Openbaarmaking van koersgevoelige informatie
Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/1.3:1.3 Onderzoeksopzet
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/1.3
1.3 Onderzoeksopzet
Documentgegevens:
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS498773:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In grote lijnen kan de onderzoeksopzet als volgt worden samengevat.
Na deze inleiding bevat hoofdstuk 2een schets van de wijze waarop de evenknie van de in Nederland voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie in de federale effectenwetgeving van de USA is geregeld. Omdat van die federale effectenwetgeving en de handelspraktijken die op de Amerikaanse effectenmarkt usance zijn wereldwijd een grote invloed uitgaan, zou deze schets wellicht interessant vergelijkingsmateriaal kunnen opleveren. Hoe transparant behoren uitgevende instellingen in het land van de onbegrensde mogelijkheden eigenlijk te zijn?
In hoofdstuk 3staat de Europese benadering van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie centraal. Uiteengezet wordt op welke wijze de openbaarmakingsplicht in de Europese wet- en regelgeving is geregeld en welke plaats deze informatieverplichting in het wetgevingsprogramma inneemt. In dat kader wordt tevens aandacht besteed aan een bijzondere procedure — de zogenaamde Lamfalussy-procedure — die bij de totstandkoming van wet- en regelgeving op het gebied van de Europese effectenmarkten wordt gevolgd. Verder wordt in dit hoofdstuk een synopsis gegeven van de nationale voorschriften waarin de Nederlandse wetgever de uit de Richtlijn marktmisbruik voortvloeiende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie heeft omgezet.
Hoofdstuk 4 heeft de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht als voorwerp van onderzoek. Aan de hand van een analyse van enkele effectenrechtelijke kernbegrippen — te weten de begrippen: (i) uitgevende instelling, (ii) fmanciële instrumenten en (iii) toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit — wordt een nadere precisering gegeven van de kring van uitgevende instellingen waarvoor de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie geldt. Voorts wordt nagegaan op welk moment de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie voor de diverse uitgevende instellingen aanvangt en eindigt.
Hoofdstuk 5 handelt over de reikwijdte van de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen. Welke informatie dienen uitgevende instellingen openbaar te maken? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, wordt onderzoek gedaan naar de samenstellende bestanddelen van het begrip 'koersgevoelige informatie'. Bijzondere aandacht wordt daarbij besteed aan de vraag of de door de Europese wetgever gemaakte keuze om één en hetzelfde begrip 'voorwetenschap' ten grondslag te leggen aan zowel het verbod op handel met voorwetenschap bij het verrichten van transacties in financiële instrumenten als de voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht wel zo gelukkig is geweest. In bepaalde omstandigheden hebben uitgevende instellingen er een bijzonder belang bij om koersgevoelige informatie niet onverwijld openbaar te hoeven maken. Te denken valt bijvoorbeeld aan lopende onderhandelingen over een fusie of een overname. Ingegaan wordt op de voor de rechtspraktijk belangwekkende vraag onder welke voorwaarden uitgevende instellingen tot uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie kunnen overgaan.
Gewoonlijk zal law on the books meer reliëf krijgen als ook een beeld wordt geschetst van law in action. In hoofdstuk 6wordt daarom een staalkaart van koersgevoelige informatie gepresenteerd. Aan de hand van een reeks praktijkvoorbeelden wordt gepoogd meer zicht te doen ontstaan op de reikwijdte van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie en de knelpunten die daarbij de kop kunnen opsteken.
In hoofdstuk 7wordt ingegaan op de wijze waarop en de termijn waarbinnen koersgevoelige informatie door uitgevende instellingen openbaar moet worden gemaakt. Aandacht wordt eveneens besteed aan de vragen: wie is bij de uitgevende instelling verantwoordelijk voor de naleving van de openbaarmakingsplicht en welke rol speelt de organisatie van het informatiemanagement bij de naleving van de openbaarmakingsplicht. Ingegaan wordt verder op de maatregelen die uitgevende instellingen dienen te treffen ter bevordering van een verantwoorde omgang met koersgevoelige informatie.
Een actueel thema betreft de geoorloofdheid van selectieve contacten die uitgevende instellingen in toenemende mate plegen te onderhouden met bepaalde marktdeelnemers. In hoofdstuk 8wordt daarom onderzocht waar de grenzen behoren te liggen van de informatie-uitwisseling die mag plaatsvinden zonder in strijd te komen met de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de selectieve contacten met beleggingsanalisten en institutionele beleggers.
Hoofdstuk 9handelt over het sluitstuk van de wettelijke regeling: het toezicht op de naleving en de handhaving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie. Belangrijke vragen die hierbij aan de orde komen, zijn: welke instanties zijn met toezicht en handhaving belast en over welke toezichts- en handhavingsbevoegdheden beschikken deze instanties? Kan het beschikbare toezichts- en handhavingsinstrumentarium daadwerkelijk effectief worden ingezet ten behoeve van de naleving van de openbaarmakingsplicht? Verder zal in dit hoofdstuk de geboden rechtsbescherming tegen de aanwending van toezichts- en handhavingsbevoegdheden aan de orde komen.
Het onderzoek wordt in hoofdstuk 10afgesloten met een samenvatting en enkele conclusies.