Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/5.5
5.5 Gevolgen inrichting bestuursmodel
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS435941:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Er is (nog) geen gepubliceerde Nederlandse jurisprudentie waar geoordeeld is over de aansprakelijkheid van een non-executive director
Vgl. Dortmond 2003, p. 121 en Van den Ingh 2000 p. 142.
In Unilever Jaarverslag & Jaarrekening en Form 20-F 2001, p. 38 en 39 en Unilever Annual Report & Accounts and Form 20-F 2001, p. 35 wordt vermeld dat de adviserende leden formeel geen lid van de raad van bestuur zijn.
Unilever Annual Report & Accounts and Form 20-F 2001, p. 34-36, 38.
Vgl. art. 2:128 lid 2 BW Nieuwenhuis 2002, p. 229.
Vgl. o.a. Wezeman 2003, p. 44, Van Schilfgaarde 1986b, p. 34, die het verdedigbaar lijkt dat de curator onder omstandigheden (interim manager) de exoneratieclausule i.v.m. art. 2:138 BW tegen zich laat gelden. De Nijs Bik 1998, acht bovendien ongeoorloofd een vrijwaringsbeding voor handelen of nalaten in strijd met art. 2:9, 10, 394 BW en het nalaten om betalingsonmacht tijdig te melden. Idem m.b.t. art. 2:9 BW: Van der Grinten 1992, p. 458.
Vgl. Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, p. 501-502, Van Schilfgaarde 2009, p. 251.
Ook Van den Ingh 2000, p. 142.
Een van het dualistische model afwijkende inrichting van het bestuur kan belangrijke gevolgen hebben voor de aansprakelijkheidspositie van de toezichthouder.1 Een belangrijke rol speelt de vraag of de toezichthouder deel uitmaakt van het bestuur. Indien hij een (niet-uitvoerend) lid van het bestuur van de vennootschap is, komt hij — anders dan zijn collega-toezichthouder die commissaris is — aan de frontlinie te staan als het gaat om aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur. Een voorbeeld van een zuiver enkelvoudige bestuursstructuur is het hiervoor omschreven model van Fortis N.V. Als de non-executive onderdeel uitmaakt van het bestuur, zijn de aansprakelijkheidsregels voor bestuurders op hem van toepassing.2 Daarop zal in de volgende paragraaf worden ingegaan.
In een model waarbij de toezichthouder geen statutair bestuurder of commissaris is, valt hij niet automatisch onder het aansprakelijkheidsregime dat voor die functionarissen geldt. Dit lijkt terug te vinden in het oude bestuursmodel van Unilever N.V. (1999).
De volgende aspecten van dat bestuursmodel sprongen in het oog. Allereerst werd getracht de adviserende leden formeel geen deel uit te laten maken van het bestuur. Er werd gesproken over "adviserende leden van de raad" van bestuur, die "buiten" de leden van de raad van bestuur werden benoemd.3 Deze figuur lijkt niet inpasbaar in het vennootschapsrechtelijke systeem, waarin iemand of lid of geen lid van het bestuur is. Als iemand slechts adviseur is van de raad van bestuur en geen lid is van dat orgaan, zou niet van een "adviserend lid" van de raad van bestuur moeten worden gesproken. Opvallend is dat in Engelstalige officiële publicaties van Unilever werd gesproken over "Advismy Directors".4
In de tweede plaats bepaalden de statuten d.d. 6 april 1999 dat de adviserende leden geen stemrecht hadden in de raad van bestuur, hoewel ze de vergaderingen wel mocht bijwonen. Zodoende hadden de adviserende leden geen beslisverantwoordelijkheid. Binnen een meerhoofdig bestuur mocht echter geen enkele bestuurder van de besluitvorming zijn uitgesloten.5
Ten slotte bepaalden de statuten d.d. 6 april 1999 uitdrukkelijk dat de adviserende leden geen verantwoordelijkheid droegen voor enige door de raad van bestuur of zijn leden verrichte handeling of gepleegd verzuim. Aannemelijk is dat met deze uitsluiting van verantwoordelijkheid voor handelen of verzuim van de (andere) leden van de raad van bestuur, tevens getracht werd aansprakelijkheid daarvoor uit te sluiten. Indien wordt aangenomen dat de adviserende leden van de raad van bestuur wel degelijk deel uitmaakten van dat orgaan en zij derhalve bestuurders waren, kan die statutaire bepaling naar mijn oordeel niet het effect hebben de bepalingen die aansprakelijkheid van bestuurders jegens derden regelen, zoals art. 2:138 en 139 BW, buiten werking te stellen. Wellicht zou deze bepaling wel kunnen worden opgevat als een uitsluiting van aansprakelijkheid van de adviserende leden van de raad van bestuur ten opzichte van de vennootschap, doch slechts uitsluitend voor handelen of nalaten van de andere leden van de raad van bestuur. Niet uitgesloten leek te zijn verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor de eigen (onbehoorlijke) taakvervulling. Mogelijk hadden zij een contractuele vrijwaring in verband met die taakvervulling. Aangenomen wordt dat een vrijwaringsbeding de bestuurder in ieder geval niet beschermt in geval van ernstig verwijt, opzet en bewuste roekeloosheid.6
Voorts verdient opmerking dat de adviserende leden aansprakelijk konden zijn op grond van art. 2:138 lid 7 BW in verband met artikel 2:149 BW, nu "als ware hij bestuurder" dient te worden gelezen als "als ware hij commissaris".7Daamaast konden de adviserende leden van de raad van bestuur door rechtstreekse toepassing van art. 2:138 lid 7 BW als feitelijk beleidsbepalers aansprakelijk zijn indien zij (mede) het beleid van de vennootschap bepalen als ware zij bestuurders. In beide gevallen konden zij in een faillissement onder omstandigheden door de curator als commissarissen respectievelijk bestuurders aansprakelijk worden gehouden voor het tekort in de faillissementsboedel.
De toezichthouders die, zoals bij Reed Elsevier N.V., zitting hebben in de raad van commissarissen, zijn als zodanig aansprakelijk voor onbehoorlijk toezicht. Het enkele feit dat een commissaris lid is van een "gecombineerde vergadering" brengt in principe geen (wezenlijk) hoger aansprakelijkheidsrisico met zich dan van het zijn van commissaris sec.8 Dit is slechts anders indien hij zich als een feitelijk beleidsbepaler gedraagt.