Rechtbank Rotterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3277.
HR, 30-01-2026, nr. 24/00473
ECLI:NL:HR:2026:126
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-01-2026
- Zaaknummer
24/00473
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:126, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑01‑2026; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2560
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:575
ECLI:NL:PHR:2025:575, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:126
ECLI:NL:PHR:2024:1344, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑05‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑01‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2026-0013
PFR-Updates.nl 2026-0029
PFR-Updates.nl 2025-0125
Uitspraak 30‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht; conflictenrecht. Huwelijksvermogensrecht. Rechtskeuze ten processe voor Nederlands recht; vormvereisten ingevolge art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 juncto art. 1:115 lid 1 BW (notariële akte). Motiveringsklachten over toepassing Iraans huwelijksvermogensrecht. Openbare-orde-exceptie is van openbare orde. Verdeling echtelijke woning; overeenkomst tussen partijen over waarde woning? Samenhang met kortgedingzaak 24/00474.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00473
Datum 30 januari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: N.C. van Steijn.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/10/574529 / FA RK 19-4451 en C/10/584420 / FA RK 19-9106 van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2020;
b. de beschikkingen in de zaak 200.279.974/01 van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2022 en 19 december 2023.
De vrouw heeft tegen de beschikkingen van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping.De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking en tot verwijzing, en in het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep tot verwerping.De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op deze aanvullende conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd in Iran op 12 mei 2005.
(ii) Op het moment van huwelijkssluiting had de man de Nederlandse en de Iraanse
nationaliteit en de vrouw alleen de Iraanse nationaliteit. De vrouw is op 20 februari 2006 in Nederland gaan wonen. Op 15 april 2009 heeft de vrouw tevens de Nederlandse nationaliteit verkregen.
(iii) De Iraanse huwelijksakte van partijen bevat – volgens een in het geding gebrachte beëdigde vertaling – onder meer de volgende clausule:
“A: De vrouw stelt de voorwaarde dat wanneer de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en conform de bevinding van de rechtbank de vrouw haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, de man verplicht is om de helft van zijn aanwezige vermogen, dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, of de gelijke waarde daarvan, conform het besluit van de rechtbank aan de vrouw over te dragen.”
2.2
In deze procedure heeft de vrouw onder meer verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en, voor zover in cassatie van belang, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen overeenkomstig haar voorstel. Ook heeft de vrouw verzocht dat aan haar wordt betaald de helft van de vermogensaanwas van de man in de periode waarin Iraans recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime. De man heeft in eerste aanleg eveneens verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap verzocht, onder meer in die zin dat de echtelijke woning te [plaats] (hierna: de woning) aan hem wordt toegedeeld.
2.3
De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld.1.
De rechtbank heeft ten aanzien van de verdeling van het huwelijksvermogen overwogen dat van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, welk recht een wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen kent, en na 20 februari 2006 Nederlands recht, zodat vanaf 20 februari 2006 een huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen is ontstaan. (rov. 3.5.3-3.5.7 en rov. 3.5.12)
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw over de periode dat Iraans recht van toepassing is geen vordering heeft op de man, omdat de vrouw niet aan de voorwaarden van de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde clausule uit het huwelijkscontract heeft voldaan om recht te hebben op de helft van de vermogensaanwas van de man, nu zij zelf de echtscheidingsprocedure is aangevangen. De rechtbank acht een dergelijke clausule niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, aangezien dit een clausule is die de vrouw beschermt tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. (rov. 3.5.8-3.5.11)
Ten aanzien van de woning heeft de rechtbank overwogen dat partijen het erover eens zijn dat deze aan de man moet worden toegedeeld, dat de rechtbank de waarde van de woning vaststelt op € 940.000,--, en dat partijen het erover eens zijn dat de man de hypothecaire lening van € 940.000,-- voor zijn rekening neemt en de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering bij ASR zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,-- en onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. De rechtbank heeft voorts aan de overname van de woning door de man, zoals verzocht door de vrouw, een termijn verbonden van drie maanden na de datum van de beschikking, en overwogen dat de woning moet worden verkocht als de man binnen die termijn niet in staat is de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, te realiseren. (rov. 3.5.15)
2.4
Het hof heeft bij tussenbeschikking een onderzoek bevolen door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) naar de inhoud van het Iraans huwelijksvermogensrecht.2.Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
“Rechtsmacht en toepasselijk recht
(…)
5.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en met ingang van 20 februari 2006 Nederlands recht.
5.3
De man is het daar niet mee eens. Hij stelt zich primair op het standpunt dat het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van artikel 7 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 nimmer is gewijzigd, omdat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Derhalve moet het huwelijksvermogensregime van partijen naar Iraans recht worden afgewikkeld. Subsidiair stelt de man dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 15 april 2009 omdat de vrouw toen de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Meer subsidiair stelt de man dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 20 februari 2006 omdat de vrouw zich toen in Nederland heeft gevestigd.
5.4
De vrouw sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld over de wijziging van het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke recht. Zij betwist dat partijen huwelijks voorwaarden hebben opgemaakt.
5.5
Het hof overweegt als volgt. Gelet op de datum van huwelijkssluiting is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
5.6
De man heeft als productie 16 in hoger beroep een beëdigde vertaling van een uittreksel van een huwelijksakte overgelegd, welke vertaling door de vrouw niet is betwist. Daarin is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:
“(…)
Vereiste voorwaarden in dit contract:
A: De vrouw stelt de voorwaarde dat wanneer de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en conform de bevinding van de rechtbank de vrouw haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, de man verplicht is om de helft van zijn aanwezige vermogen, dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, of de gelijke waarde daarvan, conform het besluit van de rechtbank aan de vrouw over te dragen. Handtekening van de man, handtekening van de vrouw.
(…)”
5.7
Tussen partijen is niet in geschil dat deze huwelijksakte - waarin tevens ‘vereiste’ voorwaarden zijn opgenomen - wat de vorm betreft rechtsgeldig is opgesteld ten overstaan van de daartoe bevoegde huwelijksambtenaar in Iran, alsmede dat de akte is gedagtekend en door beide echtgenoten is ondertekend.
5.8
Mede gelet op de jurisprudentie, dient naar het oordeel van het hof de in voormelde huwelijksakte opgenomen regeling betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, als huwelijkse voorwaarde naar Iraans recht te worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:486 en Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5397). Met deze voorwaarde wordt afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel dat - kort gezegd - een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen inhoudt.
5.9
De tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht staan er op grond van artikel 7 lid 2 van het Verdrag aan in de weg dat het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch wijzigt op grond van een wijziging van gewone verblijfplaats of nationaliteit van een van partijen. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt derhalve beheerst door het Iraanse recht.
(…)
Strijd met openbare orde?
5.12
Naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad [van 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721] dient het hof te beoordelen of de bepaling uit de naar Iraans recht rechtsgeldig overeengekomen huwelijkse voorwaarden van partijen die de vrouw enkel een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak toekent onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet haar wens is en zij conform de bevinding van de rechter haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan (hierna ook: ‘de gewraakte bepaling’), kennelijk in strijd is met de openbare orde van Nederland, zoals bedoeld in artikel 14 inzake het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978. Het hof stelt voorop dat uit de prejudiciële beslissing blijkt dat de Hoge Raad - anders dan de conclusie van de Advocaat-Generaal, nr. 2.6 - van oordeel is dat het Iraanse recht op dit punt ‘niet op zichzelf al naar zijn inhoud onaanvaardbaar is’ (het zogenaamde buitengrenscriterium), maar dat het Iraanse recht toch buiten toepassing kan blijven ‘indien toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld’ (het zogenaamde binnengrenscriterium). Daarbij spelen de omstandigheden van het geval een rol en met name de betrokkenheid van Nederland met de zaak. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake zijn van strijd met de openbare orde.
5.13
Het hof overweegt als volgt. Uit de prejudiciële beslissing blijkt niet duidelijk naar welk moment de betrokkenheid met de rechtssfeer van Nederland moet worden getoetst: het moment van totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden of het moment waarop de rechter wordt verzocht om een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van de huwelijkse voorwaarden (zie Hof Den Haag, 6 juli 2022 ECLI:NL:GHDHA:2022:1288).
5.14
Het hof is van oordeel dat de betrokkenheid van Nederland moet worden getoetst naar het moment waarop de Nederlandse rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Om te beginnen, wijst het hof erop dat er geen (bijzondere) wettelijke regeling bestaat die uitdrukkelijk voorschrijft dat de betrokkenheid van Nederland moet worden getoetst naar het moment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden. Dat is bijvoorbeeld wel het geval in artikel 10:32, aanhef, BW waarin voor de toepassing van de openbare orde exceptie in het kader van de erkenning van een in het buitenland voltrokken huwelijk, de betrokkenheid van de Nederlandse rechtssfeer wordt getoetst ‘op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk’. Voorts overweegt het hof dat de aard van de rechtshandeling en het daarmee beoogde rechtsgevolg rechtvaardigen dat de betrokkenheid van Nederland in dit geval wordt getoetst naar het moment waarop de Nederlandse rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen. Het gaat om huwelijkse voorwaarden die erop neerkomen dat de vrouw slechts onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet door haar gewenst is en dat zij daaraan geen schuld heeft, aanspraak kan maken op het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft verworven terwijl de man geen enkele aanspraak heeft op (een deel van) het vermogen van de vrouw. Deze huwelijkse voorwaarden gelden gedurende het huwelijk van partijen en zien op – in dit geval: de afwikkeling door de Nederlandse echtscheidingsrechter van de – vermogensbestanddelen die de man gedurende de huwelijkse periode heeft verkregen. Het huwelijk van partijen heeft zich grotendeels afgespeeld in Nederland en in deze periode hebben partijen hun vermogen in Nederland verworven. Een regeling zoals omschreven in de huwelijkse voorwaarden waarbij bij de financiële afwikkeling van de echtscheiding de schuldvraag dient te worden beantwoord en al naar gelang daarvan de afwikkeling dient te worden vastgesteld, wordt daarmee in strijd met de openbare orde geacht.
Rechtsgevolgen van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde
5.15
Uit de prejudiciële beslissing volgt dat thans aan de hand van het Iraanse huwelijksvermogensrecht moet worden bepaald in hoeverre de vrouw in dit geval een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling). Dit vergt een uitleg van het Iraanse huwelijksvermogensrecht. Het hof overweegt daarover als volgt.
5.16
Artikel 10:2 BW schrijft voor dat de Nederlandse rechter het buitenlandse recht ambtshalve toepast. Het hof acht het geraden hierbij een deskundige op dit gebied te raadplegen. Zoals met partijen ter zitting is besproken zal het hof het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te Den Haag benoemen tot deskundige om de inhoud van het Iraanse recht op het in deze zaak relevante punt in kaart te brengen.
5.17
De vraag van het hof luidt als volgt:
- heeft de vrouw gezien de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak op het vermogen van de man?”
2.5
In zijn rapport van 6 maart 2023 heeft het IJI geconcludeerd:
“Executive summary
1. Naar Iraans huwelijksvermogensrecht kan de vrouw ook zonder de gewraakte bepaling uit de huwelijkse voorwaarden een aanspraak ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden en daarmee aanspraak maken op de helft van het tijdens het huwelijk verworven vermogen van de man. Naar Iraans huwelijksvermogensrecht zijn partijen bevoegd om hun huwelijksvermogensregime naar vrijheid in te richten en om zodanige financiële regelingen te treffen zonder daaraan voorwaarden te verbinden die te maken hebben met de vraag wie de echtscheiding initieert of met de schuldvraag. De enige voorwaarde is dat de te treffen regelingen niet in strijd mogen zijn met de essentie van het huwelijk (art. 1119 Iraans BW).
(…)
10. Op grond van artikel 1119 Iraans BW mogen de echtgenoten in hun huwelijkscontract afwijken van het wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie en het karakter van het huwelijk. (…)
11. Het is dus mogelijk dat de echtgenoten overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dit gebeurt in de praktijk echter bijna nooit. (…)
12. Het voormelde brengt met zich dat de vrouw in de onderhavige kwestie gezien de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man.”
2.6
Bij eindbeschikking heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling en de inleidende verzoeken strekkende tot verdeling van de huwelijksgemeenschap alsnog afgewezen.3.Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Huwelijkse voorwaarden
Uitleg
4.1
Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 5 oktober 2022 in de overwegingen reeds beslist dat de huwelijksakte van partijen moet worden aangemerkt als een akte van huwelijkse voorwaarden alsmede dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Iraanse recht. Het hof ziet geen reden op deze eerdere beslissingen terug te komen. Voorts heeft het hof ambtshalve een onderzoek door het IJI bevolen om zich nader te laten voorlichten over de inhoud van het Iraanse huwelijksvermogensrecht. Het hof verwijst ter zake naar r.o. 2.2 hiervoor.
4.2
Uit het voormelde IJI-rapport volgt dat echtgenoten op grond van artikel 1119 Iraans BW in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Partijen mogen bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen. Zij mogen wel overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dat gebeurt in de praktijk echter bijna nooit. De achtergrond van de standaardclausule (inhoudende dat de vrouw slechts onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet door haar gewenst is en dat zij daaraan geen schuld heeft, aanspraak kan maken op het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft verworven terwijl de man geen enkele aanspraak heeft op (een deel van) het vermogen van de vrouw) die partijen in de onderhavige zaak in hun huwelijksakte hebben opgenomen, is dat het Iraans recht een algehele scheiding van goederen kent en geen sprake is van een (voortdurende) onderhoudsverplichting na het huwelijk. Indien de man dan wenst te scheiden, terwijl zijn echtgenote geen blaam treft en zij wel gehuwd wenst te blijven, blijft zij na het huwelijk toch verzorgd achter.
4.3
Het hof overweegt als volgt. De oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden zijn onlosmakelijk verbonden met de beschermingsgedachte en bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven. De daarmee verband houdende voorwaarde in de huwelijkse voorwaarden dat de vrouw enkel recht heeft op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde vermogen als zij de echtscheiding niet heeft gewild en zij daaraan geen schuld heeft, dient gezien de rechtspraak van de Hoge Raad wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten beschouwing te worden gelaten. Als enkel die voorwaarde buiten toepassing zou blijven zou dit tot gevolg hebben dat de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man. Dit is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak in strijd de ratio van deze overeenkomst tussen partijen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals uit het voornoemde IJI-rapport blijkt, een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in praktijk bijna nooit voorkomt. Overigens is in dit geval geen sprake van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw. Immers, de vrouw kan naar Nederlands recht aanspraak maken op partneralimentatie. Daarnaast heeft zij, evenals de man, een goede baan als tandarts met het daarbij horende aanzienlijke inkomen. Evenals de man is zij in staat vermogen op te bouwen. De verzorgingsgedachte speelt hier derhalve geen rol.
4.4
Nu de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden, geldt naar het oordeel van het hof bij de afwikkeling van de financiële gevolgen van hun huwelijk het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen. Het hof acht deze uitkomst gelet op de vergelijkbare inkomens- en vermogenspositie van partijen alleszins gerechtvaardigd. Het vorenstaande brengt mee dat de wijze van verdeling zoals vermeld onder 4.5 van het dictum van de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en de inleidende verzoeken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap alsnog moeten worden afgewezen.
(…)
De woning
4.8
Uit de bestreden beschikking volgt naar het oordeel van het hof expliciet dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de voormalige echtelijke woning te [plaats] aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000,- en dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake die lening zou vrijwaren. Uit het proces-verbaal van dit hof van de zitting van 8 april 2021 volgt eveneens dat de woning te [plaats] aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,-. In het proces-verbaal staat letterlijk: “De voorzitter vat samen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust.” Het enkele feit dat de man – mede bezien het conflict tussen partijen – niet binnen drie maanden de financiering heeft kunnen verkrijgen inzake de overname van de woning, rechtvaardigt niet dat de vrouw niet meer gebonden is aan de overeenkomst die zij met de man op 24 maart 2020 heeft gesloten met betrekking tot de verdeling van de woning. Ook zij heeft een aandeel erin gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning.
4.9
Voormelde afspraken tussen partijen omtrent de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning lenen zich niet voor opname in het dictum aangezien het hof over de onderwerpen waarover overeenstemming is bereikt, niet meer hoeft te beslissen. Dit neemt niet weg dat partijen jegens elkaar gebonden zijn aan de afspraken die zij met elkaar over de verdeling van de woning hebben gemaakt en op grond waarvan de woning is verdeeld in de zin van artikel 3:182 BW. De vrouw dient derhalve mee te werken aan de goederenrechtelijke voltooiing van deze verdeling met toedeling van de woning aan de man.
ASR levensverzekering
4.10
Ter zitting is ook de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij ASR aan de orde gekomen. Partijen zijn in eerste aanleg overeengekomen dat deze levensverzekering zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,-, onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. Aan deze afspraak, die zich evenmin leent voor opname in het dictum aangezien de rechter in dezen geen rechtsmacht heeft, zijn partijen gebonden.”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onderdeel II van het middel klaagt onder meer dat het hof in rov. 5.1-5.9 van de tussenbeschikking heeft miskend dat uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep blijkt dat partijen ten processe alsnog een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht vanaf 15 april 2009, de datum waarop de vrouw de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Het stond het hof daarom niet vrij te overwegen dat Iraans recht van toepassing is, aldus de klacht.
3.1.2
In deze zaak is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 19784.van toepassing (rov. 5.5 van de tussenbeschikking, onbestreden in cassatie). Op grond van art. 6 van dit verdrag kunnen de echtgenoten tijdens het huwelijk – dus ook in het kader van een echtscheidingsprocedure – een rechtskeuze doen ter zake van het huwelijksvermogensregime. Volgens art. 13 van het verdrag dient deze rechtskeuze te geschieden in de vorm die voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven door hetzij het gekozen recht, hetzij het recht van de plaats waar de rechtskeuze wordt gedaan. Een rechtskeuze voor Nederlands recht die in Nederland wordt gedaan, moet dus op grond van art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 in verbinding met art. 1:115 lid 1 BW geschieden bij notariële akte. Dat betekent dat een ten processe bij de Nederlandse rechter gedane rechtskeuze voor Nederlands recht die is neergelegd in een proces-verbaal van de zitting, niet voldoet. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht faalt.
3.2.1
Onderdeel III keert zich tegen rov. 4.1-4.4 van de eindbeschikking en bevat onder meer (in III.2 en in het tweede III.3) motiveringsklachten over de toepassing van Iraans recht door het hof. Deze klachten komen erop neer dat het oordeel van het hof over de inhoud van het Iraanse huwelijksvermogensrecht onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van het onderzoeksrapport van het IJI.
3.2.2
In de hiervoor in 2.1 onder (iii) weergegeven clausule is een voorwaarde opgenomen die inhoudt dat de vrouw recht heeft op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde vermogen indien zij de echtscheiding niet wenst en zij conform de bevinding van de rechtbank haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan (hierna ook: de gewraakte bepaling). Het hof heeft in de tussenbeschikking deze bepaling in strijd geacht met de Nederlandse openbare orde (rov. 5.14). Vervolgens heeft het hof zich de vraag gesteld of de vrouw, gezien de huwelijkse voorwaarden zonder de gewraakte bepaling, naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man. Het hof heeft daartoe een onderzoek door het IJI bevolen (rov. 5.16-5.17 en dictum).
3.2.3
In het rapport van het IJI wordt geconcludeerd dat de vrouw in de onderhavige kwestie gezien de huwelijkse voorwaarden zonder het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man (zie hiervoor in 2.5).
3.2.4
In de eindbeschikking heeft het hof overwogen dat uit het IJI-rapport volgt dat echtgenoten op grond van art. 1119 Iraans BW in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Partijen mogen bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen. Zij mogen wel overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dat gebeurt in de praktijk echter bijna nooit (rov. 4.2).
3.2.5
Vervolgens heeft het hof in de eindbeschikking – kennelijk oordelend naar Iraans recht – geoordeeld dat de ratio van de oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden is gelegen in de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven, en dat het in strijd is met deze ratio indien de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man; hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt (rov. 4.3). Ten slotte heeft het hof overwogen dat, nu de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden, het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen geldt (rov. 4.4).
3.2.6
De hiervoor in 3.2.5 weergegeven oordelen van het hof over de inhoud van het Iraanse recht zijn zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van het door het hof bevolen IJI-rapport. Uit dit rapport blijkt immers dat – zoals het hof in rov. 4.2 overweegt – echtgenoten wel geldig kunnen overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden, terwijl uit dat rapport niet blijkt dat naar Iraans recht de rechtsgevolgen van het buiten toepassing laten van een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden moeten worden vastgesteld aan de hand van de ratio van de tussen partijen overeengekomen clausule. Uit dit rapport blijkt evenmin dat het feit dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt, naar Iraans recht in deze zaak van belang is.De hiervoor in 3.2.1 bedoelde motiveringsklachten slagen.
3.2.7
Na verwijzing dient het hof aan de hand van het toepasselijke Iraanse recht te bepalen in hoeverre de vrouw een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden in het geval dat de gewraakte bepaling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing blijft. Dit betekent dat het hof moet onderzoeken op welke wijze naar Iraans recht moet worden omgegaan met de omstandigheid dat een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden (bijvoorbeeld wegens partiële nietigheid van die clausule) buiten toepassing blijft.
3.3.1
Onderdeel IV.25.keert zich onder meer met motiveringsklachten tegen rov. 4.8 van de eindbeschikking, waarin het hof heeft geoordeeld dat uit de bestreden beschikking van de rechtbank volgt dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de woning aan de man zou worden toebedeeld tegen een waarde van € 940.000,--, dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake van die lening zou vrijwaren, en dat uit het proces-verbaal van het hof van de zitting van 8 april 2021 eveneens volgt dat de woning aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,--.
Het onderdeel klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft aangenomen dat er tussen partijen een overeenkomst met de door het hof bedoelde inhoud bestond. Daartoe voert het onderdeel onder meer aan, samengevat, dat de rechtbank op verzoek van de vrouw een termijn van drie maanden heeft gesteld voor de overname van de woning door de man tegen een waarde van € 940.000,-- en heeft bepaald dat de woning bij overschrijding van die termijn moet worden verkocht, waarbij de eventuele onder- of overwaarde tussen partijen dient te worden verdeeld, en dat het hof onbesproken heeft gelaten dat de vrouw ook tijdens de zitting van 8 april 2021 – zoals blijkt uit het proces-verbaal van die zitting – heeft aangedrongen op verkoop van de woning (aan een derde).
3.3.2
Zoals blijkt uit rov. 4.8 van de eindbeschikking, heeft het hof aangenomen dat er tussen partijen in dit verband overeenstemming bestond over de volgende aspecten: (i) de toedeling van de voormalige echtelijke woning aan de man, (ii) de waarde waartegen de woning wordt toegedeeld (€ 940.000,--), en (iii) de overname door de man van de op de woning rustende hypothecaire geldlening als eigen schuld met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze lening. Uit de beschikking van de rechtbank volgt dat tussen partijen overeenstemming bestond over de aspecten (i) en (iii). Uit die beschikking van de rechtbank (rov. 3.5.15) blijkt evenwel dat partijen het niet eens waren over aspect (ii). Daarom heeft de rechtbank de waarde van de woning zelf vastgesteld op € 940.000,--. In zoverre heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de beschikking van de rechtbank, door te oordelen dat daaruit volgt dat tussen partijen over alle hiervoor genoemde aspecten overeenstemming bestond.
Het oordeel van het hof dat tussen partijen overeenstemming bestond over aspect (ii), berust evenwel ook zelfstandig op een uitleg van het verhandelde ter zitting van het hof. Die uitleg is aan het hof voorbehouden en niet onbegrijpelijk in het licht van het proces-verbaal van de zitting van het hof van 8 april 2021. Zoals overwogen door het hof, volgt uit het proces-verbaal dat de voorzitter ter zitting heeft geresumeerd (‘vat samen’) dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust. Op grond van het proces-verbaal kan niet worden geconcludeerd dat, zoals het onderdeel kennelijk betoogt, dit resumé van de voorzitter enkel een samenvatting is van hetgeen de advocaat van de man ter zitting heeft aangevoerd en onjuist is.
Het hof heeft, anders dan het onderdeel kennelijk aanvoert, niet miskend dat aan de afspraak betreffende de toedeling van de woning aan de man tegen de waarde van € 940.000,-- een voorwaarde was verbonden, namelijk dat de man de toedeling van de woning met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening binnen drie maanden moest realiseren. Het hof heeft blijkens rov. 4.8 van de eindbeschikking geconstateerd dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, maar vervolgens geoordeeld dat dit niet rechtvaardigt dat de vrouw niet meer is gebonden aan de overeenkomst met betrekking tot de verdeling van de woning, nu ook de vrouw er een aandeel in heeft gehad dat de man daaraan niet binnen de gestelde termijn uitvoering kon geven. Daarmee heeft het hof ook gerespondeerd op het ter zitting van 8 april 2021 ingenomen standpunt van de vrouw dat de woning dient te worden verkocht.Uit het voorgaande volgt dat onderdeel IV.2 faalt.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
4.1
Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale beroep slagen. Nu deze voorwaarde is vervuld, wordt toegekomen aan behandeling van het middel in het incidentele beroep.
4.2.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 5.12-5.14 van de tussenbeschikking. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de vrouw in hoger beroep niet is opgekomen tegen (i) het oordeel van de rechtbank dat de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde clausule in de huwelijkse voorwaarden niet in strijd is met de Nederlandse rechtsorde (rov. 3.5.10), alsmede (ii) het oordeel van de rechtbank dat de vrouw geen vorderingen heeft op de man over de periode dat de rechtbank Iraans recht van toepassing acht op het huwelijksvermogensregime en dat het verzoek van de vrouw op de helft van de vermogensaanwas van de man over die periode wordt afgewezen (rov. 3.5.11).
De klacht van het onderdeel komt erop neer dat het hof buiten het door de grieven ontsloten gebied is getreden door in rov. 5.12 e.v. van de tussenbeschikking de gewraakte bepaling te toetsen aan de openbare orde. Volgens het onderdeel was het hof daartoe niet ambtshalve bevoegd, nu het hof in rov. 5.12 van de tussenbeschikking heeft vastgesteld dat het hier gaat om de toepassing van het zogenoemde binnengrenscriterium van de openbare orde (waarbij het gaat om vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld) en niet het buitengrenscriterium (waarbij het gaat om vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is).
4.2.2
Bij de beoordeling van het onderdeel dient tot uitgangspunt dat de openbare-orde-exceptie in het internationaal privaatrecht in processuele zin van openbare orde is. Dit geldt zowel voor de openbare-orde-exceptie in het commune internationaal privaatrecht (art. 10:6 BW) als voor de openbare-orde-exceptie in internationale regelingen, zoals in art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, dat in de onderhavige zaak toepasselijk is. Dit betekent dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep ertoe is gehouden ambtshalve de openbare-orde-exceptie toe te passen. Voor de rechter in hoger beroep geldt deze verplichting ook buiten de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep dient te respecteren.6.
Anders dan het onderdeel betoogt, geldt de verplichting tot ambtshalve toepassing van de openbare-orde-exceptie ongeacht of sprake is van vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, of van vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld.7.In beide gevallen kan geen toepassing van het vreemde recht plaatsvinden omdat dit in strijd is met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde.
4.2.3
Uit hetgeen hiervoor in 4.2.2 is overwogen, volgt dat de in 4.2.1 weergegeven klacht faalt. Het hof was gehouden – zoals het ook heeft gedaan – om de openbare-orde-exceptie ambtshalve toe te passen, ook buiten het door de grieven ontsloten gebied. Dat – zoals het hof in rov. 5.12 van de tussenbeschikking heeft overwogen – het ging om vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld, en niet om vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, maakt dat niet anders.
4.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
in het principale en incidentele beroep voorts:
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 30 januari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑01‑2026
Gerechtshof Den Haag 5 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2153.
Gerechtshof Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2560.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, ’s-Gravenhage, 14 maart 1978, Trb. 1988, 130.
Zie ook HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:127.
Vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, rov. 3.4.1-3.4.3.
Vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, rov. 3.2.
Conclusie 16‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. Internationaal Privaatrecht. Procesrecht. Tweeconclusieregel; goede procesorde; uitleg grief. Iraanse huwelijkse voorwaarde in strijd met openbare orde? Verdeling echtelijke woning; overeenkomst tussen partijen over waarde woning? Samenhang met kortgedingzaak 24/00474.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00473
Zitting 16 mei 2025
AANVULLENDE CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[de man]
(hierna: de man)
1. Inleiding
In deze zaak heb ik op 13 december 2024 reeds conclusie genomen.1.Ik heb in het principaal cassatieberoep van de vrouw geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking van het hof Den Haag en tot verwijzing. In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de man, dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat de bepalingen in de naar Iraans recht overeengekomen huwelijkse voorwaarden in strijd zijn met de openbare orde, heb ik geconcludeerd tot verwerping. Nu het principaal cassatieberoep op dit punt niet slaagt en de oordelen van het hof daarover in cassatie in stand blijven, heeft de man mijns inziens geen belang bij vernietiging van de bestreden beschikkingen op dit punt. In mijn conclusie heb ik geschreven dat de onderdelen van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep om die reden falen en geen nadere bespreking behoeven. Uw Raad heeft mij verzocht een aanvullende conclusie te nemen en daarin de onderdelen van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de man nader te bespreken.
2. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
2.1
Het middel is gericht tegen rov. 5.12 t/m 5.14 van de tussenbeschikking van 5 oktober 20222.en de daarop voortbouwende eindbeschikking van 19 december 2023.3.Het middel bestaat uit twee onderdelen, die uiteenvallen in verschillende klachten.
2.2
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.12 e.v. van de tussenbeschikking. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat de vrouw in hoger beroep niet heeft geklaagd over de oordelen van de rechtbank in rov. 3.5.10 en rov. 3.5.11 van de beschikking van 24 maart 2020. Daarin heeft de rechtbank de gewraakte bepaling in het huwelijkscontract niet in strijd geacht met de Nederlandse openbare orde, aangezien dit een bepaling is die de vrouw beschermt tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man (rov. 3.5.10). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de vrouw op grond van het huwelijkscontract geen vordering heeft op de man over de periode waarin de rechtbank Iraans recht van toepassing acht op het huwelijksvermogensregime, zodat het verzoek van de vrouw op de helft van de vermogensaanwas van de man over die periode door de rechtbank wordt afgewezen (rov. 3.5.11). Volgens het onderdeel is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, omdat het hof niet ambtshalve aan de openbare orde mocht toetsen, nu het hier gaat om toepassing van het binnengrenscriterium en niet van het buitengrenscriterium. Bij het binnengrenscriterium gaat het immers niet, althans niet noodzakelijkerwijs, om een norm die strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast, aldus het onderdeel. Ook klaagt het onderdeel dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van dergelijke belangen van zo fundamentele aard.
2.3
Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. In het internationaal privaatrecht (IPR) heeft de openbare orde betrekking op de fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde.4.De openbare orde fungeert als afweermiddel tegen het resultaat van vreemd recht dat door de conflictregel wordt aangewezen (vgl. art. 10:6 BW en art. 14 van het in deze zaak toepasselijke Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978).5.De toepassing van de openbare orde-exceptie is niet afhankelijk van de vraag of partijen daarop een beroep hebben gedaan.6.Daarbij maakt het geen verschil of de toepassing van het buitenlandse recht in de Nederlandse rechtsorde afstuit op het buitengrenscriterium of op het binnengrenscriterium. In beide gevallen wordt het vreemde recht afgeweerd wegens strijd met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien het vreemde recht inbreuk maakt op in de Nederlandse rechtsorde verankerde grondrechten, zoals het recht op gelijke behandeling, het recht op toegang tot de rechter en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
2.4
Deze grondrechten stonden centraal in de prejudiciële beslissing van 19 november 20217., waarin de Hoge Raad antwoord heeft gegeven op (onder meer) de vraag of de Nederlandse openbare orde, zoals bedoeld in art. 10:6 BW, zich verzet tegen de toepassing van een clausule in Iraanse huwelijkse voorwaarden. In die clausule is bepaald dat de vrouw slechts aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de man wanneer (i) de echtscheiding niet door haar is verzocht en (ii) de rechter niet heeft vastgesteld dat de echtscheiding het gevolg is van de weigering van de vrouw haar huwelijkse verplichtingen na te komen of van immoreel gedrag van de vrouw.
2.5
Volgens het Nederlands appelprocesrecht behoort de appelrechter recht van openbare orde in beginsel ook toe te passen buiten het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen (de omvang van het hoger beroep) dient te respecteren.8.
2.6
Anders dan het onderdeel betoogt, is het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door te toetsen aan de openbare orde. Ik licht dat als volgt toe.
2.7
De rechtbank heeft ten aanzien van het toepasselijk recht het volgende beslist. Partijen hebben na de huwelijksvoltrekking hun eerste gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Op grond van het bepaalde in art. 4, lid 2 aanhef en sub 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Iran, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime (rov. 3.5.6). Volgens de rechtbank is gebleken dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in art. 7, lid 2 sub 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag, waardoor met ingang van 20 februari 2006 het recht van Nederland van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime. De slotsom is volgens de rechtbank dat in de periode van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en na 20 februari 2006 Nederlands recht (rov. 3.5.7).
2.8
De vrouw heeft bij de rechtbank verzocht dat aan haar wordt betaald de helft van de vermogensaanwas van de man in de periode waarin Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (te weten 12 mei 2005 tot 15 april 2009).9.De rechtbank heeft hierop beslist dat in de periode van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.10.Ten aanzien van deze periode heeft de rechtbank geoordeeld dat de bepaling in het huwelijkscontract niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde11., dat de vrouw op grond van het huwelijkscontract geen vordering heeft op de helft van de vermogensaanwas van de man over deze periode en dat het desbetreffende verzoek van de vrouw wordt afgewezen.12.
2.9
Naar aanleiding van de verzoeken van de vrouw en de man om de (wijze van) verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen in de periode waarin Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, te weten vanaf 15 april 200913., heeft de rechtbank beslist dat in de periode na 20 februari 2006 Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime.14.Ten aanzien van deze periode heeft de rechtbank beslist de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten zoals weergegeven onder rov. 3.5.14 en 3.5.15 van de beschikking.15.
2.10
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank en heeft met zijn grief 1 het oordeel over het toepasselijk recht bestreden. Hij heeft daaromtrent in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen in rov. 3.5.7 ‘dat in de periode 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en na 20 februari 2006 Nederlands recht’. De man is overeenkomstig grief 1 (primair) van oordeel dat het huwelijksvermogensregime van partijen nimmer is gewijzigd omdat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, dat daardoor Iraans recht van toepassing is gebleven en dat Nederlands recht nimmer van toepassing is geworden, en derhalve het huwelijksvermogensregime van partijen naar Iraans recht moet worden afgewikkeld.16.
2.11
Met grief 1 heeft de man derhalve gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat het op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch is gewijzigd. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking grief 1 van de man beoordeeld. Het hof is van oordeel dat de grief slaagt, omdat de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht op grond van art. 7 lid 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag eraan in de weg staan dat het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch wijzigt op grond van een wijziging van gewone verblijfplaats of nationaliteit van een van de partijen. Het hof oordeelt dan ook dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Iraanse recht (rov. 5.9 van de tussenbeschikking). Door de grief te honoreren en Iraans recht op de gehele huwelijkse periode toe te passen, valt zowel de door de rechtbank aangeduide eerste periode (12 mei 2005 tot en met 20 februari 2006) als de door de rechtbank aangeduide tweede periode (periode na 20 februari 2006) binnen de omvang van het hoger beroep. Vervolgens is het hof overgegaan tot ambtshalve toepassing van de openbare orde-exceptie ten aanzien van het Iraanse recht. Het hof is daarmee, in tegenstelling tot wat het onderdeel betoogt, niet buiten de omvang van het hoger beroep getreden. De klacht faalt dus op dit punt.
2.12
Voor zover het hof grief 1 van de man aldus zou hebben uitgelegd dat de man uitsluitend heeft gegriefd tegen de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen zoals opgenomen in het dictum van de beschikking van de rechtbank onder 4.517., merk ik het volgende op. Uit de toelichting op deze grief volgt dat de man het eens is met de beslissing van de rechtbank dat Iraans recht van toepassing is op de periode 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 en zich dus kennelijk uitsluitend keert tegen de toepassing van het Nederlandse recht over de huwelijkse periode ná 20 februari 2006. Ook in deze uitleg geldt dat het hof niet buiten de omvang van het hoger beroep is getreden. Uit het in hoger beroep geldende beginsel dat een appellant niet slechter kan worden van zijn eigen hoger beroep (verbod van reformatio in peius) vloeit voort dat de rechtsstrijd per definitie is beperkt tot nadelige beslissingen voor appellant. Bij hoger beroep tegen beslissingen die voor appellant voordelig zijn, mist de appellant overigens ook belang. Dergelijke beslissingen, zoals in dit geval de toepassing van Iraans recht op de eerste door de rechtbank genoemde huwelijkse periode, liggen buiten het beoordelingsbereik van de rechter in hoger beroep.18.Het hof heeft de automatische verandering van het huwelijksvermogensrecht echter afgewezen en op de gehele huwelijkse periode Iraans recht toegepast. Het hof heeft vervolgens ambtshalve de openbare orde-exceptie toegepast en is dus ook bij deze uitleg van grief 1 niet buiten de omvang van het hoger beroep getreden.
2.13
De klacht dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een norm die strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast, faalt eveneens. Zoals ik reeds heb vermeld, moet de rechter de openbare orde-exceptie ambtshalve toepassen. Die ambtshalve toepassing betreft een rechtsoordeel waartegen in cassatie niet met een motiveringsklacht kan worden opgekomen.19.Voor zover met deze tweede klacht zou zijn bedoeld dat het hof niet heeft gemotiveerd dat en waarom de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden in strijd moeten worden geacht met de openbare orde, kan de klacht ook niet slagen. Ter onderbouwing verwijs ik naar de behandeling van de eerste klacht van onderdeel 2.
2.14
Onderdeel 1 bevat nog twee andere klachten (onder 39 van het middel). Het onderdeel klaagt dat voor zover het hof van oordeel was dat de vrouw in hoger beroep zou hebben geklaagd over het oordeel van de rechtbank in rov. 3.5.10 en rov. 3.5.11 van de beschikking van 24 maart 2020, dat oordeel onbegrijpelijk is nu in haar incidenteel appel geen kenbare klachten daarover zijn te ontdekken. Ook klaagt het onderdeel dat voor zover het hof van oordeel was dat de vrouw een beroep kon doen op de devolutieve werking, dat oordeel onjuist is aangezien voornoemd oordeel van de rechtbank zich heeft vertaald in een voor de vrouw ongunstig dictum (afwijzing van haar verzoeken). De vrouw had daartegen in incidenteel hoger beroep moeten gaan, aldus de klacht.
2.15
Uit de tussen- en de eindbeschikking van het hof blijkt niet dat het hof heeft geoordeeld dat de vrouw in hoger beroep zou hebben geklaagd over voornoemd oordeel van de rechtbank en daaruit blijkt ook niet dat het hof heeft geoordeeld dat de vrouw een beroep kon doen op de devolutieve werking. Het hof heeft de openbare orde-exceptie ambtshalve toegepast, wat (voldoende) blijkt uit de eerste zin van rov. 5.12 van de tussenbeschikking, waarin staat vermeld dat het hof naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad dient te beoordelen of de desbetreffende bepaling in de huwelijkse voorwaarden kennelijk in strijd is met de openbare orde. De klachten missen dus feitelijke grondslag en falen.
2.16
De slotsom is dat onderdeel 1 in zijn geheel faalt.
2.17
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.14 van de tussenbeschikking, waarin het hof de geldigheid van de huwelijkse voorwaarden onder het binnengrenscriterium beoordeelt. Het onderdeel valt uiteen in twee klachten.
2.18
De eerste klacht (onder 40 van het middel) betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 5.14 onjuist of onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft miskend dat de onderdelen over de beoordeling van de taken als echtgenote en het onzedelijk gedrag kunnen worden losgekoppeld van de vraag wie de echtscheiding heeft gewenst. Het hof heeft verzuimd te beoordelen of te motiveren waarom de gehele gewraakte bepaling buiten toepassing moet worden gelaten en niet slechts het deel dat betrekking heeft op de taken als echtgenote en onzedelijk gedrag, met instandhouding van de voorwaarde van het initiatief. Het is in Nederland immers toegestaan om door middel van huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap van goederen uit te sluiten en het valt daarom zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet in te zien dat de voorwaarde over de wens van echtscheiding tot een gevolg leidt dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. Dit klemt volgens het onderdeel ‘temeer daar het resultaat hetzelfde zou zijn als de man en vrouw de huwelijkse voorwaarden niet waren aangegaan: algehele gemeenschap van goederen’ (ik neem aan dat dit laatste een verschrijving is en dat is bedoeld: algehele scheiding van goederen).
2.19
De klacht heeft betrekking op het oordeel van het hof over de volgende naar Iraans recht rechtsgeldig overeengekomen bepaling in de huwelijkse voorwaarden van partijen:20.
‘A: De vrouw stelt de voorwaarde dat wanneer de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en conform de bevinding van de rechtbank de vrouw haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, de man verplicht is om de helft van zijn aanwezige vermogen, dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, of de gelijke waarde daarvan, conform het besluit van de rechtbank aan de vrouw over te dragen.’
2.20
Het hof heeft in rov. 5.10 en 5.11 van zijn tussenbeschikking de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 november 2021 uiteengezet. In rov. 5.10 heeft het hof de eerste prejudiciële vraag opgenomen, te weten of de Nederlandse openbare orde, zoals bedoeld in art. 10:6 BW, zich tegen de toepassing van een clausule uit de – naar Iraans recht rechtsgeldige – huwelijkse voorwaarden van de echtgenoten verzet, waarin is bepaald dat de vrouw slechts aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de man wanneer (i) de echtscheiding niet door haar is verzocht en (ii) de rechter niet heeft vastgesteld dat de echtscheiding het gevolg is van de weigering van de vrouw haar huwelijkse verplichtingen na te komen of van immoreel gedrag van de vrouw. In rov. 5.11 van de tussenbeschikking heeft het hof het antwoord van de Hoge Raad op deze vraag opgenomen:
‘Uit de vaststellingen van het hof (…) volgt dat de vrouw en de man een rechtshandeling hebben verricht – te weten het aangaan van huwelijkse voorwaarden – waarbij zij in overeenstemming met het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke Iraanse recht en op rechtsgeldige wijze zijn afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel en de hiervoor (…) bedoelde bepaling zijn overeengekomen. Op grond van hetgeen hiervoor (…) is overwogen, dient te worden onderzocht in hoeverre aan die bepaling in Nederland rechtsgevolg moet worden onthouden op de grond dat zij tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. (rov. 3.5)
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, kan kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde (…). Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die beperking tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (…), kan echter niet in algemene zin worden beantwoord, nu in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval. (rov. 3.6.1)
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van een van de echtgenoten afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag of die echtgenoot – kort gezegd – schuld heeft aan de echtscheiding door te weigeren de huwelijkse verplichtingen na te komen of vanwege immoreel gedrag, kan eveneens kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde (…). Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten en kan leiden tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die inbreuk tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (…), kan evenmin in algemene zin worden beantwoord, nu ook in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval. (rov. 3.6.2)
Op grond van het vorenstaande moet de eerste prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval, moet worden beoordeeld of bepalingen in huwelijkse voorwaarden als hiervoor (…) bedoeld, kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde. (rov. 3.7)
(…)’
2.21
Hieruit volgt dat en waarom de desbetreffende bepaling in de Iraanse huwelijkse voorwaarden kennelijk onverenigbaar kan zijn met de openbare orde. De bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van de toegang tot de rechter, omdat een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk wordt gesteld van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht. Ook kan de bepaling leiden tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, omdat een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk wordt gesteld van het antwoord op de vraag of die echtgenoot schuld heeft aan de echtscheiding. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat aan de hand van het binnengrenscriterium moet worden bepaald of sprake is van schending van de openbare orde, wat afhangt van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval. Dit laatste heeft het hof onderkend door in rov. 5.12 en 5.14 van zijn tussenbeschikking de mate van betrokkenheid van het concrete geval met de Nederlandse rechtssfeer te beoordelen.
2.22
Gelet op rov. 5.11, in samenhang gelezen met rov. 5.12, van de tussenbeschikking heeft het hof aldus wel degelijk onderkend dat de twee voorwaarden voor een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak zoals opgenomen in de Iraanse huwelijkse voorwaarden in het kader van de vraag of de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden in strijd kunnen zijn met de openbare orde, zelfstandig dienen te worden beoordeeld (dus: los van elkaar). Dat het hof vervolgens de betrokkenheid van de Nederlandse rechtssfeer ten aanzien van de twee bepalingen gezamenlijk behandelt, doet daaraan niet af en maakt het oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk. Gelet op rov. 5.11, in samenhang gelezen met rov. 5.12 en 5.14, van de tussenbeschikking heeft het hof dan ook (voldoende) gemotiveerd dat de voorwaarde over de wens van echtscheiding tot een gevolg leidt dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. De eerste klacht mist derhalve feitelijke grondslag en faalt.
2.23
De tweede klacht (onder 41 van het middel) stelt dat de bepaling evenzeer discriminerend is voor de man omdat hij bij scheiding sowieso geen recht heeft op het deel van het vermogen van de vrouw. Onder verwijzing naar de noot van De Boer onder de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 november 202121.zijn de beperkende voorwaarden in de clausule op deze manier bezien voor geen van beide echtgenoten nadelig en is er geen gegronde reden voor een beroep op de openbare orde, laat staan ambtshalve toepassing daarvan buiten de rechtsstrijd in hoger beroep om. Het hof heeft dit miskend, aldus het onderdeel.
2.24
In zijn noot onder de prejudiciële beslissing heeft De Boer in dat kader het volgende opgemerkt:
‘4. (…) Eerder, zou ik zeggen, is er sprake van het omgekeerde: de clausule is discriminerend voor de man omdat hij bij scheiding geen recht kan doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw en omdat de gedachte dat hij bij scheiding een deel van zijn vermogen kwijt raakt hem wel eens zou kunnen weerhouden van een gang naar de rechter. Door de clausule te ondertekenen accepteren beide partijen dat degene die een echtscheiding in gang zet een financieel verlies lijdt: de man verliest de helft van zijn vermogen, de vrouw verliest haar aanspraak daarop. Aan de voordeelkant bevordert de clausule voor beide partijen de in het Islamitisch recht wenselijk geachte instandhouding van het huwelijk (…). Zo bezien, zijn de beperkende voorwaarden in de clausule voor geen van beide echtgenoten nadelig en is er voor een beroep op de openbare orde geen gegronde reden.’
2.25
Deze redenering dat de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden voor geen van beide echtgenoten nadelig zouden zijn en er voor een beroep op de openbare orde daarom geen gegronde reden zou zijn, omdat beide partijen accepteren dat degene die een echtscheiding verzoekt een financieel verlies lijdt en dat de gewraakte bepaling (dus) voor beide partijen de in het Islamitisch recht wenselijk geachte instandhouding van het huwelijk bevordert, gaat mijns inziens niet op. In deze redenering wordt uit het oog verloren dat de clausule voor beide partijen discriminerend werkt: voor de vrouw wanneer zij de echtscheiding aanvraagt, maar evenzeer voor de man in het geval de echtscheiding door hem wordt verzocht. Dat beide partijen door discriminatie worden getroffen, wil nog niet zeggen dat daardoor het discriminerende karakter aan de clausule is komen te ontvallen. Bovendien werkt de clausule in de praktijk altijd discriminerend naar één kant, namelijk naar de kant van de verzoeker van de echtscheiding. De openbare orde-exceptie wordt verder niet ingevuld aan de hand van de fundamentele waarden en beginselen van de Islamitische rechtsorde; bij het begrip openbare orde gaat het om gevallen waarin sprake is van strijd met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. De omstandigheid dat de gewraakte bepaling voor beide partijen de in het Islamitisch recht wenselijk geachte instandhouding van het huwelijk bevordert (en de beperkende voorwaarden in de clausule zo bezien voor geen van beide echtgenoten nadelig is), is bij de beoordeling van de openbare orde-exceptie derhalve niet relevant. De tweede klacht faalt daarom.
2.26
Bij het vorenstaande merk ik nog op dat de cassatieklacht niet de kwestie aan de orde stelt of de huwelijkse voorwaarden, die enerzijds bepalen dat de vrouw aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de man, maar anderzijds de man geen aanspraak toekennen op de helft van het huwelijkse vermogen van de vrouw, op grond van die ongelijkheid als kennelijk in strijd met de openbare orde zouden moeten worden aangemerkt.22.De cassatieklacht stelt immers het tegenovergestelde aan de orde: dat er door onder meer die ongelijkheid juist geen grond is voor toepassing van de openbare orde-exceptie. Ook zou de man bij een dergelijke cassatieklacht geen belang hebben gehad, omdat het principaal cassatieberoep op dit punt mijns inziens niet slaagt en de oordelen van het hof daarover in cassatie in stand blijven. Het hof heeft onder de streep op een andere grondslag immers al geoordeeld dat de vrouw geen recht heeft op het vermogen van de man en dat bij de afwikkeling van de financiële gevolgen van het huwelijk van partijen het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen geldt.
2.27
De slotsom is dat het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep faalt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑05‑2025
Het begrip openbare orde in het IPR overlapt op dit punt het begrip openbare orde van het interne Nederlandse recht, waarin een bepaling van openbare orde is als zij strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij, ongeacht het partijdebat of bijzondere omstandigheden van het geval, altijd (ambtshalve) door de rechter moet worden toegepast. Zie HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167, m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 3.8; HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:818, NJ 2020/406, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.6; HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:747, NJ 2021/198, rov. 3.2.1.
Zie ook rov. 3.2 van de prejudiciële beslissing HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, Ars Aequi 2023, p. 455-466, m.nt. A.A.H. van Hoek en A.E. Oderkerk.
Zie Asser/Vonken 10-I 2023/500; Asser/Vonken 10-I 2023/395; S. Stuij, Iura novit curia en buitenlands recht, 2021, par. 57; P. Vlas, IPR en BW (Mon. BW nr. A27) 2015/31; A.P.M.J. Vonken, T&C BW, commentaar op art. 10:2 BW, aant. 2. Zie ook B.T.M. van der Wiel, Maten van openbare orde, MvV 2021/10, p. 329.
Zie HR 19 november 2021, reeds aangehaald, rov. 3.2 en 3.3.
HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.4.1 t/m 3.4.3.
Zie rov. 3.5.1 en 3.5.8 van de beschikking van de rechtbank; verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandig verzoek zijdens de man, randnr. 15; verweerschrift op het zelfstandig verzoek zijdens de vrouw, randnrs. 12 en 15.
Zie rov. 3.5.7 van de beschikking van de rechtbank.
Zie rov. 3.5.10 van de beschikking van de rechtbank.
Zie rov. 3.5.11 en het dictum onder rov. 4.12 van de beschikking van de rechtbank.
Zie rov. 3.5.1, 3.5.2 en 3.5.12 van de beschikking van de rechtbank; verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandig verzoek zijdens de man, randnrs. 15 en 26 e.v.; verweerschrift op het zelfstandig verzoek zijdens de vrouw, randnrs. 12 en 26 e.v.
Zie rov. 3.5.7 van de beschikking van de rechtbank.
Zie het dictum onder rov. 4.5 van de beschikking van de rechtbank.
Zie het verzoekschrift in hoger beroep, tevens aanvulling van gronden, tevens aanvulling en wijziging van de verzoeken zijdens de man, randnrs. 1, 3, 7 en 11.
Zie het verzoekschrift in hoger beroep, tevens aanvulling van gronden, tevens aanvulling en wijziging van de verzoeken zijdens de man, p. 1.
Zie F.J.P. Lock, Ambtshalve toetsing in hoger beroep. Over de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied, TCR 2014/2, p. 46, en de noot van F.J.P. Lock (JBPR 2018/2) onder HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1281, randnr. 3.
Zie A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie 2019/63; B.T.M. van der Wiel, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie 2019/113.
Zie rov. 5.6 van de tussenbeschikking.
Noot van Th.M. de Boer (NJ 2023/95) onder HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.
Zie ook HR 19 november 2021, reeds aangehaald, rov. 3.9.
Conclusie 13‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. Internationaal Privaatrecht. Procesrecht. Tweeconclusieregel; goede procesorde. Iraanse huwelijkse voorwaarde in strijd met openbare orde?; toepassing Iraans wettelijk stelsel? Verdeling echtelijke woning; overeenkomst tussen partijen over waarde woning? Samenhang met kortgedingzaak 24/00474.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00473
Zitting 13 december 2024
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[de man]
(hierna: de man)
1. Inleiding
Deze zaak heeft betrekking op de afwikkeling van het door Iraans recht beheerste huwelijksvermogensregime van partijen na echtscheiding. Ook is in geschil de vraag of partijen een overeenkomst hebben gesloten over de toedeling en waarde van de echtelijke woning aan de man. Deze zaak hangt samen met de bij de Hoge Raad aanhangige zaak 24/00474, waarin de vrouw in kort geding op straffe van een dwangsom is veroordeeld om mee te werken aan de levering van haar aandeel in de echtelijke woning. In verband met de samenhang tussen de beide zaken, neem ik vandaag in beide zaken conclusie.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.Partijen zijn met elkaar gehuwd in Iran op 12 mei 2005. Op het moment van huwelijkssluiting had de man de Nederlandse en de Iraanse nationaliteit en de vrouw alleen de Iraanse nationaliteit. De vrouw is op 20 februari 2006 in Nederland gaan wonen. Op 15 april 2009 heeft de vrouw tevens de Nederlandse nationaliteit verkregen. Uit het huwelijk van partijen zijn in Nederland twee kinderen geboren in resp. 2011 en 2013.
2.2
Partijen hebben op 12 mei 2007, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007, een maatschap opgericht in verband met de uitoefening van hun tandartsenpraktijk. De maatschap is per 31 juli 2019 geëindigd.
2.3
Tijdens de mondelinge behandeling van 6 september 2019 in kort geding2.zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de man met ingang van in ieder geval 6 september 2019 tot aan het moment dat de man de echtelijke woning te [plaats] zal hebben overgenomen of tot aan het moment dat de echtelijke woning zal zijn verkocht en geleverd, alle woonlasten van deze woning betaalt en dat de man de maandelijkse aflossing aan de bank betaalt.
2.4
De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 13 december 2021 de vordering van de vrouw haar te machtigen om namens de man te mogen overgaan tot verkoop en levering van de echtelijke woning, welke woning partijen in mede-eigendom toebehoort, afgewezen. Bij arrest in kort geding van 26 juli 2022 heeft het hof Den Haag, voor zover hier van belang, het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
2.5
De vrouw heeft op 22 mei 2019 de rechtbank Rotterdam verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de scheiding en deling vast te stellen op de wijze zoals verzocht door de vrouw (na wijziging van haar verzoek). De man heeft zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en verzocht de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap te bepalen, aldus dat aan de man wordt toegedeeld de echtelijke woning en de aan de hypothecaire lening verbonden polis van levensverzekering bij ASR, onder de verplichting de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire lening ten bedrage van € 940.000 als eigen schuld op zich te nemen.
2.6
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 februari 2020, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
2.7
Bij beschikking van 24 maart 20203.heeft de rechtbank geoordeeld dat zich op grond van art. 7 lid 2, onder 3, Haags Huwelijksvermogensverdrag4.een wijziging van het toepasselijke recht heeft voorgedaan, zodat van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en na 20 februari 2006 Nederlands recht (rov. 3.5.7). In het dictum heeft de rechtbank (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (rov. 4.1) en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gelast zoals weergegeven onder rov. 3.5.14 en 3.5.15 (rov. 4.5).
2.8
Ten aanzien van de echtelijke woning heeft de rechtbank in rov. 3.5.15 overwogen (i) dat partijen het erover eens zijn dat de woning aan de man moet worden toegedeeld, (ii) dat de rechtbank de waarde van de woning vaststelt op € 940.000, (iii) dat partijen het erover eens zijn dat de man de hypothecaire schuld van € 940.000 voor zijn rekening neemt en dat dit betekent dat er geen sprake is van overwaarde dan wel onderwaarde zodat er geen verrekenpost ontstaat, (iv) dat de rechtbank het redelijk acht aan de overname van de woning door de man een termijn te verbinden, zoals door de vrouw verzocht, en wel van drie maanden en (v) dat als de man niet in staat is de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, binnen drie maanden na de datum van de beschikking van de rechtbank te realiseren, de woning moet worden verkocht. Ten aanzien van de levensverzekering bij ASR heeft de rechtbank overwogen dat partijen het eens zijn dat die is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening en zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760 en onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. De rechtbank heeft voor het geval de echtelijke woning moet worden verkocht een overweging in de beschikking opgenomen waaruit volgt op welke manier partijen dienen te handelen ten aanzien van eventuele overwaarde of onderwaarde en ten aanzien van de levensverzekering bij ASR.
2.9
De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. De man heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwikkeling van het vermogen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat aan de man wordt toegedeeld: (i) de echtelijke woning, (ii) de aan de hypothecaire lening verbonden polis van levensverzekering bij ASR, onder de verplichting de volgende schuld als eigen schuld op zich te nemen, (iii) de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire lening ten bedrage van € 940.000, en daarbij te bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 65.380.
2.10
De man heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank over het toepasselijke recht en zich primair op het standpunt gesteld dat het huwelijksvermogensregime van partijen nimmer is gewijzigd, omdat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt met als gevolg dat het huwelijksvermogensregime naar Iraans recht moet worden afgewikkeld.
2.11
De vrouw heeft op 10 september 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. De man heeft op 4 november 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. Op 25 maart 2021 heeft de vrouw door middel van een aanvullend beroepschrift haar verzoeken in incidenteel hoger beroep aangevuld, waarna de man op 29 maart 2021 een verweerschrift op het aanvullend beroepschrift heeft ingediend en tevens zijn principaal hoger beroep (voorwaardelijk) heeft aangevuld.
2.12
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2021, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Tijdens die mondelinge behandeling is met partijen afgesproken dat de zaak voor drie maanden zal worden aangehouden om de accountants van partijen in staat te stellen een slotbalans van de ontbonden maatschap van partijen op te maken per peildatum 31 juli 2019. Indien partijen er samen niet uitkomen, zullen partijen een derde accountant aanwijzen die bindend aanwijzingen geeft over hoe de slotbalans moet worden vastgesteld. Mochten partijen er niet uitkomen, dan is afgesproken dat zij om een nadere zitting verzoeken.
2.13
Nadat de zaak op verzoek van partijen enige malen is aangehouden, heeft de voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden op 24 juni 2022.
2.14
Bij tussenbeschikking van 5 oktober 20225.heeft het hof geoordeeld dat het aanvullend beroepschrift van de vrouw van 25 maart 2021 in het kader van de tweeconclusieregel niet is toegestaan en dat geen sprake is van een uitzondering op die regel.6.In aansluiting daarop heeft het hof geoordeeld dat de handelwijze van de vrouw in strijd is met een goede procesorde, dat het hof niet zal ingaan op de nieuwe bezwaren van de vrouw en dat om diezelfde reden niet zal worden ingegaan op de aanvullende (voorwaardelijke) verzoeken van de man (rov. 4.8).
2.15
Over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime heeft het hof geoordeeld dat de in de (Iraanse) huwelijksakte opgenomen regeling betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, als huwelijkse voorwaarde naar Iraans recht dient te worden aangemerkt, waardoor wordt afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen (rov. 5.8). De tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht staan op grond van art. 7 lid 2 Haags Huwelijksvermogensverdrag in de weg aan een automatische wijziging van het toepasselijke recht, zodat het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst wordt door Iraans recht (rov. 5.9).
2.16
Naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 november 20217.heeft het hof vervolgens beoordeeld of de bepaling uit de naar Iraans recht rechtsgeldig overeengekomen huwelijkse voorwaarden, die de vrouw enkel een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak toekent onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet haar wens is en zij conform de bevinding van de rechter haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan (door het hof aangeduid als: ‘de gewraakte bepaling’), kennelijk in strijd is met de openbare orde van Nederland (rov. 5.12). Het hof heeft geoordeeld dat dit het geval is (rov. 5.14). Volgens het hof volgt uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad dat aan de hand van het Iraanse huwelijksvermogensrecht moet worden bepaald in hoeverre de vrouw in dit geval een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling), wat een uitleg van het Iraanse huwelijksvermogensrecht vergt (rov. 5.15).
2.17
Het hof heeft ambtshalve een onderzoek door het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) bevolen om zich nader te laten voorlichten over de inhoud van het Iraanse huwelijksvermogensrecht (rov. 5.16). Het hof heeft aan het IJI de volgende vraag voorgelegd: ‘heeft de vrouw gezien de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak op het vermogen van de man?’ (rov. 5.17 en dictum).
2.18
Op 6 maart 2023 is het rapport van het IJI bij het hof binnengekomen. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het rapport te reageren. Beide partijen hebben vervolgens een reactie gegeven op het rapport.
2.19
De voortgezette mondelinge behandeling heeft op 28 september 2023 plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting zijn pleitnotities overgelegd.
2.20
Bij eindbeschikking van 19 december 20238.heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd wat betreft – voor zover thans van belang – de gelaste wijze van verdeling zoals vermeld onder rov. 4.5 van het dictum, en de inleidende verzoeken strekkende tot verdeling van de huwelijksgemeenschap alsnog afgewezen. Na een uiteenzetting van het IJI-rapport in rov. 4.2 heeft het hof, kort gezegd, geoordeeld dat de vrouw geen huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak aan de huwelijkse voorwaarden ontleent (rov. 4.3) en dat bij de afwikkeling van de financiële gevolgen van het huwelijk van partijen het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen geldt (rov. 4.4).
2.21
Ten aanzien van de echtelijke woning heeft het hof geoordeeld dat uit de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020 volgt dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat deze woning aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000 en dat de man de op deze woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake zou vrijwaren. Het enkele feit dat de man niet binnen de drie maanden de financiering heeft kunnen verkrijgen inzake de overname van de echtelijke woning, rechtvaardigt volgens het hof niet dat de vrouw niet meer gebonden is aan de overeenkomst (rov. 4.8). Voormelde afspraken lenen zich niet voor opname in het dictum aangezien het hof over de onderwerpen waarover overeenstemming is bereikt, niet meer behoeft te beslissen (rov. 4.9).
2.22
De vrouw heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de tussenbeschikking en de eindbeschikking van het hof. De man heeft verweer gevoerd en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
3. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen. Onderdeel I valt uiteen in vier subonderdelen en is gericht tegen rov. 4.8 van de tussenbeschikking, waarin het hof heeft overwogen dat de nieuwe bezwaren die de vrouw in haar aanvullend beroepschrift van 25 maart 2021 heeft ingediend over de verkoop van de echtelijke woning en haar aanspraak op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen, in strijd zijn met de tweeconclusieregel en met een goede procesorde. Het hof heeft overwogen:
‘4.8 (…) De beperkingen van de tweeconclusieregel gaan niet op wanneer een na de conclusieronde aangevoerd nieuw feit kan worden gekwalificeerd als een precisering van een eerdere tijdige stelling (Hoge Raad 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301). Hetgeen de vrouw in het kader van de contactregeling nieuw formuleert, is gezien de aard van de procedure toegestaan. De man is ook in de gelegenheid geweest om hierop te reageren. Hetgeen de vrouw formuleert onder verkoop woning en aanspraak op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen beschouwt het hof als nieuwe bezwaren hetgeen in het kader van de tweeconclusieregel niet is toegestaan tenzij de wederpartij ondubbelzinnig heeft ingestemd met de nieuwe bezwaren en het daarmee samenhangend gewijzigde verzoek. De man heeft op 5 november 2020 een verweerschrift op het incidentele appel van de vrouw ingediend. De man heeft schriftelijk gereageerd op het aanvullend beroep van de vrouw van 25 maart 2021 bij verweerschrift op aanvullend beroepsschrift van 29 maart 2021. De mondelinge behandeling is met name benut om te onderzoeken of partijen in onderling overleg eruit zouden komen en in dat kader is de zaak ook nader aangehouden om partijen ruimschoots de gelegenheid te geven om een oplossing te vinden. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238 beslist dat uit het enkele feit dat er inhoudelijk verweer is gevoerd niet volgt dat de betreffende procespartij ondubbelzinnig de aanvullende grieven heeft geaccepteerd. De man is noch in genoemd verweerschrift noch tijdens de mondelinge behandeling naar het oordeel van het hof ondubbelzinnig akkoord gegaan met de nieuwe bezwaren zoals de vrouw die in haar aanvullend beroepschrift heeft geformuleerd en het daarmee samenhangende gewijzigde verzoek; de man heeft expliciet gesteld dat hetgeen de vrouw in haar aanvullend appel heeft gevorderd, dient te worden afgewezen. Voorts acht het hof de handelswijze van de vrouw in strijd met een goede procesorde nu zij eerst na zes maanden na haar verweerschrift tevens incidenteel appel een aanvullend beroepschrift indient. Zij had de grieven zoals geformuleerd in haar aanvullend beroepschrift ook kunnen opnemen in haar incidentele appel. Het hof zal derhalve niet ingaan op de nieuwe bezwaren die zij heeft geformuleerd in haar aanvullende beroepschrift, met uitzondering van hetgeen zij heeft gesteld onder het kopje dwangsom op nakomen contactregeling. Om dezelfde reden als genoemd, zal ook op de aanvullende voorwaardelijke verzoeken van de man als verwoord in zijn verweerschrift op aanvullend beroepsschrift van 29 maart 2021 niet nader worden ingegaan.’
3.2
Onderdeel I.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat geen sprake is van een uitzondering op de tweeconclusieregel nu de man niet ondubbelzinnig heeft ingestemd met de nieuwe bezwaren zoals de vrouw die in haar aanvullend beroepschrift heeft geformuleerd en het daarmee samenhangende gewijzigde verzoek. Het onderdeel betoogt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van hetgeen moet worden verstaan onder ‘ondubbelzinnig accepteren’. Volgens het onderdeel gaat het hof uit van een onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2017.9.In die zaak had het hof in de context van het gevoerde debat het ingaan op de stellingen niet opgevat als een ondubbelzinnige toestemming. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat het hof heeft te onderzoeken of het gevoerde verweer dient te worden opgevat als dat de verwerende partij die nieuwe grief, dus de uitbreiding van het debat, heeft aanvaard. Daarvoor is bepalend wat de reactie van (de advocaat van) de man was in woord en geschrift. Blijkens het hof, ook in rov. 4.8, is (de advocaat van) de man expliciet op de nieuwe eis ingegaan, nu het hof overweegt dat die moet worden afgewezen, aldus het onderdeel. Onder verwijzing naar de schriftelijke reactie van de man op het aanvullend beroepschrift10.betoogt het onderdeel dat die reactie in redelijkheid niet anders kan worden begrepen dan dat de man deze aanvullende verzoeken van de vrouw heeft geaccepteerd als behorend tot het debat en vervolgens op inhoudelijke gronden heeft gesteld dat deze aanvullende verzoeken moeten worden afgewezen. Niet alleen heeft de man blijkens het petitum11.de aanvullende verzoeken onvoorwaardelijk geaccepteerd, maar hij heeft bovendien van de gelegenheid gebruik gemaakt om dat zelf ook te doen, aldus het onderdeel.
3.3
In dit onderdeel gaat het om de vraag of de man in zijn schriftelijke reactie op het aanvullend beroepschrift van de vrouw ondubbelzinnig heeft ingestemd met de nieuwe bezwaren en het daarmee samenhangende gewijzigde verzoek van de vrouw, zodat sprake is van een van de uitzonderingen op de tweeconclusieregel. Van een uitzondering op de tweeconclusieregel kan sprake zijn indien de man inhoudelijk is ingegaan op de nieuwe bezwaren en het daarmee samenhangende gewijzigde verzoek van de vrouw zonder bezwaar te maken tegen het tijdstip waarop die nieuwe bezwaren en het daarmee samenhangende gewijzigde verzoek zijn opgeworpen. De toestemming behoeft niet uitdrukkelijk te worden gegeven en kan dus besloten liggen in verklaringen of gedragingen van de man.12.Of de reactie van de man een dergelijke instemming inhoudt, dient te worden beoordeeld door het hof met inachtneming van de omstandigheden van het geval.13.
3.4
In dit geval is sprake van deze uitzondering op de tweeconclusieregel. De schriftelijke reactie van de man kan namelijk niet anders worden uitgelegd dan dat de man inhoudelijk is ingegaan op het aanvullend beroepschrift van de vrouw zonder dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het tijdstip van het door de vrouw ingediende aanvullend beroepschrift.14.De man heeft bovendien in zijn schriftelijke reactie ook – net als de vrouw – zijn verzoek nog (voorwaardelijk) gewijzigd.15.Gelet op het vorenstaande heeft het hof miskend dat sprake was van ondubbelzinnige instemming van de zijde van de man. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het onderdeel zou daarom slagen, ware het niet dat het hof in rov. 4.8 twee zelfstandig dragende gronden heeft gegeven voor zijn oordeel dat het aanvullende beroepschrift van de vrouw buiten beschouwing wordt gelaten. Naast de overweging dat het handelen van de vrouw in strijd is met de tweeconclusieregel, heeft het hof ook overwogen dat de handelwijze van de vrouw in strijd is met een goede procesorde. Tegen deze grond zijn de onderdelen I.2 en I.3 gericht. In het geval dat de klachten van deze onderdelen falen, bestaat geen belang bij het slagen van onderdeel I.1.
3.5
Onderdeel I.2 en onderdeel I.3 zijn gericht tegen het oordeel in rov. 4.8 dat de handelwijze van de vrouw in strijd is met (de eisen van) een goede procesorde, omdat de vrouw eerst na zes maanden na haar ‘verweerschrift tevens incidenteel appel’ een aanvullend beroepschrift heeft ingediend, terwijl zij de grieven zoals geformuleerd in haar aanvullend beroepschrift ook had kunnen opnemen in haar incidentele appel, met als gevolg dat het hof niet zal ingaan op de nieuwe bezwaren die de vrouw heeft geformuleerd in haar aanvullend beroepschrift (met uitzondering van wat zij heeft gesteld onder het kopje ‘Dwangsom op nakomen contactregeling’). In de onderdelen wordt dit oordeel van het hof met rechts- en motiveringsklachten bestreden.
3.6
Het hof heeft in rov. 4.8 van de tussenbeschikking vermeld wat het beschouwt als ‘nieuwe bezwaren’, te weten hetgeen de vrouw formuleert onder de kopjes ‘Verkoop woning’ en ‘Aanspraak op [de] helft van het door [de] man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen’ in het aanvullend beroepschrift. Onder deze kopjes staan niet alleen de gronden van de gewijzigde verzoeken opgenomen, maar staat ook uiteengezet op welke wijze de vrouw haar verzoeken wenst te wijzigen.16.Verder merk ik op dat de eerste alinea van het aanvullend beroepschrift, die de inleiding vormt voor genoemde kopjes, begint met de zin ‘De vrouw wenst haar verzoeken in incidenteel appel als volgt te vermeerderen’, waarna de gewijzigde verzoeken worden opgesomd en de inleiding wordt afgesloten met de zin ‘De vrouw voert daartoe het navolgende aan’. In zijn tussenbeschikking heeft het hof vervolgens overwogen dat het niet zal ingaan op de ‘nieuwe bezwaren’ die de vrouw heeft geformuleerd in haar aanvullend beroepschrift, omdat het de handelwijze van de vrouw in strijd acht met een goede procesorde nu zij eerst na zes maanden na haar verweerschrift tevens incidenteel appel een aanvullend beroepschrift indient. Gelet op het voorgaande heeft het hof (kennelijk) toepassing gegeven aan art. 283 jo. 130 Rv17., op grond waarvan de rechter ambtshalve een verandering of vermeerdering van het verzoek en/of de gronden daarvan buiten beschouwing kan laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde.18.Tegen een dergelijke beslissing van de rechter staat op grond van art. 283 (tweede volzin) jo. art. 130 lid 2 Rv geen hogere voorziening open en voor het hier bedoelde (appel- en) cassatieverbod geldt niet de mogelijkheid van doorbreking daarvan op grond van de zogenoemde doorbrekingsjurisprudentie.19.De vrouw kan op dit punt dan ook niet worden ontvangen in haar cassatieberoep, zodat de onderdelen I.2 en I.3 falen. Nu de tweede zelfstandig dragende grond voor het oordeel van het hof dat het aanvullend beroepschrift van de vrouw buiten beschouwing wordt gelaten in stand blijft, kan bij gebrek aan belang het slagen van onderdeel I.1 niet tot vernietiging van de bestreden tussenbeschikking leiden.
3.7
Onderdeel I.4 betreft een voortbouwklacht en deelt het lot van de voorafgaande onderdelen.
3.8
Onderdeel II valt in twee subonderdelen uiteen. Onderdeel II.1 is gericht tegen rov. 5.1 tot en met 5.9 van de tussenbeschikking, waarin het hof (onder meer) heeft overwogen dat de man heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank over het toepasselijk recht en zich ter zake op het standpunt heeft gesteld primair dat het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van art. 7 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag naar Iraans recht moet worden afgewikkeld, subsidiair dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 15 april 2009 omdat de vrouw toen de Nederlandse nationaliteit verkreeg en meer subsidiair dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 20 februari 2006 omdat de vrouw zich toen in Nederland heeft gevestigd (rov. 5.3). Het voorgaande ziet op grief 1 zijdens de man. Verder volgt uit genoemde rechtsoverwegingen dat het hof tot de slotsom is gekomen dat op grond van art. 7 lid 2 Haags Huwelijksvermogensverdrag de tussen partijen naar Iraans recht geldende huwelijkse voorwaarden eraan in de weg staan dat het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch wijzigt op grond van een wijziging van nationaliteit of gewone verblijfplaats van een van partijen en dat het huwelijksvermogensregime van partijen derhalve wordt beheerst door Iraans recht (rov. 5.5 tot en met 5.9). Het onderdeel voert aan dat partijen in eerste aanleg zijn uitgegaan van Nederlands recht en op basis daarvan afspraken hebben gemaakt en kennelijk naar aanleiding daarvan ter zitting bij het hof op 8 april 2021 alsnog een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht. Volgens het onderdeel kan uit het proces-verbaal in redelijkheid geen andere uitleg volgen dan dat partijen (op instigatie van het hof) alsnog een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht vanaf de datum dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen (15 april 2009) en dat de man zijn (primaire grondslag van) grief 1 heeft ingetrokken. Hierbij wordt opgemerkt dat het hof naar aanleiding van de instemming van beide partijen heeft vastgesteld dat ‘de echtelijke woning en de polis’ tot de gemeenschap van goederen behoren evenals ‘de overige bestanddelen’. Volgens het onderdeel heeft het hof het voorgaande miskend in rov. 5.3. Gelet op het verloop van het debat stond het het hof dan ook niet langer vrij om (de primaire grondslag van) grief 1 alsnog te behandelen, althans om alsnog te overwegen dat Iraans recht van toepassing is. Het oordeel is onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd, aldus het onderdeel.
3.9
De materiële en de formele geldigheid van de rechtskeuze ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht zijn geregeld in het in deze zaak toepasselijke Haags Huwelijksvermogensverdrag. Art. 10 Haags Huwelijksvermogensverdrag bepaalt dat aan de hand van het gekozen recht moet worden bepaald of sprake is van wilsovereenstemming van partijen over het gekozen recht (de materiële geldigheid). Voor de vraag op welke wijze de rechtskeuze moet blijken, bepaalt art. 11 Haags Huwelijksvermogensverdrag dat de rechtskeuze uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen of ondubbelzinnig moet voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden.20.Voor de vorm van huwelijkse voorwaarden gelden krachtens art. 12 Haags Huwelijksvermogensverdrag hetzij de vereisten van het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, hetzij de vereisten van het recht van de plaats waar de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan. In ieder geval geldt als minimumvereiste dat de huwelijkse voorwaarden moeten zijn neergelegd in een gedagtekend en door beide echtgenoten ondertekend schriftelijk stuk. De vorm waaraan de rechtskeuze moet voldoen (de formele geldigheid), is volgens art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag gekoppeld aan de vorm van huwelijkse voorwaarden. De rechtskeuze moet plaatsvinden in de vorm die is voorgeschreven voor huwelijkse voorwaarden, hetzij van het gekozen recht, hetzij van het recht van de plaats waar de rechtskeuze wordt gedaan. Ook in dit geval geldt het minimumvereiste dat de rechtskeuze moet zijn neergelegd in een schriftelijk stuk dat is gedagtekend en door beide echtgenoten is ondertekend.21.
3.10
Aangezien in deze zaak het Nederlandse recht zowel het (beweerdelijk) gekozen recht is als het recht van de plaats waar de rechtskeuze (beweerdelijk) is gedaan, geldt op grond van art. 1:115 BW op straffe van nietigheid dat huwelijkse voorwaarden bij notariële akte moeten worden aangegaan. Dit betekent dat in Nederland de rechtskeuze moet zijn neergelegd in een notariële akte. Een proces-verbaal van de zitting bij het hof voldoet dus niet aan de vormvoorschriften van art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag in verbinding met art. 1:115 BW.22.De rechts- en motiveringsklachten die betrekking hebben op de beweerdelijk door partijen gemaakte rechtskeuze ter zitting stuiten op het voorgaande af.
3.11
Voor zover onderdeel II.1 klaagt dat het proces-verbaal niet anders kan worden uitgelegd dan als een intrekking van (de primaire grondslag van) grief 1 van de man, merk ik het volgende op. Niet alleen uit het proces-verbaal, maar ook uit de tussenbeschikking blijkt dat de mondelinge behandeling op 8 april 2021 met name is benut om te onderzoeken of partijen in onderling overleg eruit zouden komen. De zaak is na de zitting van 8 april 2021 dan ook nader aangehouden om partijen de gelegenheid te geven een oplossing te vinden.23.Partijen hebben uiteindelijk geen oplossing bereikt waardoor zij weer verder hebben geprocedeerd. Het in de procesinleiding opgenomen citaat uit het proces-verbaal dient dan ook in het kader van deze schikkingspoging te worden gelezen. Uit het proces-verbaal kan niet worden geconcludeerd dat de man de ter adstructie van genoemde appelgrief aangevoerde primaire stelling, dan wel zijn grief 1, heeft prijsgegeven.24.Daarnaast merk ik op dat het onderdeel geen vindplaatsen vermeldt waaruit zou blijken dat partijen of het hof na de mondelinge behandeling van 8 april 2021 ook daadwerkelijk in de veronderstelling hebben verkeerd dat de man (de primaire grondslag van) zijn grief 1 zou hebben ingetrokken. Ook daaruit kan worden afgeleid dat van prijsgeven geen sprake kan zijn geweest. Daarmee faalt ook deze klacht, zodat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden.
3.12
Onderdeel II.2 betreft een voortbouwklacht en deelt het lot van onderdeel II.1.
3.13
Onderdeel III valt in vier subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 4.1 tot en met 4.4 van de eindbeschikking. In de tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat de voorwaarden die zijn opgenomen in de standaardclausule van de Iraanse huwelijkse voorwaarden buiten toepassing blijven wegens strijd met de openbare orde (rov. 5.12 tot en met 5.14). Het hof heeft in de eindbeschikking geoordeeld dat dat wanneer enkel de voorwaarden van deze clausule buiten toepassing zouden blijven, de vrouw een onvoorwaardelijk recht zou krijgen op het vermogen van de man, wat volgens het hof in strijd is met de ratio van de huwelijkse voorwaarden (rov. 4.3). Het hof heeft verder geoordeeld dat wanneer enkel de voorwaarden van deze clausule buiten toepassing zouden blijven, de vrouw een onvoorwaardelijk recht zou krijgen op het vermogen van de man, wat volgens het hof in strijd is met de ratio van de huwelijkse voorwaarden. In rov. 4.4 heeft het hof geoordeeld dat daarom het Iraanse wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen van toepassing is. De desbetreffende standaardclausule uit de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:
‘A: De vrouw stelt de voorwaarde dat wanneer de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en conform de bevinding van de rechtbank de vrouw haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, de man verplicht is om de helft van zijn aanwezige vermogen, dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, of de gelijke waarde daarvan, conform het besluit van de rechtbank aan de vrouw over te dragen.’25.
3.14
Onderdeel III.1 voert aan dat uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 november 202126.volgt dat niet de gehele verrekeningsbepaling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde van de baan is, maar slechts het gedeelte dat in strijd is met de openbare orde: wie het initiatief tot de echtscheiding neemt en de schuldvraag blijven dan buiten toepassing en niet de verrekening zelf. Volgens het onderdeel heeft het hof het bepaalde in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad miskend door in rov. 4.3 van de eindbeschikking als volgt te oordelen: ‘Als enkel die voorwaarde buiten toepassing zou blijven zou dit tot gevolg hebben dat de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man.’ Het oordeel van het hof is dan ook onjuist dan wel onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
3.15
Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad niet miskend. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking juist op grond van deze prejudiciële beslissing geoordeeld dat de beperkende bepalingen (door het hof aangeduid als: de gewraakte bepaling), te weten dat de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en dat de vrouw conform de bevinding van de rechter haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, leiden tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Het hof heeft vervolgens overwogen dat uit de prejudiciële beslissing volgt dat aan de hand van het Iraanse huwelijksvermogensrecht moet worden bepaald in hoeverre de vrouw in dit geval een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (hierna ook: de gereduceerde bepaling), wat een uitleg van het Iraanse huwelijksvermogensrecht vergt. Het hof heeft daarom in zijn tussenbeschikking een onderzoek bevolen door het IJI ter beantwoording van de vraag of de vrouw naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man als de huwelijkse voorwaarden worden ontdaan van de beperkende bepalingen. Het hof heeft niet in de tussenbeschikking miskend dat de toepassing van de openbare orde op zichzelf niet tot gevolg heeft dat de huwelijkse voorwaarden ook voor het overige buiten toepassing blijven.27.Evenmin heeft het hof dit in de eindbeschikking miskend. Het hof heeft namelijk niet op grond van de toepassing van de openbare orde-exceptie een streep gezet door de gereduceerde bepaling, maar heeft dat gedaan op grond van de toepassing van het Iraanse recht. Ik licht dat hierna toe.
3.16
Het hof heeft in rov. 4.2 van de eindbeschikking overwogen dat uit het IJI-rapport volgt (i) dat echtgenoten in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk (met andere woorden: er is in zoverre sprake van partijautonomie28.), (ii) dat zij wel mogen overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden, maar dat dat in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt, (iii) dat de achtergrond (ratio) van de standaardclausule volgens het IJI-rapport is dat het Iraanse recht een algehele scheiding van goederen kent en geen sprake is van een (voortdurende) onderhoudsverplichting na het huwelijk en indien de man dan wenst te scheiden, terwijl zijn echtgenote geen blaam treft, zij na het huwelijk toch verzorgd achterblijft.
3.17
Het hof heeft vervolgens in rov. 4.3 van de eindbeschikking overwogen dat de oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden onlosmakelijk zijn verbonden met de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven. De gereduceerde bepaling, te weten dat de vrouw een onvoorwaardelijk recht heeft op het vermogen van de man, is dan volgens het hof in strijd met de hiervoor genoemde ratio van de overeenkomst, waarbij het hof in aanmerking neemt dat uit het IJI-rapport blijkt dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt. Het hof valt dan ook terug op het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen (rov. 4.4), niet met als argument dat naar Iraans recht de gereduceerde bepaling niet zou zijn toegestaan, maar kennelijk omdat het Iraanse stelsel van algehele scheiding van goederen de aard en strekking van de overeenkomst (de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden) naar Iraans recht dichter benadert dan de gereduceerde bepaling.29.Kortom, het hof heeft niet op grond van de toepassing van de openbare orde-exceptie een streep gezet door de gereduceerde bepaling, maar heeft dat gedaan op grond van de toepassing van het Iraanse recht. Het onderdeel gaat dus uit van een onjuiste lezing van de tussenbeschikking en de eindbeschikking, zodat het faalt.
3.18
Onderdeel III.2 voert twee klachten aan. In de eerste plaats klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat het IJI-rapport wel uitgaat van de juiste uitleg van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Deze klacht faalt in het voetspoor van de klacht van onderdeel III.1.
3.19
In de tweede plaats klaagt het onderdeel over rov. 4.3 van de eindbeschikking. Daarin heeft het hof volgens het onderdeel geoordeeld (i) dat de oorspronkelijk tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden onlosmakelijk verbonden zijn met de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven, (ii) dat er in dit geval geen sprake is van een onverzorgd achterblijven, omdat de vrouw naar Nederlands recht aanspraak kan maken op partneralimentatie en een goede baan zou hebben als tandarts en dat de vrouw daarom in het geheel geen aanspraak kan maken op het vermogen van de man, nu de huwelijkse voorwaarden geen andere verrekeningsbepaling inhouden (rov. 4.4). Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van het IJI-rapport, dat ondubbelzinnig concludeert dat de vrouw naar Iraans recht wel aanspraak kan maken op het vermogen van de man. Daaraan doet niet af dat de aldus ontstane situatie in de praktijk in Iran weinig voorkomt, nu het gaat om partijen die in Nederland wonen en werken en waarvan (zoals in onderdeel III.3 wordt uitgewerkt) de man wel aan vermogensopbouw heeft gedaan en heeft kunnen doen en de vrouw (kennelijk op basis van de rolverdeling tussen partijen) niet, aldus het onderdeel.
3.20
De klacht neemt ten onrechte als uitgangspunt dat het hof zou hebben geoordeeld dat de vrouw geen aanspraak kan maken op het vermogen van de man, omdat in dit geval geen sprake is van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw. De overweging van het hof aan het slot van rov. 4.3 van de eindbeschikking, inhoudende dat ‘overigens’ in dit geval geen sprake is van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw, heeft echter geen betrekking op de overwegingen van het hof die dragend zijn voor zijn beslissing om bij de afwikkeling van de financiële gevolgen van het huwelijk van partijen het Iraanse wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen toe te passen. Die zijn gelegen in hetgeen het hof heeft overwogen in de eerdere opgenomen overwegingen van het hof in rov. 4.3 (zie de behandeling van onderdeel III.1) en in de omstandigheid dat de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden (rov. 4.4). De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van de eindbeschikking en faalt dus.
3.21
Onderdeel III.3 bouwt voort op onderdeel III.2 en gaat tevens uit van een onjuiste lezing van de eindbeschikking. Het onderdeel faalt daarom.
3.22
Onderdeel III.430.voert aan dat het rechtens onjuist is dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk of niet toereikend gemotiveerd, dat het hof aan zijn uitspraak de ‘ratio van de overeenkomst’ ten grondslag heeft gelegd, terwijl gesteld noch gebleken is dat het hof daarbij (ook) Iraans recht heeft toegepast. Veeleer geeft het hof ervan blijk Nederlands recht toe te passen (Haviltex), hetgeen in strijd is met de toepassing van Iraans recht. Het getuigt dan van een onjuiste rechtsopvatting om zowel Nederlands als Iraans recht op het huwelijksvermogensrecht toe te passen. Indien het hof geen Haviltex en/of Nederlands recht heeft toegepast, maar Iraans recht, is het oordeel hetzij in het licht van het IJI-rapport dat onvoorwaardelijk aangeeft dat naar Iraans recht de vrouw wel recht heeft op (een deel van) het vermogen van de man waaruit zou volgen dat naar Iraans recht dat onverkort geldt, hetzij in het licht van de stellingen van de vrouw zoals in onderdeel III.331.weergegeven, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
3.23
Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof Haviltex en/of Nederlands recht zou hebben toegepast, faalt het, omdat het hof Iraans recht heeft toegepast (zie de behandeling van onderdeel III.1). De klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd in het licht van het IJI-rapport faalt eveneens. Hierbij stel ik voorop dat de rechter op grond van art. 10:2 BW buitenlands recht ambtshalve moet toepassen en bij die toepassing niet gebonden is aan een IJI-rapport.32.Het hof heeft aan het IJI (alleen) de vraag voorgelegd of de vrouw, kort gezegd, op grond van de gereduceerde bepaling naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man. Het antwoord van het IJI is in feite dat een dergelijke bepaling naar Iraans recht geldig is, omdat echtgenoten de vrijheid hebben om de voorwaarden in het huwelijkscontract naar eigen inzicht in te richten, mits de voorwaarden niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk.33.Partijen zijn dus naar Iraans recht vrij om hun huwelijksvermogensregime zo in te richten zonder daaraan de voorwaarden te verbinden dat de vrouw niet om de echtscheiding mag verzoeken dan wel geen schuld heeft aan de echtscheiding.34.Het IJI merkt in zijn rapport op dat het echter bijna nooit in de praktijk gebeurt dat echtgenoten overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden.35.Het oordeel van het hof dat de gereduceerde bepaling in strijd is met de ratio van de overeenkomst, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat uit het IJI-rapport blijkt dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt, behoefde dan ook in het licht van het IJI-rapport niet een nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
3.24
Ook de klacht dat in het licht van de stellingen van de vrouw het oordeel van het hof onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend gemotiveerd, kan niet slagen. Volgens vaste rechtspraak behoeft de rechter niet op alle door de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen en argumenten in te gaan36., tenzij sprake is van een essentiële stelling. In het algemeen is van een voor cassatie vatbaar motiveringsgebrek sprake indien de feitenrechter heeft nagelaten een (essentiële) stelling van een van de partijen te behandelen die, indien juist, waarschijnlijk tot een andere beslissing omtrent toe- of afwijzing van de vordering zou hebben geleid.37.In het middel moet worden uiteengezet dat en waarom een stelling een essentiële stelling is.38.Nu het onderdeel niet toelicht waarom de genoemde stellingen essentiële stellingen zijn, strandt de klacht reeds daarop.
3.25
Daaraan voeg ik nog het volgende toe. Voor zover de stellingen waarnaar de vrouw verwijst al kunnen worden aangemerkt als stellingen die de vrouw ten grondslag heeft gelegd aan haar standpunt over de inhoud van het toepasselijke recht, komen die stellingen erop neer dat de man tijdens het huwelijk wel vermogen heeft opgebouwd, maar de vrouw (door toedoen van de man) niet. Ook al zouden deze stellingen juist zijn, dan raakt dat niet de dragende overwegingen van het hof omtrent de toepassing van het Iraanse recht en kan niet worden gezegd dat deze stellingen waarschijnlijk tot een andere beslissing zouden hebben geleid. Ook hierop zou de klacht stranden. Tot slot merk ik nog op dat de (niet-dragende) overwegingen van het hof aan het eind van rov. 4.3 ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende toereikend gemotiveerd zijn in het licht van de stellingen van de vrouw. Het hof heeft daar geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw en dat de verzorgingsgedachte hier geen rol speelt. Het hof onderbouwt dat door te overwegen dat de vrouw naar Nederlands recht aanspraak kan maken op partneralimentatie, dat zij een goede baan als tandarts heeft met een aanzienlijk inkomen en dat zij in staat is om vermogen op te bouwen.
3.26
Onderdeel IV valt in vijf subonderdelen (genummerd IV.0 tot en met IV.4) uiteen en is gericht tegen rov. 4.8 tot en met 4.10 van de eindbeschikking, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
‘De woning
4.8
Uit de bestreden beschikking volgt naar het oordeel van het hof expliciet dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de voormalige echtelijke woning te [plaats] aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000,- en dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake die lening zou vrijwaren. Uit het proces-verbaal van dit hof van de zitting van 8 april 2021 volgt eveneens dat de woning te [plaats] aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,-. In het proces-verbaal staat letterlijk: ”De voorzitter vat samen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust.” Het enkele feit dat de man - mede bezien het conflict tussen partijen - niet binnen drie maanden de financiering heeft kunnen verkrijgen inzake de overname van de woning, rechtvaardigt niet dat de vrouw niet meer gebonden is aan de overeenkomst die zij met de man op 24 maart 2020 heeft gesloten met betrekking tot de verdeling van de woning. Ook zij heeft een aandeel erin gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning.
4.9
Voormelde afspraken tussen partijen omtrent de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning lenen zich niet voor opname in het dictum aangezien het hof over de onderwerpen waarover overeenstemming is bereikt, niet meer hoeft te beslissen. Dit neemt niet weg dat partijen jegens elkaar gebonden zijn aan de afspraken die zij met elkaar over de verdeling van de woning hebben gemaakt en op grond waarvan de woning is verdeeld in de zin van artikel 3:182 BW. De vrouw dient derhalve mee te werken aan de goederenrechtelijke voltooiing van deze verdeling met toedeling van de woning aan de man.
ASR levensverzekering
4.10
Ter zitting is ook de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij ASR aan de orde gekomen. Partijen zijn in eerste aanleg overeengekomen dat deze levensverzekering zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,-, onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. Aan deze afspraak, die zich evenmin leent voor opname in het dictum aangezien de rechter in dezen geen rechtsmacht heeft, zijn partijen gebonden.’
3.27
Onderdeel IV.0 klaagt dat het hof in rov. 4.8 aanbod en aanvaarding, en Haviltex heeft miskend. Het onderdeel loopt vooruit op onderdeel IV.2 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
3.28
Onderdeel IV.1 bevat geen klacht. Onderdeel IV.2 onderbouwt aan de hand van onder meer (i) de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020, (ii) het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 11 februari 2020, en (iii) het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 8 april 2021, dat het (zonder nadere toelichting) onbegrijpelijk is:
dat het hof heeft geoordeeld dat uit de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020 volgt dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de echtelijke woning zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000 en dat de man de op de echtelijke woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake van die lening zou vrijwaren;
dat het hof heeft geoordeeld dat uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 8 april 2021 eveneens volgt dat de echtelijke woning aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000.
3.29
Ik meen dat deze motiveringsklacht slaagt. In de beschikking van 24 maart 2020, waarnaar het hof in rov. 4.8 van de eindbeschikking verwijst, heeft de rechtbank als volgt geoordeeld (mijn cursivering, A-G):
‘3.5.15. De rechtbank zal de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap op de peildatum achtereenvolgens bespreken.
de echtelijke woning, de hypothecaire geldlening en de levensverzekering
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) moet worden toegedeeld aan de man. De vrouw stelt onder verwijzing naar de taxatie van Buddies Real Estate Rotterdam (productie 24 bij de brief van 5 februari 2020) dat de waarde van de woning minimaal € 950.000,- bedraagt. Met de man constateert de rechtbank echter dat het taxatierapport van Buddies een concept is en dat de taxatie is uitgevoerd met als doel “het vaststellen van de marktwaarde ten behoeve van het verkrijgen van een (hypothecaire) financiering”. De man verwijst naar de brief van een makelaar gericht aan de advocaat van de vrouw (productie 32 bij zijn reactie op het verweerschrift op het zelfstandig verzoek) waarin deze makelaar vermeldt dat de opbrengst van de woning naar verwachting zal uitkomen op een bedrag tussen de € 880.000,- en de € 930.000,-. Desalniettemin is de man bereid uit te gaan van een waarde van € 940.000,-. Gelet op deze door partijen aangedragen gegevens stelt de rechtbank de waarde van de woning vast op € 940.000,-.
Partijen zijn het erover eens dat de man de hypothecaire schuld bij de ABN AMRO van
€ 940.000,- voor zijn rekening neemt. Dit betekent dat er geen sprake is van overwaarde dan wel onderwaarde zodat er geen verrekenpost ontstaat. De man spant zich in er voor te zorgen dat de bank de vrouw ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
De rechtbank acht het redelijk om aan de overname van de woning door de man een termijn te verbinden zoals door de vrouw verzocht en wel van drie maanden. Als de man niet in staat is de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid, binnen drie maanden na de datum van deze beschikking te realiseren, moet de woning worden verkocht.
Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van de man afgewezen ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Partijen zijn het eens dat de levensverzekering bij ASR die is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,- en onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.
Indien de woning moet worden verkocht, moet op de verkoopopbrengst de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering worden gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die partijen gelijkelijk verdelen. Indien de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering hoger zullen zijn dan de hypotheekschuld verdelen partijen deze gelijkelijk. Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, waarop de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering in mindering strekken, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk zullen dragen.
De kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.’
3.30
Uit de beschikking van de rechtbank blijkt dat partijen het erover eens waren dat de echtelijke woning aan de man zou worden toegedeeld, maar ook blijkt uit de beschikking dat partijen het niet eens waren over de waarde van de echtelijke woning: de vrouw stelde zich op het standpunt dat de waarde van de echtelijke woning € 950.000 was en de man stelde zich op het standpunt dat de waarde € 940.000 was.39.In de beschikking staat dan ook vermeld dat de rechtbank de waarde van de woning heeft vastgesteld op € 940.000. Het oordeel van het hof dat overeenstemming tussen partijen bestond over de waarde van de woning, is derhalve niet begrijpelijk (althans niet zonder nadere motivering).
3.31
Ook volgt uit de beschikking van de rechtbank niet dat partijen onvoorwaardelijk de echtelijke woning aan de man zouden hebben toegedeeld voor een waarde van € 940.000 en dat de rechtbank dus uit eigen beweging aan de beweerdelijke overeenkomst tussen partijen de termijn van drie maanden zou hebben toegevoegd, zoals het hof in feite oordeelt in rov. 4.8 van de eindbeschikking.40.Uit de beschikking van de rechtbank blijkt immers dat de vrouw de rechtbank heeft verzocht om een termijn te verbinden aan de overname van de echtelijke woning. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 11 februari 2020 blijkt dat de vrouw de waarde van de echtelijke woning verbindt aan een termijn, daar waar zij ter zitting heeft gezegd: ‘Als de man de woning niet binnen korte tijd overneemt, moet een hoger bedrag [dan € 950.000, A-G] worden aangenomen.’41.De rechtbank heeft vervolgens, en aldus op verzoek van de vrouw, de man drie maanden de tijd gegeven om de financiering rond te krijgen zodat de man de echtelijke woning kon overnemen. In het geval dat de man daartoe niet in staat was, zou de echtelijke woning worden verkocht op de wijze zoals vastgesteld door de rechtbank. Hieruit volgt dat de toedeling van de echtelijke woning aan de man tegen de – door de rechtbank vastgestelde – waarde van € 940.000 afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de man, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de financiering binnen drie maanden rond kon krijgen. Het oordeel van het hof dat in feite inhoudt dat partijen onvoorwaardelijk de toedeling en de waarde zijn overeengekomen en dat de rechtbank dus uit eigen beweging aan de overeenkomst tussen partijen de termijn van drie maanden heeft toegevoegd, is derhalve niet begrijpelijk (althans niet zonder nadere motivering).
3.32
Verder volgt uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 8 april 2021, waaruit het hof in rov. 4.8 van de eindbeschikking citeert, niet dat de echtelijke woning aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000, laat staan onvoorwaardelijk. Het citaat van de voorzitter (‘De voorzitter vat samen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust.’) volgt op het citaat van de advocaat van de man: ‘De advocaat van de man (desgevraagd): Op de echtelijke woning rust een hypothecaire geldlening van € 940.000,-. Partijen hebben afgesproken dat de waarde van de woning € 940.000,- bedraagt’. Noch de vrouw noch de advocaat van de vrouw heeft zich – gelet op het proces-verbaal – hierover uitgelaten. De samenvatting van de voorzitter lijkt dan ook eerder een samenvatting te zijn van wat de advocaat van de man heeft gezegd. Een dergelijke samenvatting neemt ook niet weg dat de toedeling van de echtelijke woning aan de man tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde afhankelijk is gesteld van de hierboven genoemde voorwaarden (dat de man, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de financiering binnen drie maanden rond kon krijgen).
3.33
Gelet op het vorenstaande is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd, zodat onderdeel IV.2 slaagt.
3.34
Onderdeel IV.3 betoogt dat de klacht van onderdeel IV.2 mutatis mutandis ook geldt voor rov. 4.10 en voor de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij ASR. Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2020 bij de rechtbank en uit de daaropvolgende beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020 volgt dat die levensverzekering alleen aan de man wordt toegedeeld indien en voor zover de man binnen de gestelde termijn van drie maanden de echtelijke woning kan overnemen (en dus niet bij verkoop van de woning), aldus het onderdeel. Onderdeel IV.4 is gericht tegen rov. 4.9 en 4.10 van de eindbeschikking. Het onderdeel betoogt dat het hof niet alleen heeft miskend dat de in rov. 4.8 tot en met 4.10 genoemde overeenkomsten non-existent zijn, maar ook dat het enkele feit dat partijen beweerdelijk overeenstemming hebben over een geschilpunt hangende een procedure, nog niet betekent dat het hof daarop niet langer zou dienen te beslissen. Onderdeel V is gericht tegen het oordeel van het hof in de laatste volzin van rov. 4.8, waarin het hof heeft geoordeeld dat ook de vrouw er een aandeel in heeft gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning.
3.35
Deze onderdelen kunnen gezamenlijk worden behandeld. Ik stel daarbij voorop dat de vernietiging door de Hoge Raad van een uitspraak niet alleen de in die uitspraak voorkomende beslissingen die in cassatie met succes zijn bestreden treft, maar ook meebrengt dat alle beslissingen die daarop voortbouwen of daarmee onverbrekelijk samenhangen, hun kracht verliezen omdat daaraan de grondslag is ontvallen.42.De vernietiging van de beslissing van het hof dat sprake is van een (onvoorwaardelijke) overeenkomst tussen partijen heeft dan tot gevolg dat ook de daarop voortbouwende dan wel daarmee onverbrekelijk samenhangende beslissing van het hof in rov. 4.8 van de eindbeschikking niet in stand kan blijven, te weten het oordeel – zakelijk weergegeven – dat de vrouw aan de overeenkomst blijft gebonden ondanks dat de man niet binnen drie maanden de financiering heeft verkregen en dat de vrouw erin een aandeel heeft gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning. Het voorgaande geldt ook voor de beslissingen van het hof in rov. 4.9 en rov. 4.10 van de eindbeschikking. De door de onderdelen bestreden beslissingen verliezen daarmee hun kracht omdat – gelet op het slagen van onderdeel IV.2 – daaraan de grondslag is ontvallen.
3.36
Onderdeel VI betreft een voortbouwklacht, die is gericht tegen rov. 4.17 (waarin staat opgenomen: ‘Dit alles leidt tot de volgende beslissing.’) en het dictum van de eindbeschikking. Nu enkele klachten van het middel (gedeeltelijk) slagen, slaagt deze voortbouwklacht in het voetspoor daarvan.
4. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
4.1
Nu het principale cassatieberoep doel treft, is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld, zodat het daarin voorgestelde middel moet worden besproken.
4.2
Het incidenteel cassatieberoep bestaat uit twee onderdelen, die zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.12 tot en met 5.14 van de tussenbeschikking en het daarop voortbouwend oordeel in de eindbeschikking, waarin het hof heeft geoordeeld over de vraag of de vermelde bepaling in de huwelijkse voorwaarden in strijd is met de openbare orde. Nu het principaal cassatieberoep op dit punt niet slaagt en de oordelen van het hof daarover in cassatie in stand blijven, heeft de man geen belang bij vernietiging van de bestreden beschikkingen op dit punt. De onderdelen falen om die reden en behoeven geen nadere bespreking.
5. Conclusie
De conclusie strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking en tot verwijzing, en in het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑12‑2024
Zie de tussenbeschikking van het hof Den Haag van 5 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2153, rov. 3.2 t/m 3.11, voor de volledige feitenuiteenzetting.
Zaaknummer 579294/KG ZA 19-794.
Rechtbank Rotterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3277.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, gesloten te ’s-Gravenhage op 14 maart 1978, Trb. 1988, 130. Het verdrag is op 1 september 1992 voor Nederland in werking getreden.
Hof Den Haag 5 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2153.
Met uitzondering van hetgeen de vrouw in het kader van de contactregeling nieuw heeft geformuleerd, waarop de man ook in de gelegenheid is geweest te reageren.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer.
Hof Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2560.
HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, NJ 2018/31.
Genaamd: ‘verweerschrift op aanvullend beroepschrift in het incidenteel appèl tevens houdende een aanvullend (voorwaardelijk) verzoek’.
Het petitum luidt als volgt: ‘Verzoeker, thans verweerder, zich wendt tot uw Hof met het verzoek om de gevraagde aanvullende verzoeken als vervat in het incidenteel appèl van de vrouw af te wijzen, en in het principaal appèl de aanvullende (voorwaardelijke) verzoeken als hiervoor onder punt 10 en 12 geformuleerd toe te wijzen’.
Zie de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2018:303) vóór HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1097, NJ 2018/318, onder 3.4.2, met verdere verwijzing. Zie ook: Chr.F. Kroes, 'De tweeconclusieregel en beginselen van burgerlijk procesrecht', TCR 2018, p. 115-116.
Zie het ‘verweerschrift op aanvullend beroepschrift in het incidenteel appèl tevens houdende een aanvullend (voorwaardelijk) verzoek’, onder 1, 4 t/m 9 en het petitum.
Zie het ‘verweerschrift op aanvullend beroepschrift in het incidenteel appèl tevens houdende een aanvullend (voorwaardelijk) verzoek’, onder 10, 12 en het petitum.
Onder het petitum in het aanvullend beroepschrift staan vervolgens de gewijzigde verzoeken vermeld.
Zie T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2024), art. 283 Rv, aant. 2e (A.I.M. van Mierlo), waarin onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 322) wordt opgemerkt dat deze bevoegdheid van de rechter (ook) kan worden gezien als een uitwerking van de verplichting van de rechter zoals neergelegd in art. 20 lid 1 Rv om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/245, waarin wordt opgemerkt dat bij de toepassing van de maatstaf of de vermeerdering of verandering in strijd is met een goede procesorde, de appelrechter (onder meer) het stadium waarin het geding in hoger beroep verkeert zal kunnen betrekken.
Zie bijv. HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7027, RvdW 2007/836, rov. 4 (waarin de Hoge Raad herhaalt dat er ook in het geval van een ambtshalve gegeven beslissing geen hogere voorziening openstaat tegen de beslissing van de rechter) en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102, rov. 3.6. Zie ook: T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2024), art. 283 Rv, aant. 3.a en 3.b (A.I.M. van Mierlo); E.L. Schaafsma-Beversluis, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 283 Rv, aant. 10; Chr.F. Kroes, a.w., TCR 2018, p. 124.
Zie hierover ook HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4352, NJ 2013/473, m.nt. Th.M. de Boer.
Zie o.a. Asser/Vonken & Ibili 10-II 2021/320-325; P. Vlas & M. Zilinsky, Ontwikkelingen IPR-huwelijksvermogensrecht (2018-2023), WPNR 2023/7428, p. 694; I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2010, nr. 32.
Asser/Vonken & Ibili 10-II 2021/328; F. Ibili, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 6 Haags huwelijksvermogensverdrag 1978, aant. 8.
Zie rov. 4.8 van de tussenbeschikking: ‘De mondelinge behandeling is met name benut om te onderzoeken of partijen in onderling overleg eruit zouden komen en in dat kader is de zaak ook nader aangehouden om partijen ruimschoots de gelegenheid te geven om een oplossing te vinden.’
Zie bijvoorbeeld HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8748, NJ 2007/271, rov. 3.4, en de conclusie van A-G Huydecoper, onder 23.
Zie rov. 5.6 van de tussenbeschikking van het hof van 5 oktober 2022.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer. In de procesinleiding verzoekschriftprocedure wordt verwezen naar rov. 3.8 en 3.9 van de prejudiciële beslissing.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.11.
Zie ook het IJI-rapport onder 10: ‘De echtgenoten hebben dan ook de vrijheid om de voorwaarden in het huwelijkscontract naar eigen inzicht in te richten, mits de voorwaarden niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Zo mogen de echtgenoten bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen of dat zij een seksuele relatie uitsluiten.’ Zie ook hof ’s-Hertogenbosch 20 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2020, EB 2024/79, rov. 5.11.3.
Zie ook: Asser/Vonken 10-I 2023/520-521. Vgl. de noot van Th.M. de Boer onder HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, onder 6.
In de procesinleiding is het onderdeel per abuis ook genummerd als ‘III.3’.
In de procesinleiding verzoekschriftprocedure is hier per abuis ‘onderdeel III.2’ vermeld.
Zie o.a. Asser/Vonken 10-I 2023/404.
Zie het IJI-rapport, onder 10.
Zie het IJI-rapport, onder 11.
Zie het IJI-rapport, onder 11.
Zie B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/116; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188. Zie bijvoorbeeld ook HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1044, NJ 2006/191, rov. 4.5.
Zie W.D.H. Asser, Cassatie, 2018, par. 4.6.3; A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/70-71; A.E.H. van der Voort Maarschalk en. A. Knigge, Cassatie 2019/43; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188.
Zie B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/114-116. Zie bijvoorbeeld ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2022:304) voor HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1107, RvdW 2022/766 (art. 81 RO), onder 3.8.
Dit komt overeen met het verhandelde ter zitting van de rechtbank. Zie daarvoor het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 11 februari 2020, p. 4-5.
Zie hiervoor ook het proces-verbaal van de zitting van 28 september 2023 bij het hof, p. 2, waar de voorzitter aan het begin van de mondelinge behandeling een samenvatting heeft gegeven van de zaak: ‘De voorzitter: ‘(…) In eerste aanleg waren partijen het erover eens dat de woning aan de man zou worden toegedeeld voor € 940.000,- en dat de man een inspanningsverbintenis heeft om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de met de woning verbonden hypothecaire lening te doen ontslaan. Dat is een overeenkomst tussen partijen. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat dit binnen drie maanden na de datum van de bestreden beschikking moet geschieden. Partijen hebben een overeenkomst met betrekking tot de verdeling van de woning gesloten. Dan heeft de rechter in beginsel geen rechtsmacht meer. De rechtbank heeft bepaald dat de man de financiering voor de overname van de woning binnen 3 maanden na de datum van de bestreden beschikking moet regelen. De man kon dit niet rondkrijgen omdat er vanwege de vele conflicten tussen partijen geen convenant was waarin alles werd geregeld. Het hof heeft begrepen dat de man de financiering inmiddels wel rond krijgt en in de dagvaardingsprocedure nakoming door de vrouw van de overeenkomst inzake de toedeling van de woning aan hem vordert.(…).’ Hierbij merk ik volledigheidshalve op dat (de advocaat van de) de vrouw dit op deze mondelinge behandeling heeft bestreden, zie (onder meer) het betreffende proces-verbaal, p. 9: ‘Ten aanzien van de woning is er geen wilsovereenstemming. De woning is niet binnen 3 maanden na de bestreden beschikking geleverd. Die termijn van 3 maanden is een ontbindende voorwaarde. Dat de woning tegen een bedrag van € 940.000,- aan de man wordt toegedeeld is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.’ en p. 11: ‘Ten aanzien van de woning is geen overeenkomst gesloten. Er was geen aanbod en geen aanvaarding. De man heeft de gelegenheid gekregen om de woning binnen 3 maanden over te nemen. Ik verwijs naar de overweging van de rechtbank. Ik wijs ook op de redelijkheid en billijkheid. Er kan dus geen nakoming worden gevorderd.’
Zie het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 11 februari 2020, p. 5.
Zie o.a. HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.3.2, onder verwijzing naar HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739, rov. 3.6.2; HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:207, NJ 2019/387, m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 5.2.2. Zie ook N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/393; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/297; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 9.2.
Beroepschrift 29‑05‑2024
VERWEERSCHRIFT OP VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
Zaaknummer: C24/00473
Aan de Hoge Raad der Nederlanden,
Geeft eerbiedig te kennen:
Mevrouw [de vrouw], (hierna ook: de vrouw) wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats gekozen hebbende te Den Haag aan de Statenlaan 28, (2582 GM) ten kantore van Alt Kam Boer advocaten, voor wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden als advocaat in cassatie optreedt, heeft kennisgenomen van het door de heer [de man], (hierna ook: de man) wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats gekozen hebbende te Leiden aan de Rijnsburgerweg 141, (2500 AT) ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. N.C. van Steijn, ingediende verweerschrift in cassatie tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
Verweer tegen het incidenteel cassatieberoep
De vrouw voert hiertegen het volgende verweer.
1.1
Onderdeel 1 betreft een rechtsklacht en een motiveringsklacht. Het hof is volgens dit onderdeel in r.o. 5.12 t/m 5.14 van de tussenbeschikking en de eindbeschikking uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de daarin gegeven motivering onbegrijpelijk, omdat de vrouw volgens het onderdeel niet zou hebben geklaagd over het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.5.10 van de beschikking van 24 maart 2020. Het hof zou buiten de rechtsstrijd zijn getreden door in r.o. 5.12 e.v. aan de openbare orde te toetsen.
1.2
Het onderdeel miskent allereerst dat de rechtbank blijkens r.o. 3.5.7 beslist had dat vanaf 20 februari 2006 het Nederlands recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime en dat vanaf die datum een huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen is ontstaan (r.o. 3.5.12). De man heeft zijn eerste grief hiertegen gericht en aangegeven dat er niet mag worden uitgegaan van een wijziging van het huwelijksvermogensregime en dus dat Nederlands recht nimmer van toepassing is geworden.1. Deze grief van de man slaagt blijkens r.o. 5.9 van de tussenbeschikking, waar het hof beslist dat artikel 7 lid 2 van het Verdrag eraan in de weg staat dat het huwelijksvermogensregime van partijen wijzigt op grond van een wijziging van gewone verblijfplaats of nationaliteit van een van partijen en dus dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Iraanse recht. Over de gehele periode, derhalve vanaf 12 mei 2005 tot 24 maart 2020, is volgens het hof het Iraanse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Nu deze grief van de man slaagt, diende het hof in het kader van de devolutieve werking het gehele debat in eerste aanleg en de beslissingen opnieuw te beoordelen.
1.3
Het onderdeel miskent tevens dat er voor de vrouw geen noodzaak bestond om een grief te richten tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.5.11, omdat de vrouw zich kon vinden in het dictum van de uitspraak van de rechtbank, 4.5 de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Zij hoeft dan geen hoger beroep in te stellen en is niet verplicht grieven aan te voeren tegen eindbeslissingen die de rechter in eerste aanleg in zijn nadeel heeft genomen.2. De vrouw als geïntimeerde hoeft enkel incidenteel hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak indien in het dictum van de uitspraak in haar nadeel is beslist.3. Geïntimeerde hoeft geen incidenteel beroep in te stellen als enkel in de overwegingen van de uitspraak bindende eindbeslissingen voorkomen die in haar nadeel zijn. De devolutieve werking zorgt er namelijk al voor dat het Hof deze beslissingen opnieuw zal moeten beoordelen, hetgeen het hof dus ook heeft gedaan. Het instellen van incidenteel beroep is dus niet noodzakelijk indien een partij zich in het dictum van de uitspraak kan vinden. Het is dan zelfs niet noodzakelijk om in hoger beroep te verschijnen.4. Er is dus geenszins sprake van het buiten de rechtsstrijd treden.
Dit alles miskent de klacht.
1.4
Daarnaast miskent de klacht dat de vrouw wel degelijk op dit punt incidenteel appel heeft ingesteld, namelijk bij aanvullend beroepschrift. Zoals in de procesinleiding al uitvoerig naar voren is gebracht, was deze grief wel degelijk toelaatbaar, nu de man deze onvoorwaardelijk heeft geaccepteerd als behorend tot het debat en bovendien van de gelegenheid gebruik gemaakt om zelf ook het debat uit te breiden middels zijn verweerschrift op aanvullend beroepschrift in het incidenteel appel tevens houdende een aanvullend (voorwaardelijk) verzoek. De ondubbelzinnige toestemming van de man ligt in dat verweer alsmede in het verweer ter zitting besloten.
Onderdeel 2
1.5
Volgens het tweede onderdeel is het oordeel van het hof dat een regeling zoals omschreven in de huwelijkse voorwaarden waarbij bij de financiële afwikkeling van de echtscheiding de schuldvraag dient te worden beantwoord en al naargelang daarvan de afwikkeling dient te worden vastgesteld in strijd met de openbare orde wordt geacht, onjuist of onbegrijpelijk.
1.6
Dit onderdeel miskent dat Uw Raad heeft beslist dat de vraag of het onderscheid en de beperking leiden tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde niet in algemene zin kan worden beantwoord5.. In dat verband komt mede betekenis toe aan de overige feiten en omstandigheden van het geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval, aldus het slot van r.o. 3.6.1. De mate van betrokkenheid is door de Uw Raad niet nader gespecificeerd, waardoor het aan de feitenrechter is om aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval te beoordelen of Nederland betrokken is, hetgeen de rechter de nodige beoordelingsvrijheid geeft.
1.7
Het hof hanteert in r.o. 5.12 derhalve het juiste juridische uitgangspunt en motiveert in r.o. 5.14 voldoende waarom het van oordeel is dat een regeling zoals omschreven in de huwelijkse voorwaarden waarbij bij de financiële afwikkeling van de echtscheiding de schuldvraag dient te worden beantwoord en al naar gelang daarvan de afwikkeling dient te worden vastgesteld, daarmee in strijd met de openbare orde wordt geacht. Het hof hecht daarbij veel waarde aan het feit dat het huwelijk zich grotendeels in Nederland heeft afgespeeld en partijen hun vermogen in deze periode in Nederland hebben verworven. Tot deze afweging heeft het hof als feitenrechter de vrijheid.
De klacht mist feitelijke grondslag.
Redenen waarom
De vrouw Uw Raad verzoekt:
In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep: het cassatieberoep van de man te verwerpen; kosten rechtens!
's‑Gravenhage, 29 mei 2024
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑05‑2024
Verzoekschrift in hoger beroep rnr. 1 t/m 7
Vgl. HR 14 november 1997, NJ 1998, 439; HR 14 november 1997, NJ 1998, 439. Vgl. voor cassatie Veegens, Korthals Altes, Groen, Asser-Procesrecht, 2005, nr. 148.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721
Beroepschrift 30‑01‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD (BODEMZAAK)
Eiseres tot cassatie is:
mevrouw [de vrouw], (hierna ook: de vrouw) wonende te [woonplaats] voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirante als zodanig is aangewezen om haar te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure
Verweerder in cassatie te deze is:
de heer [de man], (hierna ook: de man) wonende te [woonplaats], voor wie in hoger beroep als (proces)advocaat is opgetreden mr. J.W. Aartsen, kantoorhoudende te (3571WG) Utrecht aan de Maliesingel 2 (AHL Advocaten);
de vrouw stelt hierbij cassatieberoep in tegen het tussenbeschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 5 oktober 2022 (hierna: de tussenbeschikking) en tegen de eindbeschikking van dat gerechtshof d.d. 19 december 2023, gewezen in de bodemzaak onder zaaknummer 200.279.974/01, (hierna: de eindbeschikking);
De vrouw voert tegen het de tussenbeschikking en tegen de eindbeschikking aan het volgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij het aangevallen beschikkingen heeft overwogen en beslist gelijk in deze beschikkingen vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. inleiding en feiten
1.
Partijen zijn in een echtscheiding verwikkeld, waarbij onder meer in geschil is welk recht in welke periode op het huwelijksvermogen van toepassing is.
2.
Daarnaast is er sprake van een verdeling van een woning met bedrijfspand dat — naar vaststaat — sinds de zitting in eerste aanleg aanzienlijk in waarde is gestegen (van € 940.000,= naar meer dan € 1.2 mio).
3.
Onderhavige zaak betreft de bodemzaak. Separaat is ook cassatieberoep ingesteld tegen het kortgeding ter zake van de gedwongen medewerking aan overdracht van het aandeel van de vrouw aan de man tegen een prijs van € 940.000,=. Verzocht zal worden deze als samenhangende zaken te behandelen.
B. Klachten tegen de tussenbeschikking
I. Tweeconclusieregel
Dit onderdeel is gericht tegen rov 4.8 van de tussenbeschikking waarin het hof overweegt:
‘4.8
(…) Hetgeen de vrouw formuleert onder verkoop woning en aanspraak op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen beschouwt het hof als nieuwe bezwaren hetgeen in het kader van de tweeconclusieregel niet is toegestaan tenzij de wederpartij ondubbelzinnig heeft ingestemd met de nieuwe bezwaren en het daarmee samenhangend gewijzigde verzoek. De man heeft op 5 november 2020 een verweerschrift op het incidentele appel van de vrouw ingediend. De man heeft schriftelijk gereageerd op het aanvullend beroep van de vrouw van 25 maart 2021 bij verweerschrift op aanvullend beroepsschrift van 29 maart 2021. De mondelinge behandeling is met name benut om te onderzoeken of partijen in onderling overleg eruit zouden komen en in dat kader is de zaak ook nader aangehouden om partijen ruimschoots de gelegenheid te geven om een oplossing te vinden. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238 beslist dat uit het enkele feit dat er inhoudelijk verweer is gevoerd niet volgt dat de betreffende procespartij ondubbelzinnig de aanvullende grieven heeft geaccepteerd. De man is noch in genoemd verweerschrift noch tijdens de mondelinge behandeling naar het oordeel van het hof ondubbelzinnig akkoord gegaan met de nieuwe bezwaren zoals de vrouw die in haar aanvullend beroepschrift heeft geformuleerd en het daarmee samenhangende gewijzigde verzoek; de man heeft expliciet gesteld dat hetgeen de vrouw in haar aanvullend appel heeft gevorderd, dient te worden afgewezen. Voorts acht het hof de handelswijze van de vrouw in strijd met een goede procesorde nu zij eerst na zes maanden na haar verweerschrift tevens incidenteel appel een aanvullend beroepschrift indient. Zij had de grieven zoals geformuleerd in haar aanvullend beroepschrift ook kunnen opnemen in haar incidentele appel. Het hof zal derhalve niet ingaan op de nieuwe bezwaren die zij heeft geformuleerd in haar aanvullende beroepschrift, met uitzondering van hetgeen zij heeft gesteld onder het kopje dwangsom op nakomen contactregeling. Om dezelfde reden als genoemd, zal ook op de aanvullende voorwaardelijke verzoeken van de man als verwoord in zijn verweerschrift op aanvullend beroepsschrift van 29 maart 2021 niet nader worden ingegaan.’
I.1
Allereerst geeft het hof in rov. 4.8 van de tussenbeschikking blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van hetgeen moet worden verstaan onder ‘ondubbelzinnig accepteren’ in het kader van de tweeconclusieregel en art. 347 Rv. In het bijzonder gaat het hof uit van een rechtens onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg van het arrest HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238. Uw Raad oordeelt immers:
‘3.3.2
Zoals in HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7 is beslist, geldt ook voor verweren die door de geïntimeerde worden aangevoerd tegen de vordering van de oorspronkelijke eiser, dat wijziging of uitbreiding daarvan dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep. Nadat de in art. 347 lid 1 Rv genoemde conclusies zijn genomen, is de mogelijkheid om verweren aan te voeren die niet in het verlengde liggen van de aldus door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel beperkt tot de uitzonderingen die zijn genoemd in HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154. Daarbij is niet van belang of het verweer kan worden aangemerkt als een nieuwe grief (vgl. HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224, NJ 2016/218).
3.3.3
Tot de bedoelde uitzonderingen op de zogeheten tweeconclusieregel behoort het geval dat de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat het nieuwe verweer alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Het hof heeft klaarblijkelijk de omstandigheid dat [verweerster] bij pleidooi op het nieuwe verweer van [eiser] heeft gereageerd — in de context van een betoog dat het aan [eiser] te wijten was dat tot dan toe van onjuiste feiten was uitgegaan — niet opgevat als een dergelijke ondubbelzinnige toestemming, waarbij het in zijn beoordeling heeft betrokken dat het in strijd met de goede procesorde zou zijn het nieuwe standpunt van [eiser] te onderzoeken. Op dit feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof stuit de klacht af.’
Deze uitspraak moet aldus worden begrepen dat het hof in die zaak in de context van dat debat het ingaan op die stellingen niet heeft opgevat als een dergelijke ondubbelzinnige toestemming. Uit die uitspraak volgt dat het hof dus heeft te onderzoeken — al dan niet aan de hand van het Haviltexcriterium — of het gevoerde verweer dient te worden opgevat als dat de verwerende partij die nieuwe grief dus de uitbreiding van het debat heeft aanvaard. Daarvoor is dus bepalend wat de reactie van (de advocaat van) de man was in woord en geschrift. Blijkens het hof, ook in rov 4.8, is de (advocaat van de) man expliciet op de nieuwe eis ingegaan, nu het hof overweegt dat die moet worden afgewezen. Zie in dit verband ook het verweerschrift op het aanvullend beroepschrift zijdens de man, p. 2 t/m 4:
‘Verkoop woning:
- 4)
Zoals in randnummer 32 van het verzoekschrift in hoger beroep gesteld — en bewezen aan de hand van productie 9 en 10 — kan de man de woning niet overnemen zolang er niet óf een convenant is óf een gerechtelijke uitspraak waarbij de verdeling is vastgesteld en dus niet de wijze van verdeling, zoals de rechtbank heeft gedaan. De vrouw zegt nu dat hij de financiering niet rond heeft kunnen krijgen door eigen toedoen omdat partijen al tot bijna overeenstemming waren over het convenant. Wat de advocaat van de vrouw in randnummer 14 stelt ten aanzien van de gang van zaken is op zich juist, maar mist iedere context. Het punt is dat de man in eerste instantie bereid was om onverplicht de beschikking van de rechtbank tot uitgangspunt te nemen (hij was daarvan immers juist tegen in beroep gekomen). En het is juist dat, uitgaande van de uitspraak van de rechtbank, er over de verdeling van die maatschap niet veel verschil van mening meer bestaat. Maar intussen was er zoveel geharrewar ontstaan door het afzonderlijk doen van aangifte IB, over het al dan niet geruisloos doorschuiven van haar aandeel in de onderneming, over de verdeling van het overige vermogen, met name de gewraakte (niet bestaande) spaartegoeden in Iran, enz. dat de man de stekker uit de onderhandelingen trok en inderdaad heeft aangegeven dan liever de uitspraak van uw Hof af te wachten. Dat is dus iets heel anders dan ‘door eigen toedoen’ de woning niet kunnen financieren. Ten overvloede legt de man een verklaring over van zijn accountant als productie 20.
- 5)
Hoewel de man enig begrip heeft voor het feit dat de vrouw ontslag uit de hoofdelijkheid wenst, wijst de man er op dat hij naar aanleiding van de bestreden beschikking van de rechtbank al€ 122.000,-- aan haar heeft voldaan. Zij maakt niet duidelijk waarom zij met dat bedrag niet reeds een eigen praktijk zou kunnen kopen, daargelaten de vraag hoe spoedeisend haar verzoek is (zie ook het afwijzende vonnis in kort geding van de Voorzieningenrechter d.d. 28 september 2020). Dat neemt niet weg dat de man begrijpt dat dit niet eindeloos kan duren, reden waarom hij bereid is genoegen te nemen met eenzelfde termijn als door de rechtbank gegeven van drie maanden om de woning over te nemen, gerekend vanaf de datum van uw eind(!)beschikking dan wel de totstandkoming (alsnog) van een convenant.
Aanspraak op helft van het door man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen (IPR kwestie)
- 6)
Wat de vrouw schrijft over een gestelde gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 Rv lijkt de man evident onjuist. Overgelegd wordt de gehele bewuste passage uit T&C Rv (productie 21) waaruit door de wederpartij lijkt te worden geciteerd. Het betreft hier immers geen gerechtelijke erkentenis in de zin van het ‘uitdrukkelijk erkennen van een of meer stellingen van de wederpartij’ zoals artikel 154 Rv lid 1 het formuleert. Dat ziet veeleer op het erkennen van feiten, terwijl het hier het toepasselijk recht betreft. In de tweede plaats heeft confrère Schram (voorganger van ondergetekende) hier evident gedwaald als bedoeld in artikel 154 lid 2 Rv. Dwaling dient hier niet te worden opgevat met al zijn vereisten als bedoeld in artikel 6:228 BW maar in de simpele betekenis van ‘vergissing’. Of citerend uit T&C: Van een erkentenis onder invloed van dwaling is sprake wanneer men door een misverstand tot een bekentenis is gekomen die men anders niet gedaan zou hebben (Parl. Gesch. Bewijsrecht, p.117). Een misverstand over de uitleg van de huwelijksakte dus dan wel een misverstand over de juiste uitleg van het Haags Huwelijks- vermogensverdrag 1978.
- 7)
Maar dan ten aanzien van de prejudiciële vragen van uw Hof aan de HR. De man vraagt zich af of uw Hof, zolang er nog geen antwoorden zijn gegeven, wel tot een oordeel kan komen in deze zaak, waarin sprake is van een identieke tekst van de huwelijksakte. In feite zijn daarmee de verzoeken van de vrouw omtrent haar aanspraken op de helft van het door de man opgebouwde vermogen tijdens het huwelijk niet opportuun.
(…)
Redenen waarom
Verzoeker, thans verweerder, zich wendt tot uw Hof met het verzoek om de gevraagde aanvullende verzoeken als vervat in het incidenteel appèl van de vrouw af te wijzen, en in het principaal appèl de aanvullende (voorwaardelijke) verzoeken als hiervoor onder punt 10 en 12 geformuleerd toe te wijzen.’
Dat kan in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat de man deze aanvullende verzoeken heeft geaccepteerd als behorend tot het debat en vervolgens op inhoudelijke gronden heeft gesteld (ook nog op de mondelinge behandeling, aldus het hof) dat deze aanvullende verzoeken moeten worden afgewezen. Niet alleen heeft blijkens dit aangehaalde petitum de man de aanvullende verzoeken onvoorwaardelijk geaccepteerd, maar hij heeft bovendien van de gelegenheid gebruik gemaakt om dat zelf ook te doen. De vrouw heeft zich daartegen vervolgens niet verzet1., kennelijk omdat het e.e.a. nu eenmaal te maken heeft met de aard, omvang, ingewikkeldheid en duur van de procedure.
1.2
Ook het oordeel in rov. 4.8 van de tussenbeschikking dat deze aanvullende verzoeken in strijd met de goede procesorde zouden zijn getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Zie in dit verband Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/108:
‘De appelrechter mag in beginsel geen acht slaan op grieven die pas bij pleidooi in hoger beroep worden voorgedragen. Dit berust op de eisen van een goede procesorde.2. Een beroep op deze regel staat verweerder echter niet vrij als hij ondubbelzinnig3. erin heeft toegestemd dat de desbetreffende grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken.4. Het gaat hier om een geval van afstand van recht. Die toestemming hoeft niet uitdrukkelijk te worden gegeven. Een ondubbelzinnige toestemming kan dus besloten liggen in verklaringen of gedragingen van verweerder; een voor de praktijk belangrijk voorbeeld daarvan is dat verweerder zonder voorbehoud verweer voert tegen een voor het eerst bij pleidooi in appel naar voren gebrachte grief.5. Onder bijzondere omstandigheden kan ondubbelzinnige toestemming als vorenbedoeld zelfs zijn gelegen in het uitblijven van enige reactie van verweerder op een in beginsel niet-toelaatbare nieuwe grief, bijvoorbeeld wanneer deze door appellant in een briefwisseling of bij akte voor de mondelinge behandeling (pleidooi) uitdrukkelijk als zodanig is aangekondigd.’
Hieruit volgt dat de goede procesorde en de tweeconclusieregel nauw aan elkaar verwant zijn.
In samenhang met het in onderdeel I.1 gestelde, maar ook los daarvan miskent het hof ook dat de bedoeling van de goede procesorde is een nadere invulling van artikel 6 EVRM (fair trial) en onder meer ook art 19 Rv (hoor en wederhoor, de wederpartij moet voldoende tijd en gelegenheid hebben om zich te kunnen verweren). Dat betekent dat het in eerste instantie aan partijen is om aan te geven dat en waarom er sprake zou zijn van een schending van artikel 6 EVRM en/of art 19 Rv. Dat betekent dat wanneer een partij daarover niet klaagt, maar daarentegen inhoudelijk vol verweer voert op dat punt, kennelijk en klaarblijkelijk van oordeel is dat een schending van artikel 6 EVRM en/of art 19 Rv en/of de goede procesorde niet aan de orde is. Nu de rechter in beginsel lijdelijk is (artikel 24, 26 en 149 Rv) en partijen het debat bepalen, staat het in beginsel (hier niet aan de orde zijnde extreme uitzonderingen daargelaten) aan de burgerlijke appelrechter niet vrij om een expliciet tot het debat toegelaten onderdeel van de rechtsstrijd desalniettemin te beperken c.q. buiten het debat te laten op grond van de goede procesorde. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd en het slagen van onderdeel I.1 vitiëert ook dit onderdeel.
Daarnaast getuigt het van een onjuiste — want veel te lichte6. — maatstaf ten aanzien van het beginsel van de goede procesorde om dat aan de orde te achten, terwijl, zoals uit onderdeel I.1 blijkt, de partij die dat beginsel beoogt te beschermen (de man) daar klaarblijkelijk geen probleem mee heeft omdat die inhoudelijk verweer voert en zelf ook zijn eis (voorwaardelijk) vermeerdert. Het getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is onbegrijpelijk dat het hof in deze omstandigheden strijd met de goede procesorde aanneemt. Er is niet meer of anders sprake dan van een debat dat zich ook in hoger beroep nog verder ontwikkelt, mede aan de hand van de feitelijke ontwikkelingen in de zaak.
Indien en voor zover het hof toepassing zou geven aan artt. 19 lid 2 (de regierol van de rechter) en/of 20 Rv (onredelijke vertraging) en/of dat het oordeel moet worden begrepen als dat het verzoek (te) laat in de procedure zou zijn gedaan, dan is in al die gevallen dit oordeel onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd, nu het, zoals ook volgt uit de aangevallen rov. 4.8 dit verzoek is nog gedaan voorafgaand aan de (eerste) mondelinge behandeling in hoger beroep, daarop binnen bekwame tijd inhoudelijk is gereageerd, partijen als gezegd de aanvullende verzoeken over en weer tot het debat hebben toegelaten, er dus geen vertraging is opgetreden, laat staan een onredelijke vertraging terwijl er in de tussenbeschikking bovendien nog een nader deskundigenbericht aan het IJI wordt gevraagd. Het getuigt in een dergelijke situatie bovendien van een onjuiste rechtsopvatting om — met toepassing van artikel 19 lid 2 of 20 Rv — zo daar in dit geval inderdaad sprake van is, het hof motiveert dat niet, het debat van partijen eigenhandig in te perken, ook niet op basis van de goede procesorde.
I.3
Los van het onder I.2 gestelde, maar ook in samenhang daarmee is in het bijzonder rechtens onjuist althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.8 van de tussenbeschikking overweegt dat strijd met de goede procesorde wordt gegrond op het feit dat
‘zij eerst na zes maanden na haar verweerschrift tevens incidenteel appel een aanvullend beroepschrift indient. Zij had de grieven zoals geformuleerd in haar aanvullend beroepschrift ook kunnen opnemen in haar incidentele appel.’
Het hof miskent dat het incidentele hoger beroep een aparte instantie is, zoals blijkt uit HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1097:
‘3.3.3
Opmerking verdient nog het volgende. ED heeft bij memorie van grieven in het principaal beroep onderhoudstermijnen over 2002 en 2003 gevorderd. [A] heeft bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, voor het eerst de verjaring van die vordering ingeroepen. Het beroep op verjaring was derhalve een verweer in het principale beroep. Daaraan doet niet af dat dat beroep op verjaring mede was opgenomen in de toelichting op de negende incidentele grief. Die ‘grief’ strekte immers blijkens de vaststelling van het hof (rov. 3.4 van het eindarrest) niet tot wijziging van de beslissing in eerste aanleg, maar slechts tot het voeren van verweer tegen een vordering (van ED) die in eerste aanleg niet was toegewezen.
Het incidentele beroep neemt processueel in beginsel een zelfstandige positie in ten opzichte van het principale beroep (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699,NJ2014/175). De memorie van antwoord in het incidentele beroep biedt de geïntimeerde in dat beroep dan ook geen gelegenheid om te reageren op in het principale beroep gevoerde, nieuwe verweren. Het oordeel van het hof dat ED op het verjaringsverweer had kunnen en moeten reageren bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep, en dat daarom het voor het eerst bij pleidooi gedane beroep op stuiting van de verjaring niet tijdig was, is derhalve onjuist. In het principale beroep was het pleidooi immers de eerste gelegenheid voor ED om op het verjaringsverweer van [A] te reageren.(…)’
Nu het incidentele beroep processueel dus een zelfstandige positie inneemt ten opzichte van het principale beroep kan het verweerschrift in dat incidentele beroep in beginsel niet worden ‘gebruikt’ voor het principale beroep. Daarnaast zal ook de inhoud daarvan gefocust zijn op dat incidentele appel en zal ter voorbereiding van een kennelijk meer dan zes maanden na dat verweerschrift in incidenteel appel geagendeerde mondelinge behandeling het principale appel opnieuw ter hand worden genomen. Het getuigt om al deze redenen van een onjuiste rechtsopvatting en is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het enkele feit dat een grief of verweer een paar maanden eerder had kunnen worden aangevoerd, meebrengt dat aan de (zeer hoge) eis van strijd met de goede procesorde zou zijn voldaan. Daartoe is op zijn minst noodzakelijk dat daardoor hetzij de wederpartij in zijn of haar procesbelang is geschaad, hetzij de procedure daardoor onevenredige en onaanvaardbare vertraging zou oplopen. Van beide is iets gesteld noch gebleken.
I.4
Het slagen van één of meer van deze klachten vitiëert ook de tussenbeschikking voor het overige en de eindbeschikking, in het bijzonder rovv. 4.1 t/m 4.4 van de eindbeschikking ten aanzien van de aanspraak op het huwelijksvermogen en rovv. 4.8 t/m 4.10 van de eindbeschikking met betrekking tot de woning.
II. Toepasselijk recht
Dit onderdeel is gericht tegen rovv. r.o. 5.1 t/m 5.9 van de tussenbeschikking. Daarin oordeelt het hof dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Iraanse recht. De tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht staan er volgens het hof op grond van artikel 7 lid 2 van het Verdrag aan in de weg dat het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch wijzigt op grond van een wijziging van gewone verblijfplaats of nationaliteit van een van partijen (rov. 5.9).
II.1
Het hof miskent in rovv. 5.1 t/m 5.9 van de tussenbeschikking en daarop voortbouwend rovv. 4.1 t/m 4.4 van de eindbeschikking en het dictum en in het bijzonder ook in rov. 5.3 van de tussenbeschikking, waar het overweegt (onderstreept door mij-HJWA):
‘5.3
De man is het daar niet mee eens. Hij stelt zich primair op het standpunt dat het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van artikel 7 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 nimmer is gewijzigd, omdat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Derhalve moet het huwelijksvermogensregime van partijen naar Iraans recht worden afgewikkeld.
Subsidiair stelt de man dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 15 april 2009 omdat de vrouw toen de Nederlandse nationaliteit verkreeg.
Meer subsidiair stelt de man dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 20 februari 2006 omdat de vrouw zich toen in Nederland heeft gevestigd.’
althans gaat ongemotiveerd voorbij aan, althans is het oordeel onbegrijpelijk gelet op het feit dat (1) partijen in eerste aanleg zijn uitgegaan van Nederlands recht en op basis daarvan afspraken hebben gemaakt7. en (2) kennelijk naar aanleiding daarvan ter zitting van het Hof Den Haag d.d. 8 april 2021 alsnog een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht (vet door mij-HJWA):
‘De advocaat van de vrouw:
Op grond van de agenda wist ik al dat u deel zou uitmaken van dit college. Ik ben in een laat traject ingevlogen. Ik zit een beetje gevangen in de hele zaak. Bij de rechtbank Rotterdam is het misschien niet allemaal goed gegaan; maar de rechtbank heeft ook gevraagd, dat blijkt ook uit het proces-verbaal:
‘Willen jullie een praktische oplossing?’.
Toen hebben beide partijen gezegd:
‘Ja, we willen een praktische oplossing.’
Ze hebben veel afspraken gemaakt, ervan uitgaande dat er een gemeenschap van goederen zou zijn. In hoger beroep is dat in één keer losgelaten door de man. Daardoor ligt de zaak nu compleet anders. Ik moet u wel gelijk geven in dat het een draconisch dossier is. Aan de andere kant, eerst zat mevrouw gevangen in het Iraans huwelijksvermogensrecht, nu zit zij gevangen in dit dossier. Zij krijgt geen financiering nu en kan daardoor geen eigen praktijk starten. De problematiek onderschrijf ik. Wat jammer is, is dat een groot gedeelte van het geschil de verdeling van de maatschap betreft. Ik dacht dat we ten aanzien daarvan overeenstemming hadden. Mevrouw heeft een aanbod geaccepteerd, maar nu is door de wederpartij aangegeven dat ze het toch niet gaan doen
De voorzitter:
Bij de IPR kwestie speelt de voorvraag of sprake is van huwelijkse voorwaarden. Dat is een kwestie van kwalificatie.
De advocaat van de man:
Beide partijen gingen ervan uit dat in 2009 het Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing zou worden. De rechtbank kwam opeens met 2006 aan, omdat ze onvoldoende aangetoond vinden dat meneer gelijk is begonnen met inspanningen om mevrouw naar Nederland te komen.
De advocaat van de man:
U vraagt wat de kapitaalsrekening van beide partijen aan het einde van huwelijk is en of datgene wat is ingebracht, verdampt is. Dat laatste is feitelijk niet het geval.
De voorzitter: deelt mede dat de volgende punten dan wel vragen aan de orde zullen worden gesteld tijdens de mondelinge behandeling:
- a)
Kunt u overeenstemming bereiken ten aanzien van de vraag welk recht van toepassing is in de onderhavige zaak?
- b)
De omvang en de samenstelling van de algehele gemeenschap van goederen.
- c)
Wat dient er met het maatschapsvermogen te gebeuren?
De advocaat van de vrouw:
Voor wat betreft de kwestie van internationaal privaatrecht heeft de rechtbank Rotterdam de datum dat Nederlands recht van toepassing is geworden naar voren gehaald. Namelijk naar de datum dat mevrouw in Nederland is komen wonen, dat is het omslagpunt zoals de rechtbank heeft bepaald. Ze hebben de termijn gehouden op die zes maanden.
De voorzitter deelt mede dat op de verdeling van het maatschapsvermogen Nederlands recht van toepassing is.
De voorzitter schorst vervolgens de behandeling zodat partijen in overleg kunnen treden ten aanzien van de vraag welk recht vanaf wanneer van toepassing is op het huwelijksvermogen in de onderhavige zaak.
Na hervatting hebben de aanwezigen — verkort en zakelijk weergegeven -het volgende verklaard.
De advocaat van de man:
Voor wat betreft de kwestie van internationaal privaatrecht kiezen w e als datum voor het omslagmoment de datum dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit verkrijgt.
De advocaat van de vrouw:
Om praktische redenen gaan we hiermee akkoord.
De voorzitterbenoemt dat de echtelijke woning en de polis van de vrouw tot de algehele gemeenschap van goederen behoren. De voorzitter inventariseert de overige bestanddelen.’
Dit kan in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat partijen — op instigatie van het hof — alsnog een rechtskeuze doen voor Nederlands recht vanaf de datum dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, dus 15 april 2009 en als een intrekking van de (primaire grondslag van) grief 1 van de man. Het hof stelt naar aanleiding van de instemming van beide partijen vast dat ‘de echtelijke woning en de polis’ tot de gemeenschap van goederen behoren evenals ‘de overige bestanddelen’. Het hof miskent dit dan ook in het (hierboven onderstreepte gedeelte van) rov 5.3.
Vervolgens stond het het hof daarom dan ook gelet op dit verloop van het debat niet langer vrij om die (primaire grondslag van) grief 1 alsnog te behandelen, althans om alsnog te overwegen dat Iraans recht van toepassing zou zijn, zoals het hof overweegt in rovv. 5.5 t/m 5.9.
Althans is het oordeel, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in rovv 5.1 t/m 5.9 (en ook overigens in de aangevallen beschikkingen niet te vinden is), onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd dat het hof desalniettemin grief 1 de primaire grondslag toch opnieuw gaat behandelen met het negeren van hetgeen ter zitting is afgesproken tussen partijen ten overstaan van het hof.
II.2
Het slagen van één of meer klachten van onderdeel II.1 vitiëert ook rovv. 4.2, 5.10 t/m 6 van de tussenbeschikking en alle overwegingen van de eindbeschikking.
B. Klachten tegen de eindbeschikking
III
Deze klacht is gericht tegen rovv. 4.1 t/m 4.4 waarin het hof overweegt:
‘4.1
Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 5 oktober 2022 in de overwegingen reeds beslist dat de huwelijksakte van partijen moet worden aangemerkt als een akte van huwelijkse voorwaarden alsmede dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Iraanse recht. Het hof ziet geen reden op deze eerdere beslissingen terug te komen. Voorts heeft het hof ambtshalve een onderzoek door het IJI bevolen om zich nader te laten voorlichten over de inhoud van het Iraanse huwelijksvermogensrecht. Het hof verwijst ter zake naar r.o. 2.2 hiervoor.
4.2
Uit het voormelde IJI-rapport volgt dat echtgenoten op grond van artikel 1119 Iraans BW in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Partijen mogen bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen. Zij mogen wel overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dat gebeurt in de praktijk echter bijna nooit. De achtergrond van de standaardclausule (inhoudende dat de vrouw slechts onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet door haar gewenst is en dat zij daaraan geen schuld heeft, aanspraak kan maken op het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft verworven terwijl de man geen enkele aanspraak heeft op (een deel van) het vermogen van de vrouw) die partijen in de onderhavige zaak in hun huwelijksakte hebben opgenomen, is dat het Iraans recht een algehele scheiding van goederen kent en geen sprake is van een (voortdurende) onderhoudsverplichting na het huwelijk. Indien de man dan wenst te scheiden, terwijl zijn echtgenote geen blaam treft en zij wel gehuwd wenst te blijven, blijft zij na het huwelijk toch verzorgd achter.
4.3
Het hof overweegt als volgt. De oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden zijn onlosmakelijk verbonden met de beschermingsgedachte en bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven. De daarmee verband houdende voorwaarde in de huwelijkse voorwaarden dat de vrouw enkel recht heeft op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde vermogen als zij de echtscheiding niet heeft gewild en zij daaraan geen schuld heeft, dient gezien de rechtspraak van de Hoge Raad wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten beschouwing te worden gelaten. Als enkel die voorwaarde buiten toepassing zou blijven zou dit tot gevolg hebben dat de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man. Dit is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak in strijd de ratio van deze overeenkomst tussen partijen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals uit het voornoemde IJI-rapport blijkt, een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in praktijk bijna nooit voorkomt. Overigens is in dit geval geen sprake van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw. Immers, de vrouw kan naar Nederlands recht aanspraak maken op partneralimentatie. Daarnaast heeft zij, evenals de man, een goede baan als tandarts met het daarbij horende aanzienlijke inkomen. Evenals de man is zij in staat vermogen op te bouwen. De verzorgingsgedachte speelt hier derhalve geen rol.
4.4
Nu de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden, geldt naar het oordeel van het hof bij de afwikkeling van de financiële gevolgen van hun huwelijk het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen. Het hof acht deze uitkomst gelet op de vergelijkbare inkomens- en vermogenspositie van partijen alleszins gerechtvaardigd. Het vorenstaande brengt mee dat de wijze van verdeling zoals vermeld onder 4.5 van het dictum van de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en de inleidende verzoeken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap alsnog moeten worden afgewezen.’
In rovv. 4.1 t/m 4.4 oordeelt het hof — in tegenstelling tot hetgeen het IJI adviseert — dat bij de afwikkeling van de financiële gevolgen van hun huwelijk het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen geldt en dat per saldo derhalve de gehele verdelingsbepaling, zoals door partijen is overeengekomen, buiten beschouwing zou moeten worden gelaten wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, zodat zou moeten worden teruggevallen op hetgeen doorgaans geldt krachtens het Iraanse recht: scheiding van vermogens.
III.1
Dat oordeel getuigt — naast dat het slagen van onderdeel II ook rov 4.1 t/m 4.4 vitiëert —, van een onjuiste rechtsopvatting gelet op de prejudiciële procedure waar het hof naar verwijst in rov 5.11 van de tussenbeschikking8.. Daarin is onder meer overwogen (onderstreept door mij-HJWA):
‘3.8
In de wetsgeschiedenis van art. 10:6 BW is opgemerkt dat in deze bepaling tot uitdrukking is gebracht dat het vreemde recht niet wordt toegepast voor zover toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.5.Dit betekent dat art. 10:6 BW geen integrale afwijzing van het vreemde recht beoogt, maar alleen die onderdelen van het vreemde recht treft die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.6.
Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing indien — op de voet van hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen — wordt geoordeeld dat aan een in overeenstemming met het toepasselijke vreemde recht en volgens dat recht rechtsgeldig verrichte rechtshandeling in Nederland rechtsgevolg moet worden onthouden op de grond dat deze tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Dit betekent dat de toepassing van de openbare orde alleen die onderdelen van de rechtshandeling treft die leiden tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, en dat slechts die onderdelen buiten toepassing blijven.
3.9
In de prejudiciële procedure is niet de kwestie aan de orde gesteld of de huwelijkse voorwaarden, die enerzijds bepalen dat de vrouw aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de man, maar anderzijds de man geen aanspraak toekennen op de helft van het huwelijkse vermogen van de vrouw, op grond van die ongelijkheid als kennelijk onverenigbaar met de openbare orde zouden moeten worden aangemerkt, ook indien bepalingen in die huwelijkse voorwaarden als hiervoor in 3.6.1–3.6.2 bedoeld, op de daar genoemde gronden buiten toepassing blijven. Bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag is dan ook uitgangspunt dat de huwelijkse voorwaarden — mits ontdaan van dergelijke met de openbare orde strijdige bepalingen — voor het overige niet kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.’
Het hof overweegt in r.o. 4.3 van de beschikking van 19 december 2023 echter:
‘Als enkel die voorwaarde buiten toepassing zou blijven zou dit tot gevolg hebben dat de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man’.
Waarna het hof vervolgens de gehele verrekeningsbepaling buiten beschouwing laat. Het hof wijkt daarbij af van HR 19 november 2021, EVLI:NLHT:2021:1721 en ook van het advies van het IJL Uit zowel HR 19 november 2021, EVLI:NLHT:2021:1721 als uit het IJI rapport volgt immers dat niet de gehele verrekeningsbepaling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde van de baan is, maar slechts het gedeelte dat in strijd is met de openbare orde en ontoelaatbare discriminatie betekent: de schuldvraag en wie het initiatief neemt en niet de verrekening zelf. Dat is ook in lijn met het rapport van het IJI dat concludeert dat de vrouw aanspraak kan maken op het vermogen van de man. Het hof miskent dus het bepaalde in HR 19 november 2021, EVLI:NLHT:2021:1721 en gaat dus hetzij uit van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het oordeel zonder nadere toelichting niet toereikend gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk.
III.2
Het hof miskent dus ook dat het IJI-advies wel van de juiste uitleg van HR 19 november 2021, EVLI:NLHT:2021:1721 uitgaat, getuige p. 1 rnr. 6 van dat advies waar de vraag die in het advies moet worden beantwoord als volgt wordt samengevat:
‘Heeft de vrouw gezien de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak op het vermogen van de man?’
Dit blijkt ook uit rnr. 4, p. 1 van het IJI advies:
- ‘(…)
De Hoge Raad heeft de tweede vraag of in het bevestigende geval de huwelijkse voorwaarden gelden met uitzondering van het gewraakte onderdeel of de huwelijkse voorwaarden in hun geheel buiten toepassing blijven, beantwoord dat het buiten toepassing blijven van bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, op de grond dat zij leiden- tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, op zichzelf niet tot gevolg heeft dat die huwelijkse voorwaarden ook voor het overige buiten toepassing blijven.’
En uit de Executive summary (p. 1 rnr 1):
‘Executive summary
- 1.
Naar Iraans huwelijksvermogensrecht kan de vrouw ook zonder de gewraakte bepaling uit de huwelijkse voorwaarden een aanspraak ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden en daarmee aanspraak maken op de helft van het tijdens het huwelijk verworven vermogen van de man. Naar Iraans huwelijksvermogensrecht zijn partijen bevoegd om hun huwelijksvermogensregime naar vrijheid in te richten en om zodanige financiële regelingen te treffen zonder daaraan voorwaarden te verbinden die te maken hebben met de vraag wie de echtscheiding initieert of met de schuldvraag. De enige voorwaarde is .dat de te treffen regelingen niet in strijd mogen zijn met de essentie van het huwelijk (art. 1119 Iraans BW).’
En tenslotte uit conclusie in rnr 12, p. 3:
- ‘12.
Het voormelde brengt met zich dat de vrouw in de onderhavige kwestie gezien de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man.’
Ook volgt uit het IJI rapport dat naar Iraans recht dat kan worden overeengekomen, zodat een dergelijke aanpassing van hetgeen is overeengekomen aan de Nederlandse openbare orde geen strijd oplevert met Iraans recht (advies p. 3 rnr. 10).
Het oordeel in rov. 4.3 dat (1) ‘de oorspronkelijk tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden onlosmakelijk verbonden zijn met de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven’ (2) er in dit geval geen sprake is van een onverzorgd achterblijven, vanwege een naar Nederlands recht aanspraak maken op partneralimentatie en een geode baan zou hebben als tandarts en dat daarom zij in het geheel geen aanspraak kan maken op het vermogen van de man (rov. 4.3) nu de huwelijkse voorwaarden geen andere verrekenbepaling inhouden (rov 4.4.) getuigt dus niet alleen van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is onbegrijpelijk in het licht van de uitspraak van Uw Raad HR 19 november 2021, EVLI:NLHT:2021:1721 (zie onderdeel III. 1), maar ook is het oordeel onbegrijpelijk in het licht van het advies van het IJI, dat ondubbelzinnig concludeert dat de vrouw naar Iraans recht wel aanspraak kan maken op het vermogen van de man. Daaraan doet niet af dat de situatie die aldus ontstaat in de praktijk in Iran weinig voorkomt (rov. 4.3), nu het gaat om partijen die beiden in Nederland wonen en werken en waarvan, zoals in de volgde klacht wordt uitgewerkt, de man wel aan vermogensopbouw heeft gedaan en heeft kunnen doen en de vrouw (kennelijk op basis van de rolverdeling tussen partijen) niet.
III.3
Daarnaast is hetgeen het hof overweegt in rovv 4.1 t/m 4.4 ten aanzien van het op gronden in onderdeel III.2 de facto geheel buiten toepassing laten van de verrekeningsbepaling onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd gelet op het volgende. Het hof zet zonder meer een contractueel overeengekomen verrekeningsbepaling opzij, terwijl partijen die verrekening wel volgens het hof naar Iraans recht zijn overeengekomen en tijdens het huwelijk daar, blijkens de hierna te behandelen stellingen van de man en de vrouw ook naar hebben gehandeld.
Zo heeft de vrouw gesteld9. en volgt uit stellingen van de man10. dat dat hij de vrouw (slechts) ‘zakgeld’11. gaf en zelf geld sluisde naar Iran12. waar hij, aldus de vrouw, beschikt over een aanzienlijk vermogen.13. Bij verweerschrift zelfstandige verzoeken stelt zij met zoveel woorden
- ‘1.
Dat de vrouw de vrouw kreeg € 1.000 kreeg vanaf mei 2007 € 1.000,= per maand. En de man alles verder zelf hield
- 2.
Zelfs het geld van haar zwangerschapsverlof is door de man gehouden.
- 3.
De vrouw kreeg als zij werkte helemaal niets.
- 4.
De man deed alle administratie, had alle bankpassen en nam (alle) financiële beslissingen en heeft jaarlijks enorme bedragen aan de maatschap onttrokken naar zijn privé.’
Daarin ligt besloten, althans daaruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat er kennelijk tijdens het huwelijk in Nederland tussen de man en de vrouw een traditioneel Iraanse rolverdeling gold en zij dus hebben gehandeld in overeenstemming met hetgeen partijen ten aanzien van de afwijking van de in Iran geldende scheiding van vermogens zijn overeengekomen: dat de vrouw bij echtscheiding recht heeft op haar deel van het door de man opgebouwde vermogen, ook al woonden partijen in Nederland en hadden zij in Nederland een tandartsmaatschap.
In rnr. 5 van de akte uitlating deskundigenbericht d.d. 27 mei 2023, stelt de vrouw onder verwijzing naar het p-v in eerste aanleg dat de man altijd als enige de financiën beheerde en zich vrijwel alles toe-eigende, waarbij de vrouw wat zakgeld kreeg. De vrouw koppelt dat in dat rnr 5 van die akte aan het door het IJI vastgestelde recht op de vermogensopbouw van de periode 2005 tot en met 2018, waarvan in rnr. 8 van die akte een overzicht van de vermogensopbouw wordt gegeven.
Uit deze stellingen van de man en de vrouw volgt dus dat de man wel aan vermogensopbouw deed, maar de vrouw niet, althans daartoe door de man niet in staat werd gesteld. Van € 1.000,= per maand voor de dagelijkse boodschappen voor het gezin kan de vrouw immers onmogelijk aan vermogensopbouw doen. In dat verband is het oordeel van het hof dus onbegrijpelijk, althans had het hof in elk geval beter moeten motiveren dat en waarom de vrouw in weerwil van de overeengekomen verrekeningsbepaling en het advies van het IJI dat de vrouw daar krachtens Iraans recht eenvoudig recht op heeft, daar, volgens het hof, toch geen recht op heeft, louter vanwege door het hof aangenomen goede toekomstige perspectieven.
Het hof laat in dat verband verder onbesproken de in rnr. 6 sub 1) t/m 7) van de akte uitlating deskundigenbericht d.d. 27 mei 2023, waarin worden benoemd (sterk verkort weergegeven):
- 1)
De overwaarde van de echtelijke woning ad tenminste € 260.000,=
- 2)
De woning is noch naar Nederlands noch naar Iraans recht verdeeld
- 3)
De vrouw heeft recht op de helft van de spaarpolis van € 130.760,- = € 65.380,=
- 4)
Een lijfrentepolis van € 183.255, waarvan de vrouw aanspraak maakt op de helft, te weten € 91.627,50
- 5)
De helft van de liquide middelen van € 20.880 = € 10.440,=
- 6)
De man heeft tijdens het huwelijk € 636.422 weggesluisd uit de maatschap
- 7)
Een bedrag ad € 125.000,= aan inboedel
In dit geval heeft de vrouw bovendien gesteld dat zij meerdere malen door de man is mishandeld14. en is het in elk geval duidelijk dat partijen niet meer compatibel zijn. Daarin ligt besloten dat onverminderde toepassing van de ‘schuldvraag’ dus zou betekenen dat de vrouw ‘gevangen’ zou zitten in het huwelijk omdat zij anders niets zou krijgen ter zake van de vermogensopbouw van de man.
Terecht wordt dit laatste dan als strijdig met de Nederlandse openbare orde als nietige voorwaarde aangemerkt. Echter, het is dan in strijd met hetgeen partijen zijn overeengekomen èn met hoe partijen aan de huwelijkse financiën invulling hebben gegeven om dan de vermogensopbouw van de man niet aan het eind van het huwelijk af te rekenen door de gehele verrekeningsclausule buiten beschouwing te laten.
Vanuit dat oogpunt is het dus niet zo vreemd dat (a) en een afspraak tot verrekening bij echtscheiding is gemaakt en (b) de vrouw daar in onderhavige procedure aanspraak op maakt. Desalniettemin ontzegt het hof de aanspraken op de vermogensopbouw tijdens het huwelijk geheel en motiveert dat met het volgende:
‘Overigens is in dit geval geen sprake van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw. Immers, de vrouw kan naar Nederlands recht aanspraak maken op partneralimentatie. Daarnaast heeft zij, evenals de man, een goede baan als tandarts met het daarbij horende aanzienlijke inkomen. Evenals de man is zij in staat vermogen op te bouwen. De verzorgingsgedachte speelt hier derhalve geen rol.’
Daarom en daarnaast is het onbegrijpelijk, althans zonder nadere toelichting niet toereikend gemotiveerd dat het hof, louter vanwege het feit dat de vrouw bij het wegdenken van de schuldvraag zou meedelen met het vermogen van de man in de onderhavige zaak in strijd zou zijn de ratio van deze overeenkomst tussen partijen (rov. 4.3), louter omdat volgens het hof de vrouw in NL aanspraak zou hebben kunnen maken op alimentatie en/of nog in staat is om als tandarts een inkomen te verdienen.
Dat staat immers geheel los van de vermogensopbouw tijdens het huwelijk en de wijze waarop partijen aan de financiële verhoudingen tijdens het huwelijk invulling hebben gegeven. Dit klemt temeer nu het hof niet heeft vastgesteld wat de omvang van het vermogen van de vrouw is en of zij, gelet op voormelde stellingen, naast hetgeen eventueel uit verrekening van de maatschap of de echtelijke woning zou (kunnen) komen (zelf) aan enige vermogensopbouw heeft gedaan. Althans is het ook overigens onbegrijpelijk dat het hof de aanspraak naar het verleden op de vermogensbestanddelen zoals genoemd in de akte na deskundigenrapport ontzegt met als argument de kansen op de arbeidsmarkt en eventueel recht op alimentatie wat daar van zij voor de vrouw naar de toekomst met het voorbijgaan aan de stellingen zoals in dit onderdeel genoemd.
III.3
Althans is rechtens onjuist, dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd dat het hof aan zijn uitspraak de ‘ratio van de overeenkomst’ ten grondslag legt, terwijl gesteld noch gebleken is dat het daarbij (ook) Iraans recht toepast. Veeleer geeft het hof er blijk van Nederlands recht toe te passen (Haviltex), hetgeen in strijd is met het eigen (overigens in onderdeel II betwiste) toepassing van Iraans recht. Het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting om tevens Iraans als Nederlands recht op het huwelijksvermogensrecht toe te passen. Indien het hof geen Haviltex en/of Nederlands recht heeft toegepast, maar Iraans recht heeft het, hetzij in het licht van het advies van het IJI dat onvoorwaardelijk aangeeft dat de vrouw wel recht heeft op (een deel van) het vermogen van de man waaruit zou volgen dat naar Iraans recht dat onverkort geldt, hetzij in het licht van de stellingen zoals in onderdeel III.2 weergegeven onbegrijpelijk is, althans had het hof zijn oordeel op zijn minst toereikend moeten motiveren, hetgeen thans niet het geval is.
IV. Echtelijke woning en levensverzekering
Dit onderdeel is gericht tegen rovv. 4.8 t/m 4.10 van de eindbeschikking, waarin het hof overweegt:
‘De woning
4.8
Uit de bestreden beschikking volgt naar het oordeel van het hof expliciet dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de voormalige echtelijke woning te [a-plaats] aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000, — en dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake die lening zou vrijwaren. Uit het proces-verbaal van dit hof van de zitting van 8 april 2021 volgt eveneens dat de woning te [a-plaats] aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,-. In het proces-verbaal staat letterlijk:
‘De voorzitter vat samen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust.’
Het enkele feit dat de man — mede bezien het conflict tussen partijen — niet binnen drie maanden de financiering heeft kunnen verkrijgen inzake de overname van de woning, rechtvaardigt niet dat de vrouw niet meer gebonden is aan de overeenkomst die zij met de man op 24 maart 2020 heeft gesloten met betrekking tot de verdeling van de woning. Ook zij heeft een aandeel erin gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning.
4.9
Voormelde afspraken tussen partijen omtrent de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning lenen zich niet voor opname in het dictum aangezien het hof over de onderwerpen waarover overeenstemming is bereikt, niet meer hoeft te beslissen. Dit neemt niet weg dat partijen jegens elkaar gebonden zijn aan de afspraken die zij met elkaar over de verdeling van de woning hebben gemaakt en op grond waarvan de woning is verdeeld in de zin van artikel 3:182 BW. De vrouw dient derhalve mee te werken aan de goederenrechtelijke voltooiing van deze verdeling met toedeling van de woning aan de man.
ASR levensverzekering
4.10
Ter zitting is ook de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij ASR aan de orde gekomen. Partijen zijn in eerste aanleg overeengekomen dat deze levensverzekering zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,-, onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. Aan deze afspraak, die zich evenmin leent voor opname in het dictum aangezien de rechter in dezen geen rechtsmacht heeft, zijn partijen gebonden.’
Dit oordeel in rovv. 4.8 t/m 4.10, getuigt hetzij van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd om navolgende ook in onderling verband te lezen redenen.
IV.0
Rechtens onjuist, (miskenning aanbod en aanvaarding en Haviltex) en onbegrijpelijk is dat het hof overweegt in rov. 4.8:
‘Uit de bestreden beschikking volgt naar het oordeel van het hof expliciet dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de voormalige echtelijke woning te [a-plaats] aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000, — en dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake die lening zou vrijwaren. Uit het proces-verbaal van dit hof van de zitting van 8 april 2021 volgt eveneens dat de woning te [a-plaats] aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,-.’
waarna het hof in rovv. 4.8 en 4.9 daarop voortbouwt.
IV.1
Vooropgesteld zij dat in onderhavige procedure er discussie is over welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogen. Bij tussenbeschikking oordeelt het hof hierover:
‘5.9
De tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht staan er op grond van artikel 7 lid 2 van het Verdrag aan in de weg dat het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch wijzigt op grond van een wijziging van gewone verblijfplaats of nationaliteit van een van partijen. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt derhalve beheerst door het Iraanse recht.’
Hierboven wordt in onderdeel II onder meer tegen deze overweging — opgekomen. Indien en voor zover dus er inderdaad van moet worden uitgegaan dat Iraans recht van toepassing zou zijn op het huwelijksvermogen van partijen, dan vitiëert dat ook de echtelijke woning en dus ook de vraag of er sprake is van een overeenkomst het hof geeft er geen blijk van hierop Iraans recht van toepassing te hebben verklaard en evenmin te hebben onderzocht of en zo ja in hoeverre dat afwijkt van het Nederlandse recht. Echter conform artikel 968 van het Iraanse Burgerlijke Wetboek Contractuele verplichtingen is een overeenkomst onderworpen aan het recht van de locatie waar de overeenkomst is aangegaan. Dat betekent wanneer twee Iraanse staatsburgers buiten de Iraanse grenzen, een overeenkomst sluiten, al hun verplichtingen worden bepaald op basis van het recht van de locatie van die overeenkomst. Dat betekent dat ook naar Iraans recht de vraag of partijen in Nederland ten overstaan van de Nederlandse rechter een overeenkomst tot toedeling van de echtelijke woning tegen een bepaalde waarde hebben gesloten, naar Nederlands recht zal moeten worden beoordeeld. De vrouw is bovendien van mening dat Nederlands recht op het huwelijksvermogen van toepassing is (zie onderdeel II) en, ook nu partijen er in eerste aanleg van uit zijn gegaan dat Nederlands recht van toepassing was.15.
Overigens heeft de vrouw bij akte uitlating deskundigenbericht in rnr. 6 sub 2) expliciet aangegeven dat de woning feitelijk en juridisch niet is verdeeld, noch naar Nederlands, noch naar Iraans recht en, in lijn met het IJI rapport, aangegeven dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde als deelgenoot en op de helft van de vermogensopbouw van de man, conform Iraans recht.
IV.2
Zoals uit onderdeel IV.1 blijkt dient de vraag of er een overeenkomst tot stand is gekomen naar Nederlands recht te wordt bepaald en wel door aanbod en aanvaarding (artt 3:33 en 3:35 BW) en door toepassing van het Haviltexcriterium. Het gaat dan in beginsel om een toetsing ex tune: wat hebben partijen in redelijkheid over en weer uit elkaars uitlatingen en gedragingen begrepen en mogen begrijpen. Het hof heeft dit in hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het zijn oordeel op dit punt niet toereikend gemotiveerd.
Althans is het oordeel in rov. 4.8 hoe dan ook onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Ter toelichting en verdere uitwerking diene het navolgende.
Blijkens het p-v van de zitting van 11 februari 2020, hetgeen het hof in rov. 4.8, buiten beschouwing laat, terwijl het aanneemt dat er op 24 maart 2020, de datum van de beschikking van de rechtbank een overeenkomst zou zijn gesloten16., zegt de advocaat van de vrouw op p. 4–5 (onderstreept door mij-HJWA):
‘De advocaat van de vrouw:
Ik wil discussie voorkomen. Wij zitten met de echtelijke woning. Wij moeten voor de waarde van de woning minimaal uitgaan van de taxatie van [B]. Reëel is dat de woning meer waard is, gezien de stijging van 9,4 % het afgelopen jaar. Als de man de woning niet binnen een korte tijd overneemt, moet een hoger bedrag worden aangenomen. De waarde is dan € 950.000,- en de hypothecaire geldlening € 940.000,-.’
De advocaat van de man reageert daarop:
‘de advocaat van de man:
De waarde van de woning is € 940.000,-. De taxatie van [B] is een concept en gemaakt met het oog op overname. Ik verwijs naar productie 32. Dat is een waardecheck die de advocaat van de vrouw zelf heeft laten uitvoeren bij een makelaar in Rotterd m. Die komt op een waarde tussen de€ 880.000,- en de€ 930.000,-. Wij hebben een waarde van € 940.000,- genoemd om met gesloten beurzen afte rekenen. Zelfs op de datum van feitelijke verdeling is de waarde€ 940.000,-.’
De advocaat van de vrouw roept dan niet dat dit akkoord is:
‘de advocaat van de vrouw:
De enige taxatie die er is, is van [B]. Het klopt dat de hypothecaire geldlening € 940.000,- bedraagt.’
Vervolgens gaat het dan verder over een belastinglatentie en over de inboedel:
‘de advocaat van de man:
Op de waarde van de levensverzekering rust geen belastinglatentie. Het betreft kapitaal eigen woning. Er hoeft geen belasting over betaald te worden en de waarde kan gewoon-bij helfte worden gedeeld. Het gaat om een totaalbedrag van€ 130.760,-. Ik verwijs naar productie 6: per 9 juli 2019 is de waarde€ 130.760,-. Dat is dus de waarde per 31.december 2018. De man wacht op financiële duidelijkheid. Dan heeft hij binnen twee tot drie maanden de hypotheek rond.
de advocaat van de vrouw:
De advocaat van de man heeft gelijk. € 130.760,- is het oude bedrag. De waarde per de goede datum is € 132.100,-. Wij gaan akkoord met de waarde van € 130.760,-. Ik heb hemel en aarde bewogen om duidelijkheid te krijgen in de financiën van de man.
de vrouw:
Ik wil niets hebben van de inboedel van de woning in Rotterdam.
de advocaat van de vrouw:
Ik heb de deurwaarder laten verklaren dat alles er nog stond op moment dat sleutel werd ingeleverd. De man heeft gezegd dat alles moest blijven staan.’
Zo het hof dus in rov. 4.8 ook het oog heeft op het verhandelde ter zitting in eerste aanleg op 11 februari 2020 is kan er noch via artt 3:33 en 3:35 BW, noch via toepassing van Haviltex, noch anderszins hier een overeenkomst met een inhoud zoals door het hof aangenomen worden uit worden gedestilleerd, althans is het oordeel hoe dan ook onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd.
De conclusie van deze passages kan immers geen andere zijn dan dat er expliciet gesteld is dat als de man de woning niet binnen een korte tijd overneemt, een hoger bedrag (aan waarde) moet worden aangenomen. Daaruit volgt dus dat er geen overeenstemming is zoals het hof aanneemt en dit oordeel dus hetzij in de zin van art 3:33 en 3:35 BW en Haviltex rechtens onjuist is, dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is.
De daaropvolgende uitspraak van de rechtbank van 24 maart 202017. is ook geen vastlegging van die overeenstemming, en vormt evenmin een overeenkomst, zoals het hof in rov 4.8 overweegt, nu daarin het navolgende is overwogen in rov 3.5.15:
‘de echtelijke woning, de hypothecaire geldlening en de levensverzekering
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] (hierna: de woning) moet worden toegedeeld aan .de man.
De vrouw stelt onder verwijzing naar de taxatie van [B] (productie 24 bij de brief van 5 februari 2020) dat de waarde van de woning minimaal € 950.000,- bedraagt. Met de man constateert de rechtbank echter dat het taxatierapport van [B] een concept is en dat de taxatie is uitgevoerd met als doel ‘het vaststellen van de marktwaarde ten behoeve van het verkrijgen van een (hypothecaire) financiering’. De man verwijst naar de brief van een makelaar gericht aan de advocaat van de vrouw (productie 32 bij zijn reactie op het verweerschrift op het zelfstandig verzoek) waarin deze makelaar vermeldt dat de opbrengst van de woning naar verwachting zal uitkomen op een bedrag tussen de € 880.000,- en de € 930:000,-. Desalniettemin is de man bereid uit te gaan van een waarde van € 940.000,-. Gelet op deze door partijen aangedragen gegevens stelt de rechtbank de waarde van de woning vast op € 940.000,-.
Partijen zijn het erover eens dat de man de hypothecaire schuld bij de ABN AMRO van € 940.000,- voor zijn rekening neemt Dit betekent dat er geen sprake is van overwaarde dan wel onderwaarde zodat er geen verrekenpost ontstaat. De man spant zich in er voor te zorgen dat de bank de vrouw ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
De rechtbank acht het redelijk om aan de overname van de woning door de man een termijn te verbinden zoals door de vrouw verzocht en wel van drie maanden. Als de man niet in staat is de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid, binnen drie maanden na de datum van deze beschikking te realiseren, moet de woning worden verkocht.
(…)
Indien de woning moet worden verkocht, moet op de verkoopopbrengst de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering worden, gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die partijen gelijkelijk verdelen. Indien de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering hoger zullen zijn dan de hypotheekschuld verdelen partijen deze gelijkelijk. Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, waarop de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering in mindering strekken, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk zullen dragen.
De kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.’
Zie ook de verklaring van mr. M. de Boorder, overgelegd als productie 14 bij de brief van 25 februari 2022 van mr. Van der Klei aan het gerechtshof.
De vrouw wijst ook expliciet op het feit dat de man in de bodemprocedure in grief 4 opkomt tegen het oordeel dat de woning moet worden verkocht indien de man niet in staat is om de vrouw binnen drie maanden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan doen ontslaan (rnr. 31 appelschrift in de hoofdzaak). In de toelichting in rnr. 32 van het appelschrift stelt de man (slechts) dat de vrouw niet zou meewerken aan een convenant18. en de uitspraak van de rechtbank geen verdeling bevat maar uitsluitend de wijze waarop partijen tot een verdeling dienen te komen. De man rept hier met geen woord over bereikte overeenstemming op de zitting van 11 februari 2020 en evenmin dat die zou zijn vastgelegd in de uitspraak van 24 maart 2020. Integendeel.
Niet alleen wordt er anders dan het hof in rovv. 4.8 en 4.9 overweegt blijkens dit p-v in het geheel geen overeenkomst gesloten, noch ten aanzien van de woning, noch ten aanzien van de levensverzekering, ook indien het Haviltexcriterium wel zou worden toegepast kan onmogelijk worden gesteld dat de man (of zijn advocaat) uit de verklaring van de advocaat van de vrouw (of van de vrouw zelf) had kunnen of mogen afleiden dat (1) de woning en levensverzekering toen zouden zijn verdeeld of toebedeeld en (2) dat ook wanneer pas later zou worden afgenomen toch overeenstemming was op de prijs van € 940.000,= en de € 130.760,=. Er wordt immers letterlijk gezegd door mr. De Boorder ‘als de man de woning niet binnen een korte tijd overneemt, moet een hoger bedrag worden aangenomen’. Het is dan ook geheel in lijn hiermee dat de rechtbank een termijn van drie maanden stelt voor de overname tegen de prijs van € 940.000,=. Uit de hierboven geciteerde passages volgt dat de rechtbank niet alleen aan overschrijding van de driemaandentermijn de conclusie verbindt dat de woning verkocht dient te worden, maar bovendien ook nog bepaalt wat er met de over- of onderwaarde dient te gebeuren: die moet worden verdeeld evenals de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering. Indien er sprake zou zijn van een overeenkomst van definitieve toedeling tegen € 940.000,= aan de man dan had de rechtbank noch de verkoopoverweging, noch de wijze van verdeling in de beschikking opgenomen.
Evenmin is er dus sprake van een vastlegging van die overeenkomst in deze beschikking van 24 maart 2020. Daarin hakt de rechtbank nota bene de knoop door voor wat betreft de waarde en oordeelt dat die geldt voor een termijn van drie maanden waarbinnen de man de woning dient over te nemen. Nadien dient die te worden verkocht, waarbij uiteraard de alsdan te realiseren overwaarde dient te worden verdeeld.
Het is dan rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat het hof desalniettemin een overeenkomst voor € 940.000,= aanneemt (rov. 4.8). en in rovv. 4.9 en 4.10 bovendien oordeelt dat er geen plaats meer is voor een beslissing. Deze oordelen worden ook niet verder, laat staan toereikend gemotiveerd. Als zodanig kan niet gelden het oordeel in rov 8 sub a, nu in een situatie waar partijen in rechte strijden over het toepasselijke recht op het huwelijksvermogen, de man zelf in de hoofdzaak appelleert.
Daaraan doet evenmin af rov. 4.8 dat het hof op de zitting in hoger beroep blijkens het p-v naar aanleiding van een stelling van de advocaat van de man — kennelijk op basis van dezelfde onjuiste rechtsopvatting en/of het onbegrijpelijke oordeel als in de beschikking, een onjuiste conclusie trekt. Bij gebreke van een overeenkomst zoals door het hof aangenomen aan de hand van het p-v in eerste aanleg en de daaropvolgende beschikking van de rechtbank, is ook de conclusie die het hof kennelijk ter zitting van het hof op 8 april 2021 trekt, rechtens onjuist en onbegrijpelijk.
Niet alleen wordt die overeenkomst niet door de advocaat van de vrouw op die zitting blijkens dat p-v onderschreven, maar uit dat p-v van 8 april 2021 p. 9 blijkt het tegengestelde. Daarin staat immers vermeld dat de vrouw aandringt op verkoop kennelijk omdat zij dan aanspraak kan maken op de overwaarde alsook dat hij dan ontslagen wordt uit de hoofdelijkheid en zelf kan investeren in een bedrijfspand (onderstreept-HJWA):
‘De vrouw:
Ja. Maar wat gaat er gebeuren met de woning? Ik zit met een lening nu, ik heb nu geen mogelijkheid om iets te starten. Ik kan dan niet verder. Misschien kan het huis snel te koop worden gezet? Moet hij daar blijven wonen?’
De advocaat van de vrouw:
Er wordt een gezondheidscentrum gebouwd en daar kan een tandartspraktijk in, mevrouw heeft daar een optie op. Tot mei 202 1 heeft zij die optie. Mevrouw zit vast. Zij kan niet verdienen, deze gelegenheid doet zich maar één keer voor. De vrouw weet van de adviseur dat de kans dat meneer deze woning krijgt uitermate klein is. Daarom volhardt mevrouw in die verkoop. (…)’
Het hof laat blijkens rov. 4.8 dit onbesproken, hetzij heeft het zijn uitspraak — ook voor een kort geding — ontoereikend gemotiveerd.
IV.3
Dit geldt mutatis mutandis ook voor rov. 4.10 en voor de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij ASR. Ook hier oordeelt het hof met schending van art 3:33 en 3:35 en Haviltex ten onrechte dat partijen in eerste aanleg overeengekomen dat deze levensverzekering zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,-, onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. Uit de in onderdeel IV.1 aangehaalde passages uit het p-v van de zitting van 11 februari 2020 en uit die van de daaropvolgende beschikking van de rechtbank d.d. 24 maart 2020 volgt dat die levensverzekering alleen aan de man wordt toebedeeld indien en voor zover de man binnen de gestelde termijn van drie maanden de woning kan overnemen. De rechtbank overweegt immers ter zake van de situatie waarbij de man er niet in slaagt om binnen drie maanden de woning over te nemen (onderstreept door mij-HJWA):
‘Indien de woning moet worden verkocht, moet op de verkoopopbrengst de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering worden, gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die partijen gelijkelijk verdelen. Indien de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering hoger zullen zijn dan de hypotheekschuld verdelen partijen deze gelijkelijk. Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, waarop de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering in mindering strekken, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk zullen dragen.’
IV.4
Het hof miskent in rov. 4.919., en in rov 4.1020. niet alleen dat de in rovv 4.8 t/m 4.10 genoemde overeenkomsten non-existent zijn, maar ook dat het enkele feit dat partijen beweerdelijk overeenstemming over een geschilpunt hangende een procedure zouden hebben (hetgeen hier op dit punt als gezegd niet het geval is), nog niet betekent dat het hof daarop niet langer zou dienen te beslissen. Het hof miskent dat zo lang een geschil c.q. een vordering of een verzoek om daarop te beslissen niet is ingetrokken de rechter gehouden is daarop te beslissen.21. Hooguit kan in geval van overeenstemming (nogmaals die is hier niet) een rechter daaruit concluderen dat de vordering of het verzoek niet langer wordt betwist en dus moet worden toegewezen. Het getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof deze zaken niet in het dictum opneemt.
V
Rechtens onjuist (art 149 Rv), onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd is het oordeel van het hof in laatste volzin van rov. 4.8
‘Ook zij heeft een aandeel erin gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning.’
Immers, zoals de vrouw in het verweerschrift in appel rnr 20 opmerkt beschikte de man over een rechterlijke uitspraak (hij klaagt daarover in de toelichting van grief 4 dat hij die nodig heeft, dan wel een convenant). De vrouw voert daarbij ook aan dat het de man is geweest die heeft geappelleerd. De uitspraak van de rechtbank bevat immers een verdeling: alle punten worden in de beschikking genoemd. Als verweer wordt ook gevoerd dat de man zelf niet meewerkt aan het opstellen van een convenant conform de beschikking van de rechtbank. Verder wordt in rnr. 20 aangevoerd dat de man eenvoudig geld te kort komt om de bewuste € 940.000,= te kunnen financieren omdat hij veel geld tekort komt. Kortom de stelling in de toelichting van grief 4 die het hof hier zonder meer vaststelt wordt door de vrouw gemotiveerd betwist en volgt ook niet uit het verloop van de feiten. Het hof miskent dus het gestelde in artikel 149 Rv dat alleen die feiten mogen worden vastgesteld en aan de beslissing ten grondslag worden gelegd die niet of niet voldoende zijn bestreden. Voor zover het hof van oordeel is dat deze stelling niet voldoende is bestreden met het verweer in het verweerschrift in appel gaat het hof hetzij uit van een onjuiste rechtsopvatting hetzij is het oordeel onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd.
Ook overigens is het in dit onderdeel aangevallen oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd. De man neemt immers de beschikking van de rechtbank niet tot uitgangspunt (de vrouw heeft niet zelf geappelleerd, alleen toen de man dat ook deed). De man formuleert tegen de beschikking van de rechtbank acht grieven en een petitum (rov. 4.2 tussen beschikking) dat zich uitstrekt over p 5 t/m 8 van die tussenbeschikking.
Hij stelt daarbij niet alleen het toepasselijke recht aan de orde maar vele zaken — waarvan hij later overigens weer een aantal intrekt — waarover partijen in eerste aanleg hebben gesproken en de rechtbank knopen heeft doorgehakt. Hoezo heeft de vrouw er aandeel in gehad dat de man niet binnen drie maanden de woning kon afnemen? Niet alleen motiveert dat hof die overweging in het geheel niet en voldoet de uitspraak dus niet aan de minimum daaraan te stellen eisen voor wat betreft motivering, maar ook objectief beschouwd kan het de vrouw moeilijk kan worden verweten dat zij verweer voert in een positie waarbij alles naar de man gaat terwijl, zoals reeds hierboven in onderdeel III.3 uitvoerig met vindplaatsen is aangegeven uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat de man de vrouw € 1.000,= per maand zakgeld gaf en de man gelden naar Iran sluisde en dus aan vermogensopbouw deed.
Het hof lijkt hier uit het oog te verliezen dat beide partijen strijden over de vraag welk recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is en of de vrouw aldus aanspraak kan maken op de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen (ook in Iran) en op de overwaarde van de echtelijke woning. Niet alleen is dat een zakelijk geschil met gerechtvaardigde belangen aan de zijde van de vrouw, maar ook valt niet in te zien dat en waarom dit zou moeten leiden tot het vaststellen van een overeenkomst die partijen zo niet hebben gesloten en die voor de vrouw met een overwaarde van ten minste € 260.000,= uiterst onvoordelig uitpakt, terwijl haar ook al — in weerwil van het advies van het IJI — een overeengekomen aanspraak op het opgebouwde vermogen van de man wordt ontzegd.
VI
Het slagen van één of meer van de bovenvermelde klachten vitiëert ook rov 4.17 en het dictum.
Weshalve:
De vrouw op grond van dit middel de vernietiging van de aangevallen beschikkingen vordert met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens!
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑01‑2024
Uit het p-v van de daaropvolgende zitting van 8 april 2021 blijkt dat (de advocaat van de) vrouw zich daartegen op geen enkele wijze heeft verzet.
HR 26 april 1991, NJ 1992/407.
Deze maatstaf wordt mede gehanteerd om te beslissen of sprake is van een gedekt verweer (HR 22 juli 1986, NJ 1987/21) en van berusting (HR 20 oktober 1995, NJ 1997/215; zie echter HR 8 juni 2007, NJ 2008/142). Ras heeft in zijn noot onder HR 13 oktober 1995, NJ 1996/430 bepleit deze maatstaf ook toe te passen op de vraag of een in eerste instantie aangevoerde stelling of verweer, in hoger beroep door verweerder is prijsgegeven.
HR 11 november 1983, NJ 1984/298; HR 1 juni 1988, NJ 1989/156; HR 23 december 1988, NJ 1989/264; HR 26 april 1991, NJ 1992/407; HR 14 juni 1991, NJ 1992/408; HR 20 februari 1998, NJ 1998/40; HR 2 april 1999, NJ 1999/341; HR 15 oktober 1999, NJ 2000/21; HR 10 november 2000, NJ 2001/301; HR 19 oktober 2001, NJ 2002/224; HR 7 december 2001, NJ 2003/76; HR 18 oktober 2002, NJ 2003/345 en HR 10 oktober 2003, NJ 2005/104; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238.
In verband met de controle in cassatie van de procesgang is het in bodemzaken noodzakelijk dat hiervan blijkt uit een van de zitting opgemaakt proces-verbaal. In kort geding wordt, in verband met de aard daarvan, geen proces-verbaal opgemaakt.
In de zin dat er veel te snel al aan strijd met de goede procesorde zou zijn voldaan.
Pv van de zitting in HB d.d. 8 april 2021, p 2 (onderstreept door mij-HJWA).
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721
Zie p-v d.d.11 februari 2020 2e woordblok, p. 11.
Zie p-v d.d.11 februari 2020 6e woordblok, p. 11.
Dit betrof € 1.000,= per maand zie verweerschrift zelfstandige verzoeken in eerste aanleg zijdens de vrouw rnr. 26: (…) de vrouw kreeg € 1.000 kreeg vanaf mei 2007 € 1.000,= per maand. Zelfs het geld van haar zwangerschapsverlof is door de man gehouden (…) De vrouw kreeg als zij werkte helemaal niets. De man deed alle administratie, had alle bankpassen en nam (alle) financiële beslissingen en heeft jaarlijks enorme bedragen aan de maatschap onttrokken naar zijn privé. (…)’ Zie ook productie 4 bij brief van mr. Van der Klei d.d. 25 februari 2022 aan het hof.
Zie p-v d.d. 11 februari 2020, p 6:de advocaat van de man:Er is af en toe geld naar Iran gebracht. Dat is op bankrekeningen gestort. De moeder van de vrouwwas gemachtigd. De moeder informeerde de man via WhatsApp, zie productie 51. Er was ooit veel meer dan € 80.000,-. Nu is er een bedrag onder de € 80.000,-. Het gaat om devaluatie van de munt.(…).
Bij akte uitlating deskundigenbericht d.d. 27 mei 2023 rnr. 6 sub 6) wordt door de vrouw in dat kader een bedrag van € 636.422,= genoemd dat hij heeft weggesluisd/onttrokken aan de maatschap.
Bijv. p-v rechtbank d.d. 11 februari 2020, 4e woordblok.
In de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020 en ook in de daaraan voorafgaande mondelinge behandeling zijn partijen en de rechtbank er van uitgegaan dat Nederlands recht van toepassing is.
Mogelijk berust die datum op een verschrijving en heeft het hof wel het oog gehad op de zitting van 11 februari 2020. Het hof motiveert dat echter niet, zodat dit oordeel dus onbegrijpelijk, althans niet toereikend is gemotiveerd.
Overgelegd bij CvA als productie 2
Dat partijen geen convenant hebben kunnen sluiten wekt geen verbazing nu de man nota bene in appel is gekomen met betrekking tot de toepassing van Nederlands recht op het huwelijksvermogen en ook van de afwikkeling van de maatschap tussen partijen. Dat de man vervolgens na 3 jaar wèl financiering kan krijgen is gelegen in de in de tussentijd ontwikkelde aanzienlijke overwaarde. Het hof gaat er echter aan voorbij dat enerzijds de man zelf heeft geappelleerd en anderzijds dat de vrouw, zoals zij aangeeft in het p-v van 8 april 2021 p. 9 (zie hierna onderdeel IV.3) dat zij klem zit en daarom (in 2021) al aandringt op spoedige verkoop.
Alwaar het hof oordeelt dat ‘voormelde afspraken tussen partijen omtrent de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning zich niet lenen voor opname in het dictum aangezien het hof over de onderwerpen waarover overeenstemming is bereikt en dus niet meer hoeft te beslissen.
Waar het hof oordeelt voor de levensverzekering dat het hof dat niet in het dictum kan opnemen ‘omdat het geen rechtsmacht heeft’,
Zie bijvoorbeeld HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134 en HR3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1059.