelname aan een criminele organisatie. De Rechtbank heeft Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
(…)
6. Materieel verweer: Samenloop
6.1.
Tot slot nog een verweer met betrekking tot samenloop. Primair wordt een beroep gedaan op eendaadse samenloop, subsidiair op voortgezette handeling.
(…)
6.11.
Is er sprake van eendaadse samenloop? Ja. Er is eenheid van tijd, er is eenheid van gedragingen, er is eenheid van personen, er is eenheid van de rollen van die personen, er is eenheid van plaats, enzovoorts. De materiele samenhang is evident, zoals gezegd is 26Douglasville het gevolg van een geschil in 26Sartell, en wordt 26Douglasville ook bekostigd met gelden verdiend in 26Sartell. Sterker nog, 26Douglasville had niet eens bestaan als er geen organisatie in 26Sartell was geweest.
Gevolg van eendaadse samenloop
6.12.
Er is dus sprake van eendaadse samenloop, maar wat is daar het gevolg van? Het gevolg is niet de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, zoals door de Advocaten-Generaal aangehaald in hun requisitoir. Het gevolg is wél dat geen straf meer kan worden opgelegd.
(…)
Voortgezette handeling (56 Sr)
(…)
6.21.
Er is sprake van één ongeoorloofd wilsbesluit, te weten het deelnemen aan een criminele organisatie. Dat de feiten nauw met elkaar samenhangen, heb ik in dit pleidooi al verschillende keren benoemd, waarnaar ik verwijs. Het gegeven dat [verdachte] de organisatie zijn rug niet kon keren, toont aan hoe nauw de feiten samenhangen.
(…)
7. Conclusie
7.1.
Primair: Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ne bis in idem en/of strijd met de goede procesorde.
(…)
7.3.
Meer subsidiair: OVAR door enkelvoudige kwalificatie wegens eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling althans geen oplegging van straf wegens eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling.’
1.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2020 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 6], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9], [medeverdachte 10], [medeverdachte 12], [medeverdachte 13], [medeverdachte 7], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 14], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- —
moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht),
- —
opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht),
- —
gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht)
- —
afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- —
zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht),
- —
opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en
- —
het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie).’
1.5
Ten aanzien van het bewijs heeft het hof onder meer overwogen:
‘6. Beoordeling van het bewijs
6.1. Inleiding
(…)
Het onderzoek 26Douglasville is voortgekomen uit het onderzoek 26Antigo. In dat onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de — inmiddels overleden — [medeverdachte 2], die verdacht werd van overtreding van de Opiumwet en voorbereiding van moord, op zoek was naar een loods.
(…)
Vanaf 8 april 2020 werden in een ander strafrechtelijk onderzoek — 26Lemont — data verkregen van het EncroChat-telefoontoestel met IMEI-nummer [001], met daaraan gekoppeld de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1], waarvan vermoed werd dat de gebruiker [medeverdachte 2] was. De voor de verdenking jegens [medeverdachte 2] relevant geachte berichten zijn aan het onderzoeksteam 26Douglasville ter beschikking gesteld. Een deel van de verzonden en ontvangen berichten, leek namelijk verband te houden met de loods in [A]. Naar aanleiding van verder onderzoek is ook het berichtenverkeer van andere EncroChat-gebruikers aan het dossier toegevoegd. In paragraaf 6.3 zal — voor zover relevant — nader worden ingegaan op de identificatie van verschillende EncroChat-gebruikers.
(…)
6.2. Conflict in het criminele milieu
Alvorens het hof toekomt aan de nadere bespreking van het ten laste gelegde feit wordt eerst de achtergrond geschetst van het conflict in het criminele milieu dat de katalysator is geweest voor het handelen van de verdachten. Hiervan bleek al uit het dossier, maar is te meer duidelijk geworden ter terechtzitting in hoger beroep vanwege de door [medeverdachte 1] (als getuige) en, met name, [verdachte] afgelegde verklaringen. Hieruit volgt dat zij deel uitmaakten van een criminele organisatie, onder leiding van [medeverdachte 1], die zich bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne. De groep bestond uit (onder andere) [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en na de aanhouding van die laatste, [medeverdachte 2]. Volgens [verdachte] behoorde deze groep tot de top van de drugshandel en er werd kennelijk heel veel geld verdiend. Dat ging goed tot het moment dat [medeverdachte 3] (in onderlinge communicatie steevast aangeduid als ‘[medeverdachte 3]’) geld had gestolen dat toebehoorde aan [medeverdachte 1] en de zijnen. Het ging vermoedelijk om een bedrag van ongeveer 85 miljoen euro. Men heeft geprobeerd dat geld terug te halen.
(…)
Conclusie
Op basis van de hiervoor weergegeven berichtenwisselingen en de overige bewijsmiddelen, kan het volgende worden vastgesteld over de misdrijven die [verdachte] en/of de medeverdachten wilden plegen.
(i)
Er speelde een zeer ernstig conflict tussen de organisatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en diens aanhangers. Aanvankelijk werd [medeverdachte 3] gezocht vanwege de door hem kennelijk gestolen miljoenen euro's, in verband waarmee hij al eens eerder ‘op de stoel had gezeten’ en ook een (naar het hof aanneemt) geldkoerier tijdelijk van zijn vrijheid beroofd is gehouden. Later wilde men ook wraak vanwege de liquidatie van [medeverdachte 4] en was niet enkel [medeverdachte 3] een beoogd doelwit, maar ook diens aanhangers en desnoods familieleden.
(…)
Organisatie
Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt het hof vast dat tussen de verdachten [medeverdachte 8], [medeverdachte 9], [medeverdachte 10], [medeverdachte 12], [verdachte], [medeverdachte 13], [medeverdachte 6], [medeverdachte 2], [medeverdachte 7], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 14] een samenwerkingsverband heeft bestaan met een zekere duurzaamheid en structuur.
(…)’
1.6
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof een aantal (in de bijlage openomen) bewijsmiddelen gebruikt, waaronder:
- ‘27.
Een proces verbaal ter terechtzitting van de behandeling van het hoger beroep door het gerechtshof te Amsterdam op 1 november 2023.
Dit proces-verbaal houdt als verklaring van getuige [medeverdachte 1], afgelegd in de zaken van alle verdachten, zakelijk weergegeven in:
Onze groep met o.a. [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 5], en later in zijn plaats gekomen [medeverdachte 2], was gericht op invoer/handel verdovende middelen. Geld werd verdiend met invoer en handel in verdovende middelen.
[medeverdachte 3] heeft in periode 2018 — 2019 veel geld achterover gedrukt. Geld was van invoer drugs afkomstig. Ik heb [medeverdachte 2] gevraagd om te helpen bij het oplossen van de diefstal door [medeverdachte 3].
Na mijn terugkomst in Nederland, 11 mei 2020, was ik dagelijks met [verdachte]. Ik heb veel gebruik gemaakt van zijn encro's.
- 28.
Een proces verbaal ter terechtzitting van de behandeling van het hoger beroep door het gerechtshof te Amsterdam op 1 en 3 november 2023.
Dit proces-verbaal houdt als verklaring van [verdachte] als verdachte in, zakelijk weergegeven:
Ik maakte deel uit van een criminele organisatie onder leiding van [medeverdachte 1]. Ook [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en later [medeverdachte 2] hoorden bij die criminele organisatie. We hielden ons bezig met de handel in en invoer van cocaïne. We behoorden
tot de top van de drugshandel en hebben heel veel geld verdiend. Op enig moment heeft [medeverdachte 3], die ik ook [medeverdachte 3] noem, heel veel geld weggenomen. Dit geld was afkomstig uit de drugshandel. Het gaat om ongeveer 85 miljoen. We hebben geprobeerd dat geld terug te krijgen.
(…)’
1.7
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het onder 2 bewezenverklaarde levert — met in achtneming van hetgeen hieronder ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte is overwogen -op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.’
1.8
Ten aanzien van het gevoerde ‘ne bis in idem/strijd met algemene beginselen van een behoorlijke procesorde’ verweren heeft het hof onder meer (voor zover in dit kader relevant) overwogen/geoordeeld:
‘Toetsingskader artikel 68 Sr
In artikel 68 Sr is bepaald dat niemand nogmaals kan worden vervolgd voor een feit waarover door een Nederlandse rechter al onherroepelijk is beslist. Over de daarbij aan te leggen maatstaf heeft de Hoge Raad het volgende bepaald (bijv. HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559):
‘Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
- (i)
de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en
- (ii)
de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de maté van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.’
Juridische aard van de feiten
De verdachte wordt in het onderhavige onderzoek, net als in het onderzoek 26Sartell het geval was, vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. De juridische aard van de beide ten laste gelegde feiten is dus grotendeels dezelfde, maar er zijn twee belangrijke verschillen. In 26Sartell is het oogmerk van de organisatie beperkt tot witwassen en Opiumwetdelicten. Met dat laatste heeft het Openbaar Ministerie kennelijk artikel 11b van de Opiumwet (Ow) ten laste gelegd, een specialis van de ‘gewone’ — en naar zijn aard dus andersoortige — criminele organisatie. In 26Douglasville is het oogmerk van de organisatie beperkt tot een zestal commune feiten, waaronder moord, gijzeling, afpersing in vereniging en zware mishandeling met voorbedachte rade. Op deze commune feiten staat twaalfjaar of meer gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 140, derde lid, Sr is de maximumstraf dan (sinds 1 januari 2020) tien jaar gevangenisstraf, in plaats van zes jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in het eerste lid en acht jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b Ow. In zoverre is er dus ook een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties.
Vervolgens moeten de aard van de gedragingen en de overige omstandigheden van het geval onderzocht worden. Daarbij is eerst van belang hoe de verschillende tenlasteleggingen luiden en wat ten aanzien daarvan het relevante beoordelingskader is.
Tenlastelegging 26Sartell
De verdachte is door de rechtbank Rotterdam op 11 april 2022 veroordeeld voor — samengevat -(feit 1) het medeplegen van de invoer van ongeveer 1.200 kilo cocaïne, (feit 2) het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot invoer van verdovende middelen en (feit 3) deelneming aan een criminele organisatie.
(…)
Tenlastelegging 26Douglasville
Voor het gemak geeft het hof hieronder nogmaals de onderhavige tenlastelegging weer:
(…)
Aard van de gedragingen
Vastgesteld kan worden dat de gedragingen van de verdachte in de tenlasteleggingen niet nader zijn omschreven, anders geformuleerd: waar de deelneming door de verdachte uit heeft bestaan. Hiervan zal dus moeten blijken uit de bewijsmiddelen. Bij de beoordeling van de aard van de ‘gedraging van de verdachte’ is van belang dat het in dit geval niet uitsluitend gaat om een specifieke gedraging van de verdachte zelf, maar zijn vanwege de aard van de strafbaarstelling bij de beoordeling ook de ‘gedragingen’ van de criminele organisatie van belang. Dat zal nader worden toegelicht.
Voor het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, moeten worden vastgesteld dat:
- (i)
sprake is geweest van een organisatie;
- (ii)
deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven;
- (iii)
het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
(…)
De opsteller van de tenlasteleggingen in 26Sartell en 26Douglasville heeft deze ontwikkeling duidelijk aangebracht: de criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell betreft blijkens de tenlastelegging een organisatie die tot oogmerk had het plegen van (gewoonte)witwassen en Opium wetdelicten. In het onderzoek 26Douglasville gaat het om een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en het voorhanden hebben van vuurwapens. In zoverre is duidelijk dat de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging is geweest om in het onderzoek 26Douglasville aan de verdachte deelname aan een andersoortige criminele organisatie te verwijten dan de criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell. De officier van justitie heeft dit ook nadrukkelijk ter terechtzitting in zowel 26Sartell als in 26Douglasville benoemd. Bovendien vindt dit steun in de wijze waarop de overige strafrechtelijke verwijten, en de samenhang hiervan met de criminele organisatie, op de beide tenlasteleggingen zijn opgenomen. In het onderzoek 26Sartell is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij als medepleger (feit 1) cocaïne heeft ingevoerd en (feit 2) de invoer van verdovende middelen heeft voorbereid, waarna (feit 3) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van (onder meer) deze delicten. In het onderzoek 26Douglasville is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij onder (feit 1) als medepleger verschillende geweldsdelicten heeft voorbereid, waarna (feit 2) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van wederom (onder meer) deze delicten. Dat [verdachte] van feit 1 door de rechtbank is vrijgesproken, is in dit verband voor de beoordeling niet van belang.
Wel van belang is verder dat de ten laste gelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers aan de beide criminele organisaties weliswaar deels overeenkomen, maar niet dezelfde zijn of beter gezegd: behoorlijk verschillen. Dat een verdachte niet bekend hoeft te zijn met alle deelnemers van een organisatie, doet daar niet aan af. En de omstandigheid dat het bewijs voor de beide criminele organisaties in belangrijke mate uit dezelfde bron, te weten EncroChat-data, afkomstig is, is in het licht van de maatstaf die bij deze beoordeling wordt aangelegd evenmin relevant.
Tussenconclusie
Het voorgaande houdt samengevat in dat het Openbaar Ministerie een begrenzing mag aanbrengen in de vervolging voor deelneming aan een criminele organisatie door het oogmerk van die organisatie te beperken tot meer specifiek omschreven misdrijven. Dit staat onder omstandigheden een tweede vervolging voor deelneming aan (min of meer) dezelfde organisatie niet in de weg voor zover het oogmerk van die organisatie is beperkt tot andere specifiek omschreven misdrijven. Een andere uitleg zou tot de ongerijmde uitkomst leiden dat bij de vervolging van een verdachte voor de deelname aan een criminele organisatie, het door de organisatie gewijzigde oogmerk — tot uitdrukking komend in andersoortige strafbare feiten waarop het vizier werd gericht — niet meer betrokken zouden kunnen worden in een tweede vervolging, ook niet als die wijziging pas later bekend wordt, bijvoorbeeld nadat een encryptietelefoon is gekraakt. Deze uitkomst kan niet als juist worden aanvaard.
Van deze omstandigheden is in dit geval sprake. Uit het voorgaande volgt immers dat de verdachte aanvankelijk slechts deelnemer was van een criminele organisatie die zich uitsluitend bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de inkomsten die daaruit voortvloeiden. In zoverre was het oogmerk van die organisatie enkel daar op gericht. Door twee bijzondere omstandigheden, te weten de diefstal van miljoenen drugsinkomsten en de liquidatie van één van de leden, is de organisatie zich ook gaan bezig houden met (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde een nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van de organisatie en haar deelnemers, waaronder [verdachte]. En die gedragingen vonden plaats in eert veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers. In zoverre staan de gedragingen die waren gericht op de drugshandel en de gedragingen die waren gericht op het plegen van geweld niet in zodanig verband met elkaar dat moet worden gesproken van één feitencomplex. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de organisatie zozeer van karakter wijzigde dat gesproken moet worden van een andere organisatie in de zin van artikel 140 Sr.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de juridische aard van de feiten en de aard van de gedragingen is het hof van oordeel dat de tenlastelegging in 26Douglasville niet hetzelfde feit, in de zin van artikel 68 Sr, betreft als opgenomen in de tenlastelegging van 26Sartell. In zoverre wordt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verworpen.
2.2. Beginselen van een goede procesorde
Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de vervolging van [verdachte] in 26Douglasville in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, te weten ne bis in idem als ongeschreven beginsel van een goede procesorde, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het vertrouwensbeginsel.
(…)
Uit hetgeen hiervoor in verband met ne bis in idem is overwogen vloeit naar het oordeel van het hof voort dat geen sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Er waren juist goede redenen de vervolging naar aanleiding van 26Sartell te scheiden van de vervolging naar aanleiding van. 26Douglasville, ook al bestond er een zeker verband tussen beide zaken. Ook overigens valt uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing niet af te leiden. In zoverre wordt het verweer verworpen. Voor zover het verweer gestoeld is op schending van ne bis in idem als ongeschreven beginsel van een goede procesorde, treft dit hetzelfde lot.
(…)’
1.9
Ten aanzien van het gevoerde ‘samenloop-verweer’ heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr is sprake indien de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt.
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van artikel 68 Sr (ne bis in idem) is overwogen volgt dat de gedragingen van de verdachte, en die van de criminele organisatie daaronder begrepen, juist niet een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleverden. Anders dan de verdediging aan het betoog ten grondslag heeft gelegd is er geen sprake van een eenheid van tijd, plaats, gedragingen, personen en hun rol in de organisatie. En zeker geen eenheid op grond waarvan moet worden vastgesteld dat in 26Sartell en 26Douglasville sprake was van in essentie hetzelfde feitencomplex. Het hof wijst verder nog op hetgeen de rechtbank Rotterdam in het vonnis 26Sartell heeft vastgesteld ten aanzien van de rol van de verdachte in die bewezen verklaarde criminele organisatie:
De verdachte is degene die de opdrachten van [medeverdachte 1] feitelijk uitvoert, maar hij heeft daarbij zelf ook veel speelruimte in de contacten met de deelnemers, leveranciers en afnemers van het CSV.
Hij onderhandelt zelf met de afnemers over de prijs van de te importeren cocaïne, adviseert 1 [medeverdachte 1] daarin, regelt dat de deelnemers aan de criminele organisatie over PGP-telefoons en abonnementen kunnen beschikken, dat leveranciers hun geld krijgen en dat de administratie van het CSV klopt.
Ook had hij kennelijk tot op zekere hoogte de bevoegdheid om zelfstandig zaken te regelen en besluiten te nemen, zeker wanneer de verdachte (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) in het buitenland verbleef Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte kennelijk als de directe plaatsvervanger van [medeverdachte 1] wordt beschouwd wanneer die niet in Nederland was of even op de achtergrond wilde blijven.
In maart 2020 wordt ook intensief overleg gepleegd tussen onder meer [medeverdachte 1], de verdachte, [medeverdachte 4], [medeverdachte 15] en [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]).
(…)
De verdachte geeft ook opdrachten voor het doen van incasso s, de betalingen van in totaal € 1.000.000,- (…) en regelt betalingen van in totaal € 5.000.000,-- en €850.000,-- met [medeverdachte 15].
Ook beheert hij inmiddels de (contante) gelden van het CSV. C…)
In een gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 15] via hun accounts zegt de verdachte op vrijdag 15 mei 2020 dat zij een probleem hebben want een jongen van hen is van de week doodgeschoten in [a-plaats]. De verdachte zegt dat ze nu alles aan het terugzoeken zijn, ‘Stashes alles ’. (…) Uit de overige berichten tussen de verdachte en de gebruiker van het account [gebruikersnaam 2] blijkt dat de laatste kennelijk de administratie bij moet houden voor de verdachte. Tevens spreekt men onder andere over uitgaven woningen en/ofstashes, een op of omstreeks 30 maart 2020 in beslag genomen partij cocaïne verpakt in ‘dezelfde dozen ’ geldoverdrachten, stempels en het verwerven (‘recrniten ’) van mensen bij MSC. (…)
Dit alles leidt tot de conclusie dat de rol van de verdachte in de loop der tijd groter is geworden en hij van de ‘personal assistant ’ van [medeverdachte 1] in 2018–2019 naar die van rechterhand van [medeverdachte 1] in 2020 is opgeklomen.’
Op grond van deze gedragingen heeft de rechtbank Rotterdam kennelijk geoordeeld dat de verdachte een aandeel had in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunde die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het ten laste gelegde oogmerk van de organisatie: het plegen van de misdrijven witwassen en Opiumwetdelicten als omschreven in artikel 11b Ow. Deze gedragingen verschillen in belangrijke mate van de gedragingen van de verdachte — zoals hiervoor onder uiteengezet — op grond waarvan het hof van oordeel is dat de verdachte deelnemer was van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van — samengevat — geweldsmisdrijven.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop.
Van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 Sr is sprake indien de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het ‘wilsbesluit’) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt.
Gelet op hetgeen ten aanzien van de eendaadse samenloop is overwogen strandt ook het betoog dat sprake was van een voortgezette handeling, meer in het bijzonder nu aan de handelingen die strekten tot verwezenlijking van de misdrijven waarop het oogmerk van de te onderscheiden organisaties was gericht niet (telkens) hetzelfde wilsbesluit ten grondslag lag. In tegendeel. Ruim een jaar nadat de (door de rechtbank Rotterdam bewezen verklaarde) drugsorganisatie van [medeverdachte 1] en de verdachte actief was heeft — door de eerder genoemde twee omstandigheden — de organisatie haar vizier verlegd naar het plegen van geweldsmisdrijven en heeft totaal andere gedragingen ontplooid dan zij gewoon was, op andere plaatsen en met behulp van andere personen. Hieraan lagen onmiskenbaar andere wilsbesluiten ten grondslag. De feitelijke en chronologische samenhang tussen de bewezenverklaarde gedragingen is dan ook niet zodanig dat sprake was van in essentie hetzelfde feitencomplex.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat evenmin sprake van een voortgezette handeling.’
1.10
Ten aanzien van het bewezenverklaarde ‘deelnemen aan een criminele organisatie’ heeft het hof (terecht) overwogen dat van ‘deelneming’ aan een organisatie al bedoeld in artikel 140 Sr slechts dan sprake kan zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.1. Niet is vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Voorts behoeft de betrokkene geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd en is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Voor het middel is voorts van belang dat niet is vereist dat een verdachte opzet had op één of meer concreet omschreven misdrijven of zelf een van de voorgenomen misdrijven heeft gepleegd. Een afnemer/koper van hennep kan dan ook deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het meermalen telkens opzettelijk telen en verkopen van hennepstekken en/of hennepplanten.2. Voor de beoordeling van het middel is voorts nog van belang dat voor het bepalen van de organisatiegraad van criminele groeperingen eerder wel een lijst met criteria is samengesteld, verkregen aan de hand van een aantal kenmerken, waaronder het voorkomen van geweld binnen het milieu.3.
1.11
Ten aanzien van de verwerping van het beroep schending van ‘ne bis in idem’ en het belang van de juridische aard van de feiten heeft het hof verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2023.4. In dat arrest heeft de Hoge Raad expliciet naar zijn eerdere uitspraak uit 2011 verwezen en het daarin geschetste toetsingskader herhaald.5. Deze eerdere uitspraak is direct bekritiseerd nu het door de Hoge Raad gehanteerde toetsingskader te veel de nadruk legt op de juridische kwalificatie terwijl uit zowel rechtspraak van het EHRM6. als die van het HvJ EU7. volgt dat die kwalificatie er niet toe moet doen.8. Zo hanteert het EHRM een feitelijke toets. Een tweede vervolging of berechting is uitgesloten voor ‘identical facts, or facts which are substantially the same’.De ratio van deze feitelijke benadering van het idem-begrip is een meeromvattende mensenrechtenbescherming. Een benadering waarbij de juridische kwalificatie van de onderliggende strafbaarstellingen een grote rol zou spelen werd door het EHRM te restrictief geacht, omdat lidstaten in dat geval de bescherming van artikel 4P7 EVRM kunnen omzeilen door bepaalde strafbaarstellingen buiten de nationale strafwet onder te brengen.9. Blijkens de toelichting op artikel 50 Handvest heeft het feitsbegrip (idem) dezelfde inhoud en reikwijdte als art. 4P7 EVRM in nationale situaties.31 Dit betekent dat, hoewel Nederland het Zevende Protocol bij het EVRM niet geratificeerd heeft, de uitleg die het EHRM aan het idem-begrip geeft over de band van artikel 50 Handvest toch de Nederlandse rechtsorde in sijpelt. In die gevallen waarin Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, is de Nederlandse rechter verplicht de meer feitelijke benadering van de Europese hoven toe te passen.10. Deze ‘Europese rechtspraak’ heeft zich sedertdien verder ontwikkeld, met name in de rechtspraak van het HvJ EU.11. Zo constateert Ouwerkerk dat inmiddels vaststaat dat ook aan het feitsbegrip bij art. 50 HGEU een ruime, feitelijke uitleg moet worden gegeven.12. In 2018 herhaalt het HvJ EU in zijn uitspraak in de zaak Menci zijn rechtspraak over art. 54 SUO:
‘Volgens de rechtspraak van het Hof is het relevante criterium om te beoordelen of van een en hetzelfde strafbare feit sprake is, dat de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die tot de onherroepelijke vrijspraak of veroordeling van de betrokkene hebben geleid […].
Voorts zijn de nationaalrechtelijke kwalificatie van de feiten en van het beschermde rechtsgoed irrelevant voor de constatering dat van een en hetzelfde strafbare feit sprake is, aangezien de omvang van de door artikel 50 van het Handvest geboden bescherming niet van lidstaat tot lidstaat mag verschillen’13.
1.12
De uitspraak in de zaak Menci is volgens Ouwerkerk daarnaast van belang nu daaruit voortvloeit dat de invulling van het feitsbegrip zoals we die uit EU-rechtspraak al kenden, niet enkel van toepassing is als de tweede vervolging plaatsvindt in een andere lidstaat dan die waarin de eerste vervolging plaatsvindt, maar dus ook als sprake is van meervoudige ongelijktijdige aansprakelijkstelling binnen de rechtsorde van één lidstaat. Dat maakt, ten tweede, dat de verklaring voor 's Hofs keuze voor de zo feitelijke invulling van het feitsbegrip niet eenduidig kan worden verklaard door de transnationale context waarin de betreffende ne bis in idem-bepaling fungeert — waarin sprake is van situaties waarbij daadwerkelijk meer dan één lidstaat betrokken is (de art. 54 SUO-situaties). Ouwerkerk meent voorts dat het HvJ EU is doorgegaan op de koers die ruim een decennium geleden was ingezet en die blijk gaf van een heel feitelijke benadering van het feitsbegrip bij ne bis in idem. Gelet hierop stelt hij dat slechts ruimte voor een feitelijke benadering, zodat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ geen plaats is voor juridische aspecten, ook in zaken waarin art. 50 HGEU noch art. 54 SUO van toepassing is. Hierbij is overigens ook van belang dat de Hoge Raad heeft erkend dat het ne bis in idem-beginsel dat aan art. 68 Sr ten grondslag ligt — anders dan de samenloop — mede wordt bepaald door Europese regelgeving en rechtspraak.14.
1.13
Indien de strekking van een in een zaak tenlastegelegd feit (zoals bijvoorbeeld bedoeld in art. 140 Sr) een andere is dan een in een nadien tenlastegelegd feit (zoals bijvoorbeeld bedoeld in art. 225 Sr) maar sprake is van omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van verdachte kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen verzetten dat tegen degene die terzake van het eerste feit is vervolgd, vervolgens ook ter zake dat andere feit een vervolging wordt ingesteld. Een dergelijk geval doet zich o.m. voor indien de eerste rechter het bewijs van de op art. 140 Sr toegesneden tenlastelegging klaarblijkelijk mede heeft aangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van verdachte en deze gedragingen vervolgens in een tweede op art. 225 Sr toegespitste tenlastelegging zijn opgenomen.15.
1.14
Ten aanzien van eendaadse samenloop en voortgezette handeling heeft de Hoge Raad aanleiding gezien in 2017 het toetsingskader nog eens te verduidelijken.16. De Hoge Raad stelt onder meer dat het toetsingskader voor wat betreft de vraag of sprake is van één feit verschilt van het toetsingskader voor ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat de samenloopbepalingen een wezenlijke functie vervullen bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten. Daarbij wordt onder meer de gedachte tot uitdrukking gebracht dat feiten zo sterk met elkaar in verband kunnen staan dat het ene feit als het ware in het andere opgaat (eendaadse samenloop) dan wel dat de feitelijke en chronologische samenhang zo sterk is dat de voortgezette handeling een functie vervult. Het effect van beide regelingen is identiek doordat in beide regelingen slechts één strafbepaling wordt toegepast — en wel die met het zwaarste strafmaximum. Indien de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen uiteenloopt, is geen sprake van ‘één feit’ in de zin van art. 55 lid 1 Sr. Eenzelfde strekking is evenwel geen noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van eendaadse samenloop. Een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen staat niet in de weg aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling. In het bijzonder verdient dus aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meerdere strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het ‘wilsbesluit’) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Dit brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regelingen ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden.
1.15
Nu het hof ten aanzien van de aangevoerde schending van art. 68 Sr en de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer (mede) van belang heeft geacht dat er sprake is van een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties en de juridische aard van de feiten en gedragingen is het hof-gelet op hetgeen hierboven in 1.11 en 1.12 is aangevoerd- uitgegaan van een onjuist toetsingskader zodat het arrest om die reden niet in stand kan blijven.
1.16
Voorts is het volgende van belang. Aan het oordeel van het hof dat sprake is van een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties en juridische aard van de feiten en gedragingen heeft het hof (mede) ten grondslag gelegd dat in 26Sartell het oogmerk van de organisatie volgens het hof is beperkt tot witwassen en Opiumwetdelicten waaruit het hof heeft afgeleid dat het Openbaar Ministerie kennelijkartikel 11b van de Opiumwet (Ow) ten laste heeft gelegd, een specialis van de ‘gewone’ — en naar zijn aard dus andersoortige — criminele organisatie dan in 26Duoglasville het geval is nu daarin het oogmerk van de organisatie is beperkt tot een zestal commune feiten en op grond van het bepaalde in artikel 140, derde lid, Sr de maximumstraf dan (sinds 1 januari 2020) tien jaargevangenisstraf is, in plaats van zes jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in het eerste lid en acht jaar voor deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b Ow zodat in zoverre er dus ook een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties is. In de zaak 26Sartell is evenwel bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020, te Rotterdam en/of althans (elders) in Nederland en te Barcelona en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en [medeverdachte 1] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet. Het bewezenverklaarde is door de rechtbank gekwalificeerd als ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.’ Bij de ‘toepasselijke wettelijke voorschriften heeft de rechtbank onder meer art. 140 Sr aangehaald; art. 11b Opiumwet is daarbij (juist) niet genoemd. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat in 26Sartell het oogmerk van de organisatie beperkt is tot witwassen en Opiumwetdelicten zodat hieruit volgt dat het Openbaar Ministerie kennelijkartikel 11b van de Opiumwet (Ow) ten laste heeft gelegd, simpelweg onjuist en in strijd met hetgeen in het eerdere vonnis (en onherroepelijk) is vastgesteld zodat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is. Het hof denatureert in feite de door een andere rechter reeds onherroepelijk gedane vaststellingen; het is in strijd met het wettelijk systeem en strafvordering dat een hof de bedoeling en intentie van de officier van justitie in een niet aan zijn oordeel onderworpen procedure als een soort appelrechter meent vast te kunnen stellen en daarbij de (onherroepelijk geworden) vaststellingen van de rechter in de andere zaak terzijde schuift/meent te kunnen schuiven. Gelet hierop kan het arrest niet in stand blijven. Nu het hof dit oordeel expliciet is het arrest heeft vermeld kan niet worden gesteld dat het oordeel van het hof kennelijk slechts van ondergeschikt belang is.
1.17
Hetgeen het hof in het kader van de artt. 68, 55 en 56 Sr (voorts) heeft overwogen, te weten dat de ten laste gelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers aan de beide criminele organisaties weliswaar deels overeenkomen, maar niet dezelfde zijn of beter gezegd: behoorlijk verschillen; de in deze zaak bewezenverklaarde zaak gepleegde gedragingen in een veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers plaatsvonden zodat de gedragingen die waren gericht op de drugshandel en de gedragingen die waren gericht op het plegen van geweld niet in zodanig verband met elkaar staan dat moet worden gesproken van één feitencomplex is voorts onjuist althans onbegrijpelijk nu het hof ten aanzien van het bewijs heeft vastgesteld en redengevend heeft geacht dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] (blijkens de voor het bewijs gebruikte verklaringen hebben verklaard dat zij) hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van invoer/handel van verdovende middelen.
1.18
Het bovenstaande klemt te meer nu uit het verhandelde ter terechtzitting/hetgeen de verdediging (onweersproken) heeft aangevoerd volgt dat:
- —
zowel de bewijsconstructie van het Openbaar Ministerie als de bewijsvoering van de Rechtbanken op dezelfde bewijsmiddelen zijn gebaseerd, te weten Encrochat en observaties;
- —
de betreffende (in beide zaken voor het bewijs gebruikte) Encrochat-gesprekken met vaak dezelfde personen ((kern)deelnemers) over van drugs naar (voorgenomen) geweld gaan, van witwassen naar wapens, weer terug naar drugs, etc. ; vaak zelfs in hetzelfde gesprek;
- —
alle Encrochat-berichten waarop [verdachte] in 26Douglasville is veroordeeld, in 26Sartell zijn opgenomen evenals de berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die — zoals gezegd naast gesprekken over (voorgenomen) geweld ook veelvuldig spraken over verdovende middelen;
- —
ook gesprekken met andere personen uit 26Dougalsville in 26Sartell zijn opgenomen, zoals dat [medeverdachte 14] in opdracht van [verdachte]/[medeverdachte 1] geldstahes leeg moet maken;
- —
ook observatieverslagen zoals die van 14 mei, 1 en 3 juni 2020 in beide zaken zijn opgenomen teneinde (kennelijk) duurzaamheid daarvan en de deelneming van deelnemers aan te tonen en ook in beide vonnissen worden gebruikt als bewijsmiddelen;
- —
alle Encrochat-berichten met betrekking tot ‘geweld’ ook in de eerder zaak zijn opgenomen;
- —
in zowel 26Douglasville65 als 26Sartell66 het regelen van vuurwapens en politiekleding verschillende keren wordt aangehaald en zelfs terugkomt in het requisitoir van het Openbaar Ministerie in 26Douglasville en — ten aanzien van de rol van verdachte in beide zaken verwezen wordt naar dezelfde gedragingen.
1.19
Voorts is van belang dat de mogelijke slachtoffers van het te plegen van geweld eveneens aan de in de eerdere zaak bewezenverklaarde organisatie hebben deelgenomen en het plegen van geweld redengevend kan zijn voor het bestaan van een dergelijke organisatie.
1.20
Voor zover geen sprake is van schending van art. 68, 55 of 56 Sr meent verdachte dat de hierboven weergegeven omstandigheden, te weten dat het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie redengevend is voor het bewijs van een nadien tenlastegelegde deelneming aan een (volgens de rechter) ‘andere’ organisatie schending van beginselen van behoorlijke procesorde oplevert. Een dergelijk geval kan gelijk worden gesteld aan een geval waarin de eerste rechter het bewijs van de op art. 140 Sr toegesneden tenlastelegging klaarblijkelijk mede heeft aangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van verdachte en deze gedragingen vervolgens in een tweede op art. 140 Sr toegespitste tenlastelegging zijn opgenomen. Dit klemt te meer nu het in deze zaak specifiek de gedragingen van verdachte betreft waaruit de bewezenverklaarde deelneming aan de organisatie, het kernverwijt, is afgeleid.
1.21
1.22
Op grond van het bovenstaande kan het arrest niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 6 juni 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
A.A. Boersma
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑06‑2024
Zie o.m. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969 & 970, NJ 2022/361 & 362, m.nt. N. Jörg.
Vgl. CAG Vegter 5 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:300.
Zie M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, Gouda Quint bv, 1995, pag. 274. Zie voorts ten aanzien van de redengevendheid van het maken van afspraken om ‘via dreiging met geweld druk op betrokkenen uit te oefenen’ voor het bestaan van een criminele organisatie o.m. Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 5 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4591, genoemd in ECLI:NL:PHR:2021:340.
HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1550, NJ 2023/344.
HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394, m.nt. Y. Buruma en J.W. Ouwerkerk, ‘Het feitsbegrip bij ne bis in idem en eendaadse samenloop: Tussen nationale uitlegging en internationale verplichtingen’, DD 2012/47. Zie voorts de noot van Reijntjes onder HR 6 maart 2012, NJ 2012/448.
EHRM 10 februari 2009, NJ 2010/36 m.n. YB, Zolotukhin en EHRM 14 januari 2010, Tsonev.
HvJ EG 8 maart 2006, NJ 2006/488 m.n. Mok, Van Esbroeck.
Zie voor deze kritiek de noot van Y. Buruma onder HR NJ 2011/394.
W. Alberts en T.M. de Groot, De uitzondering bevestigd: het ne bis in idem-beginsel in recente rechtspraak van de Hoge Raad in het licht van de ratio van het ne bis in idem-beginsel en vanuit Europees perspectief, NTS 2020/7.
Zie voetnoot 9.
Zie voor een recent overzicht ‘Case-law by the Court of Justice of the European Union on the principle of ne bis in idem in criminal matters, Eurojust, februari 2024.
J.W. Ouwerkerk, Het feitsbegrip bij ne bis in idem opnieuw bekeken, DD 2023/47.
HvJ EU 20 maart 2018 (Menci), zaak C-524/15, ECLI:EU:C:2018:179, r.o. 35–36.
R.o.v. 2.9. HR 20 juni 2017, NJ 2019/111.
Vgl HR 26 november 19976, ECLI:NL:HR:1996:ZD0583, NJ 1997/209. Zie voorts HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113, NJ 2019/113, m.nt. PAM Mevis.
HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115 en, NJ 2019/??-115, m.nt. PM Mevis.