RFR 2026/46
Internationaal privaatrecht, huwelijksvermogensrecht. Heeft het hof het oordeel over de inhoud van het Iraans huwelijksvermogensrecht begrijpelijk gemotiveerd?
HR 30-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:126
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, K. Teuben
- Zaaknummer
24/00473
- Conclusie
A-G mr. P. Vlas
- JCDI
JCDI:BSD105605:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:126, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:575, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1344, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑05‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑01‑2024
- Wetingang
Essentie
Internationaal privaatrecht, huwelijksvermogensrecht.
Heeft het hof het oordeel over de inhoud van het Iraans huwelijksvermogensrecht begrijpelijk gemotiveerd? Kan een rechtskeuze ter zake van het toepasselijke huwelijksvermogensregime ten processe worden gemaakt? Dient de openbare-orde-exceptie ambtshalve te worden toegepast, ook buiten het door de grieven ontsloten gebied?
Samenvatting
Partijen zijn met elkaar gehuwd in Iran op 12 mei 2005. Op dat moment had de man de Nederlandse en de Iraanse nationaliteit en de vrouw alleen de Iraanse nationaliteit. De vrouw is op 20 februari 2006 in Nederland gaan wonen. Op 15 april 2009 heeft de vrouw tevens de Nederlandse ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.