HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415 en HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:946 (luchtvrachtkartel).
HR, 20-06-2025, nr. 23/04362
ECLI:NL:HR:2025:945
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-06-2025
- Zaaknummer
23/04362
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Mededingingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:945, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑06‑2025; (Cassatie, Prejudiciële beslissing)
ECLI:NL:HR:2025:414, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑03‑2025; (Cassatie, Prejudiciële beslissing)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:561
ECLI:NL:PHR:2024:561, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:414
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0051
Uitspraak 20‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Internationaal privaatrecht; conflictenrecht. Europees mededingingsrecht. Truckkartel. Welk recht is van toepassing op follow-on vorderingen naar aanleiding van een enkele en voortdurende inbreuk op kartelverbod in art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst? Art. 4 WCOD, art. 6 lid 3 Verordening Rome II. Geen eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid onder art. 4 WCOD. Temporeel toepassingsgebied art. 31 Verordening Rome II. Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan HvJEU.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04362
Datum 20 juni 2025
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
1. UZDAROJI AKCINE BENDROVE PALINK, gevestigd te Vilnius, Litouwen,
en 706 andere rechtspersonen,
2. ADRESTIA TCC 1 LIMITED, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
3. STICHTING TRUCK CARTEL RECOVERY, gevestigd te Amsterdam,
4. en vele andere rechtspersonen,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom,
5. UNILEVER PLC, gevestigd te Rotterdam,
en 318 andere rechtspersonen,
advocaat: R.L.M.M. Tan,
EISERESSEN in eerste aanleg,
hierna gezamenlijk: eisers,
tegen
1. CNH INDUSTRIAL N.V., gevestigd te Amsterdam,
2. Stellantis N.V., voorheen genaamd Fiat Chrysler Automobiles N.V., gevestigd te Amsterdam,
3. Iveco S.p.A., gevestigd te Turijn, Italië,
4. Iveco Magirus AG, gevestigd te Ulm, Duitsland,
5. DAF Trucks N.V., gevestigd te Eindhoven,
6. DAF Trucks Deutschland GmbFI, gevestigd te Frechen, Duitsland,
7. PACCAR Inc, gevestigd te Bellevue, Verenigde Staten van Amerika,
8. TRATON SE, als rechtsopvolger onder algemene titel van MAN SE, gevestigd te München, Duitsland,
9. MAN Truck & Bus SE, voorheen genaamd MAN Truck & Bus AG, gevestigd te München, Duitsland,
10. MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, gevestigd te München, Duitsland,
11. Mercedes-Benz Group AG, voorheen genaamd Daimler AG, gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
12. AB Volvo (publ), gevestigd te Gothenburg, Zweden,
13. Volvo Lastvagnar AB, gevestigd te Gothenburg, Zweden,
14. Renault Trucks SAS, gevestigd te Saint-Priest, Frankrijk,
15. Volvo Group Trucks Central Europe GmbH, gevestigd te Ismaning, Duitsland,
16. Scania AB, gevestigd te Södertalje, Zweden,
17. Scania CV AB, gevestigd te Södertalje, Zweden,
18. Scania Deutschland GmbH, gevestigd te Koblenz, Duitsland,
GEDAAGDEN in eerste aanleg,
hierna gezamenlijk: de truckfabrikanten,
advocaten: A. Knigge, M.W. Scheltema, W.H. van Hemel, J.W.M.K. Meijer en J.J. Valk.
1. De prejudiciële procedure
Voor het verloop van het geding in deze prejudiciële procedure verwijst de Hoge Raad naar zijn beslissing van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:414).
In die beslissing heeft de Hoge Raad partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de beoogde vragen van uitleg als in die uitspraak vermeld.
De advocaten van partijen hebben zich schriftelijk over die vragen uitgelaten. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding passages in 4.6.6 en 4.7.4 aan te vullen en vraag 3 (a), (b) en (c) te preciseren. Ook zijn, naar aanleiding van het antwoord op vraag (vi), 4.1 en 4.4.4-4.4.7 gewijzigd.
2. Inleiding
2.1
2.2
In de periode 1997-2011 heeft op de Europese markt voor vrachtwagens een kartel van truckfabrikanten bestaan (hierna ook: het truckkartel). De Europese Commissie heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’) op het Europese kartelverbod met gevolgen voor de gehele Europese Economische Ruimte (hierna: EER). Zij heeft geldboetes opgelegd aan alle truckfabrikanten, op één na.
2.3
Bij de Nederlandse rechter is een groot aantal zaken aangebracht door partijen die stellen schade te hebben geleden door het truckkartel. In die zaken ligt onder meer de vraag voor welk rechtsstelsel van toepassing is op deze follow-on vorderingen. In deze zaak heeft de rechtbank hierover op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.
2.4
De Hoge Raad is van oordeel dat hij op zijn beurt op grond van art. 267 VWEU prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU).
2.5
Deze zaak houdt verband met zaken 23/00670 en 23/00676, waarin eveneens de vraag aan de orde is welk recht van toepassing is op follow-on vorderingen.1.
3. Uitgangspunten en feiten
3.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) In 2016 en 2017 heeft de Europese Commissie in een tweetal beschikkingen (hierna: de boetebesluiten)2.vastgesteld dat de truckfabrikanten inbreuk hadden gemaakt op het kartelverbod van art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst3.(hierna: de inbreuk). Het ging om een enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’). De inbreuk bestond in heimelijke prijsafspraken over de verhogingen van de brutoprijs in de EER voor vrachtwagens, en over het tijdstip en doorberekening van kosten voor de invoering van voor de EURO 3- tot EURO 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens. De inbreuk bestreek de hele EER en duurde van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011 (hierna: de inbreukperiode). De Commissie heeft geldboetes opgelegd aan alle truckfabrikanten met uitzondering van MAN, die na een clementieprocedure volledige immuniteit heeft verkregen.
(ii) In de van deze boetebesluiten gepubliceerde samenvattingen4.is over de inbreuk het volgende vermeld:
“(1) In het besluit gaat het om één voortdurende inbreuk op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst.
(…)
2.3.
Samenvatting van de inbreuk
(8) De producten waarop de inbreuk betrekking heeft, zijn vrachtwagens met een gewicht tussen 6 en 16 ton (“middelzware vrachtwagens”) en vrachtwagens met een gewicht van méér dan 16 ton (“zware vrachtwagens”), zowel vaste vrachtwagens als trekker-opleggers (hierna samen “vrachtwagens” genoemd) (…). De zaak heeft geen betrekking op naverkopen, andere diensten en garanties voor vrachtwagens, de verkoop van tweedehandsvrachtwagens of andere goederen of diensten.
(9) De inbreuk bestond in heimelijke prijsafspraken over de verhogingen van de brutoprijs in de EER voor vrachtwagens, en over het tijdstip en doorberekening van kosten voor de invoering van voor de EURO 3- tot EURO 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens. De hoofdkantoren van de adressaten waren rechtstreeks betrokken bij het overleg over prijzen, prijsverhogingen en de invoering van nieuwe emissienormen tot 2004. Zeker sinds augustus 2002 hebben besprekingen plaatsgevonden via Duitse dochterondernemingen die, in uiteenlopende mate, rapporteerden aan hun hoofdkantoren. De uitwisseling vond plaats op multilateraal en bilateraal niveau.
(10) Deze heimelijke afspraken omvatten overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragen met betrekking tot prijzen en bruto prijsverhogingen met het oog op de afstemming van brutoprijzen binnen de EER en over het tijdstip en doorberekening van kosten voor de invoering van voor de EURO 3- tot EURO 6-normen vereiste emissietechnologieën.
(11) De inbreuk bestreek de hele EER en duurde van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011.
(…)”
(iii) Scania heeft tegen het haar betreffende boetebesluit beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. Op 2 februari 2022 heeft het Gerecht dit beroep verworpen.5.Bij arrest van 1 februari 2024 heeft het HvJEU de door Scania ingestelde hogere voorziening afgewezen.6.
(iv) Thans is onherroepelijk beslist dat de truckfabrikanten in strijd met het Europese mededingingsrecht hebben gehandeld.
(v) Bij de Nederlandse rechter is een zeer grote hoeveelheid zaken aanhangig gemaakt door een veelheid van partijen die stellen schade te hebben geleden als gevolg van de inbreuk. Deze zaken worden (gevoegd) in ‘groepen’ behandeld om het voor partijen en de rechter hanteerbaar te houden. Elke groep truckzaken betreft vorderingen die zien op ongeveer 200.000 vrachtwagens (althans vrachtwagentransacties).7.Er zijn tot nu toe vier groepen truckzaken.8.
(vi) Als eisende partijen in deze zaken treden soms de benadeelde partijen zelf op, maar dikwijls zijn de vorderingen ‘gebundeld’ en treedt een litigation- of claimvehikel en in een enkel geval een moeder- of groepsmaatschappij op als eisende partij. Meestal hebben de benadeelde partijen (door de rechtbank aangeduid als ‘de achterliggende partijen’) hun vorderingen aan de litigation- of claimvehikels gecedeerd, soms stellen deze laatsten de vorderingen in op basis van lastgeving of volmacht.9.
3.2
De eisers (door de rechtbank claimanten genoemd) in deze procedure stellen schade te hebben geleden als gevolg van de inbreuk.
3.3
In haar eerste tussenvonnis (hierna: het eerste vonnis) in deze procedure heeft de rechtbank overwogen eerst de vraag te zullen behandelen welk rechtsstelsel toepasselijk is op de vorderingen.10.
3.4
De rechtbank heeft het volgende overwogen over de grondslag van de vorderingen.
De grondslag van de vorderingen is onrechtmatige daad. De beweerde schade wordt in de meeste gevallen (pas) geleden steeds op het moment dat bij koop (huur/lease/etc.) van een vrachtwagen een meerprijs wordt betaald (of bij het afnemen van een transportdienst, indien de meerprijs aan de afnemer van die dienst is doorberekend). (eerste vonnis, rov. 2.17)
De rechtbank heeft het standpunt van de eisers over de transportdiensten in haar tweede tussenvonnis11.(hierna: het tweede vonnis) als volgt weergegeven:
“2.10. Allereerst hebben [bepaalde eisers] erop gewezen dat zij geen vrachtwagens hebben afgenomen, maar transportdiensten. Deze vorderingen zijn het soort vorderingen waarvoor artikel 6 lid 3 sub b Rome II is bedacht. [Bedoelde eisers] hebben schade geleden in veel verschillende landen vanwege de enkele en voortdurende onrechtmatige daad van de Truckfabrikanten. De positie van [deze eisers] lijkt veel op die van de shippers in de Aircargo-zaken: (i) net als de shippers hadden [bedoelde eisers] geen directe contractuele relatie met de Truckfabrikanten ([de eisers] kochten hun transportdiensten in bij trucktransportdienstverleners) en (ii) net als bij de shippers is sprake van een dienst die naar zijn aard transnationaal is (het trucktransport van [de eisers] liep door heel Europa, met routes die veelal begonnen in één lidstaat en elders in Europa eindigden), aldus steeds [de eisers].”
Verder stelt een aantal eisers dat zij (ook) schade hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen (eveneens als gevolg van door de Truckfabrikanten gemaakte afspraken). Die schade bestaat onder meer uit een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing (hierna: tolvorderingen). (eerste vonnis, rov. 2.17) De rechtbank heeft het standpunt van de eisers daarover als volgt weergegeven (tweede vonnis):
“2.11. [Bepaalde eisers] hebben voorts terecht aandacht gevraagd voor vorderingen tot vergoeding van schade die veroorzaakt is (volgens de Claimanten) door de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën (waar de Inbreuk ook op ziet) (“tolvorderingen”). [Bedoelde eisers] stellen dat zij door deze vertraging hogere tol hebben betaald die wordt geheven over zware en middelzware vrachtwagens. Om weggebruikers te laten betalen voor emissievervuiling is in veel landen in Europa de tol mede afhankelijk van de emissietechnologie van de vrachtwagen. (…)”
3.5
Tezamen genomen hebben de follow-on vorderingen in deze zaak dus betrekking op verschillende soorten schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd door hetzij de benadeelden zelf, hetzij door claim- en litigation vehikels, te weten:
- schade geleden door benadeelden die de vrachtwagens hebben gekocht, gehuurd of geleased, hetzij direct van een van de karteldeelnemers hetzij van tussenliggende partijen zoals dealers;
- schade geleden door afnemers van transportdiensten van partijen (transportbedrijven) die daarvoor als gevolg van de inbreuk hogere prijzen hebben berekend; en
- schade geleden door partijen die stellen (ook) schade te hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen, welke schade eveneens een gevolg is van de inbreuk en onder meer bestaat in een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing.
3.6
De rechtbank heeft in het tweede vonnis op de voet van art. 392 e.v. Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
“Inleidend
(i) Moet een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die leidt tot afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen op het moment dat schade wordt geleden (op het moment van verwerven van een bepaalde vrachtwagen (waaronder kan worden verstaan (huur)koop) of het afnemen van een bepaalde transportdienst)?
of
(ii) Moet een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) schadeveroorzakende gebeurtenis die resulteert in een enkelvoudige schadevergoedingsvordering per gedupeerde (hier: Claimant die zelf schade heeft geleden of Achterliggende partij, zie r.o. 2.1 [eerste vonnis]), bestaande uit verschillende schadeposten?
In geval van schadeposten:
(iii) Indien het antwoord op vraag (ii) bevestigend luidt, moet dan het moment waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis is beëindigd tot uitgangspunt worden genomen bij de vaststelling van de toepasselijke conflictregel? Of moet onderscheid worden gemaakt tussen schadeposten van voor 11 januari 2009 en schadeposten van na 11 januari 2009?
In geval van afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen:
(iv) Indien het antwoord op vraag (i) bevestigend luidt, is dan juist dat voor de vaststelling van de toepasselijke conflictregel onderscheid moet worden gemaakt tussen schadevergoedingsvorderingen die zijn ontstaan voor 11 januari 2009 (in welk geval artikel 4 lid 1 WCOD van toepassing is) en schadeposten van na 11 januari 2009 (in welk geval artikel 6 lid 3 Rome II van toepassing is)?
Artikel 4 lid 1 WCOD
(v) Welk criterium/aanknopingspunt moet worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 4 lid 1 WCOD? Moet voor de bepaling van het toepasselijk recht worden aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten)? Of moet worden aangeknoopt bij de plaats waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd of (ii) indien eenzelfde Claimant of Achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de betreffende Claimant of Achterliggende partij? Of moet het toepasselijk recht op de voet van artikel 4 lid 1 WCOD op andere wijze worden bepaald? Welk criterium moet worden gehanteerd voor de bepaling van het toepasselijk recht op schade als gevolg van tolvorderingen?
(vi) Of kan de rechter, indien wordt geoordeeld dat de concurrentieverhoudingen (ten minste) op de gehele interne markt, en dus in meerdere landen, zijn beïnvloed, en er op grond van artikel 4 lid 1 WCOD dientengevolge meerdere rechtstelsels van toepassing zouden zijn, het toepasselijk recht vaststellen op een wijze die overeenkomt met artikel 6 lid 3 sub b Rome II (rechtskeuze voor de lex fori)?
Artikel 6 lid 3 sub a Rome II
(vii) Welk criterium/aanknopingspunt moet worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 6 lid 3 sub a Rome II? Moet worden aangeknoopt bij de plaats waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd of (ii) indien eenzelfde Claimant of Achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de betreffende Claimant of Achterliggende partij? Of kan worden aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten)? Of moet het toepasselijk recht op de voet van artikel 6 lid 3 sub a Rome II op andere wijze worden bepaald? Welk criterium moet worden gehanteerd voor de bepaling van het toepasselijk recht op schade als gevolg van tolvorderingen?
Artikel 6 lid 3 sub b Rome II
(viii) Kan de Claimant een rechtskeuze doen voor de lex fori (Nederlands recht) op grond van artikel 6 lid 3 sub b Rome II als is voldaan aan de volgende vereisten?
- dat de markt wordt of waarschijnlijk wordt beïnvloed in meer dan één land;
- dat een van de verweerders wordt gedaagd voor het gerecht van zijn woonplaats;
- dat de markt in de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk wordt beïnvloed door de beperking van de mededinging.
(ix) Of geldt voor de toepassing van artikel 6 lid 3 sub b Rome II ook het (aanvullende) vereiste dat de gevolgen voor de gedupeerde zich moeten hebben voorgedaan in verschillende landen met inbegrip van (in dit geval) Nederland?
(x) Moet hierbij onderscheid worden gemaakt tussen Claimanten die zelf schade hebben geleden enerzijds en Claimanten die vorderingen hebben opgekocht (claim- of litigation vehikels) anderzijds?”
4. Beantwoording van de prejudiciële vragen
Inleiding
4.1
De prejudiciële vragen die de rechtbank aan de Hoge Raad heeft gesteld, kunnen worden verdeeld in vier groepen.
De eerste groep (vragen (i) en (ii)) betreft een inleidende vraag die van belang is voor de vaststelling van het toepasselijke recht. Het gaat kort gezegd om de vraag hoe een enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’) op het Europese kartelverbod in dit verband moet worden gekwalificeerd: moet een dergelijke inbreuk worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging die per benadeelde leidt tot één schadevordering, of gaat het om een onrechtmatige gedraging die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering? Aangezien het Unierecht mogelijk van belang is voor deze kwalificatie kan de Hoge Raad deze vragen niet beantwoorden zonder hierover vragen te stellen aan het HvJEU (zie hierna in 4.2.1-4.2.8).
Hierop voortbouwend stelt de tweede groep (vragen (iii) en (iv)) aan de orde welke conflictenrechtelijke regeling in temporeel opzicht van toepassing is: is dat de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (hierna: WCOD)12.of Verordening Rome II13.? Deze vraag is van belang omdat de inbreukperiode in temporeel opzicht deels valt onder de WCOD en deels onder Verordening Rome II. Aangezien de uitleg van het temporele toepassingsgebied van Verordening Rome II een Unierechtelijke aangelegenheid is, geldt ook hier dat de Hoge Raad deze vragen niet kan beantwoorden zonder hierover vragen te stellen aan het HvJEU (zie hierna in 4.3.1-4.3.5).
De derde groep (vragen (v) en (vi)) neemt tot uitgangspunt dat de WCOD (over de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is en betreft vragen over art. 4 WCOD.De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:414, rov. 4.4.1-4.4.7) geoordeeld dat vraag (v) in dit stadium van de procedure geen beantwoording behoeft en dat vraag (vi) ontkennend moet worden beantwoord. Onder de WCOD is een keuzerecht zoals in art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II niet toegelaten (zie hierna in 4.4.1-4.4.4).
De vierde groep (vragen (vii) tot en met (x)) neemt tot uitgangspunt dat Verordening Rome II (over de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is en betreft vragen over art. 6 lid 3 van die verordening. Aangezien het hier om de uitleg van Unierecht gaat, kan de Hoge Raad deze vragen niet beantwoorden zonder hierover vragen te stellen aan het HvJEU (zie hierna in 4.6.1-4.7.6).
I. Kwalificatie ‘enkele en voortdurende inbreuk’ (vragen (i)-(ii))
4.2.1
Met vragen (i) en (ii) wenst de rechtbank te vernemen hoe een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ op art. 101 VWEU naar Nederlands recht moet worden gekwalificeerd in het kader van de vaststelling van het recht dat van toepassing is op de vorderingen van de eisers. De eisers hebben betoogd dat een enkele en voortdurende inbreuk moet worden gezien als één voortdurende onrechtmatige gedraging jegens elk van hen waaruit per eiser één schadevordering voortvloeit, bestaande uit verschillende schadeposten (de verschillende transacties, zoals het kopen of huren van een vrachtwagen, of het afnemen van transportdiensten).14.De truckfabrikanten hebben daarentegen aangevoerd dat pas bij een afzonderlijke transactie een vordering tot schadevergoeding ontstaat (zie ook hierna in 4.3.4) en dat dit niet anders is als de inbreuk wordt gezien als één voortdurende onrechtmatige gedraging.
4.2.2
Zoals hiervoor in 4.1 overwogen gaat het hier kort gezegd om de vraag of een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering of als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering.
In eerstgenoemd geval moet bij de bepaling van het toepasselijke recht worden uitgegaan van één schadevordering per benadeelde die mogelijk meerdere transacties omvat en de gehele inbreukperiode bestrijkt. Dat leidt tot de vervolgvraag welk conflictenrechtelijk regime temporeel van toepassing is op deze ene vordering (vraag (iii), zie hierna in 4.3.3).
In laatstgenoemd geval is per transactie sprake van een schadevordering waarbij per vordering het toepasselijke recht moet worden bepaald. Dat leidt tot de vervolgvraag of het dan juist is dat ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan voor 11 januari 2009 het toepasselijke recht moet worden bepaald door het toenmalige Nederlandse conflictenrecht (met name de WCOD) en ten aanzien van vorderingen die op of na die datum zijn ontstaan, door Verordening Rome II (vraag (iv), zie hierna in 4.3.4).
4.2.3
Vragen (i) en (ii) nemen tot uitgangspunt dat de kwalificatie van ‘een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod’ ter bepaling van het daarop toepasselijke recht, moet geschieden naar Nederlands recht. De vraag rijst evenwel of deze kwalificatie niet naar Europees recht dient plaats te vinden.
4.2.4
In dit verband is ten eerste van belang dat het in dit geval gaat om schadevorderingen die voortvloeien uit een inbreuk op het Europese mededingingsrecht (art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst). Het HvJEU heeft overwogen dat dergelijke vorderingen tot vergoeding van schade wegens schending van de mededingingsregels van de Unie (private enforcement), net zo goed als de uitvoering die de openbare autoriteiten aan die regels geven (public enforcement), integrerend deel uitmaken van het stelsel voor de handhaving van die regels, dat ertoe strekt mededingingsverstorende gedragingen van ondernemingen te bestraffen en hen van dergelijke gedragingen te weerhouden.15.
4.2.5
Ten tweede heeft het HvJEU geoordeeld dat het aan de rechtsorde van elke lidstaat is om regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade als gevolg van een inbreuk op de art. 101 en 102 VWEU, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen, waarbij laatstgenoemd beginsel vereist dat de regels die van toepassing zijn op vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.16.
4.2.6
Verder is van belang welke functie het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ heeft in de handhaving van het Europese mededingingsrecht. In zijn arrest van 1 februari 2024 inzake Scania heeft het HvJEU daarover het volgende overwogen:
“131 Zoals in punt 94 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, volgt uit vaste rechtspraak dat schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen kan voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar ook uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook – op zichzelf en afzonderlijk beschouwd – schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende gedragingen wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die gedragingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C‑698/19 P, EU:C:2022:480, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
132 Een onderneming die aan een dergelijke enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een „overeenkomst” of „onderling afgestemde feitelijke gedraging” met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in haar geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C‑698/19 P, EU:C:2022:480, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 Het Hof heeft er echter reeds op gewezen dat een geheel van gedragingen onder de in de vorige twee punten van dit arrest genoemde voorwaarden weliswaar als „één enkele voortdurende inbreuk” kan worden gekwalificeerd, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd noodzakelijkerwijs moet worden aangemerkt als afzonderlijke inbreuk op die bepaling (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C‑698/19 P, EU:C:2022:480, punt 64).
134 Voor de vaststelling van één enkele voortdurende inbreuk is het immers gebruikelijk om rekening te houden met de verschillende verbanden tussen de verschillende bestanddelen van de betrokken inbreuk. Zo kan een contact tussen ondernemingen dat, afzonderlijk beschouwd, op zich geen inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU vormt, niettemin relevant zijn om het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk op deze bepaling aan te tonen, gelet op de context waarin dit contact heeft plaatsgevonden. In een dergelijke situatie maakt dit contact deel uit van de bundel indicaties waarop de Commissie zich rechtmatig mag baseren om het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk op die bepaling aan te tonen (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
135 Uit de in de punten 131 tot en met 134 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dus dat het voor de vaststelling van het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk volstaat dat de Commissie aantoont dat de verschillende onderzochte gedragingen deel uitmaken van een „totaalplan”, zonder dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd moet kunnen worden aangemerkt als afzonderlijke inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU.”17.
4.2.7
Uit de hiervoor in 4.2.6 geciteerde overwegingen volgt dat het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ het mogelijk maakt dat een onderneming voor de gehele duur van haar deelname aan de inbreuk eveneens verantwoordelijk wordt gehouden voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt in afzonderlijke gedragingen, en zonder dat behoeft vast te staan dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd als inbreuk op art. 101 VWEU kan worden aangemerkt.
4.2.8
Gelet op de betekenis en het doel van het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’, bezien in het licht van het hiervoor in 4.2.5 genoemde beginsel van doeltreffendheid, is denkbaar dat een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst moet worden aangemerkt als één voortdurende onrechtmatige gedraging jegens ieder van degenen die daardoor schade hebben geleden, waaruit voor ieder van hen één verbintenis tot schadevergoeding oftewel één schadevordering zou voortvloeien. Deze benadering zou de behandeling van follow-on kartelschadevorderingen, waaronder de vaststelling van het op die vorderingen toepasselijke recht, namelijk eenvoudiger maken; dit klemt temeer nu het gaat om de afwikkeling van een groot aantal kartelschadezaken. Er is dan immers per benadeelde slechts één ‘niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een daad van oneerlijke concurrentie’ (art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II) dan wel ‘verbintenis wegens ongeoorloofde mededinging’ (art. 4 WCOD) waarvoor het toepasselijke recht moet worden vastgesteld. Uit het arrest Heureka/Google blijkt dat het doeltreffendheidsbeginsel kan meebrengen dat nationale regels omtrent schadevorderingen niet (onverkort) gelden als dit onverenigbaar is met dit beginsel (zie hiervoor in 4.2.5).
Daartegenover staat dat het HvJEU in zijn rechtspraak steeds heeft benadrukt dat het aan de rechtsorde van elke lidstaat is om regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade als gevolg van een inbreuk op de art. 101 en 102 VWEU.18.Het is daarom ook denkbaar dat de hiervoor in 4.2.2 opgeworpen vraag hoe een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst in dit verband moet worden aangemerkt, is overgelaten aan het nationale recht van de lidstaten.
Over het antwoord op de vraag of, en zo ja hoe een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ in dit verband Unierechtelijk moet worden gekwalificeerd, is redelijke twijfel mogelijk.19.De Hoge Raad zal daarom hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU voorleggen (zie hierna onder 6, vraag 1).
II. WCOD of Verordening Rome II: temporeel toepassingsgebied (vragen (iii)-(iv))
4.3.1
Met vragen (iii) en (iv) stelt de rechtbank aan de orde welke conflictenrechtelijke regeling in deze zaak in temporeel opzicht van toepassing is op de vorderingen van eisers: de WCOD of Verordening Rome II. Daarbij staat in deze zaak niet ter discussie dat de vorderingen van eisers tot vergoeding van kartelschade zijn te kwalificeren als vorderingen uit onrechtmatige daad, in het bijzonder ongeoorloofde mededinging.
4.3.2
De WCOD trad op 1 juni 2001 in werking. Voor die tijd was het commune Nederlandse conflictenrecht met betrekking tot de onrechtmatige daad ongeschreven recht. Aangezien de WCOD kan worden gezien als een codificatie van het daarvoor geldende ongeschreven conflictenrecht, kan de WCOD ook worden toegepast op verbintenissen uit onrechtmatige daad van vóór 1 juni 2001.20.
Verordening Rome II trad op 11 januari 2009 in werking (art. 32). Art. 31 bepaalt dat de verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de inwerkingtreding van de verordening, dus schadeveroorzakende gebeurtenissen op of na 11 januari 2009. Vanaf die datum is voor toepassing van de WCOD dus geen plaats meer in de gevallen die door Verordening Rome II worden bestreken. Het HvJEU heeft bevestigd dat de art. 31 en 32 van deze verordening zo moeten worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vanaf 11 januari 2009.21.Ook heeft het HvJEU overwogen dat het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan in dit kader het enige in aanmerking te nemen tijdstip is.22.
4.3.3
Indien moet worden aangenomen (zie vraag (i)) dat een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod is aan te merken als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering, dan rijst de vraag welke conflictenrechtelijke regeling in deze zaak in temporeel opzicht van toepassing is op deze vordering (vraag (iii)). Het gaat immers om een inbreuk die duurde van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011 (zie hiervoor in 3.1 onder (i)), welke periode in temporeel opzicht deels valt onder de WCOD (tot 11 januari 2009) en deels onder Verordening Rome II (vanaf 11 januari 2009). Verschillende oplossingen zijn hier denkbaar.
Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat het aanvangsmoment van de inbreuk doorslaggevend wordt geacht (in dit geval 17 januari 1997). In dat geval wordt het op de vorderingen van eisers in deze zaak toepasselijke recht bepaald door (art. 4 lid 1 van) de WCOD, ook als het gaat om transacties op of na 11 januari 2009. Voor deze oplossing pleit dat zij beantwoordt aan eisen van voorspelbaarheid en rechtszekerheid.
Een andere oplossing is dat het moment waarop de inbreuk wordt beëindigd doorslaggevend wordt geacht (in dit geval 18 januari 2011), of het moment waarop de inbreuk in een besluit van de Europese Commissie wordt vastgesteld (in dit geval 19 juli 2016 en 27 september 2018). In dat geval wordt het op de vorderingen van eisers in deze zaak toepasselijke recht bepaald door (art. 6 lid 3 van) Verordening Rome II, ook als het gaat om transacties voor 11 januari 2009. Voor deze oplossing pleit dat zij ruime toepassing geeft aan de uniforme regels van deze verordening, maar ertegen zou kunnen worden aangevoerd dat zij terugwerkende kracht aan de verordening geeft; dat zou op gespannen voet staan met eisen van voorspelbaarheid en rechtszekerheid, en met de hiervoor in 4.3.2 genoemde rechtspraak van het HvJEU.
Ook is als oplossing denkbaar dat een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds schadeposten (transacties) van voor 11 januari 2009, ten aanzien waarvan de WCOD moet worden toegepast, en anderzijds schadeposten (transacties) van daarna, ten aanzien waarvan Verordening Rome II moet worden toegepast. Tegen deze oplossing pleit dat geen eenheid wordt bereikt in de op de follow-on vorderingen toe te passen conflictregels in een zaak als de onderhavige.
4.3.4
Indien moet worden aangenomen (zie vraag (ii)) dat een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod is aan te merken als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering, dan is het naar het oordeel van de Hoge Raad onontkoombaar dat ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan voor 11 januari 2009 het toepasselijke recht moet worden bepaald door (art. 4 van) de WCOD en ten aanzien van vorderingen die op of na die datum zijn ontstaan door (art. 6 van) Verordening Rome II (vraag (iv)). In dit verband hebben de truckfabrikanten aangevoerd23., dat elke transactie moet worden aangemerkt als een aparte schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van art. 31 Rome II-Verordening. In dat geval wordt geen eenheid bereikt in de op de follow-on vorderingen toe te passen conflictregels in een zaak als de onderhavige.
4.3.5
Voor het antwoord op de vragen (iii) en (iv) is uitleg van het temporele toepassingsgebied van Verordening Rome II noodzakelijk. Over die uitleg is redelijke twijfel mogelijk. De Hoge Raad zal daarom hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU voorleggen (zie hierna onder 6, vraag 2).
III. Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) (vragen (v)-(vi))
4.4.1
Met vragen (v) en (vi) stelt de rechtbank vragen over de uitleg van de zogenoemde marktregel in art. 4 lid 1 WCOD voor het geval dat de WCOD (ten aanzien van de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is. Deze bepaling luidt als volgt:
“1. In afwijking van artikel 3 worden verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt.”
4.4.2
Met vraag (v) wenst de rechtbank te vernemen welk criterium of welke aanknopingspunten moeten worden gehanteerd bij de toepassing van art. 4 lid 1 WCOD. Deze vraag behoeft in dit stadium van de procedure nog geen beantwoording. Het is immers mogelijk dat uit de antwoorden van het HvJEU volgt dat alle vorderingen in deze zaak geheel binnen het temporele toepassingsgebied van Verordening Rome II vallen (zie vragen (ii) en (iii)), in welk geval de vraag hoe art. 4 lid 1 WCOD moet worden uitgelegd niet van belang is.
4.4.3
Met vraag (vi) wenst de rechtbank te vernemen of de rechter, indien hij oordeelt dat de concurrentieverhoudingen (ten minste) op de gehele interne markt, en dus in meerdere landen, zijn beïnvloed, en er op grond van art. 4 lid 1 WCOD dientengevolge meerdere rechtsstelsels van toepassing zouden zijn, het toepasselijk recht kan vaststellen op een wijze die overeenkomt met art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II. Op grond van deze bepaling kan degene die in verband met een beperking van de mededinging schadevergoeding vordert, onder bepaalde voorwaarden eenzijdig een rechtskeuze maken voor het recht van de lidstaat van de aangezochte rechter (lex fori).
De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak in de eerste groep truckzaken (zie hiervoor in 3.2 onder (v))24.een dergelijke eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid aangenomen in het voetspoor van het gerechtshof Amsterdam25., maar meent inmiddels dat daarbij vraagtekens kunnen worden geplaatst.26.
4.4.4
De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:414) geoordeeld dat art. 4 lid 1 WCOD een eenzijdige rechtskeuze zoals voorzien in art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II niet toestaat, en heeft vraag (vi) dus ontkennend beantwoord.
Ten overvloede merkt de Hoge Raad op dat een tweezijdige rechtskeuze (dus door beide partijen) op grond van art. 6 WCOD wel mogelijk is, ook indien het gaat om verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging.
IV. Verordening Rome II (vragen (vii)-(x))
4.5
Met vragen (vii)-(x) stelt de rechtbank vragen over de uitleg van art. 6 lid 3, onder a en b, Verordening Rome II voor het geval dat deze verordening (ten aanzien van de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is.
Toepassing van de marktregel (art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II)
4.6.1
Met vraag (vii) wenst de rechtbank te vernemen welk criterium of welke aanknopingspunten moeten worden gehanteerd bij de toepassing van de marktregel van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II. Volgens deze bepaling wordt de niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit, beheerst door het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt (zie hiervoor in 4.4.4). De vraag is, kort gezegd, hoe in een concreet geval het toepasselijk recht op een follow-on vordering moet worden bepaald indien de inbreuk op het kartelverbod meerdere landen bestrijkt (in het onderhavige geval de gehele EER). Verschillende oplossingen zijn mogelijk. De rechtbank noemt als mogelijkheden:
- aanknoping bij de plaats waar de vrachtwagen of de transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd, of (ii) indien eenzelfde eiser of achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de desbetreffende eiser of achterliggende partij; of
- aanknoping bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten).
Daarnaast is de vraag aan de orde welk criterium moet worden gehanteerd bij de toepassing van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II voor de bepaling van het toepasselijk recht op tolvorderingen (zie hiervoor in 3.4).
4.6.2
Deze vraag (vii) betreft uitleg van Unierecht waarover redelijke twijfel mogelijk is. In dit verband overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.6.3
Bij de toepassing van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II rijst allereerst de vraag hoe de rechter in een concreet geval moet vaststellen welke nationale markten worden beïnvloed of waarschijnlijk worden beïnvloed. In het onderhavige geval is in onherroepelijke besluiten van de Europese Commissie vastgesteld dat de inbreuk de gehele EER bestreek (zie hiervoor in 3.1 onder (i), (iii) en (iv)). Aangenomen mag worden dat daarmee vaststaat dat de markten van alle EER-lidstaten zijn beïnvloed als bedoeld in art. 6 lid 3 Verordening Rome II.27.
4.6.4
Vervolgens rijst de vraag hoe, gegeven dat alle nationale markten binnen de EER zijn beïnvloed, het toepasselijk recht op een concrete follow-on vordering moet worden bepaald. Denkbaar is dat “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in dit verband nader moet worden geconcretiseerd als het land waar de directe schade zich voordoet (vgl. art. 4 lid 1 Verordening Rome II). Blijkens punt 21 van de considerans van de verordening vormt de bijzondere regel in art. 6 immers geen uitzondering op de algemene regel in art. 4 lid 1 van de verordening maar juist een verduidelijking daarvan.
Daarvan uitgaande zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in het kader van art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis28., waarmee ook wordt gedoeld op “de plaats waar de schade is ingetreden”.29.Volgens punt 7 van de considerans moeten de bepalingen van Verordening Rome II immers stroken met (de voorganger van) Verordening Brussel I-bis. Het HvJEU heeft de consistentie-eisen van punt 7 van de considerans in meerdere uitspraken in aanmerking genomen.30.
4.6.5
Aan het hiervoor in 4.6.4 bedoelde begrip “plaats waar de schade is ingetreden” heeft het HvJEU nadere uitleg gegeven voor gevallen waarin het gaat om een inbreuk op art. 101 VWEU. Deze uitleg komt erop neer dat in dit soort gevallen als de “plaats waar de schade is ingetreden” moet worden aangemerkt de plaats waar de benadeelde onderneming de goederen waarop de betrokken heimelijke afspraken betrekking hadden, heeft gekocht; heeft zij de goederen op verschillende plaatsen gekocht, dan geldt als “plaats waar de schade is ingetreden” de zetel van de onderneming.31.In de zaak RH/Volvo heeft het HvJEU overwogen:
“39 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat, in geval van aankoop van een goed dat na manipulatie door de producent ervan in waarde is gedaald, de rechter van de plaats van aankoop van het goed bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de schade die overeenkomt met de door de koper betaalde extra kosten (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation, C‑343/19, EU:C:2020:534, punten 37 en 40).
40 Die oplossing moet, los van de vraag of de aan de orde zijnde goederen direct of indirect van verweersters zijn gekocht – waarbij de eigendomsoverdracht onmiddellijk dan wel na afloop van een leaseovereenkomst heeft plaatsgevonden –, ook worden toegepast in een context als die van het hoofdgeding. Evenwel zij erop gewezen dat die oplossing ervan uitgaat dat de benadeelde koper uitsluitend in het rechtsgebied van één enkel gerecht goederen heeft gekocht waarop de betrokken heimelijke afspraken betrekking hadden. Anders is het immers niet mogelijk om één enkele plaats van het intreden van de schade vast te stellen ten aanzien van de benadeelde koper.
41 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door met artikel 101 VWEU strijdige regelingen en die bestaat in extra kosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs, heeft geoordeeld dat de plaats van het intreden van de schade enkel voor iedere beweerde benadeelde individueel kan worden vastgesteld en dat het daarbij in beginsel gaat om de plaats van de zetel van deze laatste (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 52).
42 In het geval van aankopen op verschillende plaatsen voldoet de toekenning van bevoegdheid aan de rechter van de zetel van de benadeelde onderneming aan het in punt 38 van het onderhavige arrest genoemde vereiste van voorspelbaarheid, aangezien de verwerende partijen – deelnemers aan de mededingingsregeling – niet onwetend kunnen zijn van de omstandigheid dat de kopers van de betrokken goederen binnen de door de heimelijke afspraken beïnvloede markt zijn gevestigd. Die bevoegdheidsverlening beantwoordt voorts aan de doelstelling van nabijheid en de plaats van de zetel van de benadeelde onderneming biedt alle waarborgen voor een nuttige inrichting van een eventueel proces (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 53).”32.
4.6.6
Indien de uitleg die het HvJEU in de zaak RH/Volvo heeft gegeven aan art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis ook moet worden gebruikt voor art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II – hetgeen voor de hand ligt gelet op de consistentie-eisen tussen beide regelingen –, dan betekent dat dat als “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in laatstgenoemde bepaling moet worden aangemerkt het land waar de benadeelde onderneming de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft, heeft gekocht, dan wel – indien de benadeelde de goederen in verschillende landen heeft gekocht – het land waar zich de zetel van de benadeelde onderneming bevindt, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek33.(en dus een EU/EER-lidstaat is).
In dit verband moet nog worden opgemerkt dat art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis alleen verwijst naar (de rechter van) een lidstaat van de Europese Unie34., terwijl art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II verwijst naar (het recht van) het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is (art. 3 Verordening Rome II).
Bij het bovenstaande rijst voorts de vraag hoe het begrip ‘zetel’ (‘siège social’, ‘registered office’), als bedoeld in de arresten CDC/Akzo en RH/Volvo, in dit verband moet worden uitgelegd (vgl. ook art. 23 Verordening Rome II of art. 62-63 Verordening Brussel I-bis). De Hoge Raad zal geen afzonderlijke prejudiciële vraag over het begrip ‘zetel’ stellen, maar merkt wel op dat nadere uitleg nuttig zou zijn.
4.6.7
Naar aanleiding van hetgeen in 4.6.2-4.6.6 is overwogen zal de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het HvJEU voorleggen (zie hierna onder 6, vraag 3 (a) en (b)).
4.6.8
In dit verband is voorts het volgende van belang.
4.6.9
Een deel van de eisers of achterliggende partijen in deze zaak heeft niet zelf vrachtwagens bij de karteldeelnemers gekocht; zij zijn indirecte afnemers. Zij hebben een of meer vrachtwagens gekocht, gehuurd of geleased van een tussenliggende partij zoals een dealer, of hebben transportdiensten afgenomen van een partij die daarvoor als gevolg van de inbreuk hogere prijzen heeft berekend (zie hiervoor in 3.4).
De vraag is of het op hun vorderingen toepasselijke recht moet worden bepaald op de wijze als hiervoor in 4.6.6 beschreven. Dat zou betekenen dat follow-on vorderingen van indirecte afnemers worden beheerst door het recht van het land waar de indirecte afnemer de goederen heeft gekocht, gehuurd of geleased, of de transportdiensten heeft afgenomen, dan wel – indien de indirecte afnemer deze goederen of diensten in verschillende landen heeft afgenomen – het land waar de afnemer is gevestigd, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek.
Andere oplossingen zijn ook denkbaar. Bijvoorbeeld is denkbaar dat follow-on vorderingen van indirecte afnemers ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II alleen worden beheerst door het recht van het land waar de indirecte afnemer is gevestigd, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek.
Een andere mogelijkheid is dat op de vordering van een indirecte afnemer hetzelfde recht wordt toegepast als op de vordering van de eerste afnemer, zodat ten aanzien van een en dezelfde vrachtwagen steeds hetzelfde recht toepasselijk is.35.Het is evenwel de vraag hoe deze mogelijkheid zich verhoudt tot het arrest van het HvJEU in de zaak Tibor-Trans (welke zaak haar aanleiding vindt in het ook in deze zaak aan de orde zijnde truckkartel).36.In die zaak ging het om een vordering van een indirecte afnemer (eindgebruiker), die de vrachtwagens niet rechtstreeks bij de karteldeelnemers had gekocht, maar bij vrachtwagendealers die de prijsverhogingen aan de eindgebruikers doorberekenden. Het HvJEU overwoog dat dat in het kader van de bevoegdheid (art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis) geen verschil maakt, omdat ook de schade van deze indirecte afnemer als rechtstreekse schade moet worden aangemerkt, zodat voor de bevoegdheid bepalend is waar die schade is ingetreden. Het HvJEU zocht daarbij nadrukkelijk aansluiting bij art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II. Het Hof overwoog:
“31 Wat de aard van de gestelde schade betreft, moet worden opgemerkt dat deze schade niet slechts een financieel gevolg is van de schade die de rechtstreekse kopers, zoals de Hongaarse dealers, hadden kunnen lijden, en die had kunnen bestaan in een daling van de verkoop als gevolg van de prijsverhogingen. In het hoofdgeding vloeit de schade daarentegen hoofdzakelijk voort uit de extra kosten als gevolg van de kunstmatig hoge prijzen en is de schade dan ook het rechtstreekse gevolg van de inbreuk op artikel 101 VWEU, waardoor er dus sprake is van rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden.
(…)
35 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft gesteld en ook in punt 41 van het arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines (C27/17, EU:C:2018:533), in herinnering is gebracht, is een dergelijke vaststelling van de plaats waar de schade is ingetreden ook in overeenstemming met de consistentie-eisen van overweging 7 van [Verordening Rome II], aangezien volgens artikel 6, lid 3, onder a), van die verordening op vorderingen tot schadevergoeding in verband met een mededingingsbeperkende handeling het recht van het land waar de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt, van toepassing is.”37.
4.6.10
Met vraag 3 (a), (b) en (c) (zie hierna onder 6) wordt duidelijkheid gezocht over de bepaling van het recht dat ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II van toepassing is op follow-on vorderingen van indirecte afnemers.
4.6.11
Ten slotte is in dit verband van belang dat een aantal eisers of achterliggende partijen in deze zaak stelt dat zij (ook) schade hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen (welke schade eveneens een gevolg is van de inbreuk). Die schade bestaat onder meer uit een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing (zie hiervoor in 3.4-3.5, de zogenoemde tolvorderingen).
4.6.12
Met vraag 3 (d) (zie hierna onder 6) wordt duidelijkheid gezocht over de bepaling van het recht dat ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II van toepassing is op dergelijke tolvorderingen.
4.6.13
Gelet op de grote hoeveelheid vorderingen in de onderhavige zaken (zie hiervoor in 3.1 onder (v)) is een praktisch hanteerbare uitleg van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II van groot belang. Indien aansluiting wordt gezocht bij de oplossing in het arrest RH/Volvo (zie hiervoor in 4.6.4-4.6.6), zou “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in deze bepaling aldus kunnen worden uitgelegd dat hieronder in gevallen als de onderhavige wordt verstaan:
- indien de benadeelde de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft, heeft gekocht, gehuurd of geleased in één bepaald land: dit land (waarbij dit nader wordt geconcretiseerd, bijvoorbeeld als het land waar de goederen zijn overhandigd)38.;
dan wel
- in alle andere gevallen (dus indien de benadeelde de goederen in verschillende landen heeft gekocht, gehuurd of geleased, of indien het gaat om een vordering van een indirecte afnemer, of indien het gaat om een tolvordering): het land waar de benadeelde zijn gewone woonplaats of zetel (zie hiervoor in 4.6.6, laatste alinea) heeft, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek.
Voorwaarden voor rechtskeuze (art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II)
4.7.1
Met vragen (viii), (ix) en (x) wenst de rechtbank te vernemen hoe art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II moet worden uitgelegd.
4.7.2
Deze vragen betreffen uitleg van Unierecht waarover redelijke twijfel mogelijk is. In dit verband overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.7.3
Uit de tekst van deze bepaling (zie hiervoor in 4.4.4) volgt dat de eiser (“de persoon die schadevergoeding vordert”) eenzijdig een rechtskeuze kan maken voor het recht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (i) de markt wordt beïnvloed of waarschijnlijk beïnvloed in meer dan één land; (ii) de vordering strekt tot schadevergoeding; (iii) de vordering is aanhangig gemaakt bij de rechter van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder; en (iv) de markt in die lidstaat is een van de markten die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd.
4.7.4
De truckfabrikanten betogen dat naast de hiervoor in 4.7.3 genoemde voorwaarden een impliciete, aanvullende voorwaarde geldt, namelijk dat de benadeelde schade lijdt in meerdere landen, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is. De rechtskeuze is volgens truckfabrikanten immers bedoeld om een oplossing te bieden voor gevallen waarin ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II meerdere rechtsstelsels toepasselijk zijn.
Daarentegen betwisten de eisers het bestaan van een dergelijke aanvullende voorwaarde omdat zij menen dat er geen steun voor is te vinden in de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling, de rechtspraak of de literatuur. Daarnaast doet een dergelijke aanvullende voorwaarde volgens de eisers afbreuk aan de volle werking van de regels van het Europese mededingingsrecht. Zij zou meebrengen dat benadeelde partijen minder vaak een eenzijdige rechtskeuze kunnen maken en dat dan dus een grote verscheidenheid van toepasselijke rechtstelsels moet worden toegepast, hetgeen de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht gecompliceerd en kostbaar zou maken.
4.7.5
De vraag is daarom of voor de in art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II bedoelde rechtskeuze ook de voorwaarde geldt dat (vaststaat dat) de desbetreffende benadeelde in meerdere landen schade heeft geleden, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is. Aangezien over het antwoord op deze vraag redelijke twijfel mogelijk is, zal de Hoge Raad hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU voorleggen (zie hierna onder 6, vraag 4 (a)).
4.7.6
Een vervolgvraag is of deze rechtskeuzemogelijkheid ook toekomt aan partijen (zogenoemde litigation- of claimvehikels) die follow-on vorderingen overgedragen hebben gekregen van benadeelden. Daarvoor pleit de tekst van art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II, waarin wordt gesproken over “de persoon die schadevergoeding vordert” alsmede de ratio van deze bepaling om de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht te verbeteren. In dit verband kan van belang zijn dat in de rechtspraak van het HvJEU (arrest CDC/Akzo) is geoordeeld dat de overdracht van een schuldvordering door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed kan hebben op de bepaling van de bevoegdheid volgens (thans) art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis.39.De vraag is of deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing is in het kader van art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II. Aangezien over het antwoord op deze vraag redelijke twijfel mogelijk is, zal de Hoge Raad hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU voorleggen (zie hierna onder 6, vraag 4 (b)).
4.7.7
De rechtbank heeft in dit verband opgemerkt dat een ruime rechtskeuzemogelijkheid voor litigation- of claimvehikels die vorderingen overgedragen hebben gekregen van benadeelden en achterliggende partijen, voor- en nadelen heeft.40.Enerzijds is een ruime mogelijkheid efficiënt omdat de rechter op alle vorderingen die aan hem ter beoordeling worden voorgelegd, zijn eigen recht – de lex fori – kan toepassen. Anderzijds kan een ruime mogelijkheid forumshopping in de hand werken, hetgeen ertoe kan leiden dat (in dit geval) de Nederlandse rechter een grote hoeveelheid vorderingen moet beoordelen van benadeelden en achterliggende partijen die geen enkele band met Nederland hebben.
5. Omschrijving van de uitgangspunten en feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast
De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 3.1-3.5 vermelde uitgangspunten en feiten, waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan.
6. Vragen van uitleg
1. Brengt het Unierecht, in het bijzonder het beginsel van doeltreffendheid, mee dat – ter bepaling van het toepasselijke recht – een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering (follow-on vordering), die meerdere schadeposten (transacties) kan omvatten (zie hiervoor in 4.2.1-4.2.8)? Of is deze kwalificatie overgelaten aan het recht van de lidstaten en staat het hun vrij om bijvoorbeeld te bepalen dat een dergelijke inbreuk moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering (follow-on vordering)?
2. Hoe moet art. 31 Verordening Rome II worden uitgelegd in geval van een schadeveroorzakende gebeurtenis die bestaat in een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst die voor 11 januari 2009 is begonnen en die op of na die datum is geëindigd (zie hiervoor in 4.3.2-4.3.4)? Meer specifiek:
(a) is deze verordening in temporeel opzicht van toepassing ten aanzien van de gehele inbreukperiode, ook als het gaat om de periode voor 11 januari 2009;
(b) is deze verordening in temporeel opzicht niet van toepassing ten aanzien van de gehele inbreukperiode, ook niet als het gaat om de periode vanaf 11 januari 2009; of
(c) is deze verordening in temporeel opzicht alleen van toepassing ten aanzien van de periode vanaf 11 januari 2009? Hoe moet in een dergelijk geval worden beoordeeld welke gebeurtenissen door die verordening worden bestreken, en welke niet?
Indien vraag 2 (a) of (c) bevestigend wordt beantwoord, hetgeen meebrengt dat de Verordening Rome II in deze zaak van toepassing is:
3. Hoe moet het begrip “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II worden uitgelegd in het geval van een follow-on vordering strekkende tot vergoeding van schade naar aanleiding van een inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst die is vastgesteld door de Europese Commissie en die (meerdere landen dan wel) de gehele EER bestrijkt, en waarbij het gaat om
(a) schade geleden door een benadeelde die de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft (vrachtwagens), in één bepaald land heeft gekocht, gehuurd of geleased van een of meer van de karteldeelnemers of van een of meer tussenliggende partijen zoals dealers (zie hiervoor in 4.6.3-4.6.10);
(b) schade geleden door een benadeelde die de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft (vrachtwagens), in verschillende landen heeft gekocht, gehuurd of geleased van een of meer van de karteldeelnemers of van een of meer tussenliggende partijen zoals dealers (zie hiervoor in 4.6.3-4.6.10);
(c) schade geleden door een afnemer van transportdiensten van een of meer partijen die daarvoor als gevolg van de inbreuk hogere prijzen hebben berekend (zie hiervoor in 4.6.9-4.6.10);
(d) schade geleden door een partij die stelt (ook) schade te hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen welke schade eveneens een gevolg is van de inbreuk en bestaat onder meer uit een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing (zie hiervoor in 4.6.11-4.6.12)?
4. (a) Moet art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat, om een eenzijdige rechtskeuze te kunnen maken, niet alleen moet zijn voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden, maar ook aan de voorwaarde dat de benadeelde in meerdere landen schade heeft geleden, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is (zie hiervoor in 4.7.3-4.7.5)?
(b) Moet art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat de mogelijkheid om een eenzijdige rechtskeuze te maken alleen openstaat voor benadeelden die zelf schade hebben geleden, of aldus dat deze mogelijkheid ook openstaat voor eisers die follow-on vorderingen van benadeelden overgedragen hebben gekregen (zie hiervoor in 4.7.6-4.7.7)?
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verzoekt het HvJEU met betrekking tot de hiervoor onder 6 geformuleerde vragen uitspraak te doen;
- houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding tot het HvJEU naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 20 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑06‑2025
Commission Decision of 19 July 2016 relating to a proceeding under Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union and Article 53 of the EEA Agreement (AT.39824 - Trucks), C(2016)4673 final (DAF, Daimler, Iveco, MAN en Volvo/Renault); Commission Decision of 27 September 2017 relating to a proceeding under Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union and Article 53 of the EEA Agreement (Case AT.39824 - Trucks), C(2017)6467 (Scania).
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, PbEU 1994, L 1/3.
Samenvatting van het besluit van de Commissie van 27 september 2017 inzake een procedure op grond van art. 101 VWEU en art. 53 EER-overeenkomst (zaak AT.39824 - Vrachtwagens), C(2017)6467, nrs. 1 en 9-12, PbEU 2020, C 216/9. Zie ook Samenvatting van het besluit van de Commissie van 19 juli 2016 inzake een procedure op grond van art. 101 VWEU en art. 53 EER-overeenkomst (zaak AT.39824 - Vrachtwagens), C(2016)4673, PbEU 2017, C 108/6).
HvJEU 2 februari 2022, zaak T-799/17, ECLI:EU:T:2022:48 (Scania/Europese Commissie).
HvJEU 1 februari 2024, zaak C-251/22 P, ECLI:EU:C:2024:103 (Scania/Europese Commissie).
Zie rechtbank Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.1.
Zie de uitspraken van de rechtbank Amsterdam in een eerdere procedure: rechtbank Amsterdam 15 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574; rechtbank Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391; rechtbank Amsterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4466; rechtbank Amsterdam 28 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1119.
Rechtbank Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.1.
Rechtbank Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.3-2.4.
Rechtbank Amsterdam 8 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7093.
Wet van 11 april 2001, houdende regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad (Wet conflictenrecht onrechtmatige daad), Stb. 2001, 190.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PbEU 2007, L 199/40.
Tweede vonnis, rov. 2.3.
HvJEU 18 april 2024, zaak C‑605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 61, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
HvJEU 18 april 2024, zaak C‑605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 51, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
HvJEU 1 februari 2024, zaak C-251/22 P, ECLI:EU:C:2024:103.
HvJEU 18 april 2024, zaak C‑605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 51.
Vgl. ook Bundesgerichtshof 23 september 2020, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0, rov. 73.
De WCOD gold tot 1 januari 2012; toen werd zij ingetrokken bij gelegenheid van de invoering van Boek 10 BW.
HvJEU 17 november 2011, zaak C-412/10, ECLI:EU:C:2011:747 (Homawoo), punt 33.
HvJEU 17 november 2011, zaak C-412/10, ECLI:EU:C:2011:747 (Homawoo), punt 36.
Zie ook eerste vonnis, rov. 2.8.
Rechtbank Amsterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4466, rov. 2.19.
Gerechtshof Amsterdam 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1940.
Eerste vonnis, rov. 2.4; tweede vonnis, rov. 2.12. Zie ook rechtbank Amsterdam 12 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2841, rov. 2.3.
Vgl. in het kader van (art. 7, aanhef en punt 2) Verordening Brussel I-bis: HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans), punt 32-33; HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), punt 31.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351/1.
Zie in de context van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht laatstelijk HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), punt 29.
In het kader van vorderingen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door mededingingsbeperkende gedragingen: HvJEU 5 juli 2018, zaak C-27/17, ECLI:EU:C:2018:533 (flyLAL-Lithuanian Airlines), punt 41; HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans), punt 35. Zie evenwel ook HvJEU 16 januari 2014, zaak C-45/13, ECLI:EU:C:2014:7 (Kainz), punt 20 (productaansprakelijkheid).
HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo). Zie ook HvJEU 4 juli 2024, zaak C-425/22, ECLI:EU:C:2024:578 (MOL/Mercedes-Benz Group), punt 31.
HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo).
Vgl. HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), rov. 31 en 42.
Eerste tussenvonnis, rov. 2.25.
HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans).
HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans).
Vgl. HvJEU 22 februari 2024, zaak C-81/23, ECLI:EU:C:2024:165 (FCA Italy); HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), punt 39-40.
HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, punt 35-36; HvJEU 18 juli 2013, zaak C‑147/12, ECLI:EU:C:2013:490 (ÖFAB/Koot), punt 58-59. Vgl. ook HvJEU 10 maart 2022, zaak C‑498/20, ECLI:EU:C:2022:173, punt 62.
Tweede vonnis, rov. 2.12.
Uitspraak 21‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Internationaal privaatrecht; conflictenrecht. Europees mededingingsrecht. Truckkartel. Welk recht is van toepassing op follow-on vorderingen naar aanleiding van een enkele en voortdurende inbreuk op kartelverbod in art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst? Art. 4 WCOD, art. 6 lid 3 Verordening Rome II. Geen eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid onder art. 4 WCOD. Temporeel toepassingsgebied art. 31 Verordening Rome II. Voornemen tot stellen van prejudiciële vragen aan HvJEU.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04362
Datum 21 maart 2025
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
1. UZDAROJI AKCINE BENDROVE PALINK, gevestigd te Vilnius, Litouwen,
en 706 andere rechtspersonen,
2. ADRESTIA TCC 1 LIMITED, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
3. STICHTING TRUCK CARTEL RECOVERY, gevestigd te Amsterdam,
4. en vele andere rechtspersonen,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom,
5. UNILEVER PLC, gevestigd te Rotterdam,
en 318 andere rechtspersonen,
advocaat: R.L.M.M. Tan,
EISERESSEN in eerste aanleg,
hierna gezamenlijk: eisers,
tegen
1. CNH INDUSTRIAL N.V., gevestigd te Amsterdam,
2. en vele andere rechtspersonen,
GEDAAGDEN in eerste aanleg,
hierna gezamenlijk: de truckfabrikanten,
advocaten: A. Knigge, M.W. Scheltema, W.H. van Hemel, J.W.M.K. Meijer en J.J. Valk.
1. De prejudiciële procedure
Bij tussenvonnis in de zaken C/13/676949 HA ZA 19-1359, C/13/678990 HA ZA 20-143, C/13/678997 HA ZA 20-145, C/13/678998 HA ZA 20-146, C/13/678999 HA ZA 20-147, C/13/679000 HA ZA 20-148, C/13/679001 HA ZA 20-149, C/13/679002 HA ZA 20-150, C/13/679003 HA ZA 20-151, C/13/679005 HA ZA 20-152, C/13/679006 HA ZA 20-153, C/13/679011 HA ZA 20-155, C/13/679013 HA ZA 20-156, C/13/679017 HA ZA 20-157, C/13/679071 HA ZA 20-159, C/13/679283 HA ZA 20-169, C/13/685998 HA ZA 20-666, C/13/687418 HA ZA 20-762 van 8 november 2023 heeft de rechtbank Amsterdam op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
Partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.
Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben P.A. Fruytier, H. Boom, advocaten bij de Hoge Raad, en T.S. Hoyer namens Chapelton B.V en Retail Cartel Damage Claims S.A, A. Stortelder, advocaat bij de Hoge Raad, namens Kone B.V. en Kone OYJ, en D.M. de Knijff, advocaat bij de Hoge Raad, namens Stichting Trucks Cartel Compensation op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot beantwoording van de vragen zoals voorgesteld onder 3.8, 4.15, 5.71 en 6.2 t/m 6.4 in de conclusie.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Inleiding
2.1
2.2
In de periode 1997-2011 heeft op de Europese markt voor vrachtwagens een kartel van truckfabrikanten bestaan (hierna ook: het truckkartel). De Europese Commissie heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’) op het Europese kartelverbod met gevolgen voor de gehele Europese Economische Ruimte (hierna: EER). Zij heeft geldboetes opgelegd aan alle truckfabrikanten, op één na.
2.3
Bij de Nederlandse rechter is een groot aantal zaken aangebracht door partijen die stellen schade te hebben geleden door het truckkartel. In die zaken ligt onder meer de vraag voor welk rechtsstelsel van toepassing is op deze follow-on vorderingen. In deze zaak heeft de rechtbank hierover op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.
2.4
In deze beslissing komt de Hoge Raad tot de conclusie dat hij op zijn beurt op grond van art. 267 VWEU prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU).
2.5
Deze zaak houdt verband met zaken 23/00670 en 23/00676, waarin eveneens de vraag aan de orde is welk recht van toepassing is op follow-on vorderingen.1.
3. Uitgangspunten en feiten
3.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) In 2016 en 2017 heeft de Europese Commissie in een tweetal beschikkingen (hierna: de boetebesluiten)2.vastgesteld dat de truckfabrikanten inbreuk hadden gemaakt op het kartelverbod van art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst3.(hierna: de inbreuk). Het ging om een enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’). De inbreuk bestond in heimelijke prijsafspraken over de verhogingen van de brutoprijs in de EER voor vrachtwagens, en over het tijdstip en doorberekening van kosten voor de invoering van voor de EURO 3- tot EURO 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens. De inbreuk bestreek de hele EER en duurde van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011 (hierna: de inbreukperiode). De Commissie heeft geldboetes opgelegd aan alle truckfabrikanten met uitzondering van MAN, die na een clementieprocedure volledige immuniteit heeft verkregen.
(ii) In de van deze boetebesluiten gepubliceerde samenvattingen4.is over de inbreuk het volgende vermeld:
“(1) In het besluit gaat het om één voortdurende inbreuk op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst.
(…)
2.3.
Samenvatting van de inbreuk
(8) De producten waarop de inbreuk betrekking heeft, zijn vrachtwagens met een gewicht tussen 6 en 16 ton (“middelzware vrachtwagens”) en vrachtwagens met een gewicht van méér dan 16 ton (“zware vrachtwagens”), zowel vaste vrachtwagens als trekker-opleggers (hierna samen “vrachtwagens” genoemd) (…). De zaak heeft geen betrekking op naverkopen, andere diensten en garanties voor vrachtwagens, de verkoop van tweedehandsvrachtwagens of andere goederen of diensten.
(9) De inbreuk bestond in heimelijke prijsafspraken over de verhogingen van de brutoprijs in de EER voor vrachtwagens, en over het tijdstip en doorberekening van kosten voor de invoering van voor de EURO 3- tot EURO 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens. De hoofdkantoren van de adressaten waren rechtstreeks betrokken bij het overleg over prijzen, prijsverhogingen en de invoering van nieuwe emissienormen tot 2004. Zeker sinds augustus 2002 hebben besprekingen plaatsgevonden via Duitse dochterondernemingen die, in uiteenlopende mate, rapporteerden aan hun hoofdkantoren. De uitwisseling vond plaats op multilateraal en bilateraal niveau.
(10) Deze heimelijke afspraken omvatten overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragen met betrekking tot prijzen en bruto prijsverhogingen met het oog op de afstemming van brutoprijzen binnen de EER en over het tijdstip en doorberekening van kosten voor de invoering van voor de EURO 3- tot EURO 6-normen vereiste emissietechnologieën.
(11) De inbreuk bestreek de hele EER en duurde van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011.
(…)”
(iii) Scania heeft tegen het haar betreffende boetebesluit beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. Op 2 februari 2022 heeft het Gerecht dit beroep verworpen.5.Bij arrest van 1 februari 2024 heeft het HvJEU de door Scania ingestelde hogere voorziening afgewezen.6.
(iv) Thans is onherroepelijk beslist dat de truckfabrikanten in strijd met het Europese mededingingsrecht hebben gehandeld.
(v) Bij de Nederlandse rechter is een zeer grote hoeveelheid zaken aanhangig gemaakt door een veelheid van partijen die stellen schade te hebben geleden als gevolg van de inbreuk. Deze zaken worden (gevoegd) in ‘groepen’ behandeld om het voor partijen en de rechter hanteerbaar te houden. Elke groep truckzaken betreft vorderingen die zien op ongeveer 200.000 vrachtwagens (althans vrachtwagentransacties).7.Er zijn tot nu toe vier groepen truckzaken.8.
(vi) Als eisende partijen in deze zaken treden soms de benadeelde partijen zelf op, maar dikwijls zijn de vorderingen ‘gebundeld’ en treedt een litigation- of claimvehikel en in een enkel geval een moeder- of groepsmaatschappij op als eisende partij. Meestal hebben de benadeelde partijen (door de rechtbank aangeduid als ‘de achterliggende partijen’) hun vorderingen aan de litigation- of claimvehikels gecedeerd, soms stellen deze laatsten de vorderingen in op basis van lastgeving of volmacht.9.
3.2
De eisers (door de rechtbank claimanten genoemd) in deze procedure stellen schade te hebben geleden als gevolg van de inbreuk.
3.3
In haar eerste tussenvonnis (hierna: het eerste vonnis) in deze procedure heeft de rechtbank overwogen eerst de vraag te zullen behandelen welk rechtsstelsel toepasselijk is op de vorderingen.10.
3.4
De rechtbank heeft het volgende overwogen over de grondslag van de vorderingen.
De grondslag van de vorderingen is onrechtmatige daad. De beweerde schade wordt in de meeste gevallen (pas) geleden steeds op het moment dat bij koop (huur/lease/etc.) van een vrachtwagen een meerprijs wordt betaald (of bij het afnemen van een transportdienst, indien de meerprijs aan de afnemer van die dienst is doorberekend). (eerste vonnis, rov. 2.17)
De rechtbank heeft het standpunt van de eisers over de transportdiensten in haar tweede tussenvonnis11.(hierna: het tweede vonnis) als volgt weergegeven:
“2.10. Allereerst hebben [bepaalde eisers] erop gewezen dat zij geen vrachtwagens hebben afgenomen, maar transportdiensten. Deze vorderingen zijn het soort vorderingen waarvoor artikel 6 lid 3 sub b Rome II is bedacht. [Bedoelde eisers] hebben schade geleden in veel verschillende landen vanwege de enkele en voortdurende onrechtmatige daad van de Truckfabrikanten. De positie van [deze eisers] lijkt veel op die van de shippers in de Aircargo-zaken: (i) net als de shippers hadden [bedoelde eisers] geen directe contractuele relatie met de Truckfabrikanten ([de eisers] kochten hun transportdiensten in bij trucktransportdienstverleners) en (ii) net als bij de shippers is sprake van een dienst die naar zijn aard transnationaal is (het trucktransport van [de eisers] liep door heel Europa, met routes die veelal begonnen in één lidstaat en elders in Europa eindigden), aldus steeds [de eisers].”
Verder stelt een aantal eisers dat zij (ook) schade hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen (eveneens als gevolg van door de Truckfabrikanten gemaakte afspraken). Die schade bestaat onder meer uit een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing (hierna: tolvorderingen). (eerste vonnis, rov. 2.17) De rechtbank heeft het standpunt van de eisers daarover als volgt weergegeven (tweede vonnis):
“2.11. [Bepaalde eisers] hebben voorts terecht aandacht gevraagd voor vorderingen tot vergoeding van schade die veroorzaakt is (volgens de Claimanten) door de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën (waar de Inbreuk ook op ziet) (“tolvorderingen”). [Bedoelde eisers] stellen dat zij door deze vertraging hogere tol hebben betaald die wordt geheven over zware en middelzware vrachtwagens. Om weggebruikers te laten betalen voor emissievervuiling is in veel landen in Europa de tol mede afhankelijk van de emissietechnologie van de vrachtwagen. (…)”
3.5
Tezamen genomen hebben de follow-on vorderingen in deze zaak dus betrekking op verschillende soorten schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd door hetzij de benadeelden zelf, hetzij door claim- en litigation vehikels, te weten:
- schade geleden door benadeelden die de vrachtwagens hebben gekocht, gehuurd of geleased, hetzij direct van een van de karteldeelnemers hetzij van tussenliggende partijen zoals dealers;
- schade geleden door afnemers van transportdiensten van partijen (transportbedrijven) die daarvoor als gevolg van de inbreuk hogere prijzen hebben berekend; en
- schade geleden door partijen die stellen (ook) schade te hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen, welke schade eveneens een gevolg is van de inbreuk en onder meer bestaat in een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing.
3.6
De rechtbank heeft in het tweede vonnis op de voet van art. 392 e.v. Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
“Inleidend
(i) Moet een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die leidt tot afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen op het moment dat schade wordt geleden (op het moment van verwerven van een bepaalde vrachtwagen (waaronder kan worden verstaan (huur)koop) of het afnemen van een bepaalde transportdienst)?
of
(ii) Moet een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) schadeveroorzakende gebeurtenis die resulteert in een enkelvoudige schadevergoedingsvordering per gedupeerde (hier: Claimant die zelf schade heeft geleden of Achterliggende partij, zie r.o. 2.1 [eerste vonnis]), bestaande uit verschillende schadeposten?
In geval van schadeposten:
(iii) Indien het antwoord op vraag (ii) bevestigend luidt, moet dan het moment waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis is beëindigd tot uitgangspunt worden genomen bij de vaststelling van de toepasselijke conflictregel? Of moet onderscheid worden gemaakt tussen schadeposten van voor 11 januari 2009 en schadeposten van na 11 januari 2009?
In geval van afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen:
(iv) Indien het antwoord op vraag (i) bevestigend luidt, is dan juist dat voor de vaststelling van de toepasselijke conflictregel onderscheid moet worden gemaakt tussen schadevergoedingsvorderingen die zijn ontstaan voor 11 januari 2009 (in welk geval artikel 4 lid 1 WCOD van toepassing is) en schadeposten van na 11 januari 2009 (in welk geval artikel 6 lid 3 Rome II van toepassing is)?
Artikel 4 lid 1 WCOD
(v) Welk criterium/aanknopingspunt moet worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 4 lid 1 WCOD? Moet voor de bepaling van het toepasselijk recht worden aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten)? Of moet worden aangeknoopt bij de plaats waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd of (ii) indien eenzelfde Claimant of Achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de betreffende Claimant of Achterliggende partij? Of moet het toepasselijk recht op de voet van artikel 4 lid 1 WCOD op andere wijze worden bepaald? Welk criterium moet worden gehanteerd voor de bepaling van het toepasselijk recht op schade als gevolg van tolvorderingen?
(vi) Of kan de rechter, indien wordt geoordeeld dat de concurrentieverhoudingen (ten minste) op de gehele interne markt, en dus in meerdere landen, zijn beïnvloed, en er op grond van artikel 4 lid 1 WCOD dientengevolge meerdere rechtstelsels van toepassing zouden zijn, het toepasselijk recht vaststellen op een wijze die overeenkomt met artikel 6 lid 3 sub b Rome II (rechtskeuze voor de lex fori)?
Artikel 6 lid 3 sub a Rome II
(vii) Welk criterium/aanknopingspunt moet worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 6 lid 3 sub a Rome II? Moet worden aangeknoopt bij de plaats waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd of (ii) indien eenzelfde Claimant of Achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de betreffende Claimant of Achterliggende partij? Of kan worden aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten)? Of moet het toepasselijk recht op de voet van artikel 6 lid 3 sub a Rome II op andere wijze worden bepaald? Welk criterium moet worden gehanteerd voor de bepaling van het toepasselijk recht op schade als gevolg van tolvorderingen?
Artikel 6 lid 3 sub b Rome II
(viii) Kan de Claimant een rechtskeuze doen voor de lex fori (Nederlands recht) op grond van artikel 6 lid 3 sub b Rome II als is voldaan aan de volgende vereisten?
- dat de markt wordt of waarschijnlijk wordt beïnvloed in meer dan één land;
- dat een van de verweerders wordt gedaagd voor het gerecht van zijn woonplaats;
- dat de markt in de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk wordt beïnvloed door de beperking van de mededinging.
(ix) Of geldt voor de toepassing van artikel 6 lid 3 sub b Rome II ook het (aanvullende) vereiste dat de gevolgen voor de gedupeerde zich moeten hebben voorgedaan in verschillende landen met inbegrip van (in dit geval) Nederland?
(x) Moet hierbij onderscheid worden gemaakt tussen Claimanten die zelf schade hebben geleden enerzijds en Claimanten die vorderingen hebben opgekocht (claim- of litigation vehikels) anderzijds?”
4. Beantwoording van de prejudiciële vragen
Inleiding
4.1
De prejudiciële vragen die de rechtbank aan de Hoge Raad heeft gesteld, kunnen worden verdeeld in vier groepen.
De eerste groep (vragen (i) en (ii)) betreft een inleidende vraag die van belang is voor de vaststelling van het toepasselijke recht. Het gaat kort gezegd om de vraag hoe een enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’) op het Europese kartelverbod in dit verband moet worden gekwalificeerd: moet een dergelijke inbreuk worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging die per benadeelde leidt tot één schadevordering, of gaat het om een onrechtmatige gedraging die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering? Aangezien het Unierecht mogelijk van belang is voor deze kwalificatie kan de Hoge Raad deze vragen niet beantwoorden zonder hierover vragen te stellen aan het HvJEU (zie hierna in 4.2.1-4.2.8).
Hierop voortbouwend stelt de tweede groep (vragen (iii) en (iv)) aan de orde welke conflictenrechtelijke regeling in temporeel opzicht van toepassing is: is dat de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (hierna: WCOD)12.of Verordening Rome II13.? Deze vraag is van belang omdat de inbreukperiode in temporeel opzicht deels valt onder de WCOD en deels onder Verordening Rome II. Aangezien de uitleg van het temporele toepassingsgebied van Verordening Rome II een Unierechtelijke aangelegenheid is, geldt ook hier dat de Hoge Raad deze vragen niet kan beantwoorden zonder hierover vragen te stellen aan het HvJEU (zie hierna in 4.3.1-4.3.5).
De derde groep (vragen (v) en (vi)) neemt tot uitgangspunt dat de WCOD (over de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is en betreft vragen over art. 4 WCOD. De Hoge Raad gaat hierna in 4.4.1-4.4.7 daarop in. Daarin komt de Hoge Raad tot het oordeel dat onder de WCOD een keuzerecht zoals in art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II niet is toegelaten.
De vierde groep (vragen (vii) tot en met (x)) neemt tot uitgangspunt dat Verordening Rome II (over de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is en betreft vragen over art. 6 lid 3 van die verordening. Aangezien het hier om de uitleg van Unierecht gaat, kan de Hoge Raad deze vragen niet beantwoorden zonder hierover vragen te stellen aan het HvJEU (zie hierna in 4.6.1-4.7.6).
I. Kwalificatie ‘enkele en voortdurende inbreuk’ (vragen (i)-(ii))
4.2.1
Met vragen (i) en (ii) wenst de rechtbank te vernemen hoe een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ op art. 101 VWEU naar Nederlands recht moet worden gekwalificeerd in het kader van de vaststelling van het recht dat van toepassing is op de vorderingen van de eisers. De eisers hebben betoogd dat een enkele en voortdurende inbreuk moet worden gezien als één voortdurende onrechtmatige gedraging jegens elk van hen waaruit per eiser één schadevordering voortvloeit, bestaande uit verschillende schadeposten (de verschillende transacties, zoals het kopen of huren van een vrachtwagen, of het afnemen van transportdiensten).14.De truckfabrikanten hebben daarentegen aangevoerd dat pas bij een afzonderlijke transactie een vordering tot schadevergoeding ontstaat (zie ook hierna in 4.3.4) en dat dit niet anders is als de inbreuk wordt gezien als één voortdurende onrechtmatige gedraging.
4.2.2
Zoals hiervoor in 4.1 overwogen gaat het hier kort gezegd om de vraag of een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering of als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering.
In eerstgenoemd geval moet bij de bepaling van het toepasselijke recht worden uitgegaan van één schadevordering per benadeelde die mogelijk meerdere transacties omvat en de gehele inbreukperiode bestrijkt. Dat leidt tot de vervolgvraag welk conflictenrechtelijk regime temporeel van toepassing is op deze ene vordering (vraag (iii), zie hierna in 4.3.3).
In laatstgenoemd geval is per transactie sprake van een schadevordering waarbij per vordering het toepasselijke recht moet worden bepaald. Dat leidt tot de vervolgvraag of het dan juist is dat ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan voor 11 januari 2009 het toepasselijke recht moet worden bepaald door het toenmalige Nederlandse conflictenrecht (met name de WCOD) en ten aanzien van vorderingen die op of na die datum zijn ontstaan, door Verordening Rome II (vraag (iv), zie hierna in 4.3.4).
4.2.3
Vragen (i) en (ii) nemen tot uitgangspunt dat de kwalificatie van ‘een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod’ ter bepaling van het daarop toepasselijke recht, moet geschieden naar Nederlands recht. De vraag rijst evenwel of deze kwalificatie niet naar Europees recht dient plaats te vinden.
4.2.4
In dit verband is ten eerste van belang dat het in dit geval gaat om schadevorderingen die voortvloeien uit een inbreuk op het Europese mededingingsrecht (art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst). Het HvJEU heeft overwogen dat dergelijke vorderingen tot vergoeding van schade wegens schending van de mededingingsregels van de Unie (private enforcement), net zo goed als de uitvoering die de openbare autoriteiten aan die regels geven (public enforcement), integrerend deel uitmaken van het stelsel voor de handhaving van die regels, dat ertoe strekt mededingingsverstorende gedragingen van ondernemingen te bestraffen en hen van dergelijke gedragingen te weerhouden.15.
4.2.5
Ten tweede heeft het HvJEU geoordeeld dat het aan de rechtsorde van elke lidstaat is om regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade als gevolg van een inbreuk op de art. 101 en 102 VWEU, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen, waarbij laatstgenoemd beginsel vereist dat de regels die van toepassing zijn op vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.16.
4.2.6
Verder is van belang welke functie het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ heeft in de handhaving van het Europese mededingingsrecht. In zijn arrest van 1 februari 2024 inzake Scania heeft het HvJEU daarover het volgende overwogen:
“131 Zoals in punt 94 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, volgt uit vaste rechtspraak dat schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen kan voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar ook uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook – op zichzelf en afzonderlijk beschouwd – schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende gedragingen wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die gedragingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C‑698/19 P, EU:C:2022:480, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
132 Een onderneming die aan een dergelijke enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een „overeenkomst” of „onderling afgestemde feitelijke gedraging” met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in haar geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C‑698/19 P, EU:C:2022:480, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 Het Hof heeft er echter reeds op gewezen dat een geheel van gedragingen onder de in de vorige twee punten van dit arrest genoemde voorwaarden weliswaar als „één enkele voortdurende inbreuk” kan worden gekwalificeerd, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd noodzakelijkerwijs moet worden aangemerkt als afzonderlijke inbreuk op die bepaling (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C‑698/19 P, EU:C:2022:480, punt 64).
134 Voor de vaststelling van één enkele voortdurende inbreuk is het immers gebruikelijk om rekening te houden met de verschillende verbanden tussen de verschillende bestanddelen van de betrokken inbreuk. Zo kan een contact tussen ondernemingen dat, afzonderlijk beschouwd, op zich geen inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU vormt, niettemin relevant zijn om het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk op deze bepaling aan te tonen, gelet op de context waarin dit contact heeft plaatsgevonden. In een dergelijke situatie maakt dit contact deel uit van de bundel indicaties waarop de Commissie zich rechtmatig mag baseren om het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk op die bepaling aan te tonen (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
135 Uit de in de punten 131 tot en met 134 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dus dat het voor de vaststelling van het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk volstaat dat de Commissie aantoont dat de verschillende onderzochte gedragingen deel uitmaken van een „totaalplan”, zonder dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd moet kunnen worden aangemerkt als afzonderlijke inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU.”17.
4.2.7
Uit de hiervoor in 4.2.6 geciteerde overwegingen volgt dat het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ het mogelijk maakt dat een onderneming voor de gehele duur van haar deelname aan de inbreuk eveneens verantwoordelijk wordt gehouden voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt in afzonderlijke gedragingen, en zonder dat behoeft vast te staan dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd als inbreuk op art. 101 VWEU kan worden aangemerkt.
4.2.8
Gelet op de betekenis en het doel van het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’, bezien in het licht van het hiervoor in 4.2.5 genoemde beginsel van doeltreffendheid, is denkbaar dat een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst moet worden aangemerkt als één voortdurende onrechtmatige gedraging jegens ieder van degenen die daardoor schade hebben geleden, waaruit voor ieder van hen één verbintenis tot schadevergoeding oftewel één schadevordering zou voortvloeien. Deze benadering zou de behandeling van follow-on kartelschadevorderingen, waaronder de vaststelling van het op die vorderingen toepasselijke recht, namelijk eenvoudiger maken; dit klemt temeer nu het gaat om de afwikkeling van een groot aantal kartelschadezaken. Er is dan immers per benadeelde slechts één ‘niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een daad van oneerlijke concurrentie’ (art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II) dan wel ‘verbintenis wegens ongeoorloofde mededinging’ (art. 4 WCOD) waarvoor het toepasselijke recht moet worden vastgesteld. Uit het arrest Heureka/Google blijkt dat het doeltreffendheidsbeginsel kan meebrengen dat nationale regels omtrent schadevorderingen niet (onverkort) gelden als dit onverenigbaar is met dit beginsel (zie hiervoor in 4.2.5).
Daartegenover staat dat het HvJEU in zijn rechtspraak steeds heeft benadrukt dat het aan de rechtsorde van elke lidstaat is om regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade als gevolg van een inbreuk op de art. 101 en 102 VWEU.18.Het is daarom ook denkbaar dat de hiervoor in 4.2.2 opgeworpen vraag hoe een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst in dit verband moet worden aangemerkt, is overgelaten aan het nationale recht van de lidstaten.
Over het antwoord op de vraag of, en zo ja hoe een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ in dit verband Unierechtelijk moet worden gekwalificeerd, is redelijke twijfel mogelijk.19.De Hoge Raad heeft daarom het voornemen hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU voor te leggen (zie hierna onder 6, vraag 1).
II. WCOD of Verordening Rome II: temporeel toepassingsgebied (vragen (iii)-(iv))
4.3.1
Met vragen (iii) en (iv) stelt de rechtbank aan de orde welke conflictenrechtelijke regeling in deze zaak in temporeel opzicht van toepassing is op de vorderingen van eisers: de WCOD of Verordening Rome II. Daarbij staat in deze zaak niet ter discussie dat de vorderingen van eisers tot vergoeding van kartelschade zijn te kwalificeren als vorderingen uit onrechtmatige daad, in het bijzonder ongeoorloofde mededinging.
4.3.2
De WCOD trad op 1 juni 2001 in werking. Voor die tijd was het commune Nederlandse conflictenrecht met betrekking tot de onrechtmatige daad ongeschreven recht. Aangezien de WCOD kan worden gezien als een codificatie van het daarvoor geldende ongeschreven conflictenrecht, kan de WCOD ook worden toegepast op verbintenissen uit onrechtmatige daad van vóór 1 juni 2001.20.
Verordening Rome II trad op 11 januari 2009 in werking (art. 32). Art. 31 bepaalt dat de verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de inwerkingtreding van de verordening, dus schadeveroorzakende gebeurtenissen op of na 11 januari 2009. Vanaf die datum is voor toepassing van de WCOD dus geen plaats meer in de gevallen die door Verordening Rome II worden bestreken. Het HvJEU heeft bevestigd dat de art. 31 en 32 van deze verordening zo moeten worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vanaf 11 januari 2009.21.Ook heeft het HvJEU overwogen dat het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan in dit kader het enige in aanmerking te nemen tijdstip is.22.
4.3.3
Indien moet worden aangenomen (zie vraag (i)) dat een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod is aan te merken als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering, dan rijst de vraag welke conflictenrechtelijke regeling in deze zaak in temporeel opzicht van toepassing is op deze vordering (vraag (iii)). Het gaat immers om een inbreuk die duurde van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011 (zie hiervoor in 3.1 onder (i)), welke periode in temporeel opzicht deels valt onder de WCOD (tot 11 januari 2009) en deels onder Verordening Rome II (vanaf 11 januari 2009). Verschillende oplossingen zijn hier denkbaar.
Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat het aanvangsmoment van de inbreuk doorslaggevend wordt geacht (in dit geval 17 januari 1997). In dat geval wordt het op de vorderingen van eisers in deze zaak toepasselijke recht bepaald door (art. 4 lid 1 van) de WCOD, ook als het gaat om transacties op of na 11 januari 2009. Voor deze oplossing pleit dat zij beantwoordt aan eisen van voorspelbaarheid en rechtszekerheid.
Een andere oplossing is dat het moment waarop de inbreuk wordt beëindigd doorslaggevend wordt geacht (in dit geval 18 januari 2011), of het moment waarop de inbreuk in een besluit van de Europese Commissie wordt vastgesteld (in dit geval 19 juli 2016 en 27 september 2018). In dat geval wordt het op de vorderingen van eisers in deze zaak toepasselijke recht bepaald door (art. 6 lid 3 van) Verordening Rome II, ook als het gaat om transacties voor 11 januari 2009. Voor deze oplossing pleit dat zij ruime toepassing geeft aan de uniforme regels van deze verordening, maar ertegen zou kunnen worden aangevoerd dat zij terugwerkende kracht aan de verordening geeft; dat zou op gespannen voet staan met eisen van voorspelbaarheid en rechtszekerheid, en met de hiervoor in 4.3.2 genoemde rechtspraak van het HvJEU.
Ook is als oplossing denkbaar dat een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds schadeposten (transacties) van voor 11 januari 2009, ten aanzien waarvan de WCOD moet worden toegepast, en anderzijds schadeposten (transacties) van daarna, ten aanzien waarvan Verordening Rome II moet worden toegepast. Tegen deze oplossing pleit dat geen eenheid wordt bereikt in de op de follow-on vorderingen toe te passen conflictregels in een zaak als de onderhavige.
4.3.4
Indien moet worden aangenomen (zie vraag (ii)) dat een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod is aan te merken als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering, dan is het naar het oordeel van de Hoge Raad onontkoombaar dat ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan voor 11 januari 2009 het toepasselijke recht moet worden bepaald door (art. 4 van) de WCOD en ten aanzien van vorderingen die op of na die datum zijn ontstaan door (art. 6 van) Verordening Rome II (vraag (iv)). In dit verband hebben de truckfabrikanten aangevoerd23., dat elke transactie moet worden aangemerkt als een aparte schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van art. 31 Rome II-Verordening. In dat geval wordt geen eenheid bereikt in de op de follow-on vorderingen toe te passen conflictregels in een zaak als de onderhavige.
4.3.5
Voor het antwoord op de vragen (iii) en (iv) is uitleg van het temporele toepassingsgebied van Verordening Rome II noodzakelijk. Over die uitleg is redelijke twijfel mogelijk. De Hoge Raad heeft daarom het voornemen hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU voor te leggen (zie hierna onder 6, vraag 2).
III. WCOD (vragen (v)-(vi))
4.4.1
Met vragen (v) en (vi) stelt de rechtbank vragen over de uitleg van de zogenoemde marktregel in art. 4 lid 1 WCOD voor het geval dat de WCOD (ten aanzien van de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is. Deze bepaling luidt als volgt:
“1. In afwijking van artikel 3 worden verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt.”
4.4.2
Met vraag (v) wenst de rechtbank te vernemen welk criterium of welke aanknopingspunten moeten worden gehanteerd bij de toepassing van art. 4 lid 1 WCOD. Deze vraag behoeft in dit stadium van de procedure nog geen beantwoording. Het is immers mogelijk dat uit de antwoorden van het HvJEU volgt dat alle vorderingen in deze zaak geheel binnen het temporele toepassingsgebied van Verordening Rome II vallen (zie vragen (ii) en (iii)), in welk geval de vraag hoe art. 4 lid 1 WCOD moet worden uitgelegd niet van belang is.
4.4.3
Met vraag (vi) wenst de rechtbank te vernemen of de rechter, indien hij oordeelt dat de concurrentieverhoudingen (ten minste) op de gehele interne markt, en dus in meerdere landen, zijn beïnvloed, en er op grond van art. 4 lid 1 WCOD dientengevolge meerdere rechtsstelsels van toepassing zouden zijn, het toepasselijk recht kan vaststellen op een wijze die overeenkomt met art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II. Op grond van deze bepaling kan degene die in verband met een beperking van de mededinging schadevergoeding vordert, onder bepaalde voorwaarden eenzijdig een rechtskeuze maken voor het recht van de lidstaat van de aangezochte rechter (lex fori).
De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak in de eerste groep truckzaken (zie hiervoor in 3.2 onder (v))24.een dergelijke eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid aangenomen in het voetspoor van het gerechtshof Amsterdam25., maar meent inmiddels dat daarbij vraagtekens kunnen worden geplaatst.26.
4.4.4
Art. 6 lid 3 Verordening Rome II luidt als volgt:
“Artikel 6 - Oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken
(…)
3. a) De niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit, wordt beheerst door het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt.
b) Wanneer de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt in meer dan één land, mag de persoon die schadevergoeding vordert bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder, echter verkiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt, mits de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd. Wanneer de eiser, overeenkomstig de toepasselijke regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid, meer dan één verweerder voor dat gerecht daagt, kan hij uitsluitend kiezen om zijn vordering op het recht van dat gerecht te gronden indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt.”
4.4.5
Art. 4 lid 1 WCOD staat een eenzijdige rechtskeuze zoals voorzien in art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II (zie hiervoor in 4.4.4), niet toe.
De tekst van art. 4 WCOD biedt geen aanknopingspunt voor een eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid. Art. 4 lid 1 WCOD bepaalt immers dat verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt.
De wetsgeschiedenis biedt evenmin aanknopingspunten voor een dergelijke eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid. In dit verband is van belang dat bij de totstandkoming van art. 4 lid 1 WCOD onder ogen is gezien dat toepassing van deze regel ertoe kan leiden dat meerdere rechtsstelsels toepasselijk zijn en dat dat bezwaarlijk kan zijn. Zo merkte de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht in haar advies hierover op:
“15. Hoewel de ‘marktregel’ internationaal aanvaard is, heeft de Staatscommissie gezocht naar een andere omschrijving van de aanknoping. Als bezwaar tegen de aanknoping aan het recht van ‘de markt’ is aangevoerd, dat bij een voortschrijdende internationalisering (globalisering) van de handel ‘de markt’ moeilijk valt te localiseren. Zo vervagen in het kader van de Europese Unie de landsgrenzen en is er steeds minder sprake van een echte nationale markt. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de Lid-Staten van de Europese Unie nog steeds hun eigen stelsels van privaatrecht met eigen mededingingsregels hebben. Om aan het genoemde bezwaar tegemoet te komen, heeft de Staatscommissie in het Voorstel gekozen voor de volgende terminologie: ‘door het recht van de Staat op wiens grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt’. Een versnippering van het toepasselijk recht is echter ook bij deze omschrijving onontkoombaar wanneer de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen in meerdere landen beïnvloedt.”27.
In de memorie van toelichting bij de WCOD is in dit verband opgemerkt:
“Het thans, in het voetspoor van de Staatscommissie (artikel 2 iuncto advies sub 15), voorgestelde criterium sluit aan bij het recht van de markt, maar is iets concreter geformuleerd. De formulering van lid 1, waarin de terminologie «recht van de markt» niet voorkomt, komt tegemoet aan het bezwaar dat bij een voortschrijdende internationalisering van de handel «de markt» moeilijk valt te localiseren en steeds minder sprake is van een echte nationale markt. (…) Ik merk op dat de voorgestelde conflictregel geen uniforme oplossing biedt in de situatie dat de onrechtmatige mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt op het grondgebied van meerdere Staten. Een versnippering van het toepasselijk recht zal dan veelal onontkoombaar zijn. In zo'n geval kan de bij artikel 6 te behandelen rechtskeuze of de bij artikel 5 te behandelen accessoire aanknoping een praktische oplossing bieden.”28.
4.4.6
Van een leemte in (art. 4 van) de WCOD is geen sprake. In de eerste plaats heeft de wetgever immers voor verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging welbewust een eigen, specifieke conflictenrechtelijke regeling ontworpen (art. 4 lid 1 en 2 WCOD), zulks in afwijking van de hoofdregel in art. 3 WCOD. In de tweede plaats blijkt uit de hiervoor in 4.4.5 weergegeven citaten dat bij de totstandkoming van de WCOD in aanmerking is genomen dat bij een voortschrijdende internationalisering van de handel toepassing van art. 4 WCOD ‘onontkoombaar’ tot ‘versnippering’ van het toepasselijke recht kan leiden. Desondanks heeft de wetgever niet ervoor gekozen om als oplossing daarvoor een eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid in de wet op te nemen, maar heeft hij verwezen naar andere mogelijke oplossingen zoals een tweezijdige rechtskeuze (art. 6 WCOD).
4.5
Met vragen (vii)-(x) stelt de rechtbank vragen over de uitleg van art. 6 lid 3, onder a en b, Verordening Rome II voor het geval dat deze verordening (ten aanzien van de gehele inbreukperiode of een deel daarvan) van toepassing is.
Toepassing van de marktregel (art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II)
4.6.1
Met vraag (vii) wenst de rechtbank te vernemen welk criterium of welke aanknopingspunten moeten worden gehanteerd bij de toepassing van de marktregel van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II. Volgens deze bepaling wordt de niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit, beheerst door het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt (zie hiervoor in 4.4.4). De vraag is, kort gezegd, hoe in een concreet geval het toepasselijk recht op een follow-on vordering moet worden bepaald indien de inbreuk op het kartelverbod meerdere landen bestrijkt (in het onderhavige geval de gehele EER). Verschillende oplossingen zijn mogelijk. De rechtbank noemt als mogelijkheden:
- aanknoping bij de plaats waar de vrachtwagen of de transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd, of (ii) indien eenzelfde eiser of achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de desbetreffende eiser of achterliggende partij; of
- aanknoping bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten).
Daarnaast is de vraag aan de orde welk criterium moet worden gehanteerd bij de toepassing van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II voor de bepaling van het toepasselijk recht op tolvorderingen (zie hiervoor in 3.4).
4.6.2
Deze vraag (vii) betreft uitleg van Unierecht waarover redelijke twijfel mogelijk is. In dit verband overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.6.3
Bij de toepassing van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II rijst allereerst de vraag hoe de rechter in een concreet geval moet vaststellen welke nationale markten worden beïnvloed of waarschijnlijk worden beïnvloed. In het onderhavige geval is in onherroepelijke besluiten van de Europese Commissie vastgesteld dat de inbreuk de gehele EER bestreek (zie hiervoor in 3.1 onder (i), (iii) en (iv)). Aangenomen mag worden dat daarmee vaststaat dat de markten van alle EER-lidstaten zijn beïnvloed als bedoeld in art. 6 lid 3 Verordening Rome II.29.
4.6.4
Vervolgens rijst de vraag hoe, gegeven dat alle nationale markten binnen de EER zijn beïnvloed, het toepasselijk recht op een concrete follow-on vordering moet worden bepaald. Denkbaar is dat “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in dit verband nader moet worden geconcretiseerd als het land waar de directe schade zich voordoet (vgl. art. 4 lid 1 Verordening Rome II). Blijkens punt 21 van de considerans van de verordening vormt de bijzondere regel in art. 6 immers geen uitzondering op de algemene regel in art. 4 lid 1 van de verordening maar juist een verduidelijking daarvan.
Daarvan uitgaande zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in het kader van art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis30., waarmee ook wordt gedoeld op “de plaats waar de schade is ingetreden”.31.Volgens punt 7 van de considerans moeten de bepalingen van Verordening Rome II immers stroken met (de voorganger van) Verordening Brussel I-bis. Het HvJEU heeft de consistentie-eisen van punt 7 van de considerans in meerdere uitspraken in aanmerking genomen.32.
4.6.5
Aan het hiervoor in 4.6.4 bedoelde begrip “plaats waar de schade is ingetreden” heeft het HvJEU nadere uitleg gegeven voor gevallen waarin het gaat om een inbreuk op art. 101 VWEU. Deze uitleg komt erop neer dat in dit soort gevallen als de “plaats waar de schade is ingetreden” moet worden aangemerkt de plaats waar de benadeelde onderneming de goederen waarop de betrokken heimelijke afspraken betrekking hadden, heeft gekocht; heeft zij de goederen op verschillende plaatsen gekocht, dan geldt als “plaats waar de schade is ingetreden” de zetel van de onderneming.33.In de zaak RH/Volvo heeft het HvJEU overwogen:
“39 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat, in geval van aankoop van een goed dat na manipulatie door de producent ervan in waarde is gedaald, de rechter van de plaats van aankoop van het goed bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de schade die overeenkomt met de door de koper betaalde extra kosten (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation, C‑343/19, EU:C:2020:534, punten 37 en 40).
40 Die oplossing moet, los van de vraag of de aan de orde zijnde goederen direct of indirect van verweersters zijn gekocht – waarbij de eigendomsoverdracht onmiddellijk dan wel na afloop van een leaseovereenkomst heeft plaatsgevonden –, ook worden toegepast in een context als die van het hoofdgeding. Evenwel zij erop gewezen dat die oplossing ervan uitgaat dat de benadeelde koper uitsluitend in het rechtsgebied van één enkel gerecht goederen heeft gekocht waarop de betrokken heimelijke afspraken betrekking hadden. Anders is het immers niet mogelijk om één enkele plaats van het intreden van de schade vast te stellen ten aanzien van de benadeelde koper.
41 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door met artikel 101 VWEU strijdige regelingen en die bestaat in extra kosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs, heeft geoordeeld dat de plaats van het intreden van de schade enkel voor iedere beweerde benadeelde individueel kan worden vastgesteld en dat het daarbij in beginsel gaat om de plaats van de zetel van deze laatste (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 52).
42 In het geval van aankopen op verschillende plaatsen voldoet de toekenning van bevoegdheid aan de rechter van de zetel van de benadeelde onderneming aan het in punt 38 van het onderhavige arrest genoemde vereiste van voorspelbaarheid, aangezien de verwerende partijen – deelnemers aan de mededingingsregeling – niet onwetend kunnen zijn van de omstandigheid dat de kopers van de betrokken goederen binnen de door de heimelijke afspraken beïnvloede markt zijn gevestigd. Die bevoegdheidsverlening beantwoordt voorts aan de doelstelling van nabijheid en de plaats van de zetel van de benadeelde onderneming biedt alle waarborgen voor een nuttige inrichting van een eventueel proces (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 53).”34.
4.6.6
Indien de uitleg die het HvJEU in de zaak RH/Volvo heeft gegeven aan art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis ook moet worden gebruikt voor art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II – hetgeen voor de hand ligt gelet op de consistentie-eisen tussen beide regelingen –, dan betekent dat dat als “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in laatstgenoemde bepaling moet worden aangemerkt het land waar de benadeelde onderneming de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft, heeft gekocht, dan wel – indien de benadeelde de goederen in verschillende landen heeft gekocht – het land waar zich de zetel van de benadeelde onderneming bevindt, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek35.(en dus een EU/EER-lidstaat is).
In dit verband moet nog worden opgemerkt dat art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis alleen verwijst naar (de rechter van) een lidstaat van de Europese Unie36., terwijl art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II verwijst naar (het recht van) het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is (art. 3 Verordening Rome II).
Bij het bovenstaande rijst voorts de vraag hoe het begrip ‘zetel’ (‘siège social’, ‘registered office’), als bedoeld in de arresten CDC/Akzo en RH/Volvo, in dit verband moet worden uitgelegd (vgl. ook art. 23 Verordening Rome II of art. 62-63 Verordening Brussel I-bis).
4.6.7
De Hoge Raad heeft het voornemen hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU voor te leggen (zie hierna onder 6, vraag 3 (a) en (b)).
4.6.8
In dit verband is voorts het volgende van belang.
4.6.9
Een deel van de eisers of achterliggende partijen in deze zaak heeft niet zelf vrachtwagens bij de karteldeelnemers gekocht; zij zijn indirecte afnemers. Zij hebben een of meer vrachtwagens gekocht, gehuurd of geleased van een tussenliggende partij zoals een dealer, of hebben transportdiensten afgenomen van een partij die daarvoor als gevolg van de inbreuk hogere prijzen heeft berekend (zie hiervoor in 3.4).
De vraag is of het op hun vorderingen toepasselijke recht moet worden bepaald op de wijze als hiervoor in 4.6.6 beschreven. Dat zou betekenen dat follow-on vorderingen van indirecte afnemers worden beheerst door het recht van het land waar de indirecte afnemer de goederen heeft gekocht, gehuurd of geleased, of de transportdiensten heeft afgenomen, dan wel – indien de indirecte afnemer deze goederen of diensten in verschillende landen heeft afgenomen – het land waar de afnemer is gevestigd, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek.
Andere oplossingen zijn ook denkbaar. Bijvoorbeeld is denkbaar dat follow-on vorderingen van indirecte afnemers ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II alleen worden beheerst door het recht van het land waar de indirecte afnemer is gevestigd, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek.
Een andere mogelijkheid is dat op de vordering van een indirecte afnemer hetzelfde recht wordt toegepast als op de vordering van de eerste afnemer, zodat ten aanzien van een en dezelfde vrachtwagen steeds hetzelfde recht toepasselijk is.37.Het is evenwel de vraag hoe deze mogelijkheid zich verhoudt tot het arrest van het HvJEU in de zaak Tibor-Trans (welke zaak haar aanleiding vindt in het ook in deze zaak aan de orde zijnde truckkartel).38.In die zaak ging het om een vordering van een indirecte afnemer (eindgebruiker), die de vrachtwagens niet rechtstreeks bij de karteldeelnemers had gekocht, maar bij vrachtwagendealers die de prijsverhogingen aan de eindgebruikers doorberekenden. Het HvJEU overwoog dat dat in het kader van de bevoegdheid (art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis) geen verschil maakt, omdat ook de schade van deze indirecte afnemer als rechtstreekse schade moet worden aangemerkt, zodat voor de bevoegdheid bepalend is waar die schade is ingetreden. Het HvJEU zocht daarbij nadrukkelijk aansluiting bij art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II. Het Hof overwoog:
“31 Wat de aard van de gestelde schade betreft, moet worden opgemerkt dat deze schade niet slechts een financieel gevolg is van de schade die de rechtstreekse kopers, zoals de Hongaarse dealers, hadden kunnen lijden, en die had kunnen bestaan in een daling van de verkoop als gevolg van de prijsverhogingen. In het hoofdgeding vloeit de schade daarentegen hoofdzakelijk voort uit de extra kosten als gevolg van de kunstmatig hoge prijzen en is de schade dan ook het rechtstreekse gevolg van de inbreuk op artikel 101 VWEU, waardoor er dus sprake is van rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden.
(…)
35 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft gesteld en ook in punt 41 van het arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines (C27/17, EU:C:2018:533), in herinnering is gebracht, is een dergelijke vaststelling van de plaats waar de schade is ingetreden ook in overeenstemming met de consistentie-eisen van overweging 7 van [Verordening Rome II], aangezien volgens artikel 6, lid 3, onder a), van die verordening op vorderingen tot schadevergoeding in verband met een mededingingsbeperkende handeling het recht van het land waar de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt, van toepassing is.”39.
4.6.10
Met vraag 3 (a), (b) en (c) (zie hierna onder 6) wordt duidelijkheid gezocht over de bepaling van het recht dat ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II van toepassing is op follow-on vorderingen van indirecte afnemers.
4.6.11
Ten slotte is in dit verband van belang dat een aantal eisers of achterliggende partijen in deze zaak stelt dat zij (ook) schade hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen (welke schade eveneens een gevolg is van de inbreuk). Die schade bestaat onder meer uit een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing (zie hiervoor in 3.4-3.5, de zogenoemde tolvorderingen).
4.6.12
Met vraag 3 (d) (zie hierna onder 6) wordt duidelijkheid gezocht over de bepaling van het recht dat ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II van toepassing is op dergelijke tolvorderingen.
4.6.13
Gelet op de grote hoeveelheid vorderingen in de onderhavige zaken (zie hiervoor in 3.1 onder (v)) is een praktisch hanteerbare uitleg van art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II van groot belang. Indien aansluiting wordt gezocht bij de oplossing in het arrest RH/Volvo (zie hiervoor in 4.6.4-4.6.6), zou “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in deze bepaling aldus kunnen worden uitgelegd dat hieronder in gevallen als de onderhavige wordt verstaan:
- indien de benadeelde de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft, heeft gekocht, gehuurd of geleased in één bepaald land: dit land (waarbij dit nader wordt geconcretiseerd, bijvoorbeeld als het land waar de goederen zijn overhandigd)40.;
dan wel
- in alle andere gevallen (dus indien de benadeelde de goederen in verschillende landen heeft gekocht, gehuurd of geleased, of indien het gaat om een vordering van een indirecte afnemer, of indien het gaat om een tolvordering): het land waar de benadeelde zijn gewone woonplaats of zetel (zie hiervoor in 4.6.6, laatste zin) heeft, mits de inbreuk op het kartelverbod volgens het besluit van de Europese Commissie ook dat land bestreek.
Voorwaarden voor rechtskeuze (art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II)
4.7.1
Met vragen (viii), (ix) en (x) wenst de rechtbank te vernemen hoe art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II moet worden uitgelegd.
4.7.2
Deze vragen betreffen uitleg van Unierecht waarover redelijke twijfel mogelijk is. In dit verband overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.7.3
Uit de tekst van deze bepaling (zie hiervoor in 4.4.4) volgt dat de eiser (“de persoon die schadevergoeding vordert”) eenzijdig een rechtskeuze kan maken voor het recht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (i) de markt wordt beïnvloed of waarschijnlijk beïnvloed in meer dan één land; (ii) de vordering strekt tot schadevergoeding; (iii) de vordering is aanhangig gemaakt bij de rechter van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder; en (iv) de markt in die lidstaat is een van de markten die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd.
4.7.4
De truckfabrikanten betogen dat naast de hiervoor in 4.7.3 genoemde voorwaarden een impliciete, aanvullende voorwaarde geldt, namelijk dat de benadeelde schade lijdt in meerdere landen, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is. De rechtskeuze is volgens truckfabrikanten immers bedoeld om een oplossing te bieden voor gevallen waarin ingevolge art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II meerdere rechtsstelsels toepasselijk zijn.
Daarentegen doet een dergelijke aanvullende voorwaarde volgens de eisers afbreuk aan de volle werking van de regels van het Europese mededingingsrecht. Zij zou meebrengen dat benadeelde partijen minder vaak een eenzijdige rechtskeuze kunnen maken en dat dan dus een grote verscheidenheid van toepasselijke rechtstelsels moet worden toegepast, hetgeen de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht gecompliceerd en kostbaar zou maken.
4.7.5
De vraag is daarom of voor de in art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II bedoelde rechtskeuze ook de voorwaarde geldt dat (vaststaat dat) de desbetreffende benadeelde in meerdere landen schade heeft geleden, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is. Aangezien over het antwoord op deze vraag redelijke twijfel mogelijk is, heeft de Hoge Raad het voornemen hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU voor te leggen (zie hierna onder 6, vraag 4 (a)).
4.7.6
Een vervolgvraag is of deze rechtskeuzemogelijkheid ook toekomt aan partijen (zogenoemde litigation- of claimvehikels) die follow-on vorderingen overgedragen hebben gekregen van benadeelden. Daarvoor pleit de tekst van art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II, waarin wordt gesproken over “de persoon die schadevergoeding vordert” alsmede de ratio van deze bepaling om de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht te verbeteren. In dit verband kan van belang zijn dat in de rechtspraak van het HvJEU (arrest CDC/Akzo) is geoordeeld dat de overdracht van een schuldvordering door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed kan hebben op de bepaling van de bevoegdheid volgens (thans) art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis.41.De vraag is of deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing is in het kader van art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II. Aangezien over het antwoord op deze vraag redelijke twijfel mogelijk is, heeft de Hoge Raad het voornemen hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU voor te leggen (zie hierna onder 6, vraag 4 (b)).
4.7.7
De rechtbank heeft in dit verband opgemerkt dat een ruime rechtskeuzemogelijkheid voor litigation- of claimvehikels die vorderingen overgedragen hebben gekregen van benadeelden en achterliggende partijen, voor- en nadelen heeft.42.Enerzijds is een ruime mogelijkheid efficiënt omdat de rechter op alle vorderingen die aan hem ter beoordeling worden voorgelegd, zijn eigen recht – de lex fori – kan toepassen. Anderzijds kan een ruime mogelijkheid forumshopping in de hand werken, hetgeen ertoe kan leiden dat (in dit geval) de Nederlandse rechter een grote hoeveelheid vorderingen moet beoordelen van benadeelden en achterliggende partijen die geen enkele band met Nederland hebben.
5. Omschrijving van de uitgangspunten en feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast
De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 3.1-3.5 vermelde uitgangspunten en feiten, waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan.
6. Vragen van uitleg
De Hoge Raad is voornemens de volgende vragen aan het HvJEU voor te leggen.
1. Brengt het Unierecht, in het bijzonder het beginsel van doeltreffendheid, mee dat – ter bepaling van het toepasselijke recht – een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering (follow-on vordering), die meerdere schadeposten (transacties) kan omvatten (zie hiervoor in 4.2.1-4.2.8)? Of is deze kwalificatie overgelaten aan het recht van de lidstaten en staat het hun vrij om bijvoorbeeld te bepalen dat een dergelijke inbreuk moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering (follow-on vordering)?
2. Hoe moet art. 31 Verordening Rome II worden uitgelegd in geval van een schadeveroorzakende gebeurtenis die bestaat in een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst die voor 11 januari 2009 is begonnen en die op of na die datum is geëindigd (zie hiervoor in 4.3.2-4.3.4)? Meer specifiek:
(a) is deze verordening in temporeel opzicht van toepassing ten aanzien van de gehele inbreukperiode, ook als het gaat om de periode voor 11 januari 2009;
(b) is deze verordening in temporeel opzicht niet van toepassing ten aanzien van de gehele inbreukperiode, ook niet als het gaat om de periode vanaf 11 januari 2009; of
(c) is deze verordening in temporeel opzicht alleen van toepassing ten aanzien van de periode vanaf 11 januari 2009? Hoe moet in een dergelijk geval worden beoordeeld welke gebeurtenissen door die verordening worden bestreken, en welke niet?
Indien vraag 2 (a) of (c) bevestigend wordt beantwoord, hetgeen meebrengt dat de Verordening Rome II in deze zaak van toepassing is:
3. Hoe moet het begrip “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II worden uitgelegd in het geval van een follow-on vordering strekkende tot vergoeding van schade naar aanleiding van een inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst die is vastgesteld door de Europese Commissie en die (meerdere landen dan wel) de gehele EER bestrijkt, en waarbij het gaat om
(a) schade geleden door een benadeelde die de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft (vrachtwagens), in één bepaald land heeft gekocht, gehuurd of geleased van een van de karteldeelnemers of van een tussenliggende partij zoals een dealer (zie hiervoor in 4.6.3-4.6.10);
(b) schade geleden door een benadeelde die de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft (vrachtwagens), in verschillende landen heeft gekocht, gehuurd of geleased van een van de karteldeelnemers of van een tussenliggende partij zoals een dealer (zie hiervoor in 4.6.3-4.6.10);
(c) schade geleden door een afnemer van transportdiensten van een partij die daarvoor als gevolg van de inbreuk hogere prijzen heeft berekend (zie hiervoor in 4.6.9-4.6.10);
(d) schade geleden door een partij die stelt (ook) schade te hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen welke schade eveneens een gevolg is van de inbreuk en bestaat onder meer uit een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing (zie hiervoor in 4.6.11-4.6.12)?
4. (a) Moet art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat, om een eenzijdige rechtskeuze te kunnen maken, niet alleen moet zijn voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden, maar ook aan de voorwaarde dat de benadeelde in meerdere landen schade heeft geleden, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is (zie hiervoor in 4.7.3-4.7.5)?
(b) Moet art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat de mogelijkheid om een eenzijdige rechtskeuze te maken alleen openstaat voor benadeelden die zelf schade hebben geleden, of aldus dat deze mogelijkheid ook openstaat voor eisers die follow-on vorderingen van benadeelden overgedragen hebben gekregen (zie hiervoor in 4.7.6-4.7.7)?
7. Uitlating partijen
De Hoge Raad zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over zijn voornemen prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU en over de hiervoor onder 6 geformuleerde vragen.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
- beantwoordt de prejudiciële vraag (vi) op de hiervoor in 4.4.7 weergegeven wijze;
- verwijst de zaak naar 9 mei 2025 voor de hiervoor onder 7 bedoelde uitlating van partijen.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑03‑2025
HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415 (luchtvrachtkartel).
Commission Decision of 19 July 2016 relating to a proceeding under Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union and Article 53 of the EEA Agreement (AT.39824 - Trucks), C(2016)4673 final (DAF, Daimler, Iveco, MAN en Volvo/Renault); Commission Decision of 27 September 2017 relating to a proceeding under Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union and Article 53 of the EEA Agreement (Case AT.39824 - Trucks), C(2017)6467 (Scania).
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, PbEU 1994, L 1/3.
Samenvatting van het besluit van de Commissie van 27 september 2017 inzake een procedure op grond van art. 101 VWEU en art. 53 EER-overeenkomst (zaak AT.39824 - Vrachtwagens), C(2017)6467, nrs. 1 en 9-12, PbEU 2020, C 216/9. Zie ook Samenvatting van het besluit van de Commissie van 19 juli 2016 inzake een procedure op grond van art. 101 VWEU en art. 53 EER-overeenkomst (zaak AT.39824 - Vrachtwagens), C(2016)4673, PbEU 2017, C 108/6).
HvJEU 2 februari 2022, zaak T-799/17, ECLI:EU:T:2022:48 (Scania/Europese Commissie).
HvJEU 1 februari 2024, zaak C-251/22 P, ECLI:EU:C:2024:103 (Scania/Europese Commissie).
Zie rechtbank Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.1.
Zie de uitspraken van de rechtbank Amsterdam in een eerdere procedure: rechtbank Amsterdam 15 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574; rechtbank Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391; rechtbank Amsterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4466; rechtbank Amsterdam 28 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1119.
Rechtbank Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.1.
Rechtbank Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.3-2.4.
Rechtbank Amsterdam 8 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7093.
Wet van 11 april 2001, houdende regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad (Wet conflictenrecht onrechtmatige daad), Stb. 2001, 190.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PbEU 2007, L 199/40.
Tweede vonnis, rov. 2.3.
HvJEU 18 april 2024, zaak C‑605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 61, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
HvJEU 18 april 2024, zaak C‑605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 51, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
HvJEU 1 februari 2024, zaak C-251/22 P, ECLI:EU:C:2024:103.
HvJEU 18 april 2024, zaak C‑605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 51.
Vgl. ook Bundesgerichtshof 23 september 2020, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0, rov. 73.
De WCOD gold tot 1 januari 2012; toen werd zij ingetrokken bij gelegenheid van de invoering van Boek 10 BW.
HvJEU 17 november 2011, zaak C-412/10, ECLI:EU:C:2011:747 (Homawoo), punt 33.
HvJEU 17 november 2011, zaak C-412/10, ECLI:EU:C:2011:747 (Homawoo), punt 36.
Zie ook eerste vonnis, rov. 2.8.
Rechtbank Amsterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4466, rov. 2.19.
Gerechtshof Amsterdam 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1940.
Eerste vonnis, rov. 2.4; tweede vonnis, rov. 2.12. Zie ook rechtbank Amsterdam 12 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2841, rov. 2.3.
Advies van 23 december 1996, zie Th.M. de Boer (red.), Vijftig jaar lex loci delicti, 1998, p. 57 e.v.
Vgl. in het kader van (art. 7, aanhef en punt 2) Verordening Brussel I-bis: HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans), punt 32-33; HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), punt 31.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351/1.
Zie in de context van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht laatstelijk HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), punt 29.
In het kader van vorderingen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door mededingingsbeperkende gedragingen: HvJEU 5 juli 2018, zaak C-27/17, ECLI:EU:C:2018:533 (flyLAL-Lithuanian Airlines), punt 41; HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans), punt 35. Zie evenwel ook HvJEU 16 januari 2014, zaak C-45/13, ECLI:EU:C:2014:7 (Kainz), punt 20 (productaansprakelijkheid).
HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo). Zie ook HvJEU 4 juli 2024, zaak C-425/22, ECLI:EU:C:2024:578 (MOL/Mercedes-Benz Group), punt 31.
HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo).
Vgl. HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), rov. 31 en 42.
Eerste tussenvonnis, rov. 2.25.
HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans).
HvJEU 29 juli 2019, zaak C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans).
Vgl. HvJEU 22 februari 2024, C-81/23, ECLI:EU:C:2024:165 (FCA Italy); HvJEU 15 juli 2021, zaak C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo), punt 39-40.
HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, punt 35-36; HvJEU 18 juli 2013, zaak C‑147/12, ECLI:EU:C:2013:490 (ÖFAB/Koot), punt 58-59. Vgl. ook HvJEU 10 maart 2022, zaak C‑498/20, ECLI:EU:C:2022:173, punt 62.
Tweede vonnis, rov. 2.12.
Conclusie 05‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen op voet art. 392 Rv. Internationaal privaatrecht. EU-mededingingsrecht. Truckkartel. Follow-on vorderingen. Kwalificatie ‘enkelvoudige en voortdurende inbreuk’ in zin art. 101 VWEU; één vordering van gelaedeerde per transactie of één vordering voor alle transacties? Conflictregel inzake ongeoorloofde mededinging, art. 4 lid 1 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) (oud) en art. 6 Rome II; temporele toepassing Rome II (art. 31 Rome II); rechtskeuze voor Nederlands recht (lex fori) onder art. 6 lid 3, onder b, Rome II; analoge toepassing onder art. 4 lid 1 WCOD?; rechtskeuze door claimvehikel?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04362
Zitting 5 april 2024
CONCLUSIE
inzake prejudiciële vraag
P. Vlas
In de zaak
1. Uzdaroji Akcine Bendrove “Palink” c.s., gevestigd te Vilnius, Litouwen,
en 706 andere rechtspersonen,
2. Adrestia TCC 1 Limited, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
3. Unilever PLC, gevestigd te Rotterdam,
en 318 andere rechtspersonen,
4. Stichting Truck Cartel Recovery, gevestigd te Amsterdam,
5. en vele andere rechtspersonen
(hierna gezamenlijk: Claimanten)
tegen
1. CNH Industrial N.V., gevestigd te Amsterdam,
2. en vele andere rechtspersonen,
(hierna gezamenlijk: de truckfabrikanten)
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft in haar tussenvonnis van 13 september 20231.overwogen dat zij voornemens is in het kader van de zogenoemde ‘truckkartelzaken’ prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over de wijze waarop het toepasselijk recht op de kartelschadevorderingen van Claimanten moet worden bepaald. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren, heeft de rechtbank bij vonnis van 8 november 2023 op de voet van art. 392 Rv enige prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.2.De vragen gaan, kort gezegd, over de kwalificatie van een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op art. 101 VWEU, de uitleg van art. 4 lid 1 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (hierna: WCOD)3.en van art. 6 lid 3, sub a en b, Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II).4.Deze prejudiciële vragen vertonen samenhang met de kwesties die aan de orde komen in de bij de Hoge Raad aanhangige zaken over het luchtvaartkartel (zaaknummers 23/00670 en 23/00676), waarin ik eveneens vandaag conclusie neem.
1.2
Anders dan art. 392 lid 3 Rv voorschrijft, heeft de rechtbank noch in het tussenvonnis van 13 september 2023 noch in dat van 8 november 2023 een weergave opgenomen van de aan deze zaak ten grondslag liggende vastgestelde feiten en evenmin van het procesverloop. Wél zijn de door partijen ingenomen standpunten vermeld, zoals art. 392 lid 3 Rv verlangt. In het door de rechtbank overgelegde procesdossier zijn alleen die gedingstukken verstrekt die betrekking hebben op het toepasselijk recht. Bij deze stand van zaken laat ik daarom een overzicht van de feiten en het procesverloop achterwege. Ik volsta met enige opmerkingen over de door de Europese Commissie (hierna: de Commissie) vastgestelde inbreuk op art. 101 VWEU.
1.3
De Commissie heeft bij besluit van 19 juli 2016 (schikkingsbesluit) ten aanzien van DAF, Daimler, Iveco, MAN, Volvo/Renault en bij besluit van 27 september 2017 ten aanzien van Scania (zaak AT.39824)5.betreffende een procedure op grond van art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst geoordeeld dat in de periode van 17 januari 1997 tot 18 januari 2011 sprake was van een internationaal kartel.6.In het navolgende duid ik deze besluiten gezamenlijk aan als ‘het kartelbesluit’. De door de Commissie aan de truckfabrikanten opgelegde geldboetes bedragen in totaal ongeveer 4 miljard euro. Scania heeft tegen de beschikking van de Commissie beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Op 2 februari 2022 heeft het Gerecht dit beroep verworpen.7.Bij arrest van 1 februari 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) de door Scania ingestelde hogere voorziening afgewezen.8.
1.4
De verboden kartelafspraken van de truckfabrikanten hebben betrekking op, kort gezegd, de bruto adviesprijzen van nieuwe vrachtwagens, en het tijdstip voor en het doorberekenen van kosten voor de invoering van voor de Euro III t/m Euro VI-normen vereiste emissietechnologieën voor (nieuwe) middelzware en zware vrachtwagens.
1.5
Bij de Nederlandse rechter zijn naar aanleiding van het verboden truckkartel veel follow-on vorderingen9.aanhangig gemaakt op grond van de gestelde schade die de afnemers en gebruikers van middelzware en zware vrachtwagens hebben geleden als gevolg van het door de Commissie vastgestelde truckkartel. De eisers zijn in twee groepen te verdelen: de eerste groep betreft eisers die stellen zelf afnemer en/of gebruiker van de bedoelde vrachtwagens te zijn en de tweede groep betreft zogenoemde claimvehikels die procederen op basis van een bundeling van individuele claims van achterliggende afnemers en/of gebruikers.10.
2. De prejudiciële vragen
2.1
De rechtbank heeft aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen gesteld:
‘Inleidend
(i) Moet een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die leidt tot afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen op het moment dat schade wordt geleden (op het moment van verwerven van een bepaalde vrachtwagen (waaronder kan worden verstaan (huur)koop) óf het afnemen van een bepaalde transportdienst)?
of
(ii) Moet of een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) schadeveroorzakende gebeurtenis die resulteert in een enkelvoudige schadevergoedingsvordering per gedupeerde (hier: Claimant die zelf schade heeft geleden of Achterliggende partij, zie r.o. 2.1 tussenvonnis), bestaande uit verschillende schadeposten?
In geval van schadeposten
(iii) Indien het antwoord op vraag (ii) bevestigend luidt, moet dan het moment waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis is beëindigd tot uitgangspunt worden genomen bij de vaststelling van de toepasselijke conflictregel? Of moet onderscheid worden gemaakt tussen schadeposten van voor 11 januari 2009 en schadeposten van na 11 januari 2009?
In geval van afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen
(iv) Indien het antwoord op vraag (i) bevestigend luidt, is dan juist dat voor de vaststelling van de toepasselijke conflictregel onderscheid moet worden gemaakt tussen schadevergoedingsvorderingen die zijn ontstaan voor 11 januari 2009 (in welk geval artikel 4 lid 1 WCOD van toepassing is) en schadeposten van na 11 januari 2009 (in welk geval artikel 6 lid 3 Rome II van toepassing is)?
Artikel 4 lid 1 WCOD
(v) Welk criterium/aanknopingspunt moet worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 4 lid 1 WCOD? Moet voor de bepaling van het toepasselijk recht worden aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten)? Of moet worden aangeknoopt bij de plaats waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd of (ii) indien eenzelfde Claimant of Achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de betreffende Claimant of Achterliggende partij? Of moet het toepasselijk recht op de voet van artikel 4 lid 1 WCOD op andere wijze worden bepaald? Welk criterium moet worden gehanteerd voor de bepaling van het toepasselijk recht op schade als gevolg van tolvorderingen?
(vi) Of kan de rechter, indien wordt geoordeeld dat de concurrentieverhoudingen (ten minste) op de gehele interne markt, en dus in meerdere landen, zijn beïnvloed, en er op grond van artikel 4 lid 1 WCOD dientengevolge meerdere rechtstelsels van toepassing zouden zijn, het toepasselijk recht vaststellen op een wijze die overeenkomt met artikel 6 lid 3 sub b Rome II (rechtskeuze voor de lex fori)?
Artikel 6 lid 3 sub a Rome II
(vii) Welk criterium/aanknopingspunt moet worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 6 lid 3 sub a Rome II? Moet worden aangeknoopt bij de plaats waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te weten (i) de plaats waar de verkoper (of verhuurder) van vrachtwagens of de aanbieder van transportdiensten is gevestigd of (ii) indien eenzelfde Claimant of Achterliggende partij vrachtwagens heeft afgenomen in verschillende landen, het recht van de plaats van de zetel van de betreffende Claimant of Achterliggende partij? Of kan worden aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten)? Of moet het toepasselijk recht op de voet van artikel 6 lid 3 sub a Rome II op andere wijze worden bepaald? Welk criterium moet worden gehanteerd voor de bepaling van het toepasselijk recht op schade als gevolg van tolvorderingen?
Artikel 6 lid 3 sub b Rome II
(viii) Kan de Claimant een rechtskeuze doen voor de lex fori (Nederlands recht) op grond van artikel 6 lid 3 sub b Rome II als is voldaan aan de volgende vereisten?
- dat de markt wordt of waarschijnlijk wordt beïnvloed in meer dan één land;
- dat een van de verweerders wordt gedaagd voor het gerecht van zijn woonplaats;
- dat de markt in de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk wordt beïnvloed door de beperking van de mededinging.
(ix) Of geldt voor de toepassing van artikel 6 lid 3 sub b Rome II ook het (aanvullende) vereiste dat de gevolgen voor de gedupeerde zich moeten hebben voorgedaan in verschillende landen met inbegrip van (in dit geval) Nederland?
(x) Moet hierbij onderscheid worden gemaakt tussen Claimanten die zelf schade hebben geleden enerzijds en Claimanten die vorderingen hebben opgekocht (claim- of litigation vehikels) anderzijds?’
2.2
In afwachting van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden.
2.3
De Hoge Raad heeft, gehoord de Procureur-Generaal, besloten tot het in behandeling nemen van de prejudiciële vragen en een termijn bepaald waarbinnen schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend namens (i) vele Claimanten, (ii) de Claimanten Unilever PLC en 318 rechtspersonen, en (iii) de truckfabrikanten. Op de voet van art. 393 lid 3 Rv zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door (i) de Stichting Trucks Cartel Compensation, (ii) Chapelton B.V en Retail Cartel Damage Claims S.A., en (iii) Kone B.V. en Kone OYJ.
3. De inleidende vragen (i) en (ii) inzake single and continuous infringement
3.1
Met de vragen (i) en (ii) wenst de rechtbank in wezen te vernemen of een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op art. 101 VWEU gekwalificeerd moet worden als één voortdurende onrechtmatige daad, resulterend in één schadevergoedingsvordering per Claimant.
3.2
Met het kartelbesluit staat vast dat sprake is van één enkelvoudige en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU. De onrechtmatigheid is daarmee gegeven. De verdere voorwaarden voor civiele aansprakelijkheid worden bepaald door het nationale recht dat op de ongeoorloofde mededinging van toepassing is.
3.3
In zijn reeds genoemde arrest van 1 februari 2024 heeft het HvJEU de criteria nader verduidelijkt voor ‘een enkelvoudige en voortdurende schending’.11.Uit dit arrest citeer ik de volgende overwegingen:
‘94. Uit vaste rechtspraak volgt dat schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen kan voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar ook uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook – op zichzelf en afzonderlijk beschouwd – schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die handelingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C441/11 P, EU:C:2012:778, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95. Uit vaste rechtspraak blijkt ook dat de Commissie, met het oog op de vaststelling dat een onderneming heeft deelgenomen aan de tenuitvoerlegging van een dergelijke enkele inbreuk, dient te bewijzen dat deze onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of in praktijk brachten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C441/11 P, EU:C:2012:778, punten 42 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96. Een onderneming kan aldus rechtstreeks hebben deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag stellen voor al deze gedragingen en dus voor de inbreuk in haar geheel. Een onderneming kan ook slechts rechtstreeks hebben deelgenomen aan een deel van deze gedragingen, maar kennis hebben gehad van alle inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs hebben kunnen voorzien en bereid zijn geweest het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie die onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit een dergelijke inbreuk bestaat, en dus voor de inbreuk in haar geheel (arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C441/11 P, EU:C:2012:778, punt 43).
(…)
131. Zoals in punt 94 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, volgt uit vaste rechtspraak dat schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen kan voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar ook uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook – op zichzelf en afzonderlijk beschouwd – schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende gedragingen wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die gedragingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C698/19 P, EU:C:2022:480, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
132. Een onderneming die aan een dergelijke enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een „overeenkomst” of „onderling afgestemde feitelijke gedraging” met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in haar geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C698/19 P, EU:C:2022:480, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133. Het Hof heeft er echter reeds op gewezen dat een geheel van gedragingen onder de in de vorige twee punten van dit arrest genoemde voorwaarden weliswaar als „één enkele voortdurende inbreuk” kan worden gekwalificeerd, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd noodzakelijkerwijs moet worden aangemerkt als afzonderlijke inbreuk op die bepaling (arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C698/19 P, EU:C:2022:480, punt 64).
134. Voor de vaststelling van één enkele voortdurende inbreuk is het immers gebruikelijk om rekening te houden met de verschillende verbanden tussen de verschillende bestanddelen van de betrokken inbreuk. Zo kan een contact tussen ondernemingen dat, afzonderlijk beschouwd, op zich geen inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU vormt, niettemin relevant zijn om het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk op deze bepaling aan te tonen, gelet op de context waarin dit contact heeft plaatsgevonden. In een dergelijke situatie maakt dit contact deel uit van de bundel indicaties waarop de Commissie zich rechtmatig mag baseren om het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk op die bepaling aan te tonen (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C613/13 P, EU:C:2017:49, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
135. Uit de in de punten 131 tot en met 134 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dus dat het voor de vaststelling van het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk volstaat dat de Commissie aantoont dat de verschillende onderzochte gedragingen deel uitmaken van een „totaalplan”, zonder dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd moet kunnen worden aangemerkt als afzonderlijke inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU.’
3.4
Ik wijs nog op de conclusie van A-G Kokott in de thans bij het HvJEU aanhangige zaak C-605/21 (Heureka/Google),12.waarin zij is ingegaan op het karakter van een kartelschadevordering:
‘106. Een schadevordering wegens inbreuk op het mededingingsrecht als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, verschilt echter structureel van een traditionele civielrechtelijke vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid.
107. In de eerste plaats steunt zij op een uit de volle werking van de artikelen 101 en 102 VWEU voortvloeiend recht dat niet alleen het herstel beoogt van de door de betrokkene gestelde rechtstreekse schade, maar ook dat van de indirecte schade die is toegebracht aan de structuur en de werking van de markt, die niet haar volle economische werking heeft kunnen ontplooien, met name ten gunste van de betrokken consumenten. Vorderingen tot vergoeding van schade wegens schending van de mededingingsregels van de Unie maken integrerend deel uit van het stelsel voor de handhaving van die regels. Door de uitoefening van haar recht op schadevergoeding draagt de benadeelde partij bij tot de verwezenlijking van doelstellingen van de Unie en wordt zij zo een „verdediger” of „handhaver” van de belangen van de Unie.
108. Wanneer een dergelijke privaatrechtelijke handhaving van de mededingingsregels (private enforcement) gebaseerd is op een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU, kan het begrip „inbreuk”, dat een autonoom Unierechtelijk begrip is, geen andere betekenis hebben dan de betekenis die dit heeft in de context van een publiekrechtelijke handhaving van de mededingingsregels van de Unie (public enforcement). Derhalve wordt de inbreuk waarop de schadevordering is gebaseerd, beheerst door het Unierecht.
109. In de tweede plaats vereist de instelling van schadevorderingen wegens inbreuk op het mededingingsrecht in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat dergelijke geschillen vaak worden gekenmerkt door een informatieasymmetrie ten nadele van degene die schade heeft geleden. (…)
110. In dit verband is het uiteraard zo dat er inbreuken op het mededingingsrecht bestaan die onmiddellijk, met één handeling, kunnen worden begaan, zoals een oproep tot boycot of één enkele contractuele discriminatie door een onderneming met een machtspositie.
111. Zoals de verwijzende rechter evenwel terecht opmerkt, is het bij misbruik van een machtspositie zoals in casu de gedraging in haar geheel die door haar omvang, duur, intensiteit en wijze van uitvoering heeft geleid of kon leiden tot een wezenlijke verstoring van de mededingingsvoorwaarden of tot een mededingingsverstorend effect.
112. Net als bij een complexe en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU zou het dus gekunsteld zijn om een inbreuk op artikel 102 VWEU en de verjaringstermijn voor een dergelijke inbreuk, die, zoals in de punten 90 en 91 hierboven is opgemerkt, evenzeer voldoet aan de criteria voor één enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, „in stukjes te verdelen”.’ [voetnoten weggelaten, A-G].
3.5
Hieruit volgt dat de door de Commissie in het kartelbesluit vastgestelde onrechtmatige mededingingshandeling moet worden gezien als één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en daarmee als één enkelvoudige en voortdurende onrechtmatige daad jegens iedere individuele Claimant. De lidstaten hebben op dit punt geen procedurele autonomie.
3.6
Het tegenovergestelde standpunt dat het aan het nationale recht van de lidstaten is om te bepalen dat iedere Claimant één vordering per transactie heeft in plaats van één vordering voor alle transacties, zou de procedure uiterst complex maken. Daardoor zou de uitoefening van het recht op schadevergoeding dat voortvloeit uit de inbreuk op art. 101 VWEU praktisch worden bemoeilijkt en afbreuk worden gedaan aan de volle werking van die bepaling in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel.13.
3.7
Over het doeltreffendheidsbeginsel merk ik nog het volgende op. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU dient de nationale rechter, die belast is met de toepassing van het Unierecht, de volle werking van dat recht te verzekeren en de daarin aan particulieren toegekende rechten te beschermen.14.Indien Unierechtelijke regelgeving ontbreekt, is het aan elke lidstaat om regels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen.15.De lidstaten moeten bij de uitoefening van de bevoegdheid om deze regels vast te stellen en toe te passen, wél steeds het Unierecht in acht nemen. De nationale regels voor de vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen, mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).16.In de context van het mededingingsrecht betekent dit dat de nationale regels de doeltreffende toepassing van art. 101 en 102 VWEU onverlet moeten laten.17.Deze rechtspraak heeft geleid tot de Kartelschaderichtlijn.18.Art. 4 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
‘Overeenkomstig het beginsel van doeltreffendheid zorgen de lidstaten ervoor dat alle nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig ontworpen en toegepast worden dat zij de uitoefening van het Unierecht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken.(…).’
3.8
Ik kom ten aanzien van vraag ii dan ook tot de slotsom dat een enkelvoudige en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU moet worden gekwalificeerd als één voortdurende onrechtmatige daad die resulteert in één enkelvoudige kartelschadevordering per gedupeerde.
4. Vraag (iii): toepasselijk recht – WCOD of Rome II?
4.1
Om het toepasselijk recht op een internationale rechtsverhouding te bepalen, moet worden vastgesteld tot welke verwijzingscategorie die verhouding behoort. Vervolgens kan aan de hand van de verwijzingscategorie de toepasselijke conflictregel worden bepaald. Dit proces wordt in het internationaal privaatrecht (IPR) aangeduid als (primaire) kwalificatie.19.Naar heersende opvatting moet de rechtsverhouding worden gekwalificeerd volgens het begrippensysteem van het eigen rechtsstelsel (de lex fori).20.Moet echter worden bepaald of een internationale rechtsverhouding behoort tot de verwijzingscategorie van een verdrag of een (EU) verordening, dan is een verdrags- of verordeningsautonome kwalificatie aangewezen.21.Primaire kwalificatie moet worden onderscheiden van secundaire kwalificatie. Ziet primaire kwalificatie op het onderbrengen van de rechtsverhouding bij de verwijzingscategorie van een bepaalde conflictregel, secundaire kwalificatie heeft betrekking op het vaststellen van de omvang van het toepasselijk recht. Heersende opvatting is dat de secundaire kwalificatie de primaire kwalificatie volgt, zodat het begrippensysteem van de lex fori eveneens beslissend is voor het vaststellen van de omvang van het toepasselijk recht.22.
4.2
In deze zaak staat niet ter discussie dat de vorderingen tot schadevergoeding tegen de truckfabrikanten uit hoofde van kartelinbreuk moeten worden ondergebracht bij de verwijzingscategorie van de onrechtmatige daad, in het bijzonder de ongeoorloofde mededinging.
4.3
Met vraag (iii) wenst de rechtbank te vernemen of, bij een bevestigende beantwoording van vraag (ii), het moment van de beëindiging van de schadeveroorzakende gebeurtenis tot uitgangspunt moet worden genomen bij de vaststelling van de toepasselijke conflictregel of dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen schadeposten van vóór 11 januari 2009 (de datum waarop Rome II toepasselijk is geworden) en schadeposten van ná 11 januari 2009. De vraag is van belang, omdat de Commissie in het kartelbesluit heeft geoordeeld dat in de periode van 17 januari 1997 tot 18 januari 2011 sprake was van een internationaal kartel.
4.4
Deze vraag heeft vooral betrekking op de temporele werking van Rome II. Ik merk hierover het volgende op. Tot 1 juni 2001 was het commune Nederlandse IPR met betrekking tot de onrechtmatige daad ongeschreven, dat wil zeggen ontwikkeld in de rechtspraak.23.Op die datum trad de WCOD in werking. De WCOD kan worden beschouwd als een codificatie van het voorheen geldende commune IPR24.en kan daarom ook worden toegepast op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vóór 1 juni 2001 hebben voorgedaan.25.De WCOD heeft gegolden tot 1 januari 2012, toen de WCOD werd ingetrokken bij gelegenheid van de invoering van Boek 10 BW.26.
4.5
Op 11 januari 2009 is Rome II toepasselijk geworden. Daarmee is voor de toepassing van de WCOD geen plaats meer in de gevallen die door Rome II worden bestreken. In art. 31 Rome II is bepaald dat deze verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de datum waarop Rome II van toepassing is geworden, dus op of ná 11 januari 2009.27.Dit betekent dat de WCOD van toepassing blijft op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vóór 11 januari 2009 hebben voorgedaan.
4.6
Wanneer de schadeveroorzakende gebeurtenis (de onrechtmatige handeling) heeft plaatsgevonden vóór 11 januari 2009, maar de schadelijke gevolgen daarvan zich op of na die datum hebben voorgedaan, ligt het niet in de rede om Rome II toch van toepassing te achten. De datum waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden is beslissend voor de toepassing van Rome II en niet de datum waarop de schadelijke gevolgen van die gebeurtenis zich verwezenlijken. Een andere opvatting zou ertoe kunnen leiden dat wat het temporele geldingsbereik betreft verschillende regelingen van toepassing zijn op de gevolgen van één veroorzakende gebeurtenis al naar gelang de gevolgen zich vóór dan wel op of ná 11 januari 2009 hebben verwezenlijkt. De toepassing van verschillende regelingen (commuun recht en Rome II) zou in strijd komen met de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen en met de rechtszekerheid aangaande het toepasselijke recht.28.
4.7
Zoals gezegd, heeft de Commissie in het kartelbesluit vastgesteld dat in de periode van 17 januari 1997 tot 18 januari 2011 sprake was van een internationaal kartel. Daarmee heeft de verboden samenspanning een aanvang genomen op het moment dat in het Nederlandse IPR ongeschreven recht (nadien gecodificeerd in de WCOD) van toepassing was op verbintenissen uit onrechtmatige daad. Na 11 januari 2009 heeft de verboden samenspanning zich voortgezet tot 18 januari 2011. Dit doet de vraag rijzen of een ‘knip’ ten aanzien van het toepasselijk recht op de kartelschadevorderingen moet worden gemaakt, waarbij de WCOD van toepassing is op de kartelschadevorderingen die het gevolg zijn van verboden mededingingsgedragingen die zich vóór 11 januari 2009 hebben voorgedaan en Rome II op de kartelschadevorderingen die het gevolg zijn van verboden mededingingsgedragingen op of na 11 januari 2009.
4.8
De kwestie of Rome II temporeel van toepassing is op een voortdurende onrechtmatige daad, is niet in art. 31 Rome II opgelost en evenmin in het arrest van het HvJEU inzake Homawoo aan de orde gekomen. In de literatuur heeft een enkele auteur daaraan aandacht besteed. Zo merkt Mankowski op:
‘The second remaining issue is whether the Rome II Regulation applies where a continuous tort was at stake, i.e. where a multiplicity of events giving rise to the damage have occurred, some before and some after 11 January 2009. There is a plethora of conceivable solutions: First, the last causal event matters. One would run into severe trouble in identifying which event is the last. Second, the first causal event matters. Third, the most relevant causal event matters. Fourth, all causal events are treated as equivalent, and it disqualifies for the purposes of applying the Rome II Regulation that one of them occurred before 11 January 2009. Fifth, all causal events are treated as equivalent, and it suffices for the application of the Rome II Regulation that one of them occurred on or after 11 January 2009.
If one is prepared to adopt as a general policy that the Rome II Regulation and its uniform rules should be applied to the widest possible extent, the fifth approach ought to be preferred.’29.[voetnoten weggelaten, A-G].
4.9
Mankowski kiest voor de vijfde door hem geopperde oplossing en bepleit bij een voortdurende onrechtmatige daad de toepasselijkheid van Rome II in elk geval waarin één van de schadeveroorzakende gebeurtenissen zich heeft voorgedaan na 11 januari 2009. Als voordeel van deze oplossing ziet Mankowski dat aan de uniforme conflictregels van Rome II een ruime toepassing wordt gegeven.
4.10
Ook Fitchen heeft enige aandacht aan deze kwestie besteed. Hij is tegenstander van het aanbrengen van een ‘knip’ en ziet zeker voordelen voor de toepassing van Rome II, maar tegelijkertijd is hij van oordeel dat die oplossing zich moeilijk laat verenigen met de thans geldende tekst van art. 31 Rome II:
‘(…) accordingly, for many years to come it may be that the applicable law in cross-border competition law claims brought after 11 January 2009 will still be wholly or partially governed by pre-Rome II methods of determining the applicable law. As such an outcome does not appear to accord with the general policy of increasing legal certainty in the context of cross-border claims, it is worth considering whether, in the circumstance that an infringement of competition law is alleged to be ongoing both before and after the temporal datum point of Rome II, it is wrong to split the ascertainment of the applicable law. Possibly the fact that the damage causing events of the competition law tort continue past the Rome II datum point should cause the alleged tort to be regarded as occurring continuously and to therefore legitimate the application of the Rome II Regulation to determine the applicable law for the entire claim? Though increasing legal certainty and simplifying the choice of law process for cross-border competition law claims, this suggestion has to contend with the principled objection that it would be an unfair departure from the general stance of Rome II of neutrality between claimant and defendant. This objection is possibly less convincing in the specific context of follow-on competition law claims as here the existence of an anti-competitive act is already established: in these cases such neutrality may be argued to perversely favour the wrongdoer. Considerations of principle aside, the most formidable obstacle to any suggestion that competition claims which straddle the temporal datum point should benefit from a single method of applicable law selection is Rome II itself: the text currently lacks any provision supporting retrospective temporal applicability whether immediate or deferred in time.
It is suggested that a case based upon increasing legal certainty can be made for a legislative amendment to address the problem of an absence of transitional provisions concerning the temporal applicability in Rome II for follow-on competition claims either by allowing a deferred form of retrospective temporal applicability after the effluxion of a certain period of time from 11 January 2009, or, by providing follow-on competition claims with a new specific regime which includes private international law measures more appropriate to this specific type of competition claim.’30.
4.11
Ook ik ben van mening dat het niet wenselijk is een ‘knip’ te maken ten aanzien van het toepasselijk recht tussen – zoals de rechtbank in vraag (iii) vermeldt – ‘schadeposten’ van vóór 11 januari 2009 en ‘schadeposten’ van na die datum. Met zo’n knip wordt geen eenheid bereikt in de op deze kartelschadevorderingen toe te passen conflictregels, wat de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen en de rechtszekerheid niet ten goede komt.
4.12
Dan blijven naar mijn mening nog twee oplossingen voor het onderhavige probleem over. De eerste oplossing is die van Mankowski, waarbij Rome II wordt toegepast op alle ‘schadeposten’ (zowel van vóór als van na 11 januari 2009). Deze oplossing zorgt, zoals Mankowski heeft opgemerkt, voor een ruime toepassing van de uniforme conflictregels van Rome II. Ook heeft deze oplossing het voordeel dat niet nog jarenlang oud IPR moet worden toegepast, omdat schending van het Unierechtelijke mededingingsrecht vaak pas na jaren wordt vastgesteld en mede betrekking kan hebben op beperkende mededingingsgedragingen van vóór 11 januari 2009. Tegen deze oplossing kan worden aangevoerd, zoals Fitchen heeft opgemerkt, dat de tekst van art. 31 Rome II en het Homawoo-arrest van het HvJEU niet in deze richting wijzen en juist niet uitgaan van terugwerkende kracht.
4.13
De tweede oplossing is om op kartelschadevorderingen (uit hoofde van de door de Commissie geconstateerde inbreuk op art. 101 VWEU) het conflictenrecht toe te passen zoals dit heeft gegolden op het moment waarop de verboden mededingingsbeperkende gedraging een aanvang heeft genomen. Er is immers sprake van één enkelvoudige en voortdurende inbreuk, die in de truckkartelzaken een aanvang heeft genomen op 17 januari 1997. Op dat moment was het Nederlandse IPR ten aanzien van ongeoorloofde mededinging nog ongeschreven recht (nadien gecodificeerd in de WCOD). De onrechtmatige samenspanning heeft een aanvang genomen onder het oude recht (in 1997) en is voortgezet na 11 januari 2009, de datum waarop nieuw recht van toepassing is geworden. Dan ligt het voor de hand het oude recht te blijven toepassen. Deze oplossing, die overeenkomt met Mankowski’s tweede oplossing, komt niet in strijd met (de letterlijke tekst van) art. 31 Rome II. Daardoor wordt ook eenheid bereikt in de toepassing van het conflictenrecht, omdat op alle ‘schadeposten’ van zowel vóór als na 11 januari 2009 dezelfde regeling wordt toegepast. Die eenheid wordt dan weliswaar niet op EU-niveau bereikt, omdat iedere lidstaat het eigen conflictenrecht toepast. Ik vind dat argument niet doorslaggevend genoeg om toch Rome II toe te passen. In het algemeen hebben EU-verordeningen op het gebied van het IPR geen terugwerkende kracht, zodat de toepassing van het voorheen geldende nationale IPR in bepaalde overgangsrechtelijke situaties aan de orde zal blijven. Alles afwegende, zou ik willen kiezen voor deze tweede oplossing.
4.14
Deze overgangsrechtelijke problematiek ten aanzien van voortdurende onrechtmatige daden is nog niet aan de orde gekomen in de rechtspraak van het HvJEU, hetgeen voor Uw Raad reden zou kunnen zijn voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU over de uitleg van art. 31 Rome II in de context van inbreuken op het Unierechtelijke mededingingsrecht. Toch meen ik dat het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU niet noodzakelijk is voor de beslissing van de onderhavige truckkartelzaken. Wanneer Rome II op de truckkartelzaken moet worden toegepast, kunnen de Claimanten een rechtskeuze voor de lex fori uitbrengen op de voet van art. 6 lid 3, onder b, Rome II. Zou voor de tweede hierboven geschetste oplossing worden gekozen en zou de WCOD op de truckkartelzaken worden toegepast, dan ben ik van mening – hetgeen ik hierna bespreek – dat onder de gelding van de WCOD de Claimanten eveneens een rechtskeuze voor de lex fori kunnen uitbrengen naar analogie van het bepaalde in art. 6 lid 3, onder b, Rome II. Wanneer Uw Raad deze opvatting over de rechtskeuze deelt, is de vraag welke regeling temporeel van toepassing is – WCOD of Rome II – zonder belang, óók in het geval dat Uw Raad zou oordelen dat een ‘knip’ in de conflictenregeling moet worden aangebracht.
4.15
Op grond van het voorgaande meen ik dat vraag (iii) als volgt kan worden beantwoord. Op de voortdurende onrechtmatige daad die resulteert in één enkelvoudige kartelschadevordering per gedupeerde is van toepassing het conflictenrecht zoals dit heeft gegolden op het moment waarop de door de Commissie geconstateerde enkelvoudige en voortdurende schending van art. 101 VWEU een aanvang heeft genomen. In deze zaak leidt dit antwoord tot de toepassing van de WCOD.
4.16
Vraag (iv) behoeft geen beantwoording.
5.1
Vraag (v) heeft betrekking op de uitleg van art. 4 lid 1 WCOD. Aansluitend ziet vraag (vi) op de kwestie of onder art. 4 WCOD een rechtskeuze voor de lex fori kan worden uitgebracht op een wijze die overeenkomt met art. 6 lid 3, onder b, Rome II in het geval dat meerdere rechtsstelsels op de ongeoorloofde mededinging van toepassing zijn.
5.2
Met het oog op de beantwoording van vraag (v) geef ik in het navolgende eerst een uiteenzetting over de WCOD en vervolgens over art. 6Rome II.
(a) De WCOD
5.3
Als hoofdregel voor het bepalen van het toepasselijk recht op verbintenissen uit onrechtmatige daad gaat art. 3 lid 1 WCOD uit van het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt (de lex loci delicti).31.In het tweede en derde lid zijn uitzonderingen op de hoofdregel opgenomen. Art. 3 WCOD luidt als volgt:
‘1. Verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt, wanneer een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijke milieu elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt, het recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking geschiedt, tenzij de dader de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.
3. Indien dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats onderscheidenlijk plaats van vestiging hebben, is in afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die Staat van toepassing.’
5.4
In art. 3 lid 2 WCOD is het toepasselijk recht geregeld in het geval van een ‘meervoudige locus’, namelijk wanneer bij een grensoverschrijdende onrechtmatige daad de plaats waar de onrechtmatige daad wordt gepleegd (het Handlungsort) en de plaats waar zich het schadelijke gevolg van die daad voordoet (het Erfolgsort) uiteenvallen. In dat geval is van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet (de lex loci damni).32.Louter vermogensschade vormt geen ‘schadelijke inwerking’ in de zin van het tweede lid.
5.5
Volgens de MvT bij de WCOD33.hangt de formulering van art. 3 lid 2 WCOD onder meer samen met de interpretatie die het (toenmalige) HvJEG heeft gegeven aan het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van art. 5 sub 3 EEX-Verdrag.34.In het Marinari-arrest35.heeft het Hof geoordeeld dat dit begrip niet zo ruim moet worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt.
5.6
Voor gevallen van ongeoorloofde mededinging heeft de wetgever in art. 4 WCOD een uitzondering op de hoofdregel van art. 3 lid 1 WCOD opgenomen en een verbijzondering van art. 3 lid 2 WCOD.36.Art. 4 WCOD luidt als volgt:
‘1. In afwijking van artikel 3 worden verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de mededingingshandeling uitsluitend tegen een bepaalde concurrent is gericht.’
Het tweede lid ziet uitsluitend op ongeoorloofde mededinging die specifiek tegen een bepaalde concurrent is gericht en speelt in deze zaak geen rol. Ik laat het tweede lid dan ook verder buiten beschouwing.
5.7
Art. 4 lid 1 WCOD brengt mee dat als een mededingingshandeling gepleegd wordt in Staat A, maar schadelijk inwerkt op het grondgebied van Staat B in die zin dat de concurrentieverhoudingen in Staat B worden beïnvloed, het recht van Staat B van toepassing is.37.Staat B is het Erfolgsort, waar de mededingingshandeling effect beoogt en sorteert.38.
5.8
Art. 4 lid 1 WCOD is een uitdrukking van de zogenoemde ‘marktregel’, maar is – zoals de MvT het formuleert – ‘iets concreter geformuleerd’.39.De marktregel neemt tot aanknopingspunt de plaats waar concurrenten elkaar bestrijden in de slag om de gunst van de afnemers.40.Voor dit aanknopingspunt pleit dat alle belanghebbenden, zowel potentiële concurrenten als afnemers, zich kunnen richten naar de regels die gelden op de plaats van de mededinging. Wat de terminologie betreft, is in art. 4 lid 1 WCOD niet gekozen voor aanknoping bij ‘het recht van de markt’. In het voorontwerp van de WCOD was het voorgestelde aanknopingscriterium nog ‘de Staat waar zich de markt bevindt waarop de gevolgen van de onrechtmatige mededinging zich geheel of in overwegende mate hebben verwezenlijkt’.41.De Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht heeft in haar rapport met bijbehorend voorstel voor een regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad geadviseerd niet specifiek aan te knopen bij de markt, omdat deze bij voortschrijdende internationalisering van de handel moeilijk zou zijn te lokaliseren. Ik citeer uit het advies:
‘15. Hoewel de ‘marktregel’ internationaal aanvaard is, heeft de Staatscommissie gezocht naar een andere omschrijving van de aanknoping. Als bezwaar tegen de aanknoping aan het recht van ‘de markt’ is aangevoerd, dat bij een voortschrijdende internationalisering (globalisering) van de handel ‘de markt’ moeilijk valt te localiseren. Zo vervagen in het kader van de Europese Unie de landsgrenzen en is er steeds minder sprake van een echte nationale markt. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de Lid-Staten van de Europese Unie nog steeds hun eigen stelsels van privaatrecht met eigen mededingingsregels hebben. Om aan het genoemde bezwaar tegemoet te komen, heeft de Staatscommissie in het Voorstel gekozen voor de volgende terminologie: ‘door het recht van de Staat op wiens grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt’. Een versnippering van het toepasselijk recht is echter ook bij deze omschrijving onontkoombaar wanneer de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen in meerdere landen beïnvloedt.’42.
5.9
De wetgever heeft het advies van de Staatscommissie overgenomen. De minister heeft in de MvT opgemerkt:
‘Het thans, in het voetspoor van de Staatscommissie (artikel 2 iuncto advies sub 15), voorgestelde
criterium sluit aan bij het recht van de markt, maar is iets concreter geformuleerd. De formulering van lid 1, waarin de terminologie «recht van de markt» niet voorkomt, komt tegemoet aan het bezwaar dat bij een voortschrijdende internationalisering van de handel «de markt» moeilijk valt te localiseren en steeds minder sprake is van een echte nationale markt.
(…)
Ik merk op dat de voorgestelde conflictregel geen uniforme oplossing biedt in de situatie dat de onrechtmatige mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt op het grondgebied van meerdere Staten. Een versnippering van het toepasselijk recht zal dan veelal onontkoombaar zijn. In zo’n geval kan de bij artikel 6 te behandelen rechtskeuze of de bij artikel 5 te behandelen accessoire aanknoping een praktische oplossing bieden.’43.
5.10
Uit de overwegingen van de Staatscommissie en uit de MvT blijkt dat in een geval waarin een onrechtmatige mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen in meerdere landen beïnvloedt, versnippering van het toepasselijk recht ‘onontkoombaar’ werd geacht. Dit betekent dat, indien de schade is ingetreden in meerdere landen het recht van die landen in beginsel op distributieve wijze moet worden toegepast voor zover in het desbetreffende land schade is ingetreden.44.In dit verband wordt ook wel gesproken van de ‘mozaïekbenadering’, omdat sprake is van meerdere rechtsstelsels die op een vordering uit hoofde van ongeoorloofde mededinging van toepassing zijn.
5.11
In de hierboven geciteerde passage uit de MvT bij art. 4 WCOD wordt erop gewezen dat in het geval van versnippering van het toepasselijk recht de rechtskeuze van art. 6 WCOD een praktische oplossing kan bieden. Art. 6 WCOD kent de mogelijkheid dat partijen (waaronder ook procespartijen worden verstaan)45.een rechtskeuze uitbrengen op de uit de onrechtmatige daad voortvloeiende verbintenissen46., óók op die uit ongeoorloofde mededinging. Er zijn geen beperkingen wat de te kiezen rechtsstelsels betreft. Art. 6 lid 2 WCOD geeft een vormvoorschrift en bepaalt dat de rechtskeuze uitdrukkelijk moet zijn gedaan of anderszins voldoende duidelijk moet blijken.
5.12
De MvT wijst als remedie tegen versnippering ook op de accessoire aanknoping van art. 5 WCOD. Daarin is bepaald dat indien een onrechtmatige daad nauw verbonden is met een tussen dader en benadeelde bestaande of gewezen rechtsverhouding, in afwijking van art. 3 en 4 op de verbintenis uit onrechtmatige daad het recht kan worden toegepast dat die andere rechtsverhouding beheerst. In de zaak die in cassatie aan de orde is, speelt accessoire aanknoping geen rol. Ik laat art. 5 WCOD verder buiten beschouwing.
5.13
Art. 7 WCOD bepaalt op niet-limitatieve wijze de omvang van het op grond van de WCOD toepasselijke recht.47.Dat recht bepaalt onder meer de gronden voor en de omvang van de aansprakelijkheid (art. 7, onder a), het bestaan en de aard van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt (art. 7, onder c) en de omvang van de schade en de wijze van vergoeding ervan (art. 7, onder d).
5.14
In de Nederlandse rechtspraak heeft art. 4 lid 1 WCOD toepassing gevonden in een aantal zaken over kartelschadevorderingen. Behalve in de zaken over het truckkartel waarop deze prejudiciële procedure betrekking heeft en in de luchtvaartkartelzaken, waarop mijn conclusies in de zaken 23/00676 en 23/00670 betrekking hebben, heeft de Nederlandse rechter in vier andere zaken aan de hand van art. 4 lid 1 WCOD het toepasselijk recht bepaald op een schadevergoedingsvordering naar aanleiding van een door de Commissie vastgesteld kartel. Ik vermeld deze zaken in het kort.
5.15
De eerste zaak heeft betrekking op het paraffinewaskartel. In een procedure bij de rechtbank Den Haag heeft CDC, een claimvehikel, gevorderd een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de achterliggende afnemers en schadevergoeding. In haar vonnis van 17 december 201448.heeft de rechtbank vooropgesteld dat de in art. 4 lid 1 WCOD bedoelde marktverstoring in de regel zal plaatsvinden op de plaats waar vraag en aanbod samenkomen (rov. 4.46). Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:
‘4.48 In de beschikking [van de Commissie, A-G] staat (onder 70):
“The products to which the anti-competitive behaviour related are traded between the EEA Member States on at least a European wide market.”
Daarvan uitgaande hebben de door CDC gestelde onrechtmatige gedragingen de concurrentieverhouding in de lidstaten van de EU, Noorwegen, Liechtenstein en IJsland beïnvloed en dus schadelijk ingewerkt op het grondgebied van al die staten.
4.49
De rechtbank neemt dit in de beschikking aangeduide gebied van de marktverstoring tot uitgangspunt. Vervolgens dient te worden bezien waar de marktverstoring waar de vordering betrekking op heeft concreet en feitelijk heeft plaatsgehad. Dat is de plaats waar vraag en aanbod zijn samengekomen voor de afnemers die stellen te zijn benadeeld door het in de beschikking aangeduide kartel. De afnemers hebben de paraffinewas afgenomen om te verwerken in de door hen geproduceerde kaarsen en waspapier. Dit afnemen heeft in alle gevallen uiteindelijk (al dan niet door tussenkomst van distributeurs) feitelijk plaatsgehad op de productielocaties van de afnemers, waar de paraffinewas vervolgens werd verwerkt. Al deze productielocaties zijn gelegen binnen het in de beschikking aangeduide gebied.
4.50
In het voorgaande, gevoegd bij het gegeven dat CDC het in de beschikking aangeduide kartel in volle omvang tegenwerpt aan gedaagden, ongeacht de vraag of de gedaagde in kwestie paraffinewas heeft geleverd aan een of meer afnemers – wat de plaats van het feitelijk afnemen (verder) benadrukt – ziet de rechtbank grond om in dit geval bij toepassing van de marktregel aan te knopen bij de productielocaties.’
5.16
Het oordeel van de rechtbank leidt tot de toepasselijkheid van vijf rechtsstelsels (rov. 4.51). Van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om een rechtskeuze uit te brengen, hebben partijen geen gebruik gemaakt, zodat bij vonnis van 21 september 201649.is beslist dat op de kartelschadevorderingen vijf rechtsstelsels moesten worden toegepast.
5.17
Een andere zaak betreft het liftenkartel, waarin een claimvehikel een kartelschadevordering aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland ten behoeve van uitsluitend in Nederland gevestigde afnemers. Bij vonnis van 20 juli 201650.heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van art. 4 lid 1 WCOD Nederlands recht moet worden toegepast, omdat de gestelde onrechtmatige handelingen betrekking hadden op een beperking van de mededinging op de Nederlandse markt (rov. 4.3). Dat oordeel hield stand in hoger beroep.51.
5.18
In de zaak van het natriumchloraatkartel heeft een claimvehikel bij de rechtbank Amsterdam een kartelschadevordering aanhangig gemaakt tegen Kemira, één van de geadresseerden van de kartelbeschikking, die zich heeft beroepen op verjaring. Bij vonnis van 10 mei 201752.heeft de rechtbank geoordeeld dat de marktverstoring had plaatsgevonden op de plaats waar vraag en aanbod zijn samengekomen, te weten ter plaatse van de productielocaties van de achterliggende afnemers, zodat vijf rechtsstelsels van toepassing zijn (rov. 4.24).
5.19
De laatste zaak betreft een door TenneT en haar dochtermaatschappij ingestelde vordering tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden bij de aankoop van een schakelstation voor het Meeden-project ten gevolge van het kartel op het gebied van gasgeïsoleerd schakelmateriaal. De rechtbank Gelderland heeft bij vonnis van 24 september 201453.overwogen dat op grond van de marktregel Nederlands recht van toepassing is, omdat in Nederland de aanbesteding van het project heeft plaatsgevonden en de opdracht is gegund. Dit oordeel hield stand in hoger beroep.54.
5.20
Na deze uiteenzetting over art. 4 WCOD ga ik nader in op art. 6 Rome II, omdat in de prejudiciële vragen de kwestie aan de orde komt of een rechtskeuze op de voet van art. 6 lid 3, onder b, Rome II kan worden gemaakt.
(b) Art. 6 Rome II
5.21
Artikel 6 Rome II heeft als opschrift ‘oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken’ en luidt als volgt:
‘1. De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een daad van oneerlijke concurrentie, wordt beheerst door het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen of de collectieve belangen van de consumenten worden geschaad of dreigen te worden geschaad.
2. In het geval dat een daad van oneerlijke concurrentie uitsluitend de belangen van een bepaalde concurrent schaadt, is artikel 4 van toepassing.
3. a) De niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit, wordt beheerst door het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt.
b) Wanneer de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt in meer dan één land, mag de persoon die schadevergoeding vordert bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder, echter verkiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt, mits de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd. Wanneer de eiser, overeenkomstig de toepasselijke regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid, meer dan één verweerder voor dat gerecht daagt, kan hij uitsluitend kiezen om zijn vordering op het recht van dat gerecht te gronden indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt.
4. Van het recht dat krachtens dit artikel van toepassing is, kan niet bij overeenkomst op grond van artikel 14 worden afgeweken.’
5.22
Over de totstandkoming van art. 6 Rome II merk ik het volgende op. Het op 22 juli 2003 door de Commissie ingediende voorstel voor Rome II55.(hierna: het Commissievoorstel) bevatte slechts een bijzondere conflictenrechtelijke bepaling voor daden van oneerlijke concurrentie (nu: art. 6 lid 1 en lid 2 Rome II) en géén specifieke conflictregel voor niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit concurrentiebeperkende gedragingen, in het bijzonder kartelvorming en misbruik maken van machtspositie.56.De vraag of het toepasselijk recht op dit type verbintenissen moet worden bepaald aan de hand van de algemene regel (het recht van de plaats waar de schade intreedt, de lex loci damni) of dat hiervoor een specifieke conflictregel moet worden ingevoerd, werd overgelaten aan het Directoraat-Generaal Competition van de Commissie, dat werkte aan het ‘Groenboek Schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels’ (hierna: het Groenboek).57.In het Groenboek, dat op 19 december 2005 is gepubliceerd, heeft de Commissie geconcludeerd dat het onduidelijk is of de algemene regel voorziet in de specifieke behoeften van het Europese mededingingsrecht, omdat het begrip ‘de plaats waar de schade intreedt’ in antitrustzaken voor meerdere interpretaties vatbaar is en ertoe zou kunnen leiden dat wordt aangeknoopt bij de – veelal toevallige – plaats van de financiële schade.58.
5.23
Eén van de beleidsopties die de Commissie in het Groenboek heeft voorgesteld is de introductie van een specifieke conflictregel die verduidelijkt hoe de lex loci damni-regel moet worden toegepast in het geval van kartelschadevorderingen. Niet de plaats waar een onderneming financiële schade heeft geleden is bepalend voor het toepasselijk recht, maar het grondgebied waar de concurrentiebeperkende gedraging gevolgen heeft voor de mededinging. De Commissie heeft opgemerkt dat een op de gevolgen gebaseerde benadering (‘effects-based test’ of ‘effects rule’) ertoe kan leiden dat – indien de concurrentiebeperkende praktijk de markt in meer dan één land heeft beïnvloed of zelfs in een zeer groot aantal landen, zoals in het geval van een pan-Europees of van een wereldwijd kartel – het recht van verschillende landen van toepassing is op de vordering en dat dit de procedure aanzienlijk gecompliceerd kan maken.59.Als oplossing voor dit probleem heeft de Commissie voorgesteld dat de eiser ervoor kan kiezen de gehele schadevordering te laten beheersen door één rechtsstelsel, zoals de lex fori.60.
5.24
Op 25 september 2006 heeft de Raad van de Europese Unie (hierna: de Raad) een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld met het oog op de aanneming van Rome II,61.waarin voor het eerst een concrete ontwerptekst voor een specifieke conflictregel voor concurrentiebeperkende gedragingen werd geïntroduceerd, gebaseerd op de ‘effects-based test’:
‘De niet-contractuele verbintenis die uit beperking van de mededinging voortvloeit, wordt beheerst door het recht van het land waar de beperking invloed heeft of dreigt te hebben op de markt.’62.
5.25
De tekst van deze ontwerp-bepaling is grotendeels gehandhaafd in het verdere wetgevingsproces en is, in enigszins aangepaste vorm, neergelegd in art. 6 lid 3, onder a, Rome II. Datzelfde geldt voor de door de Raad opgestelde bijbehorende overwegingen in de Considerans.63.
5.26
Het Europees Parlement heeft in reactie op het Groenboek het standpunt ingenomen dat een specifieke conflictregel in Rome II moet worden opgenomen voor gevallen waarin de mededinging in meer dan één lidstaat wordt beïnvloed.64.Pas in mei 2007 werd overeenstemming bereikt tussen de Commissie, de Raad en het Europees Parlement over het invoeren van een eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid voor de eiser voor de lex fori (art. 6 lid 3, onder b, Rome II).65.Op 11 juli 2007 is vervolgens Rome II formeel vastgesteld door de Raad en het Europees Parlement. De tekst van art. 6 lid 3 Rome II is dus in een kort tijdsbestek tot stand gebracht.66.
5.27
In de Considerans van Rome II zijn drie overwegingen gewijd aan art. 6 Rome II, die, hoewel niet juridisch bindend, licht werpen op de intenties van de Europese wetgever en handvatten bieden voor de uitleg van deze bepaling:
‘(21) De bijzondere regel in artikel 6 vormt geen uitzondering op de algemene regel in artikel 4, lid 1, maar juist een verduidelijking daarvan. Inzake oneerlijke concurrentie dient de collisieregel bescherming te bieden aan concurrenten, consumenten en het publiek in het algemeen en tevens garant te staan voor het goed functioneren van de markteconomie. Deze doelstellingen zijn in het algemeen te bereiken door aanknoping bij het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen dan wel de gezamenlijke belangen van de consumenten worden of dreigen te worden aangetast.
(22) Onder niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit beperking van de mededinging, in de zin van artikel 6, lid 3, moeten zowel inbreuken op nationale als op communautaire mededingingsregels worden verstaan. Het recht dat op dergelijke niet-contractuele verbintenissen van toepassing is, is het recht van het land waar de markt wordt of waarschijnlijk wordt beïnvloed. In het geval dat de markt in meer dan een land wordt beïnvloed of waarschijnlijk wordt beïnvloed, mag de persoon die schadevergoeding vordert, in bepaalde omstandigheden echter verkiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt.
(23) Voor de doeleinden van deze verordening moet het concept van beperking van de mededinging betrekking hebben op overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen een lidstaat of op de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, alsmede het misbruiken van een machtspositie in een lidstaat of op de interne markt, voor zover dergelijke overeenkomsten, besluiten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen of misbruiken verboden zijn krachtens de artikelen 81 en 82 van het Verdrag [nu: art. 101 en 102 VWEU, A-G] of krachtens het recht van een lidstaat.’
5.28
Uit overweging 23 zou kunnen volgen dat het toepassingsgebied van art. 6 lid 3 Rome II restrictief is, namelijk beperkt tot die gevallen waarin overeenkomsten of gedragingen tot doel of gevolg hebben dat de mededinging binnen een lidstaat of op de interne markt wordt beperkt en die op grond van de kartelbepalingen van het Unierecht of van het recht van een lidstaat verboden zijn. Art. 6 lid 3, onder a, Rome II verwijst echter naar ‘het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt’. Daaruit volgt dat art. 6 lid 3, onder a, Rome II ook kan verwijzen naar het recht van een niet-lidstaat.67.Dit sluit aan bij art. 3 Rome II, waarin is bepaald dat het door Rome II aangewezen recht van toepassing is, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is. Voor art. 6 lid 3, onder b, Rome II geldt echter dat de in deze bepaling opgenomen rechtskeuze voor de lex fori uitsluitend een keuze is voor het recht van een lidstaat en niet voor het recht van een derde staat.
5.29
Rome II is op grond van art. 1 lid 1 van toepassing op niet-contractuele verbintenissen in burgerlijke en handelszaken. Dit betekent dat Rome II niet van toepassing is op de publiekrechtelijke handhaving van inbreuken op antitrustregels.68.De territoriale en materiële reikwijdte van het primaire Unierechtelijke mededingingsrecht, met name art. 101 en 102 VWEU, wordt door die artikelen zelf bepaald. De toepasselijkheid van deze artikelen is, gelet op het primaat van het primaire Unierecht boven het secundaire Unierecht, niet afhankelijk van de conflictregels uit Rome II. Het (nationale) recht dat wordt aangewezen door art. 6 lid 3 Rome II, regelt uitsluitend de aspecten van de privaatrechtelijke handhaving die niet in het primaire Unierecht en de daarop gebaseerde rechtspraak zijn geregeld, waaronder causaliteitsvragen en de schadeberekening.69.
(c) Definitie van het begrip markt
5.30
Hoewel ‘de markt’ een centrale plaats inneemt in art. 6 lid 3 Rome II, wordt het begrip niet gedefinieerd in Rome II. Voor de hand ligt dat aansluiting wordt gezocht bij het mededingingsrechtelijke begrip ‘relevante markt’.70.In het kader van het EU-mededingingsrecht heeft de Commissie over de relevante markt waarop een bepaalde mededingingskwestie moet worden beoordeeld, opgemerkt dat de markt moet worden vastgesteld aan de hand van de combinatie van de productmarkt (of dienstenmarkt) en de geografische markt. De Commissie heeft verschillende factoren genoemd op basis waarvan de markt in de praktijk kan worden bepaald.71.Het doel van art. 6 lid 3 Rome II is om te bepalen welk nationaal recht toepasselijk is, en gelet op dit doel moeten territoriale overwegingen de doorslag geven en spelen economische criteria – anders dan bij art. 101 en art. 102 VWEU – een ondergeschikte rol.72.De relevante markt zal – in geval van follow- on vorderingen – veelal reeds zijn bepaald door de nationale of Europese mededingingsautoriteit, waardoor de rechter zelf geen marktanalyse behoeft uit te voeren73.of gebruik kan maken van de feitelijke elementen die in het besluit van de autoriteit zijn opgenomen.74.
(d) Aanknoping bij de beïnvloede markt
5.31
De aanknoping bij het recht van de beïnvloede markt levert geen problemen op wanneer de beperking van de mededinging zich heeft voorgedaan in slechts één land. Wanneer daarentegen de beperking van de mededinging zich heeft uitgestrekt over meerdere landen, zoals bij een pan-Europees of bij een wereldwijd kartel, is de aanknoping bij het recht van de beïnvloede markt minder duidelijk. Leidt dan deze aanknoping tot een waaier aan toepasselijke rechtsstelsels, te weten van alle rechtsstelsels van landen waar de concurrentiebeperkende gedragingen of overeenkomsten de markt hebben beïnvloed (de mozaïekbenadering)? Toch is de vraag in welk land of welke landen de gelaedeerde schade heeft geleden, relevant voor de vaststelling van het toepasselijk recht. In de literatuur is hierover opgemerkt:
‘Although the notion of damage does not feature in art. 6(3), it is important to bear in mind that according to Recital 21, art. 6 is not intended to mark a radical departure from art. 4 but rather a “clarification” of that rule. Thus, the market criterion may have to be treated with some caution when selecting the applicable law under art. 6(3)(a). In this author’s view, it is the intention of the legislature that, once the relevant market has been defined, it is still important to identify the country or countries where the claimant has suffered damage in order to identify the applicable law or laws.’75.
5.32
Deze opvatting sluit aan bij hetgeen in het Groenboek wordt opgemerkt over de redenen om een speciale conflictregel voor antitrustvorderingen op te nemen in Rome II. In de Annex bij het Groenboek staat:
‘It should therefore be considered whether a special rule for civil claims based on an infringement of competition law should be introduced. Such a rule could serve to clarify the meaning of the general rule as contained in Article 5 of the Commission’s proposal [art. 4 lid 1 Rome II, A-G] for these types of claims. Such claims could be governed by the law of the state on whose market the victim was affected by the anti-competitive practice. The civil remedy (damage claim) would thus be linked to the restriction or distortion of competition.’76.
5.33
Uit het voorgaande leid ik af dat de door de Commissie voorgestelde marktregel of effects-rule inhoudt dat voor het toepasselijk recht wordt aangeknoopt bij de staat op wiens markt de benadeelde de gevolgen voelt van de concurrentiebeperkende gedraging (‘the law of the state on whose market the victim was affected by the anti-competitive practice’). Er zijn geen aanwijzingen dat dat anders zou zijn voor de marktregel zoals deze uiteindelijk is opgenomen in art. 6 lid 3, onder a, Rome II.77.Het is moeilijk voorstelbaar dat het doel van de Europese wetgever is geweest om in het geval van een grensoverschrijdend kartel steeds de rechtsstelsels van alle betrokken landen van toepassing te verklaren op de kartelschadevordering van een benadeelde, ook wanneer deze benadeelde slechts in één land gevolgen van het kartel heeft ondervonden.
5.34
Deze uitleg van art. 6 lid 3, onder a, Rome II is ook in lijn met de jurisprudentie van het HvJEU over de bevoegdheid in mededingingszaken op grond van art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis.78.Deze bepaling geeft net als haar voorgangers (waaronder art. 5 sub 3 EEX-Verdrag), een bijzondere bevoegdheid voor geschillen ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad en verklaart bevoegd het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat onder ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ moet worden verstaan zowel de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat (Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden die rechtstreeks uit die gebeurtenis voortvloeit (Erfolgsort).
5.35
In overweging 7 van de Considerans van Rome II is opgenomen dat het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van Rome II moeten stroken met Brussel I-bis (en haar voorgangers) en de instrumenten betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten. Het HvJEU heeft, onder andere in het arrest flyLAL,79.overwogen dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsrechtelijke gedraging zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ in de zin van (thans) art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis moet worden geacht zich in die lidstaat te bevinden. Een dergelijke vaststelling van het Erfolgsort voldoet volgens het HvJEU aan de eisen van consistentie van overweging 7 van de Considerans van Rome II in relatie tot art. 6 lid 3, onder a, Rome II.80.
(e) Lokalisatie van de schade op de beïnvloede markt
5.36
Rome II geeft geen antwoord op de vraag waar de door de gelaedeerde gestelde schade binnen de beïnvloede markt moet worden gelokaliseerd in het geval dat die markt meerdere landen beslaat. De rechtspraak van het HvJEU over de bevoegdheid in antitrustzaken biedt wél aanknopingspunten voor de beantwoording van deze vraag.
5.37
In het arrest CDC/Akzo81.over het waterstofperoxidekartel dat de concurrentie op de gehele EU-markt had beïnvloed, heeft het HvJEU overwogen dat waar het gaat om schade die bestaat uit meerkosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs als gevolg van een kartel, voor iedere beweerde benadeelde individueel moet worden vastgesteld wat de plaats is waar de schade is ingetreden. Daarbij gaat het volgens het Hof in beginsel om de plaats van de statutaire82.zetel van de beweerde benadeelde.83.In het arrest ontbreekt een verwijzing naar art. 6 lid 3, onder a, Rome II en het daarin opgenomen aanknopingspunt van de beïnvloede markt.
5.38
In het reeds genoemde arrest inzake flyLAL heeft het HvJEU, zoals hierboven bleek, wél gewezen op het marktcriterium van art. 6 lid 3, onder a, Rome II. Deze zaak betrof geen prijskartel, maar een gestelde samenspanning van de luchtvaartmaatschappij AirBaltic en de luchthaven Riga Airport om de markten voor vluchten van en naar de luchthaven van Vilnius (Litouwen), waarop luchtvaartmaatschappij flyLAL actief was, te verstoren door afbraakprijzen te hanteren. Als gevolg van deze marktverstoring leed flyLAL financiële verliezen en ging zij failliet. Volgens het Hof is de door flyLAL geleden winstderving te beschouwen als de initiële schade van de mededingingsbeperkende handeling. Het Hof heeft overwogen:
’35. Het Hof heeft, in de context van een vermeende schending van het verbod van doorverkoop van producten buiten het selectief distributienetwerk door de aanbieding op websites van producten die onder dit netwerk vallen, reeds geoordeeld dat de daling van het verkoopvolume en het winstverlies dat daaruit voortvloeit voor de erkende distributeur, schade vormt die van dien aard is dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 van toepassing wordt (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Concurrence, C-618/15, EU:C:2016:976, punten 33 en 35).
36. Ook moet worden vastgesteld dat winstderving die met name bestaat in omzetverlies dat zou zijn toe te schrijven aan met de artikelen 101 en 102 VWEU strijdige mededingingsbeperkende gedragingen, voor de toepassing van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 kan worden aangemerkt als ‘schade’, zodat in beginsel een grondslag bestaat voor de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.’
5.39
Over de vaststelling van de plaats waar de schade – winstderving die met name bestond uit omzetverlies – is ingetreden, heeft het Hof overwogen dat de gestelde mededingingsbeperkende gedragingen betrekking hadden op de markt voor vluchten van en naar de luchthaven van Vilnius. Het Hof heeft vervolgens overwogen:
’39. In casu moet, wat de verliezen betreft die een luchtvaartmaatschappij lijdt op vluchten van en naar de hoofdstad van de lidstaat waar zij is gevestigd, de hoofdzakelijk beïnvloede markt worden geacht de markt te zijn van de lidstaat waar zij het grootste deel van haar verkoopactiviteiten met betrekking tot dergelijke vluchten verricht, namelijk de Litouwse markt.
40. Wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedraging zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, moet de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 worden geacht zich in die lidstaat te bevinden. Deze oplossing, die gebaseerd is op de overeenstemming van deze twee elementen, beantwoordt namelijk aan de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, aangezien, ten eerste, de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de betrokken markt zich bevindt, het best geplaatst zijn om dergelijke vorderingen tot schadevergoeding te onderzoeken en, ten tweede, een marktdeelnemer die zich schuldig maakt aan concurrentiebeperkende gedragingen, redelijkerwijs mag verwachten te zullen worden vervolgd voor de rechterlijke instanties van de plaats waar zijn gedragingen de regels van gezonde mededinging hebben verstoord.’
5.40
Vermelding verdient in dit verband ook het arrest van het HvJEU inzake Tibor-Trans.84.In deze zaak had de in Hongarije gevestigde transportonderneming Tibor-Trans gesteld dat zij schade had geleden als gevolg van de kartelafspraken van de in Nederland gevestigde gedaagde. De schade bestond uit extra kosten wegens de kunstmatig hoge prijzen die voor de vrachtwagens werden gehanteerd als gevolg van de kartelafspraken. Tibor-Trans had de vrachtwagens niet rechtstreeks gekocht bij een kartellist, maar bij een in Hongarije gevestigde vrachtwagendealer, die vrachtwagens had gekocht van een kartellist en de prijsverhoging had doorberekend aan Tibor-Trans. Het Hof heeft overwogen dat de door Tibor-Trans gestelde schade rechtstreeks het gevolg was van de inbreuk op art. 101 VWEU, waardoor er dus sprake is van rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden (punt 31). Ten aanzien van de plaats waar de schade is ingetreden, heeft het Hof overwogen dat de vastgestelde inbreuk op art. 101 VWEU de gehele EER-markt bestreek, waaronder Hongarije. Het Hof heeft zijn overweging uit het arrest flyLAL herhaald dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis moet worden geacht zich in die lidstaat te bevinden (punt 33). Dat Tibor-Trans actie heeft ondernomen tegen slechts één van de kartellisten, bij wie zij niet rechtstreeks vrachtwagens heeft gekocht, doet hieraan volgens het Hof niet af, nu sprake is van één enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, die meebrengt dat de inbreuk makende ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zijn (punt 36).
(f) Schade in meerdere landen - mozaïekbenadering
5.41
Geconstateerd kan worden dat art. 6 lid 3, onder a, Rome II leidt tot een distributieve toepassing van meerdere rechtsstelsels, wanneer de beïnvloede markt zich uitstrekt over verschillende landen en de benadeelde in meer dan één van deze landen schade lijdt en zijn vordering betrekking heeft op de gehele schade.85.De rechter die bevoegd is ten aanzien van de gehele schade, moet voor elk verlies dat zich heeft voorgedaan in een specifiek land, het materiële recht van dat land toepassen.
5.42
Uit het Commissievoorstel voor Rome II blijkt dat de Commissie in het kader van de vraag naar het toepasselijk recht een rol ziet weggelegd voor de mozaïekbenadering. Volgens de Commissie impliceert de lex loci damni-regel dat wanneer in verschillende landen schade ontstaat, het recht van de betrokken landen op distributieve wijze moet worden toegepast.86.Ook ten aanzien van het voorstel voor de conflictregel voor oneerlijke concurrentie (thans art. 6 lid 1 Rome II), heeft de Commissie erop gewezen dat deze regel onder omstandigheden leidt tot de distributieve toepassing van verschillende rechtsstelsels.87.
5.43
In het Groenboek heeft de Commissie onderkend dat de toepassing van de marktregel in antitrustzaken kan leiden tot de toepasselijkheid van meerdere rechtsstelsels ten aanzien van één kartelschadevordering:
‘The application of such an effects-based test would lead to the application of one single law in those cases in which the market affected is either national or sub-national. If, however, the affected market is bigger than one single state or where there are several national markets, special problems arise with the proposed rule as in such a case the laws of a number of different states could be applicable to a claim. The recovery of each loss would be governed by the law specifically applicable to it. (…).’88.
5.44
Aan de mozaïekbenadering kleven verschillende bezwaren, omdat de toepassing van (een veelheid van) verschillende rechtsstelsels een procedure aanzienlijk zal compliceren en bewerkelijker zal maken voor zowel de rechter als de partijen.89.Ook werkt deze benadering doorgaans in het nadeel van de eiser. In rechtsstelsels waarin buitenlands recht als feit wordt beschouwd en gesteld en bewezen moet worden, kan de eiser worden geconfronteerd met hoge kosten of zich gedwongen voelen een keuze te maken om verder te procederen op onderdelen van de vordering die het meest eenvoudig kunnen worden bewezen. Ook in rechtsstelsels zoals het onze, waarin de rechter buitenlands recht ambtshalve moet vaststellen en toepassen (art. 10:2 BW), is de eiser doorgaans in het nadeel: de procedure zal bij de toepassing van verschillende rechtsstelsels meer tijd in beslag nemen, waardoor de kosten voor de eiser toenemen.
5.45
Als voornaamste reden vóór de toepassing van de mozaïekbenadering wordt gewezen op de doelstelling van Rome II om een redelijk evenwicht te garanderen tussen de belangen van de laedens en de gelaedeerde (zie overweging 16 van de considerans van Rome I). Wanneer de gelaedeerde uit de betrokken rechtsstelsels een keuze zou kunnen maken voor het voor hem gunstigste recht, dan zou de gelaedeerde worden bevoordeeld en het redelijk evenwicht worden verstoord.90.Daarentegen moet worden vastgesteld dat de toepassing van de mozaïekbenadering in de regel nadelig zal uitwerken voor de eiser en daardoor juist op gespannen voet komt te staan met de doelstelling van Rome II.91.
5.46
Het HvJEU heeft zich nog niet uitgesproken over de toepassing van de mozaïekbenadering in de context van de lex-loci-damni-regel van art. 4 lid 1 Rome II of de marktregel van art. 6 lid 3, sub a, Rome II. Ook in de rechtspraak van de lidstaten zijn weinig uitspraken te vinden waarin de mozaïekbenadering is toegepast. In de literatuur is erop gewezen dat gerechten de mozaïekbenadering kunnen ontwijken, onder meer door de relevante aanknopingsfactor zo te interpreteren dat deze leidt tot de toepasselijkheid van één rechtsstelsel.92.
5.47
Een vermijding of afwijzing van de mozaïekbenadering door het HvJEU is zichtbaar in het arrest Nintendo93., waarin het Hof uitleg heeft gegeven aan art. 8 lid 2 Rome II, dat voor het toepasselijk recht op een inbreuk op een unitair intellectueel eigendomsrecht aanknoopt bij het land waar de inbreuk is gepleegd. In deze zaak had eiseres gesteld dat in meerdere landen inbreuken waren gepleegd op haar unitaire IE-recht. In eerste aanleg heeft de Duitse rechter, in lijn met de mozaïekbenadering, de rechtsstelsels van deze landen op distributieve wijze toegepast. In hoger beroep zijn aan het HvJEU prejudiciële vragen gesteld, onder meer over de toepassing van art. 19 lid 1 Gemeenschapsmodellenverordening en art. 8 lid 2 Rome II. Ik citeer uit het arrest van het Hof de volgende overwegingen:
‘102. Het Hof heeft reeds gepreciseerd dat verordening nr. 864/2007 [Rome II, A-G] volgens de overwegingen 6, 13, 14 en 16 ervan tot doel heeft, de voorspelbaarheid van de uitkomst van rechtsgedingen, de rechtszekerheid aangaande het toepasselijke recht en de uniforme toepassing van die verordening in alle lidstaten te waarborgen (arrest van 17 november 2011, Homawoo, C‑412/10, EU:C:2011:747, punt 34). Verder blijkt uit de overwegingen 16 en 19 van verordening nr. 864/2007 dat de Uniewetgever met de vaststelling van de daarin voorziene aanknopingspunten een redelijk evenwicht heeft willen bereiken tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en die van de persoon die schade lijdt. Bij de uitlegging van het aanknopingspunt van artikel 8, lid 2, van deze verordening dient dus rekening te worden gehouden met de hierboven in herinnering gebrachte doelstellingen alsmede met de kenmerken van het domein waarop dit aanknopingspunt toepassing dient te vinden.
103. Gelet op deze doelstellingen dient in omstandigheden waarin eenzelfde verweerder verschillende inbreukmakende handelingen worden verweten die vallen onder het begrip „gebruik” in de zin van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 6/2002 [Gemeenschapsmodellenverordening, A-G] en die in verschillende lidstaten zijn verricht, voor de vaststelling van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet te worden gerefereerd aan elke verweten inbreukmakende handeling, maar dient het gedrag van die verweerder in zijn totaliteit te worden beoordeeld teneinde de plaats vast te stellen waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, is verricht of dreigt te worden verricht.
104. Een dergelijke uitlegging stelt de aangezochte rechter in staat, gemakkelijk het toepasselijke recht te bepalen aan de hand van één enkel aanknopingspunt, te weten de plaats waar de inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan verschillende handelingen die de verweerder worden verweten, is verricht of dreigt te worden verricht, overeenkomstig de in punt 102 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen. Door deze uitlegging kan ook de voorspelbaarheid van het aldus aangewezen recht worden gewaarborgd voor alle partijen bij gedingen inzake inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten van de Unie.
105. De verwijzende rechter formuleert ook een aantal vragen met het oog op de vaststelling van het toepasselijke recht overeenkomstig artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 in omstandigheden als die van de hoofdgedingen.
(…)
109. Met betrekking tot de tweede vraag van de verwijzende rechter, die betrekking heeft op het toepasselijke recht wanneer een marktdeelnemer producten die de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten zouden schenden, door een derde laat verzenden naar een andere lidstaat dan die waar hij is gevestigd, dient te worden beklemtoond, zoals reeds in punt 103 van het onderhavige arrest werd uiteengezet, dat voor de vaststelling van de schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 niet dient te worden gerefereerd aan elke aan de verweerder verweten individuele inbreukmakende handeling, maar het gedrag van die verweerder in zijn totaliteit dient te worden beoordeeld teneinde de plaats vast te stellen waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, is verricht of dreigt te worden verricht door de verweerder.
(…)
111. Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „land waar de inbreuk is gepleegd” in de zin van die bepaling ziet op het land van de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. In omstandigheden waarin eenzelfde verweerder verschillende inbreukmakende handelingen worden verweten die in verschillende lidstaten zijn verricht, dient voor de vaststelling van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet te worden gerefereerd aan elke verweten inbreukmakende handeling, maar dient het gedrag van die verweerder in zijn totaliteit te worden beoordeeld teneinde de plaats vast te stellen waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, door die verweerder is verricht of dreigt te worden verricht.’
5.48
Op grond van het Nintendo-arrest kan worden betoogd dat de mozaïekbenadering zich moeizaam laat verenigen met de doelstellingen van Rome II.94.Daarbij teken ik aan dat in het Nintendo-arrest uitleg is gegeven aan art. 8 lid 2 Rome II, waarin wordt uitgegaan van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (‘waar de inbreuk is gepleegd’) en niet van de plaats waar de schade zich voordoet.
5.49
Wat het bevoegdheidsrecht betreft, heeft het HvJEU in het kader van de bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit onrechtmatige daad (thans in art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis) voor verschillende typen van onrechtmatige daden de mozaïekbenadering aanvaard. Het gaat daarbij om inbreuken op persoonlijkheidsrechten door onrechtmatige publicaties,95.maar ook om schending van een verbod op doorverkoop buiten een selectief distributienetwerk via websites die in verschillende landen actief zijn,96.om inbreuken op merkenrechten97.en op auteursrechten.98.
5.50
Uit het arrest Volvo van het HvJEU kan worden afgeleid dat het Hof deze benadering afwijst waar het gaat om de bevoegdheid ten aanzien van vorderingen die zien op schade, bestaande in extra kosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs als gevolg van een kartel. Na in dat arrest te hebben overwogen dat ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ de plaats is waar de goederen zijn gekocht, is het Hof ingegaan op de situatie dat de benadeelde de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht. Volgens het Hof levert de plaats van aankoop dan geen geschikt criterium op voor het bepalen van de bevoegdheid uit hoofde van art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis op grond van het Erfolgsort:
’40. Evenwel zij erop gewezen dat die oplossing [plaats van aankoop, A-G] ervan uitgaat dat de benadeelde koper uitsluitend in het rechtsgebied van één enkel gerecht goederen heeft gekocht waarop de betrokken heimelijke afspraken betrekking hadden. Anders is het immers niet mogelijk om één enkele plaats van het intreden van de schade vast te stellen ten aanzien van de benadeelde koper.’99.
5.51
Heeft de benadeelde de goederen op meerdere plaatsen gekocht, dan moet volgens het HvJEU worden teruggegrepen op de uitleg die het Hof in zijn arrest CDC/Akzo heeft gegeven aan ‘de plaats waar de schade is ingetreden’:
’41. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door met artikel 101 VWEU strijdige regelingen en die bestaat in extra kosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs, heeft geoordeeld dat de plaats van het intreden van de schade enkel voor iedere beweerde benadeelde individueel kan worden vastgesteld en dat het daarbij in beginsel gaat om de plaats van de zetel van deze laatste (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 52).’100.
5.52
Volgens het HvJEU voldoet de aanknoping bij de zetel van de benadeelde onderneming aan het vereiste van voorspelbaarheid aangezien de verweerders (de kartellisten) ‘niet onwetend kunnen zijn van de omstandigheid dat de kopers van de betrokken goederen binnen de door de heimelijke afspraken beïnvloede markt zijn gevestigd’ (punt 42).101.Daaruit kan worden afgeleid dat slechts bij de zetel van de benadeelde kan worden aangeknoopt, voor zover deze zich bevindt binnen de markt die door de concurrentiebeperking is beïnvloed. Gaat het om de aankoop van de goederen op verschillende plaatsen, dan concentreert het Hof de bevoegdheid op basis van het Erfolgsort dus bij één gerecht: dat van de zetel van de benadeelde onderneming (voor zover gelegen binnen de beïnvloede markt). De plaats van aankoop is in die omstandigheden géén geschikte aanknopingsfactor voor de bevoegdheid. Denkbaar was geweest dat het Hof had geoordeeld dat de rechter van de plaats van aankoop wél bevoegd was, maar dan slechts ten aanzien van de schade die in zijn rechtsgebied is ingetreden. Het Hof heeft echter afgezien van de toepassing van de mozaïekbenadering in deze context en het noodzakelijk geacht dat de aanknoping bij de plaats van intreden van de schade leidt tot één bevoegde rechter.
(g) Art. 6 lid 3, sub b, Rome II: rechtskeuze voor de lex fori
5.53
Zoals ik reeds heb vermeld, heeft de Commissie in het Groenboek onderkend dat een distributieve toepassing van verschillende rechtsstelsels procedures erg ingewikkeld kan maken.102.Daarom heeft de Commissie voorgesteld dat de partij die schadevergoeding vordert onder bepaalde voorwaarden een rechtskeuze kan uitbrengen zodat de gehele vordering door één rechtsstelsel wordt beheerst,103.waardoor de private handhaving van het mededingingsrecht wordt bevorderd.104.
5.54
Het voorstel van de Commissie heeft geleid tot de invoeging van art. 6 lid 3, onder b, Rome II, waarin is geregeld dat de partij die schadevergoeding vordert, onder bepaalde voorwaarden ervoor kan kiezen haar vordering te laten beheersen door de lex fori. Van de algemene bevoegdheid tot het uitbrengen van een (meerzijdige) rechtskeuze, die is geregeld in art. 14 Rome II, kan op grond van art. 6 lid 4 Rome II geen gebruik worden gemaakt in zaken die een beperking van de concurrentie betreffen.
5.55
In de literatuur wordt aangenomen dat de Europese wetgever bij het opstellen van art. 6 lid 3, onder b, Rome II vooral de situatie voor ogen heeft gehad waarin een eiser schadevergoeding vordert naar aanleiding van een door de Commissie vastgestelde inbreuk op het Unitaire mededingingsrecht, waarbij de concurrentie op meerdere nationale markten is beïnvloed.105.De eiser die als gevolg van die beïnvloeding in meerdere lidstaten schade heeft geleden, zou op grond van de marktregel van art. 6 lid 3, onder a, Rome II moeten aantonen op welke nationale markten schade is geleden, terwijl de toepassing van de Unitaire mededingingsregels geen allocatie van de geleden schade op een specifieke nationale markt vereist. Daarmee kan de toepassing van art. 6 lid 3, onder a, Rome II dus een obstakel voor de eiser vormen om een vordering in te stellen naar aanleiding van een inbreuk op art. 101 of 102 VWEU. Dit obstakel wordt weggenomen wanneer de eiser de mogelijkheid heeft om op de gehele schadevordering één toepasselijk recht aan te wijzen, waarmee de privaatrechtelijke handhaving van het Unitaire mededingingsrecht wordt gestimuleerd.
5.56
Uit de tekst van art. 6 lid 3, onder b, Rome II volgt dat de eiser eenzijdig een rechtskeuze voor de lex fori kan uitbrengen, op voorwaarde dat (i) de vordering strekt tot schadevergoeding, (ii) de vordering aanhangig is bij het gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, en (iii) de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd.
5.57
Ook kent art. 6 lid 3, onder b, Rome II een regeling voor het geval dat de eiser meerdere verweerders voor het gerecht van de lidstaat van de woonplaats van één verweerder daagt overeenkomstig de toepasselijke regels inzake internationale bevoegdheid.106.In dat geval kan de eiser uitsluitend een rechtskeuze voor de lex fori uitbrengen indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt. Art. 6 lid 3, onder b, Rome II kan dus niet worden toegepast indien vorderingen tegen de verweerder(s) aanhangig zijn gemaakt op grond van het forum delicti van art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis.
5.58
Rome II geeft geen antwoord op de vraag wat moet worden verstaan onder ‘rechtstreekse en aanzienlijke’ beïnvloeding van de markt. Met die woorden wordt tot uitdrukking gebracht dat er om forumshopping te ontmoedigen een daadwerkelijke band moet bestaan met de lidstaat waar de procedure aanhangig wordt gemaakt.107.In de literatuur is verdedigd dat van ‘rechtstreekse en aanzienlijke beïnvloeding’ sprake is als de concurrentiebeperking merkbaar is in de lidstaat van het forum. De markt in die lidstaat hoeft echter niet de meest beïnvloede markt te zijn.108.Ook is wel gesuggereerd om aansluiting te zoeken bij de zogenaamde ‘de minimis’-mededeling van de Commissie109.die als richtsnoer dient voor de toepassing van de Europese regelgeving betreffende kartelverboden.110.Deze mededeling bevat criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of een kartelovereenkomst de handel tussen lidstaten of de mededinging merkbaar heeft beïnvloed, hetgeen een voorwaarde is voor een inbreuk op art. 101 VWEU. In geval van follow-on vorderingen zal veelal uit het besluit van de mededingingsautoriteit, dat ten grondslag ligt aan de vordering, kunnen worden afgeleid of sprake is van een rechtstreekse en aanzienlijke beïnvloeding van de markt in de forumstaat.111.
5.59
In de literatuur is de vraag gesteld of in art. 6 lid 3, onder b, Rome II nog de aanvullende voorwaarde moet worden gelezen dat de partij die kartelschadevergoeding vordert in meer dan één land schade moet hebben geleden.112.Ik geef als voorbeeld dat door de mededingingshandeling niet alleen de markt van land A – waar de benadeelde schade heeft ondervonden – is beïnvloed, maar ook de markt van land B – waar de kartellist is gevestigd. Zou dan de (benadeelde) eiser die zijn vordering in land B aanhangig maakt bij de rechter van de vestigingsplaats van de kartellist, een rechtskeuze kunnen uitbrengen voor het recht van land B, terwijl hij slechts in land A schade heeft geleden? De eiser zou daarbij belang kunnen hebben bijvoorbeeld in het geval dat naar het recht van land B langere verjaringstermijnen gelden dan volgens het recht van land A. Deze rechtskeuze moet worden aanvaard, wanneer aan de voorwaarden van art. 6 lid 3, onder b, Rome II is voldaan.113.Deze opvatting sluit aan bij de achterliggende ratio van de bepaling, te weten de verbetering van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht in de EU.114.Noch uit de bewoordingen noch uit de ontstaansgeschiedenis van art. 6 lid 3, onder b, Rome II kan worden afgeleid dat slechts een rechtskeuze kan worden uitgebracht indien de vordering van de eiser betrekking heeft op schade die zich in meerdere landen heeft voorgedaan. Het stellen van de extra voorwaarde kan de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht belemmeren in het geval dat meerdere eisers uit verschillende landen hun vorderingen gezamenlijk aanhangig maken.115.
(h) Rechtskeuze voor de lex fori onder art. 4 WCOD?
5.60
Zoals ik reeds heb opgemerkt, heeft de Europese wetgever in art. 6 lid 3, onder b, Rome II de eiser de mogelijkheid gegeven onder omstandigheden eenzijdig te kiezen voor de lex fori. Het recht van het gerecht waarbij de eiser het geschil aanhangig heeft gemaakt, te weten het recht van het gerecht van de woonplaats van de verweerder, is dan van toepassing op de vordering uit hoofde van alle schade die zich heeft verwezenlijkt in verschillende landen waarvan de markten door de verboden overeenkomst of gedraging zijn beïnvloed.
5.61
In art. 4 WCOD ontbreekt de mogelijkheid van een eenzijdige rechtskeuze voor de lex fori, zoals is opgenomen in art. 6 lid 3, onder b, Rome II. Wel kent art. 6 WCOD de mogelijkheid van een rechtskeuze door partijen, maar daarvan is in de zaak die thans aan de orde is, geen sprake. Wanneer onder de WCOD een mozaïekbenadering wordt toegepast, kan deze toepassing de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten uiterst moeilijk maken. Het toestaan van een eenzijdige rechtskeuze voor de lex fori voorkomt de problemen waartoe de mozaïekbenadering kan leiden. De toepassing van art. 4 lid 1 WCOD op een geval waarin de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen in meerdere landen heeft beïnvloed, kan inderdaad leiden tot versnippering van het toepasselijk recht (mozaïekbenadering). Bij de totstandkoming van de WCOD (in de jaren negentig van de vorige eeuw) was de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht nog tamelijk onontgonnen terrein. Ook was rechtskeuze bij onrechtmatige daad een tamelijk nieuw fenomeen en heeft het COVA-arrest van de Hoge Raad116.op dit punt voor een belangrijke doorbraak gezorgd. De WCOD heeft, zoals in de MvT is opgemerkt, de voornaamste regels van het IPR inzake onrechtmatige daad vastgelegd en ‘zo nauw mogelijk’ aangesloten bij het COVA-arrest. ‘Van de bijzondere regels worden om hun maatschappelijk belang alleen die betreffende de ongeoorloofde mededinging uitgewerkt’, aldus de MvT.117.Bij die uitwerking heeft de wetgever niet gedacht aan het opnemen van de mogelijkheid voor de benadeelde om een eenzijdige rechtskeuze voor de lex fori uit te brengen, zoals thans is opgenomen in art. 6 lid 3, onder b, Rome II. Er is naar mijn mening geen juridisch beletsel om onder de gelding van art. 4 lid 1 WCOD een rechtskeuze voor de lex fori toe te staan naar analogie van het bepaalde in art. 6 lid 3, onder b, Rome II.
(i) Aan wie komt het keuzerecht toe?
5.62
Volgens de Nederlandse tekst van art. 6 lid 3, onder b, Rome II, eerste volzin, en overweging 22 van de considerans, laatste volzin, komt de bevoegdheid tot het eenzijdig doen van een rechtskeuze toe aan ‘de persoon die schadevergoeding vordert’. Deze persoon wordt in het vervolg van art. 6 lid 3, onder b, Rome II aangeduid als ‘de eiser’. Ook in de andere taalversies van art. 6 lid 3, onder b, Rome II wordt de bevoegdheid toegekend aan de persoon die schadevergoeding vordert resp. de eiser. Zie bijvoorbeeld in het Engels: ‘the person seeking compensation for the damage’ / ‘the claimant’ en in het Frans: ‘le demandeur en réparation’ / ‘le demandeur’. In de Duitse taalversie wordt de bevoegdheid toegekend aan ‘ein Geschädigter’, maar in het vervolg van de bepaling wordt weer gesproken van ‘der Kläger’, zodat aan deze enkele afwijking geen bijzondere betekenis kan worden toegekend.
5.63
Uit de bewoordingen van de verschillende taalversies volgt dat de bevoegdheid tot het doen van een eenzijdige rechtskeuze voor de lex fori toekomt aan degene die de vordering tot schadevergoeding instelt.118.Daaronder kan ook worden begrepen een ander dan de benadeelde, waaronder een claimvehikel dat de schadevergoedingsvordering(en) heeft verkregen uit hoofde van cessie.
5.64
Zoals ik reeds heb opgemerkt, moet art. 6 lid 3 Rome II in verband worden gebracht met het doel van de Commissie om de privaatrechtelijke handhaving van het Unierechtelijke mededingingsrecht te versterken. Het Groenboek had tot doel om de privaatrechtelijke handhaving van het Unierechtelijke mededingingsrecht te bevorderen.119.Vervolgens heeft de Commissie in 2008 het ‘Witboek betreffende schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels’ gepubliceerd.120.In de toelichting daarop heeft de Commissie de conflictregel van art. 6 lid 3 Rome II in dat licht als voldoende effectief omschreven:
‘The Commission believes that Article 6(3) of Regulation 864/2007 contains an appropriate applicable law rule enabling claimants to effectively use their right to obtain antitrust damages in case of an infringement of the EC competition rules. In particular, these new rules, read together with the rules on jurisdiction, allow for procedural economy as they provide claimants with the option to have their case for antitrust damages heard by one court applying one single law, even in situations where more than one defendant is involved and where the damages occurred in several Member States. The Commission therefore does not consider it necessary to further address the issue of applicable law in the White Paper.’ [voetnoot weggelaten, A-G]121.
5.65
Uiteindelijk hebben de inspanningen van de Commissie op dit terrein geleid tot de reeds genoemde Kartelschaderichtlijn.122.Deze richtlijn heeft tot doel het recht van benadeelden te versterken om in een civiele procedure schadevergoeding op grond van een inbreuk op het Unierechtelijke en nationaalrechtelijke mededingingsrecht te vorderen.123.In overweging 5 van de considerans van de Kartelschaderichtlijn worden schadevorderingen omschreven als ‘één onderdeel van een effectief systeem van privaatrechtelijke handhaving bij inbreuken op het mededingingsrecht’. De richtlijn houdt er uitdrukkelijk rekening mee dat een vordering tot schadevergoeding niet wordt ingesteld door de benadeelde zelf, maar door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten van de benadeelde zijn overgegaan, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven.124.
5.66
De ratio van art. 6 lid 3, onder b, Rome II, zoals die volgt uit de context van de totstandkoming van de bepaling, biedt steun aan de uitleg dat de eenzijdige rechtskeuze ook toekomt aan een persoon of entiteit die van een benadeelde een schadevergoedingsvordering heeft verkregen en vervolgens een procedure tot verhaal van de schade aanhangig maakt. Een andere opvatting zou de privaatrechtelijke handhaving van het Unierechtelijke mededingingsrecht belemmeren, in die zin dat een benadeelde altijd zelf zou moeten procederen om te kunnen profiteren van art. 6 lid 3, onder b, Rome II.
5.67
Het HvJEU heeft zich nog niet uitgelaten over (de uitleg van) art. 6 lid 3, onder b, Rome II. Wel heeft het HvJEU in het kader van het bevoegdheidsrecht onder de voorloper van (thans) art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis, tweemaal geoordeeld dat de overdracht van schuldvorderingen door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed heeft op de bepaling van het bevoegde gerecht. De plaats van het schadebrengende feit moet voor iedere schadevordering afzonderlijk worden bepaald, ongeacht een eventuele overdracht of bundeling ervan.125.
5.68
Deze benadering heeft het HvJEU ook toegepast in het kader van art. 4 Rome II. In de zaak BMA Nederland had de curator van BMA Nederland en haar moeder BMA Groep BV een Peeters/Gatzen-vordering ingesteld tegen de Duitse grootmoeder BMA Braunschweigische Maschinenbauanstalt AG, omdat zij haar zorgplicht jegens de gezamenlijke schuldeisers van BMA Nederland zou hebben geschonden. De Stichting Belangenbehartiging Crediteuren BMA Nederland, die tot doel heeft het behartigen van de belangen van de schuldeisers van BMA Nederland, was in het geding tussengekomen met een vordering op de voet van art. 3:305a BW. De verwijzende rechter heeft aan het HvJEU in essentie de vraag voorgelegd of art. 4 Rome II aldus moet worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op de verplichting tot schadeloosstelling uit hoofde van de zorgplicht die rust op de grootmoedermaatschappij van een failliete vennootschap in beginsel het recht is van het land waar deze vennootschap is gevestigd. Het HvJEU heeft die vraag bevestigend beantwoord en in dat verband het volgende overwogen:
‘Wat in de tweede plaats de omstandigheid betreft dat de vorderingen in het hoofdgeding zijn ingesteld door een curator in het kader van zijn wettelijke taak tot afwikkeling van de boedel en door een collectieve belangenbehartiger ten behoeve van, maar niet namens de gezamenlijke schuldeisers, volstaat het om op te merken dat volgens de bij de Rome II‑verordening ingevoerde regeling de vraag wie de vordering instelt en om welk soort vordering het gaat, geen invloed heeft op de vaststelling van de plaats waar de schade zich voordoet.’126.
5.69
Hoewel in de BMA-zaak geen sprake was van een overdracht van vorderingen, moet het oordeel van het Hof dat de vraag wie de vordering instelt en om welk soort vordering het gaat geen invloed heeft op de vaststelling van de plaats waar de schade zich voordoet, ook van toepassing worden geacht in het geval van overdracht van vorderingen.
(i) Beantwoording vraag (vi)
5.70
Ik kom tot een afronding. Nu ik heb bepleit om de mogelijkheid van een eenzijdige rechtskeuze voor de lex fori, zoals opgenomen in art. 6 lid 3, onder b, Rome II naar analogie toe te passen onder de gelding van art. 4 lid 1 WCOD, geldt dit eveneens voor de vraag wie die rechtskeuze kan uitbrengen. Er is geen reden om onder de WCOD aan een claimvehikel deze mogelijkheid van rechtskeuze voor de lex fori te onthouden.
5.71
Op grond van het bovenstaande meen ik dat vraag (vi) als volgt moet worden beantwoord: In het geval dat de concurrentieverhoudingen (ten minste) op de gehele interne markt en dus in meerdere landen, worden beïnvloed waardoor op grond van art. 4 lid 1 WCOD meerdere rechtsstelsels van toepassing zouden zijn, kan de rechter het toepasselijk recht vaststellen op een wijze die overeenkomt met art. 6 lid 3, onder b, Rome II (rechtskeuze voor de lex fori).
6. Vragen (viii) t/m (x)
6.1
De vragen (vii) t/m (x) hebben betrekking op de uitleg van art. 6 lid 3, onder a en b, Rome II.
6.2
Vraag (vii) heeft betrekking op de uitleg van art. 6 lid 3, onder a, Rome II. Nu ik van mening ben dat onder de toepassing van art. 4 lid 1 WCOD op de kartelschadevorderingen een rechtskeuze voor de lex fori kan worden uitgebracht naar analogie van het bepaalde in art. 6 lid 3, onder b, Rome II, behoeft vraag (vii) geen beantwoording.
6.3
De vragen (viii) en (ix) hebben betrekking op de mogelijkheid van rechtskeuze voor de lex fori op grond van art. 6 lid 3, onder b, Rome II. Deze vragen zijn aan de orde gekomen bij de bespreking van de WCOD en art. 6 Rome II. Zoals ik heb betoogd, geldt onder art. 6 lid 3, onder b, Rome II niet het aanvullende vereiste dat de gevolgen voor de gedupeerde zich in verschillende landen moeten hebben voorgedaan. Met het oog op de toepassing van de rechtskeuze voor de lex fori door de gedupeerde onder art. 4 lid 1 WCOD, geldt evenmin zo’n aanvullend vereiste. Vraag (viii) kan dan bevestigend worden beantwoord en vraag (ix) ontkennend.
6.4
Vraag (x) stelt de kwestie aan de orde of er met het oog op de mogelijkheid van rechtskeuze van art. 6 lid 3, onder b, Rome II, een onderscheid moet worden gemaakt tussen Claimanten die zelf schade hebben geleden en Claimanten die vorderingen hebben opgekocht en als claimvehikel de vorderingen in rechte instellen. Zoals ik heb betoogd, is er onder art. 6 lid 3, onder b, Rome II geen reden om een dergelijk onderscheid te maken. Bij analoge toepassing van deze bepaling onder de WCOD moet evenmin zo’n onderscheid worden gemaakt. Vraag (x) kan dus ontkennend worden beantwoord.
7. Conclusie
De conclusie strekt tot beantwoording van de vragen zoals voorgesteld onder 3.8, 4.15, 5.71 en 6.2 t/m 6.4 van deze conclusie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑04‑2024
Wet van 11 april 2001, houdende regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad (Wet conflictenrecht onrechtmatige daad), Stb. 2001, 190.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40.
C(2017) 6467 final.
Zaak AT-39824 – Trucks, zie voor de samenvatting PbEU 2017, C 108/6 en PbEU 2020, C 216/9.
Zaak T-799/17, ECLI:EU:T:2022:48.
Zaak C-251/22 PP, ECLI:EU:C:2024:103.
Met de term follow-on vorderingen worden in het mededingingsrecht kartelschadevorderingen aangeduid op basis van de door de Commissie geconstateerde schending van art. 101 VWEU. Dit in tegenstelling tot stand alone vorderingen die ingesteld worden zonder dat een schending van het mededingingsrecht door een mededingingsautoriteit is vastgesteld, zie o.a. E.J. Zippro, Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht, (R&P 174), 2009/4.5.6.8; J.W. van de Gronden, Mededingingsrecht in de EU en Nederland, 2022, p. 314-315; I.P.M. Ligteringen, Privaatrechtelijke gevolgen van een schending van het mededingingsrecht, 2016, nr. 219; J. Turner, A. Howard & M. Armitage, ‘Litigating Infringements in National Courts’, in: D. Bailey & L.E. John (eds.), Bellamy & Child. European Union Law of Competition, 2018, par. 16.060.
Zie rov. 3.2 van het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam 15 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574 (gewezen in de eerste groep van truckzaken).
HvJEU 1 februari 2024, zaak C-251/22 P, ECLI:EU:C:2024:103 (Scania).
Zie ook Hof Amsterdam 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1940, NJF 2021/323 (Luchtvaartkartel); Rb. Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636 (Liftenkartel), rov. 4.24: ‘Dit betekent dat de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone c.s. de deelname aan het Liftenkartel is, hetgeen is aan te merken als één enkele onrechtmatige gedraging die de gehele inbreukprocedure heeft voortgeduurd’. Dit vonnis is bevestigd door Hof Den Haag 24 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:132.
Zie o.a. HvJEU 9 maart 1978, 106/77, ECLI:EU:C:1978:49 (Simmenthal), punt 16; HvJEU 20 september 2001, C‑453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage en Crehan), punt 23; HvJEU 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04-298/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), punt 89. Zie ook o.a. K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht, 2023, nrs. 854 e.v.; Asser/Hartkamp 3-I 2023/109 e.v.
Zie o.a. HvJEU 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e.a.), punt 24.
Zie o.a. HvJEU inzake Courage en Crehan, reeds aangehaald, punt 29; HvJEU inzake Manfredi e.a., reeds aangehaald, punt 62; HvJEU inzake Kone e.a., reeds aangehaald, punt 25.
Zie o.a. HvJEU 7 december 2010, C-439/08, ECLI:EU:C:2010:739 (VEBIC), punt 57; HvJEU 14 juni 2011, C-360/09, ECLI:EU:C:2011:389 (Pfleiderer), punt 24.
Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, PbEU 2014, L 349/1. De richtlijn is op 25 december 2014 in werking getreden. In Nederland heeft de implementatie plaatsgevonden krachtens de Implementatiewet richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht van 25 januari 2017, Stb. 2017, 28. Deze wet is op 10 februari 2017 in werking getreden.
Zie over kwalificatie o.a.: Asser/Vonken 10-I 2023/372 e.v.; L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 12e druk, 2019/111 e.v.; P. Vlas, IPR en BW, (Mon. BW nr. A27) 2015/26.
Strikwerda/Schaafsma, a.w., 2019/116.
Strikwerda/Schaafsma, a.w., 2019/112.
Strikwerda/Schaafsma, a.w., 2019/114.
Zie vooral HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1148, NJ 1994/622, m.nt. P. van Schilfgaarde en J.C. Schultsz (COVA).
Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 2.
Zie o.a. F. Ibili, Groene Serie Onrechtmatige Daad, WCOD, aant. 4; J.A. Pontier, Onrechtmatige daad en andere niet-contractuele verbintenissen, Praktijkreeks IPR, deel 16, 2015, nr. 377 (p. 273). Zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7753, rov. 3.14; hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1060, rov. 5.5.
Zie art. IV, aanhef en onder o, Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek, Stb. 2011, 272.
Zie ook HvJEU 17 november 2011, C-412/10, ECLI:EU:2011:747, NJ 2012/109 (Homawoo).
Zie HvJEU inzake Homawoo, punt 34.
J. Fitchen, ‘The Applicable Law in Cross-Border Competition Law Actions and Article 6(3) of Regulation 864/2007’, in: M. Danov, F. Becker & P. Beaumont (eds.), Cross-Border EU Competition Law Actions, 2013, p. 304.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 3, 5-6.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 6.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 7.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gesloten te Brussel, 27 september 1968, Trb. 1969, 101.
HvJEG 19 september 1995, ECLI:EU:C:1995:289, NJ 1997/52, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 14 (Marinari). Zie ook het daarvóór gewezen arrest HvJEU 11 januari 1990, ECLI:EU:C:1990:8, NJ 1991/573, m.nt. J.C. Schultsz (Dumez France), rov. 30, waarin is geoordeeld dat de 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' verwijst naar de plaats waar het veroorzakende feit dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad meebrengt, rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 2.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 7-8.
J.A. Pontier, ‘Het wetsvoorstel Wet conflictenrecht onrechtmatige daad. Lokale wijsheid in internationaal perspectief’, NIPR 2000-340, par. 3.5.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 8.
Zie over de marktregel o.a. S.K. Martens in WPNR 1976/5355 (overgenomen in: C.C.A. Voskuil (red.), Overzicht 1973-1979 rechtspraak internationaal privaatrecht, deel II, p. 204), die van mening is dat voor het mededingingsrecht de lex loci delicti moet worden vervangen door een speciale conflictregel, namelijk het recht van de markt, ‘waar de belangen van de betrokken concurrenten op elkaar botsen, dat wil in de regel zeggen de markt, waar de betrokken concurrenten met elkaar de strijd voeren om de gunst van afnemers of leveranciers’; zie ook L. Strikwerda, ‘Is de ‘marktregel’ nodig?’, BIE 1997; J.J.C. Kabel, ‘Grensoverschrijdende reclame en oneerlijke mededinging’, AA 42 (1993) 10, p. 721.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 8.
Het Rapport van de Staatscommissie tot regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad, 23 december 1996, nr. 15, is ook gepubliceerd in: Th.M. de Boer (red.), Vijftig jaar lex loci delicti. Van Dubbinks proefschrift tot een Wet conflictenrecht onrechtmatige daad, 1998, p. 57-77.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 8.
Zie ook J.A. Pontier, a.w., Praktijkreeks IPR, deel 16, 2015, nr. 377 (p. 277).
Kamerstukken II, 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 9.
Zie ook P. Vlas, ‘Rechtskeuze op het gebied van de onrechtmatige daad in het commune ipr en in het verdragenrecht’, in: Th.M. de Boer (red., Vijftig jaar lex loci delicti, Van Dubbinks proefschrift tot een Wet conflictenrecht onrechtmatige daad, 1997, p. 17-27.
Kamerstukken II 1998/99, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 10.
ECLI:NL:RBMNE:2016:4284. In een andere zaak over het liftenkartel stond kennelijk niet ter discussie dat Nederlands recht van toepassing was, zie Rb. Rotterdam 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8230, rov. 9.18.
Zie hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1060, rov. 5.5.
Rb. Gelderland 24 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6118, rov. 4.2, zie ook Rb. Gelderland 10 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3713.
Hof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7753, rov. 3.14.
COM(2003) 427 def.
Hetzelfde geldt voor het gewijzigde Commissievoorstel COM(2006) 86 def., ingediend naar aanleiding de Resolutie van het Europees Parlement A6-0211/2005.
COM(2005)672 def.
Annex bij COM(2005) 672 def., nr. 245.
Annex bij COM(2005) 672 def., nrs. 247-248. Vgl. ook nr. 245, waaruit volgt dat de Commissie de toepasselijkheid van één rechtsstelsel in de procedure ‘het optimale scenario’ acht.
Annex bij COM(2005) 672 def., nrs. 250 en 253.
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 22/2006, PbEU C 289E/68.
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 22/2006, PbEU C 289E/72, art. 6 lid 3.
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 22/2006, PbEU C 289E/68, overweging 19-21.
Resolutie Europees Parlement A6/2007/133, punt 13.
Zie o.a. M. Illmer, ‘Art. 6 Rome II’, in: P. Huber, Rome II Regulation: pocket commentary, 2011, p. 184; T. Rosenkranz en E. Rohde, ‘The law applicable to non-contractual obligations arising out of acts of unfair competition and acts restricting free competition under Article 6 Rome II Regulation’, NIPR 2008-4, p. 436; Fitchen, in: M. Danov, F. Becker & P. Beaumont (eds.), a.w., 2013, p. 311-312; R. Plender & M. Wilderspin, The European Private International Law of Obligations, 2023, nr. 20-055; Francq & Wurmnest, a.w., 2012, p. 100-102.
Zie o.a. Magnus/Mankowski/Illmer, a.w., Art. 6, nr. 107; Francq & Wurmnest, a.w., 2012, p. 110-111; S. Augenhofer, ‘Article 6 Unfair Competition and Acts Restricting Free Competition, in: G.P. Calliess en M. Renner (eds.), Rome Regulations: Commentary, 2020, nr. 77.
Zie o.a. Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2022/1025; A. Dickinson, The Rome II Regulation: The law applicable to non-contractual obligations, 2008, nr. 6.62.
Bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht, PbEU C 1997/372.
Zie Magnus/Mankowski/Illmer, a.w., Art. 6, nr. 131-132.
Zie Plender & Wilderspin, a.w., 2023, nr. 20-057.
Zie Magnus/Mankowski/Illmer, a.w., Art. 6, nr. 134.
Zie Plender & Wilderspin, a.w., 2023, nr. 20-058; in dezelfde zin: D. Ashton, Competition Damages Actions in the EU and the UK, 2023, p. 92-93.
Annex bij COM(2005) 672 def., nr. 247.
Zie ook het door de Raad vastgestelde Gemeenschappelijk Standpunt (EU) nr. 22/2006, waarin in ov. 20 staat: ‘In het geval dat de schade zich in meer dan een land voordoet, moet de toepassing van het recht van elk van de betrokken landen worden beperkt tot de schade die zich in het land voordoet.’
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351/1.
HvJEU 5 juli 2018, C-27/17, ECLI:EU:C:2018:533, NJ 2019/1, m.nt. L. Strikwerda, punt 40 (flyLAL). Zie ook HvJEU 29 juli 2019, C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635, NJ 2019/349 (Tibor-Trans), punt 33 en HvJEU 15 juli 2021, C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604, NJ 2021/307 (Volvo), punt 31.
Zie HvJEU inzake flyLAL, reeds aangehaald, punt 41; zie ook Conclusie A-G Bobek vóór het flyLAL-arrest, nr. 61, die stelt dat ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ in het geval een benadeelde schadevergoeding vordert op basis van het mededingingsrecht, niet elke plaats is waar de markt door de inbreuk is getroffen, maar moet worden opgevat als ‘de plaats binnen de door de inbreuk getroffen markt waar de gelaedeerde schade zou hebben geleden’.
HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda.
In de Nederlandse tekst staat slechts ‘zetel’, maar uit de Engelse taalversie, waarin wordt gesproken van ‘registered office’, kan worden afgeleid dat het gaat om de statutaire zetel.
HvJEU inzake CDC/Akzo, reeds aangehaald, punt 52.
HvJEU 29 juli 2019, C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635, NJ 2019/349.
Zie Magnus/Mankowski/Illmer, a.w., Art. 6, nr. 151; Plender & Wilderspin, a.w., 2023, nr. 20-072; Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/1026; Fitchen, in: M. Danov, F. Becker & P. Beaumont (eds.), a.w., 2013, p. 312.
COM(2003) 427 def., p. 12.
COM(2003) 427 def., p. 18.
Annex bij COM(2005)672 def., nr. 248.
Zie o.a. Fitchen, in: M. Danov, F. Becker & P. Beaumont (eds.), a.w., 2013, p. 313; Asser/Kramer & Verhagen 2022/1000, die wijzen op mogelijke coördinatie- en aanpassingsproblemen; Plender & Wilderspin, a.w., 2023, nr. 20-075; Francq & Wurmnest, in: J. Basedow, S. Francq & L. Idot (eds.), a.w., 2012, p. 127.
Magnus/Mankowski/Magnus, a.w., Art. 4, nr. 107.
Zie in vergelijkbare zin Fitchen in: M. Danov, F. Becker & P. Beaumont (eds.), a.w., 2013, p. 314.
HvJEU 27 september 2017, C-24/16 en C-25/16, ECLI:EU:C:2017:724, NJ 2018/5.
Vgl. ook J. Schulte, ‘The law applicable to infringements of unitary Community intellectual property rights. ECJ 27 September 2017, C-24/16 and C-25/16, EU:C:2017:724 (Nintendo)’, NIPR 2018, p. 322.
Zie reeds HvJEG 7 maart 1995, C-68/93, ECLI:EU:C:1995:61, NJ 1996/269, m.nt. Th.M. de Boer (Shevill).
HvJEU 21 december 2016, C-618/15, ECLI:EU:C:2016:976 (Concurrence).
HvJEU 19 april 2012, C-523/10, ECLI:EU:C:2012:220, NJ 2012/403, m.nt. M.V. Polak (Wintersteiger).
Zie o.a. HvJEU 3 oktober 2013, C-170/12, ECLI:EU:C:2013:635, NJ 2014/166, m.nt. L. Strikwerda (Pinckney).
HvJEU 15 juli 2021, C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604, NJ 2021/307 (Volvo), punt 40.
HvJEU inzake Volvo, punt 41.
HvJEU inzake Volvo, punt 42.
Annex bij COM(2005) 672 def., nr. 248.
COM(2005) 672 def., p. 12 (optie 34).
Vgl. B. Buchner, ‘Article 6 Unfair Competition and Acts Restricting Free Competition’, in: G.P. Calliess & M. Renner (eds.), Rome Regulations: Commentary, 2011, nr. 42.
Mededeling betreffende overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (de-minimismededeling), PbEU 2014, С 291/01.
S. Augenhofer, ‘Article 6 Unfair Competition and Acts Restricting Free Competition, in: G.P. Calliess en M. Renner (eds.), Rome Regulations: Commentary, 2020, nr. 97. Kritisch hierover: M. Hellner, ‘Unfair Competition And Acts Restricting Free Competition. A Commentary On Article 6 Of The Rome II Regulation’, 9 Yearbook of Private International Law 2007, p. 63-64; Magnus/Mankowski/Illmer, a.w., Art. 6, nr. 149.
Zie bijv. de uitspraak inzake het Truckkartel van 19 februari 2021 van het Landgericht München I, BeckRS 2021, 2231, rov. 95: ‘Unmittelbare und wesentliche Auswirkungen auf den deutschen Markt sind nach dem insoweit zugrunde zu legenden Klägervortrag durch das gemeinsame Verhalten aller Beklagten wie es im Kommissionsentscheid beschrieben wird gegeben oder wahrscheinlich.’
Francq & Wurmnest, in: J. Basedow, S. Francq & L. Idot (eds.), a.w., 2012, p. 127: ‘(…), the object of the concentration rule justifies its application only when a claimant has suffered damages in at least two different jurisdictions. Zie ook L.M. van Bochove, ‘Het toepasselijk recht op gebundelde kartelschadeclaims’, MvO 2020, p. 9, die zich bij deze opvatting van Francq en Wurmnest aansluit.
Zie o.a. S.J. Schaafsma, ‘Rome II: intellectuele eigendom en oneerlijke concurrentie’, WPNR 2008/6780, p. 1003; A. Dickinson, The Rome II Regulation, a.w., 2008, nrs. 6.68-6.73; Fitchen, in: M. Danov, F. Becker & P. Beaumont (eds.), a.w., 2013, p. 324; D. Ashton, Competition Damages Actions in the EU and the UK, Cheltenham 2023, nr. 3.25; Plender & Wilderspin, a.w., 2023, nrs. 20-073 e.v.
Zie W. Wurmnest, in: Münchener Kommentar zum BGB, 2021 (8. Auflage), Rom II-VO, Art. 6. Unlauterer Wettbewerb und den freien Wettbewerb einschränkendes Verhalten, nr. 327: ‘Richtig ist allerdings auch, dass jede Einschränkung dieser Art die private Rechtsdurchsetzung behindert, da das gemeinsame Einklagen von Ansprüchen aus einer Rechtsverletzung erschwert wird. Auch zeigt die neuere Fallpraxis, dass bei größeren Kartellen oftmals sehr viele Kläger aus Verschiedenen Staaten Schadensersatz am Sitz eines Beklagten einfordern, so dass die Gerichte ein großes Interesse daran haben, aus Effektivitätsgründen möglichst viele Klagen nach einem einzigen Recht zu beurteilen, was auch im Einklang mit dem Ziel des Bestimmungsrechts (Stärkung der Prozessökonomie) steht.’
HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1148, NJ 1994/622, m.nt. P. van Schilfgaarde en J.C. Schultsz.
Kamerstukken II, 1998-1999, 26 608, nr. 3 (MvT), p. 2.
Het keuzerecht lijkt zich niet uit te strekken tot de verkrijging van een rechterlijk verbod of andere vorderingen anders dan die tot schadevergoeding. Zippro heeft in dat verband opgemerkt dat het keuzerecht toekomt aan de persoon die schadevergoeding vordert en niet aan degene die schade lijdt. Zie E.-J. Zippro, Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht, 2009, p. 709, onder verwijzing naar S.J. Schaafsma, ‘Rome II: intellectuele eigendom en oneerlijke concurrentie’, WPNR 6780 (2008), p. 1003.
COM(2005) 672 def, 19 december 2005, par. 1.1 en 2.8.
COM(2008) 165 def.
Zie ‘Commission staff working paper accompanying the White Paper on Damages actions for breach of the EC antitrust rules’ van 2 april 2008, SEC(2008) 404, nr. 9. Zie ook E. Rodriguez Pineau, ‘Conflict of Laws Comes to the Rescue of Competition Law: The New Rome II Regulation’, Journal of Private International Law (2009) 311, p. 323-324; Magnus/Mankowski/Illmer, a.w., Art. 6, nr. 97. Zie verder: S. Augenhofer, ‘Article 6’, in: G.-P. Calliess & M. Renner (eds.), a.w., 2020, nr. 93; Francq & Wurmnest, in: J. Basedow, S. Francq & L. Idot (eds.), a.w., 2012, p. 93 en 124; M. Illmer, ‘Art. 6 Rome II’, in: P. Huber, Rome II Regulation: Pocket Commentary, 2011, nr. 108; S.J. Schaafsma, ‘Rome II: intellectuele eigendom en oneerlijke concurrentie’, WPNR 2008/6780, p. 1003.
Zie over de Kartelschaderichtlijn o.a. M.M.C. van de Moosdijk, ‘De richtlijn betreffende regels voor schadevorderingen wegens mededingingsinbreuken. Oude wijn in nieuwe zakken?’, in: E.M. Hoogervorst e.a. (red.), Kartelschade (O&R nr. 108), 2019, p. 1-24; E.J. Zippro & R. Meijer, ‘Lang verwacht, stil gezwegen, nooit gedacht, toch gekregen: de definitieve richtlijn betreffende schadevorderingen wegens mededingingsinbreuken’, MvV 2015/4.
Zie de definitie van ‘schadevordering’ in art. 2, aanhef en onder 4, Kartelschaderichtlijn: ‘een uit hoofde van het nationale recht ingestelde vordering waarbij een schadeclaim voor een nationale rechterlijke instantie wordt gebracht door een partij die beweert benadeeld te zijn of door iemand die optreedt namens een of meer partijen die beweren benadeeld te zijn, indien het Unierecht of het nationaal recht in deze mogelijkheid voorziet, of door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven’.
HvJEU 21 mei 2015, C‑352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/AkzoNobel), NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda, punt 35-36; HvJEU 18 juli 2013, C‑147/12, ECLI:EU:C:2013:490 (ÖFAB/Koot), punt 58-59.
HvJEU 10 maart 2022, C‑498/20, ECLI:EU:C:2022:173, NJ 2023/70, m.nt. A.J. Berends, punt 62.