Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.2.1:IX.2.1 Rechtskarakter
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.2.1
IX.2.1 Rechtskarakter
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597490:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de presumptie van onschuld recht is, valt moeilijk te ontkennen en zal niet verbazen, gelet op de verdragsrechtelijke verankering ervan. In de inleiding werd echter gesignaleerd dat eraan ook niet-juridische betekenissen worden toegekend. Onder meer wordt de presumptie van onschuld begrepen als een descriptieve formulering van een organisatiecultuur die als wenselijk voor de strafrechtspleging is te beschouwen. Zij is ook wel geduid als cognitief verschijnsel dat strijdt met de verdenking, het redelijk vermoeden van schuld. Dit boek gaat alleen over de juridische werking van het beginsel. Over het bestaan van andere, sociologische of psychologische, fenomenen die zich als vermoeden van onschuld laten aanduiden valt hier dan ook niets definitiefs te zeggen, omdat zij niet zijn onderzocht.
Wel is het bestaan ervan onwaarschijnlijk. Gebleken is namelijk dat de onschuldpresumptie als juridisch adagium circa duizend jaar oud is en dat zij al lange tijd, zeker sinds de achttiende eeuw, tamelijk grote algemene bekendheid geniet in de juridische wereld. Dat maakt het onaannemelijk dat andere sociaalwetenschappelijke fenomenen die met dezelfde terminologie worden aangeduid, onafhankelijk van de juridische onschuldpresumptie tot wasdom zijn gekomen. Het lijkt dan ook niet zozeer te gaan om autonome fenomenen die min of meer toevallig met dezelfde terminologie worden aangeduid, maar eerder om pogingen het juridische karakter van de onschuldpresumptie aan te vullen of te ontkrachten.
Deze exercities slagen mijns inziens niet. Dat zij worden ondernomen wordt verklaard door het gewicht dat wordt toegekend aan de woordelijke aanduiding als vermoeden of presumptie van onschuld. Presumpties of vermoedens komen veelvuldig voor in het recht. Oorspronkelijk was ook de onschuldpresumptie zo’n rechtspresumptie, die eerst als bewijsmiddel, later als bewijslastverdelingsmechanisme naam maakte in de Middeleeuwen.1 De huidige werking van de onschuldpresumptie verhoudt zich echter slecht tot de woorden ‘presumptie’ en ‘onschuld’. Die bewoordingen zijn dan ook aanleiding voor misverstanden.2 Andere vermoedens van onschuld dan het juridische, knopen waarschijnlijk associatief aan bij deze terminologie en trachten daaraan inhoud te verschaffen. Noch in oorspronkelijke zin, noch in hedendaagse, juridische zin, beschrijft of vordert het juridische onschuldvermoeden echter een cognitief vermoeden dat de verdachte onschuldig is. En evenmin beschrijft het een assumptie van vergelijkbare strekking die deel zou uitmaken van de organisatiecultuur van bij de strafrechtspleging betrokken overheidsorganen. De wenselijkheid ervan lijkt mij bovendien betwijfelbaar. Een letterlijk vermoeden van onschuld als onderdeel van de strafvorderlijke organisatiecultuur verdraagt zich niet met de in een strafrechtelijk onderzoek rijzende verdenking. Een cognitief met de verdenking communicerend vermoeden ontneemt de verdachte de door de onschuldpresumptie geboden waarborgen waar hij die het meest nodig heeft, namelijk wanneer de gerezen verdenking het sterkst is.3
Dit alles betekent overigens niet dat het juridische onschuldvermoeden met de cognitie van de deelnemers aan de strafrechtspleging niets van doen heeft of niet beoogt daaraan sturend bij te dragen. De onschuldpresumptie schrijft enkele op de cognitie van procesactoren gerichte normen voor waarvan de naleving zich niet eenvoudig in rechte laat nagaan. Zij verlangt dat de zittingsrechter bij redelijke twijfel vrijspreekt en verbiedt aan diezelfde rechter de schuld van de verdachte voortijdig als vaststaand aan te nemen.4 Het eveneens eruit voortvloeiende gebod aan overheidsinstanties om een verdachte niet reeds als schuldige te bejegenen heeft als achterliggende ratio onder meer de openheid van het strafrechtelijk onderzoek en de strafprocedure te behouden. Door steeds aan de twijfel aan en onzekerheid van de schuld van de verdachte te herinneren, wordt het elementaire verschil tussen verdachte en veroordeelde geïnstitutionaliseerd.5 Aan de juridische aard, het rechtskarakter van de onschuldpresumptie zelf, doet een en ander evenwel niet af.