Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.2.2
7.2.2 Leidraad deskundigen in civiele zaken
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456659:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 22.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 25.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 26.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 28.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 32.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 31.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 34.
Volgens de leidraad beschikt het gerecht dat de deskundige heeft benoemd over een contactpersoon. De griffier laat de deskundige weten wie de contactpersoon is. Zie Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 7.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 49.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nrs. 52-53.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 60.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 61.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 77.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 79.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 80.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 98.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 117.
De Leidraad deskundigen in civiele zaken bevat gedetailleerde richtlijnen voor deskundigen hoe zij het onderzoek moeten uitvoeren. In vergelijking met de Aandachtspunten is de Leidraad deskundigen in civiele zaken aanzienlijk uitvoeriger en gedetailleerder. Het gaat te ver deze leidraad hier uitvoerig te bespreken. Gelet op de verschillen tussen een deskundigenonderzoek en het onderzoek in de enquêteprocedure en het feit dat een deel van de inhoud van de leidraad betrekking heeft op medische onderzoeken, heeft het ook geen zin deze leidraad integraal te bespreken. In het navolgende zal ik daarom alleen de voor de onderzoeksfase relevante hoofdstukken van de leidraad bespreken en op een enkele bepaling iets dieper ingaan.
Hoofdstuk 4 behandelt de communicatie van de deskundige met de procespartijen. De wijze waarop de communicatie kan plaatsvinden wordt beïnvloed door het beginsel van hoor en wederhoor en het feit dat partijen rechtsbijstand hebben. Het beginsel van hoor en wederhoor betekent dat de deskundige, op een paar gedefinieerde uitzonderingen na, niet met een partij mag communiceren zonder dat de andere partij daarvan op de hoogte is. Het feit dat partijen doorgaans over rechtsbijstand van een advocaat of gemachtigde beschikken, betekent dat de deskundige in beginsel niet buiten de rechtsbijstandverlener om met partijen contact mag hebben.
Hoofdstuk 5 gaat uitvoerig in op het beginsel van hoor en wederhoor. Paragraaf 5.1 bevat een inleiding. Paragraaf 5.2 herhaalt in iets andere bewoordingen hetgeen ook al in hoofdstuk 4 is behandeld, namelijk dat de deskundige in beginsel niet met een partij mag communiceren buiten de wederpartij om. Paragraaf 5.3 gaat in op de wijze waarop de deskundige moet omgaan met het wettelijke recht van partijen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De leidraad maakt onderscheid tussen onderzoeken die deskundigen onder leiding van de rechter verrichten en onderzoeken die zij zelfstandig verrichten.1 In dat laatste geval wordt de deskundige verzocht het onderzoek uit te voeren en een conceptrapport te schrijven, dat ook het antwoord op de vragen van de rechter bevat.2 Vervolgens moet de deskundige het conceptrapport aan partijen sturen, die hierop kunnen reageren. De leidraad schrijft voor dat de deskundige de ontvangen opmerkingen en verzoeken van partijen aan het conceptrapport hecht. De deskundige kan zijn reactie op deze opmerkingen en verzoeken op twee wijzen verwerken: in een bijlage die aan het rapport wordt gehecht of in het rapport zelf. Het feit dat partijen opmerkingen en verzoeken aan de deskundige mogen sturen, betekent niet dat zij de gelegenheid krijgen de deskundige te overtuigen. Niet de deskundige, maar de rechter zal door partijen na ontvangst van het deskundigenbericht moeten worden overtuigd.3 De deskundige behoort alleen te reageren op opmerkingen en verzoeken die binnen het kader van de door de rechter gestelde vragen vallen.4 Op opmerkingen en verzoeken die daarbuiten vallen, behoeft de deskundige niet te reageren.5 Indien een partij bezwaar maakt tegen de opmerkingen en verzoeken van de wederpartij, zal de rechter op dit bezwaar moeten beslissen.6 Op grond van het procesrecht behoeft de deskundige alvorens hij zijn rapport bij het gerecht inlevert, partijen in beginsel geen gelegenheid te geven te reageren op elkaars opmerkingen en verzoeken, en evenmin op de wijze waarop zij de opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het conceptrapport hebben verwerkt.7Paragraaf 5.4 gaat in op de wijze waarop de deskundige moet omgaan met verzoeken om correcties van feitelijke aard aan te brengen. Voor niet-medische onderzoeken kunnen partijen deze correctieverzoeken tegelijk met hun opmerkingen en verzoeken doen.
Hoofdstuk 6 werkt de verplichting het onderzoek onpartijdig en naar beste weten uit te voeren uit. De onafhankelijkheid van de deskundige bij zijn benoeming is, zoals hiervoor uiteengezet, een benoemingsvereiste. Als een partij zich na de benoeming van de deskundige op de schijn van partijdigheid beroept, dient de deskundige zich te wenden tot de contactpersoon8 en het onderzoek stil te leggen. De rechter zal moeten beoordelen of die schijn objectief gerechtvaardigd is. Vervolgens zal aan de deskundige worden bericht of het onderzoek kan worden hervat.9
De verplichting het onderzoek naar beste weten uit te voeren betekent dat van de deskundige wordt verwacht dat hij het onderzoek uitvoert en verslaat met gebruik van zijn kennis en ervaring op zijn vakgebied en met inachtneming van de op zijn vakgebied geldende regels, normen of gebruiken en dat hij het onderzoek zelf uitvoert.10
Hoofdstuk 7 heeft betrekking op processtukken en andere stukken. Voor de uitvoering van het deskundigenonderzoek is het niet altijd noodzakelijk dat de deskundige beschikt over het procesdossier. In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de deskundige het procesdossier kan krijgen. Indien de deskundige nog kopieën van andere zaaksgebonden stukken wenst, kan hij die bij ieder van de partijen opvragen. Partijen zijn in beginsel verplicht hieraan medewerking te verlenen. Partijen kunnen de deskundige ook op eigen initiatief stukken toezenden en hem vragen die te betrekken in het onderzoek.11 Als partijen de deskundige op zijn verzoek of op eigen initiatief stukken toezenden, zijn zij verplicht een kopie daarvan aan de wederpartij te doen toekomen. De deskundige moet op de naleving van dit voorschrift toezien en mag, als dit voorschrift niet in acht is genomen, op deze stukken geen acht slaan.12
Hoofdstuk 9 bespreekt het verschil tussen een onderzoek dat deskundigen zelfstandig uitvoeren en een onderzoek dat zij onder leiding van de rechter uitvoeren. Als de deskundige het onderzoek zelfstandig verricht, betekent dit dat hij zelf kiest hoe hij het deskundigenonderzoek inricht, uitvoert en verslaat en hoe hij partijen in het onderzoek betrekt. De deskundige heeft de leiding van het onderzoek en is daarmee ook verantwoordelijk voor de voortgang daarvan.13
Hoofdstuk 10 stelt de inschakeling van derden in het onderzoek aan de orde. Uitgangspunt is dat het niet is toegestaan het gehele onderzoek aan een derde uit te besteden, daar de deskundige is aangezocht omdat in zijn deskundigheid vertrouwen bestaat.14 Als de deskundige een bepaalde onderzoekshandeling niet wil of kan verrichten, of als hij anderen nodig heeft in het kader van het onderzoek, kan hij gebruikmaken van derden. Dit moet voor partijen wel kenbaar zijn. Als partijen bezwaar maken en de deskundige er met hen niet uitkomt, moet de contactpersoon worden ingeschakeld.15 De leidraad bepaalt niet wat de contactpersoon dan kan of moet doen.
Hoofdstuk 11 bespreekt de gevolgen van rechten en verplichtingen van partijen bij het onderzoek. Voor de vergelijking met het onderzoek in de enquêteprocedure is vooral paragraaf 11.2, bijeenkomst met partijen, relevant. De leidraad bepaalt dat als de deskundige een partij uitnodigt, bijvoorbeeld om mondeling inlichtingen te geven, hij de wederpartij als hoofdregel gelegenheid behoort te bieden daarbij aanwezig te zijn. Dit hangt samen met het beginsel van hoor en wederhoor. De leidraad acht uitzonderingen op deze hoofdregel denkbaar en geeft twee voorbeelden. Het eerste voorbeeld is dat de privacy van een van de partijen aanleiding kan zijn hierop een uitzondering te maken. Voor het medisch onderzoek is dit wettelijk geregeld. Het tweede voorbeeld dat de leidraad noemt, is als de deskundige gronden heeft om aan te nemen dat de aanwezigheid van de wederpartij het onderzoek disproportioneel zal belemmeren. Als die gronden niet opgaan voor de advocaat of gemachtigde van die wederpartij, zal de deskundige die advocaat of gemachtigde wel in de gelegenheid stellen aanwezig te zijn. Indien de deskundige meent dat er aanleiding is een bijeenkomst met één partij te houden buiten aanwezigheid van de wederpartij en haar advocaat of gemachtigde, schrijft de leidraad voor dat de deskundige de wederpartij er voorafgaand aan de bijeenkomst van in kennis stelt dat hij een bijeenkomst met de andere partij zal houden, dat hij de wederpartij zal informeren over de uitkomsten daarvan en dat de wederpartij gelegenheid zal krijgen op de uitkomsten te reageren. Indien de wederpartij bezwaar maakt tegen dit voornemen, dan moet de deskundige zich wenden tot de contactpersoon.16 Wat de contactpersoon dan kan of moet doen, vermeldt de leidraad niet.
Hoofdstuk 12 behandelt de situatie dat de deskundige samen met andere deskundigen is benoemd. Het komt voor dat de rechter in de uitspraak heeft bepaald wie van de deskundigen de leiding van het onderzoek heeft. Is dat niet het geval, dan dienen de deskundigen uit hun midden één persoon aan te wijzen die de leiding van het onderzoek op zich neemt en aan de contactpersoon en partijen te laten weten wie dat is. Nadat het onderzoek is gedaan, wordt er gezamenlijk één schriftelijk deskundigenbericht uitgebracht, tenzij dit gezien de aard van de rapportage niet mogelijk is. Bij verschil van inzicht kan daarvan melding worden gemaakt.17