Hof Arnhem-Leeuwarden 16 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4297.
HR, 18-02-2025, nr. 23/02085
ECLI:NL:HR:2025:289
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
23/02085
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Jeugdstrafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:289, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1337
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:4297
ECLI:NL:PHR:2024:1337, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:289
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑03‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0066
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Zedenzaak. Ontucht (art. 245 (oud) Sr) met en verkrachting (art. 242 (oud) Sr) van 4 jaar jongere zusje gedurende periode van 10 jaar. Strafmotivering (gevangenisstraf van 3 jaar). Kon hof gevangenisstraf opleggen voor feiten die (gedeeltelijk) zijn begaan voordat verdachte leeftijd van 16 jaren had bereikt? Uit wetsgeschiedenis van Wet adolescentenstrafrecht komt naar voren dat wetgever bij invoering van die wet heeft beoogd adolescentenstrafrecht vorm te geven binnen grenzen die worden gesteld in IVRK en voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij art. 37 van dat verdrag. Dat voorbehoud maakt toepassing van volwassenenstrafrecht alleen mogelijk als kind leeftijd van 16 jaren heeft bereikt en aan in wet neergelegde criteria voor toepassing van volwassenenstrafrecht is voldaan. O.g.v. art. 77a (oud) Sr geldt als hoofdregel dat op personen die t.t.v. begaan van strafbaar feit nog niet leeftijd van 18 jaren hebben bereikt jeugdstrafrecht (dat niet voorziet in mogelijkheid tot opleggen van gevangenisstraf) wordt toegepast. Art. 77b (oud) Sr (dat v.zv. hier van belang niet verschilt van nu geldende tekst) vormt uitzondering op deze hoofdregel en voorziet in mogelijkheid om verdachte te veroordelen overeenkomstig bepalingen uit volwassenenstrafrecht, als rechter daarvoor aanleiding ziet in daar genoemde gevallen. Deze bepaling is alleen van toepassing op personen die t.t.v. begaan van strafbaar feit leeftijd van 16 jaren, maar nog niet die van 18 jaren, hebben bereikt. Art. 77b (oud) Sr voorziet niet in mogelijkheid om gevangenisstraf op te leggen voor feit dat is begaan toen verdachte leeftijd van 16 jaren (nog) niet had bereikt en ook andere bepalingen voorzien daarin niet. Uit in arrest van hof vermelde geboortedatum van verdachte volgt dat verdachte t.t.v. begaan van het door hof bewezenverklaarde feit 1 en gedeeltelijk t.t.v. begaan van bewezenverklaard feit 2 leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt. Hof heeft desondanks geoordeeld dat ook t.a.v. die feiten, met toepassing van volwassenenstrafrecht, gevangenisstraf kan worden opgelegd. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Wat hof, onder aanhaling van art. 495.4 Sv, heeft overwogen over Wet adolescentenstrafrecht doet hieraan niet af. Gelet op weergegeven overgangsrecht is art. 495.4 Sv niet van toepassing op feiten die zijn gepleegd voor inwerkingtreding van Wet adolescentenstrafrecht op 1-4-2014. Opmerking verdient verder dat art. 495.5 Sv niet van toepassing is op strafbare feiten die zijn begaan voordat verdachte leeftijd van 16 jaren had bereikt. Nu verdachte alleen belang heeft bij cassatie v.zv. aan hem met toepassing van volwassenenstrafrecht gevangenisstraf is opgelegd voor feiten die hij heeft begaan voordat hij leeftijd van 16 jaren had bereikt, zal HR uitspraak van hof alleen vernietigen wat betreft opgelegde gevangenisstraf en zaak zelf afdoen. Omdat hof straf heeft willen opleggen die wat betreft duur van vrijheidsontneming overeenkomt met de door Rb opgelegde straf, zal HR daarbij aansluiten. Bij afdoening zal HR uitgaan van de door Rb bevolen splitsing in minderjarig en meerderjarig deel. Nu hof strafoplegging in kern heeft gebaseerd op dezelfde bewijsvoering en bewezenverklaring als Rb, leent arrest van hof zich in zoverre voor verbeterde lezing dat HR verstaat dat bewezenverklaring in arrest van hof luidt overeenkomstig bewezenverklaringen die zijn opgenomen in vonnissen Rb. HR vernietigt ’s hofs uitspraak wat betreft opgelegde gevangenisstraf en doet zaak zelf af.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02085
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2023, nummer 21-003078-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en een jeugddetentie voor de duur van één jaar met vermindering daarvan ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de oplegging door het hof van een gevangenisstraf voor feiten die (gedeeltelijk) zijn begaan voordat de verdachte de leeftijd van zestien jaren had bereikt.
Procesverloop in eerste aanleg en in hoger beroep
3.2.1
In eerste aanleg zijn bij één dagvaarding drie feiten aan de verdachte ten laste gelegd die zien op een periode waarin de verdachte, die is geboren op 5 november 1991, deels minderjarig en deels meerderjarig was. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 8 juni 2021 volgt dat de rechtbank de tenlastelegging heeft gesplitst in “een minderjarig en een meerderjarig deel”. De rechtbank heeft vervolgens twee vonnissen gewezen, één voor het minderjarig deel en één voor het meerderjarig deel. Voor het minderjarig deel heeft de rechtbank één jaar jeugddetentie en voor het meerderjarig deel heeft zij een gevangenisstraf van twee jaren opgelegd. In haar vonnis heeft de rechtbank over deze splitsing overwogen:
“De rechtbank merkt op dat aan verdachte één dagvaarding is uitgebracht. De drie aan verdachte ten laste gelegde feiten zien op een periode waarin verdachte deels minderjarig en deels meerderjarig was. De rechtbank zal de tenlastelegging daarom splitsen in een minderjarig en een meerderjarig deel. Het minderjarige deel ziet op de periode van 5 november 2003 tot 5 november 2009. Deze periode betreft feit 1 en een deel van feit 2. Het meerderjarige deel ziet op de periode van 5 november 2009 tot en met 10 april 2013. Deze periode betreft een deel van feit 2 en feit 3. Het voorgaande heeft tot gevolg dat er twee vonnissen zijn, één voor het minderjarige en één voor het meerderjarige deel. Alle drie de feiten zien op eenzelfde soort verdenking, namelijk het plegen van seksuele handelingen door verdachte bij zijn zusje. Bij de bespreking ter terechtzitting is er door geen van de procesdeelnemers een heel duidelijk onderscheid gemaakt tussen het minderjarige en het meerderjarige deel. Om die reden zal de rechtbank grotendeels dezelfde standpunten van de verdediging, de officier van justitie en de benadeelde partij in beide vonnissen opnemen. Waar mogelijk en noodzakelijk zal de rechtbank een onderscheid maken, maar ook de overwegingen van de rechtbank zullen voor het overgrote deel gelijkluidend zijn.”
3.2.2
Wat betreft het minderjarig deel is door de rechtbank in haar vonnis van 22 juni 2021, ECLI:NL:RBMN:2021:2617 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“1. primair:
op tijdstippen in de periode gelegen tussen 5 november 2003 tot en met 10 april 2007 te [plaats], met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, (telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
- de borsten van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
2. primair:
op tijdstippen in de periode gelegen tussen 11 april 2007 tot 5 november 2009 in het arrondissement Midden-Nederland met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, (telkens) ontuchtig
- de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht.”
3.2.3
Wat betreft het meerderjarig deel is door de rechtbank in haar vonnis van 22 juni 2021, ECLI:NL:RBMN:2021:2619 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij:
“2. primair:
op tijdstippen in de periode gelegen tussen 5 november 2009 tot en met 10 april 2011 in het arrondissement Midden-Nederland met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) ontuchtig
- de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;
3.
in de periode van 11 april 2011 tot en met 10 april 2013 te [plaats], meermalen, (telkens), door een andere feitelijkheid en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal (telkens)
- de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
en bestaande die andere feitelijkheid en die bedreiging met die andere feitelijkheid hierin dat verdachte een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] heeft gehad (gezien de familiare relatie als broer en zus, met die [slachtoffer] en het leeftijdsverschil) en (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.”
3.2.4
Het hof heeft de door de rechtbank aangebrachte splitsing in een minderjarig en een meerderjarig deel ongedaan gemaakt en de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten, onder aanhaling van artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in één arrest beoordeeld. Het hof heeft hierover overwogen:
“Aan verdachte is één dagvaarding uitgebracht. De drie tenlastegelegde feiten zien op een periode waarin verdachte deels minderjarig en deels meerderjarig was. De rechtbank heeft twee vonnissen gewezen. Eén vonnis voor het minderjarige deel en één voor het meerderjarige deel.
De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het minderjarige deel van het bewezenverklaarde seksueel misbruik van zijn minderjarige zusje veroordeeld tot -kort gezegd- een jeugddetentie van één jaar met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft bevolen dat de jeugddetentie wordt vervangen door een gevangenisstraf.
De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het meerderjarige deel van het bewezenverklaarde seksueel misbruik van zijn minderjarige zusje veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de maatregel van een contactverbod met [slachtoffer].
(...)
Zoals uit de tenlastelegging blijkt, heeft een deel van de ontuchtige handelingen plaatsgevonden toen verdachte nog minderjarig was en een deel toen hij reeds meerderjarig was. Het vierde lid van artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering biedt het hof, als jeugdstrafkamer, in een zaak als deze de mogelijkheid om kennis te nemen van feiten voor- en nadat een verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Hiermee wordt beoogd mogelijk te maken dat een feitencomplex dat een periode omvat die begint voor het 18e levensjaar en eindigt na het 18e levensjaar als één feit ten laste te leggen. De tenlastegelegde periode behoeft zo niet in twee delen te worden geknipt en een zaak hoeft dan niet gesplitst te worden in een minderjarige en een meerderjarige (deel)zaak. Het hof dient dan conform lid 5 van hetzelfde artikel een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. Gelet op de toelichting bij de invoering van dit wetsartikel is de hoofdregel dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen, maar de rechter kan ervoor kiezen een straf of maatregel uit het strafrecht voor jeugdigen op te leggen. Het voorstel voorziet niet in de mogelijkheid te differentiëren naar het moment waarop deze feiten zijn begaan (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33498, 3, p. 55). Het wetsartikel en de toelichting daarbij bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt dat dit alleen zou gelden voor zaken waarin het feitencomplex begint vanaf het 16e levensjaar en doorloopt tot na het bereiken van de leeftijd van 18 jaren.
Gezien het belang van verdachte bij gelijktijdige berechting van alle ten laste gelegde feiten en de omstandigheid dat deze feiten met elkaar als het ware één feitencomplex vormen, brengt een doelmatige rechtspleging met zich dat het hof alle feiten – ook al zijn zij begaan voor de inwerkingtreding van de hiervoor genoemde wetswijziging – gelijktijdig behandelt en in één arrest opneemt, zoals in vergelijkbare zaken al eerder is gedaan.
Om die reden, maar ook omdat het hof anders dan de rechtbank tot één strafoplegging komt voor alle ten laste gelegde feiten, zal het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen, waarbij de bewijsoverwegingen van de rechtbank worden overgenomen.”
3.2.5
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“1. primair
hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 5 november 2003 tot en met 10 april 2007 te [plaats], met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, (telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
- de borsten van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
2. primair
hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 11 april 2007 tot en met 10 april 2011 te [plaats] met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, (telkens) ontuchtig
- de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;
3.
hij in de periode van 11 april 2011 tot en met 10 april 2013 te [plaats], meermalen, (telkens), door een andere feitelijkheid en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal (telkens)
- de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
en bestaande die andere feitelijkheid en die bedreiging met die andere feitelijkheid hierin dat verdachte een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] heeft gehad (gezien de familiaire relatie als broer en zus met die [slachtoffer] en het leeftijdsverschil) en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een dreigende situatie heeft doen ontstaan.”
3.2.6
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren voor de bewezenverklaarde feiten en daartoe onder meer overwogen:
“Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte gedurende een periode van 10 jaar zijn vier jaar jongere zusje die toen het begon pas 8 jaar oud was, vele keren seksueel heeft misbruikt. Het misbruik door verdachte is door gegaan tot een leeftijd waarop hij al enkele jaren meerderjarig was en is gestopt omdat verdachte het huis is uitgezet.(...)
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het LOVS en daarbij gelet op de periode dat verdachte minderjarig was en de periode dat verdachte meerderjarig was.
(...)
Zoals aan het begin van dit arrest is overwogen, heeft het hof toepassing gegeven aan het bepaalde in het vierde lid van artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering door de ten laste gelegde feiten niet te splitsen in een minderjarig en meerderjarig deel. Op grond van het vijfde lid van voornoemd artikel dient de rechter een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. Gelet op de toelichting bij de invoering van dit wetsartikel is de hoofdregel dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen. Het hof ziet, mede naar aanleiding van het advies van de reclassering, geen aanleiding daar in dit geval vanaf te wijken.
Ook al is er inmiddels een behoorlijke tijd verstreken sinds de feiten hebben plaatsgevonden, naar het oordeel van het hof kan niet met een andere straf worden volstaan dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren. Dat komt overeen met de totale duur van de twee straffen die de rechtbank heeft opgelegd en het hof zal die straf als één straf opleggen.”
Juridisch kader
3.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 488 lid 2 Sv:
“De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, voor zover deze Titel geen afwijkende bepalingen bevat.”
- Artikel 495 leden 4 en 5 Sv, dat is ingevoerd bij de Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht, Stb. 2013, 485 (hierna: Wet adolescentenstrafrecht), zoals dat geldt sinds 1 april 2014:
“4. De kinderrechter is bevoegd kennis te nemen van een strafbaar feit of strafbare feiten die zijn begaan nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt indien de vervolging van dat feit of deze feiten gelijktijdig plaatsvindt met de vervolging van verdachte ter zake van een strafbaar feit bedoeld in artikel 488, tweede lid. (....)
5. Bij toepassing van het vierde lid kan de rechter recht doen volgens de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.”
- De Wet adolescentenstrafrecht bevat in artikel V een bepaling van overgangsrecht die luidt:
“De bepalingen zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze wet.”
- Artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen 9, eerste lid, 10 tot en met 22a, 24c, 37 tot en met 38i, 44 en 57 tot en met 62 niet van toepassing. In de plaats daarvan treden de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 77d tot en met 77gg.”
- Artikel 77b (oud) Sr:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, kan de rechter de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing laten en recht doen overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande titels vervat, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.”
- Artikel 77g lid 1 (oud) Sr:
“In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in deze Titel voorzien.”
- Artikel 77h lid 1 Sr:
“De hoofdstraffen zijn:a. in geval van misdrijf: jeugddetentie, taakstraf of geldboete;
b. in geval van overtreding: taakstraf of geldboete.”
- Artikel 77i lid 1 Sr:
“De duur van de jeugddetentie is:
a. voor degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt: ten minste een dag en ten hoogste twaalf maanden, en
b. overigens ten hoogste vierentwintig maanden.”
3.4.1
De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet adolescentenstrafrecht houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“Het voorgestelde adolescentenstrafrecht krijgt vorm binnen de grenzen die worden gesteld door het VN-Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en de voorbehouden die daarbij door Nederland zijn gemaakt. Het IVRK verplicht tot de inrichting van een afzonderlijk stelsel voor jeugdstrafrecht en gaat daarbij uit van een leeftijdsgrens van 18 jaar (artikel 1 IVRK). Bij de inrichting van het stelsel dient rekening te worden houden met de leeftijd van het kind, met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving (artikel 40 IVRK). Vrijheidsbeneming geldt daarbij als ultimum remedium en kan alleen voor een zo kort mogelijke duur worden toegepast (artikel 37 IVRK). Verder bevat dit artikel 37 IVRK waarborgen voor de vrijheidsbeneming van jeugdigen en het recht op bescherming tegen wrede straffen.
(...)
Een gevolg van de keuze om het adolescentenstrafrecht vorm te geven binnen de grenzen van het IVRK en de daarbij gemaakte voorbehouden is dat enkele van de maatregelen geen betrekking hebben op 15- tot 23-jarigen maar strikt genomen zien op 16- tot 23-jarigen. Ook in de adviezen naar aanleiding van het wetsvoorstel is dit geconstateerd. Het gaat hierbij om gevallen waarin de rechter met toepassing van het gewone strafrecht een vorm van vrijheidsbeneming overweegt ten aanzien van een jeugdige die ten tijde van plegen van een misdrijf de leeftijd van 16 of 17 heeft bereikt. Artikel 77b Sr voorziet al in deze mogelijkheid en het kabinet hecht ook aan het behoud daarvan.
(...)
Onderdeel C
Dit onderdeel ziet op de bevoegdheid van de kinderrechter om ook kennis te nemen van strafbare feiten die zijn begaan nadat de dader inmiddels 18 jaar oud is geworden. Het gaat om gevallen waarin feiten die voor en na de minderjarigheid zijn begaan, gezamenlijk worden berecht. Het onderdeel voert hiertoe wijzigingen door in artikel 495 Sv. De aanleiding voor deze wijzigingen is toegelicht in paragraaf 2.2 van de memorie van toelichting. Het vierde lid (nieuw) van artikel 495 Sv regelt dat de kinderrechter, of de meervoudige kamer waarvan kinderrechter deel uitmaakt, bevoegd is kennis te nemen van een strafbaar feit of strafbare feiten die zijn begaan nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Het gaat hier dan om de situatie waarin de vervolging van dat feit of deze feiten gelijktijdig plaatsvindt met de vervolging van verdachte ter zake van een strafbaar feit dat tijdens de minderjarigheid is begaan. Hiermee wordt beoogd mogelijk te maken dat een feitencomplex dat een periode omvat die begint voor het 18de levensjaar en eindigt na het 18de levensjaar als één feit ten laste te leggen. Anders dan voorheen het geval was, behoeft de tenlastegelegde periode zo niet langer in twee delen te worden geknipt. Dit voorkomt bewijsproblemen. Bij bewezenverklaring kan met het wijzen van één vonnis worden volstaan. Een ander gevolg van het voorstel is dat de officier van justitie ook afzonderlijke feiten gevoegd bij de kinderrechter kan aanbrengen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een veelpleger ten aanzien van wie de officier van justitie het wenselijk oordeelt dat de berechting van alle afzonderlijke begane strafbare feiten die zowel voor als na het 18de levensjaar zijn begaan, gezamenlijk aan de kinderrechter worden voorgelegd. Op grond van het bestaande artikel 259 Sv, gelezen in samenhang met het voorgestelde artikel 495, vierde lid, Sv kan de officier van justitie hiertoe het initiatief nemen. Zoals de Rvdr terecht constateert, heeft het voorgaande gevolgen voor de keuze van het toepasselijke sanctiestelsel. Het voorgestelde vijfde lid verduidelijkt dat de rechter hierin een keuze zal moeten maken. De hoofdregel is dat berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel voor volwassenen, maar de rechter kan in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, ervoor kiezen een straf of maatregel uit het strafrecht voor jeugdigen op te leggen. Anders dan de Rvdr heeft geadviseerd, voorziet het voorstel niet in de mogelijkheid ten aanzien van de verschillende strafbare feiten voor wat betreft de keuze van het sanctiestelsel te differentiëren naar het moment waarop deze feiten zijn begaan. Het wetsvoorstel beoogt immers juist gevolgen te verbinden aan de ontwikkelingsfase van de jongvolwassene. Met dit uitgangspunt is minder goed verenigbaar dat bij een gelijktijdige berechting van misdrijven ten aanzien van dezelfde persoon verschillende sanctiestelsels toepassing kunnen vinden. Ook in het voorgestelde zesde lid vindt dit uitgangpunt vertaling.
(...)
Artikel V
Artikel V verduidelijkt dat de wijzigingen waarmee het adolescentenstrafrecht wordt vormgegeven alleen toepassing zullen vinden in verband met feiten die na de inwerkingtreding van de wet zijn begaan.”
(Kamerstukken II 2012/13, 33498, nr. 3, p. 3, 54 tot en met 56.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“Ook 15-jarigen zijn adolescenten in de zin van het wetsvoorstel. Ik merk dit op naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie die signaleerden dat in het wetsvoorstel ook over 16- jarigen wordt gesproken. Dit is juist. Het is een gevolg van de keuze van het kabinet om het adolescentenstrafrecht vorm te geven binnen de grenzen van het IVRK en de voorbehouden die Nederland daarbij heeft. Ik doel dan in het bijzonder op het voorbehoud bij artikel 37 IVRK. Dit maakt een berechting volgens het gewone strafrecht mogelijk van 16- en 17-jarigen. Hoewel de meeste wijzigingen in het jeugdstrafrecht ook betrekking hebben op 15-jarigen, is niet beoogd ook 15-jarigen voor een afdoening volgens het gewone strafrecht in aanmerking te laten komen. Als het op een dergelijke afdoening aankomt, past het dat van 16-jarigen wordt gesproken.”
(Kamerstukken II 2012/13, 33498, nr. 6, p. 12.)
3.4.2
Uit deze wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij de invoering van de Wet adolescentenstrafrecht heeft beoogd het adolescentenstrafrecht vorm te geven binnen de grenzen die worden gesteld in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij artikel 37 van dat verdrag. Dat voorbehoud maakt toepassing van het volwassenenstrafrecht alleen mogelijk als het kind de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt en aan de in de wet neergelegde criteria voor de toepassing van het volwassenenstrafrecht is voldaan.
Het oordeel van de Hoge Raad
3.5
Op grond van artikel 77a (oud) Sr geldt als hoofdregel dat op personen die ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog niet de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt het jeugdstrafrecht – dat niet voorziet in de mogelijkheid tot het opleggen van een gevangenisstraf – wordt toegepast. Artikel 77b (oud) Sr – dat voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende tekst – vormt een uitzondering op deze hoofdregel en voorziet in de mogelijkheid om een verdachte te veroordelen overeenkomstig de bepalingen uit het volwassenenstrafrecht, als de rechter daarvoor aanleiding ziet in de daar genoemde gevallen. Deze bepaling is alleen van toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van zestien jaren, maar nog niet die van achttien jaren, hebben bereikt. Artikel 77b (oud) Sr voorziet niet in de mogelijkheid om een gevangenisstraf op te leggen voor een feit dat is begaan toen de verdachte de leeftijd van zestien jaren (nog) niet had bereikt, en ook andere bepalingen voorzien daarin niet.
3.6.1
Uit de in het arrest van het hof vermelde geboortedatum van de verdachte, 5 november 1991, volgt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het door het hof bewezenverklaarde feit 1 en gedeeltelijk ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit 2 de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. Het hof heeft desondanks geoordeeld dat ook ten aanzien van die feiten, met toepassing van het volwassenenstrafrecht, een gevangenisstraf kan worden opgelegd. Dat oordeel getuigt – gelet op wat onder 3.5 is overwogen – van een onjuiste rechtsopvatting.Wat het hof, onder aanhaling van artikel 495 lid 4 Sv, heeft overwogen over de Wet adolescentenstrafrecht doet hieraan niet af. Gelet op het onder 3.3 weergegeven overgangsrecht is artikel 495 lid 4 Sv niet van toepassing op feiten die zijn gepleegd voor de inwerkingtreding van de Wet adolescentenstrafrecht op 1 april 2014. Opmerking verdient verder dat het vijfde lid van artikel 495 Sv niet van toepassing is op strafbare feiten die zijn begaan voordat de verdachte de leeftijd van zestien jaren had bereikt.
3.6.2
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3.6.3
Nu de verdachte alleen belang heeft bij cassatie voor zover aan hem met toepassing van het volwassenenstrafrecht een gevangenisstraf is opgelegd voor feiten die hij heeft begaan voordat hij de leeftijd van zestien jaren had bereikt, zal de Hoge Raad de uitspraak van het hof alleen vernietigen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de zaak zelf afdoen. Omdat het hof, zoals volgt uit de onder 3.2.6 weergegeven overwegingen, een straf heeft willen opleggen die wat betreft de duur van vrijheidsontneming overeenkomt met de door de rechtbank opgelegde straf, zal de Hoge Raad daarbij aansluiten.
Bij de afdoening zal de Hoge Raad uitgaan van de door de rechtbank bevolen splitsing in een minderjarig en meerderjarig deel, zoals weergegeven onder 3.2.1. Nu het hof de strafoplegging in de kern heeft gebaseerd op dezelfde bewijsvoering en bewezenverklaring als de rechtbank, leent het arrest van het hof zich in zoverre voor een verbeterde lezing dat de Hoge Raad verstaat dat de bewezenverklaring in het arrest van het hof luidt overeenkomstig de bewezenverklaringen die zijn opgenomen in de vonnissen van de rechtbank, zoals weergegeven onder 3.2.2 en 3.2.3.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Op de verdachte is, wat betreft het minderjarig deel, het strafrecht voor jeugdigen van toepassing. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in zoverre de redelijke termijn als bedoeld in 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte op te leggen jeugddetentie van twaalf maanden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf;
- legt aan de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten zoals weergegeven onder 3.2.3, op een gevangenisstraf van twee jaren;
- legt aan de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten zoals weergegeven onder 3.2.2, op een jeugddetentie van elf maanden en twee weken;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straffen in mindering zal worden gebracht;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Seksueel misbruik van (minderjarig) zusje over een periode van bijna 10 jaar. Art. 242, 244 en 245 Sr. 1. Falend middel over bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv. 2. Terecht voorgesteld middel over oplegging van een straf uit het sanctiestelsel voor volwassenen terwijl de verdachte bij het begaan van een deel van de feiten jonger dan 16 was. Conclusie strekt tot vernietiging van opgelegde gevangenisstraf en afdoening door de Hoge Raad.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02085
Zitting 10 december 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 16 mei 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 primair “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”, onder 2 primair “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” en onder 3 “verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader omschreven in het arrest.1.
1.2
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat er te weinig steunbewijs is voor de verklaringen van de aangeefster.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.primairhij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 5 november 2003 tot en met 10 april 2007 te [plaats] , met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, (telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
- de borsten van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- zijn vinger(s) in de vagina, van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer] ;
2.primairhij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 11 april 2007 tot en met 10 april 2011 te [plaats] met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, (telkens) ontuchtig
- de borsten en vagina, van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- zijn vinger(s) in de vagina, van die [slachtoffer] gebracht
3.hij in de periode van 11 april 2011 tot en met 10 april 2013 te [plaats], meermalen, (telkens), door een andere feitelijkheid en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal (telkens)
- de borsten en vagina, van die [slachtoffer] aangeraakt en
- zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- zijn vinger(s) in de vagina, van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer] ;
en bestaande die andere feitelijkheid en die bedreiging met die andere feitelijkheid hierin dat verdachte, een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] heeft gehad (gezien de familiare relatie als broer en zus, met die [slachtoffer] en het leeftijdsverschil) en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmotivering (de voetnoten laat ik weg):
“Overweging met betrekking tot het bewijs
De advocaat-generaal heeft gevorderd tot vrijspraak.
De verdediging heeft zich aangesloten bij de advocaat-generaal.
Het hof heeft rekening gehouden met de volgende bewijsmiddelen, die vrijwel geheel overeenkomen met de bewijsmiddelen die de rechtbank in het vonnis heeft opgenomen:
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] op 14 mei 2019:
V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: Mijn broer [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991.
V: Waarvan wil je aangifte doen, kan je dat in enkele woorden zeggen?
A: Voor misbruik. Seksueel misbruik.
V: In welke periode heeft dat plaatsgevonden?
A: Rond 9 a 10 jaar tot ongeveer mijn achttiende.
(…)
Een keer op de [a-straat] is het nog een keer op zijn kamer gebeurd. We waren aan het
spelen. Mijn andere broer [getuige 3] was er ook bij en [verdachte] . [getuige 3] ging vervolgens weg, waardoor ik alleen met [verdachte] in zijn kamer bleef. Ik zat op zijn bed. [verdachte] begon weer over het dansen in mijn string. Hij zei dat hij het leuk vond en dat weer wilde. Terwijl hij dat zei, maakte hij zijn broek open en haalde zijn penis tevoorschijn.
Hij zat op bed met zijn penis in zijn hand. Hij begon aftrekbewegingen te maken. Hij had het over pijpen, maar op die leeftijd wist ik nog niet zo goed wat dat was. Hij legde het mij uit. Hij vroeg ik dat bij hem wilde doen. Ik zei dat ik dat niet wilde. Hij begon op mij in te praten. Hij zei dat hij aan mij zag dat ik het wilde en dat hij mijn broer was. Hij zei dat het daarom wel kon. Hij vroeg of ik tussen zijn benen op mijn knieën wilde gaan zitten. Ik moest hem vervolgens pijpen. Ik heb zijn penis een keer een klein stukje in mijn mond gehad. Het duurde niet lang. Ik ben toen naar mijn kamer gegaan. Ik was toen tussen de elf en dertien jaar. Op mijn dertiende ben ik verhuisd en ik weet nog dat dit op de [a-straat] was.
(…)
A: Hij greep me bij mijn borsten als er niemand thuis was. Rond mijn tiende begonnen mijn borsten al te groeien. Rond mijn elfde zat ik al aan de BH maat A of B. Als ik dan beneden op de bank zat, ging hij aan mijn borsten zitten. Dat deed hij over mijn kleding.
(…)
V: Vertel ons eens over [b-straat]?
A: Ik was dertien jaar. Daar werd alles veel groter en escaleerde het. We gingen buiten chillen. Op de Hamershof kwam een grote groep samen. Mijn broers [verdachte] en [getuige 3] chillden met diezelfde groep. Een vriend uit die groep, [betrokkene 2], ging naar mijn broer [getuige 3] toe. Hij zei dat ze het met een groepje jongens over meisjes hadden. De jongens zeiden tegen [verdachte] dat hij een lekker zusje had. [verdachte] reageerde toen door te zeggen dat hij dat wist en dat hij mij ook al had gehad. Er is toen verder niet op gereageerd. [betrokkene 2] ging hiermee naar [getuige 3]. [getuige 3] is ongeveer een jaar jonger dan [verdachte] . [getuige 3] heeft er niets mee gedaan met wat hij van [betrokkene 2] hoorde.
(…)
V: Vertel nog eens over het seksueel misbruik dat op [b-straat] gebeurde?
A: In de woonkamer ‘s avonds als iedereen naar bed ging. Ik denk dat ik net veertien was. Ik zat op de bank en [verdachte] zat naast me. Hij vroeg aan me of ik nog wist wat er vroeger was gebeurd. Of ik nog van die ene keer wist dat ik hem moest pijpen. Ik zei dat ik dat nog wel wist en dat ik dat niet normaal vond. Hij deed zijn broek weer open en haalde zijn penis weer tevoorschijn. Hij vroeg of ik het nog een keer wilde doen. Ik zei van niet. Hij begon weer dat ik het al een keer gedaan had en dat het wel kon, dat het normaal was. Ik blokkeerde op dat moment met mijn lichaam en geest en ik dissocieerde van mezelf. Ik zag mezelf van bovenaf. [verdachte] bleef doorvragen en praten dat het normaal was en dat ik het nog maar een keer moest proberen, anders wist ik niet of ik het wel leuk vond. Ik belandde weer tussen zijn benen, ik had mijn hand om zijn penis en moest hem pijpen. Dat ging niet heel soepel. Ik stopte zijn penis in mijn mond en ging heen en weer.
(…)
Volgens mij is die nacht ook de eerste keer dat hij mij in de nacht ging betasten.(…)
Ik weet dat ik ongeveer een uur na dat pijpen in mijn bed lag en probeerde te slapen. Hij kwam heel sneaky mijn kamer in. Ik deed alsof ik sliep. Mijn lichaam bevroor weer, omdat ik heel erg bang was voor wat komen ging. Hij probeerde met zijn hand onder de deken te komen. Hij zat aan de zijkant van mijn bed. Hij raakte mijn borsten aan en ging met zijn hand over mijn buik naar mijn vagina. Hij raakte mijn vagina aan en ik maakte een soort schoppende beweging. Net alsof ik in mijn slaap dat deed. Hij schrok hiervan en ging weg. Hij raakte mijn borsten aan over mijn nachtjapon. Ik droeg geen ondergoed, dus hij raakte mijn blote vagina aan.
(…)
V: Hoe ging het verder?
A: Heel geleidelijk op een avond niet meteen de volgende dag, maar ik denk een week later begon het weer op de bank. Het was altijd op de bank in de woonkamer. Hij raakte mijn borsten aan en ging ook met zijn hand in mijn T-shirt. Hij raakte mijn blote borsten aan.(..). Hij haalde weer zijn penis tevoorschijn en vroeg weer of ik hem wilde pijpen. Ik heb hem toen weer gepijpt.
V: Zijn er andere handelingen gebeurd op [b-straat] dan wat je nu verteld hebt?
A: Ja. Het begon in de keuken. Ik was vijftien jaar. Ik was nog geen zestien, want ik was nog niet met de brommer bezig. Hij begon toen met handelingen bij mij. Hij had mij daarvoor al een paar keer gevingerd, maar nu deed hij het voor het eerst met zijn mond. Ik zat op het keukenblad. Hij trok mijn broek helemaal naar beneden waardoor ik met mijn blote kont op het keukenblad zat. Ik had geen broek en onderbroek aan. [verdachte] had dat helemaal uitgetrokken bij mij. Hij probeerde mij met zijn mond te bevredigen. Hij ging met zijn mond op mijn vagina en met zijn tong. Daarna deed hij ook zijn vingers erbij. Het stomme is dat mijn lichaam daar op reageerde waardoor hij dacht dat ik het lekker vond. Ik denk dat het een kwartier geduurd heeft. Hij stopte en stond op. Ik ging van het keukenblad af. Hij stond voor mij met zijn penis in mijn hand. Hij vroeg of ik op hem wilde zitten. Ik zei dat ik dat niet wilde. Hij zei dat hij had gemerkt dat ik het lekker vond. Hij pakte een condoom die hij al bij zich had. Ik weet niet waar hij hem vandaan haalde, maar hij had hem al bij zich. Hij deed de condoom om zijn penis. Hij zat inmiddels op de bank en ik moest op hem zitten met mijn gezicht naar hem toe. Ik hing boven hem omdat ik bang was dat hij bij mij naar binnen zou gaan. Ik vroeg of het wel goed was wat er gebeurde. Hij zei dat het goed was en wel meer gebeurde. Hij deed zijn handen op mijn schouders. Ik zei weer dat het niet goed was. Hij begon mij steeds harder op mijn schouders naar beneden te drukken waardoor ik zijn eikel tegen mijn vagina aan voelde. Ik schoot omhoog en zei weer dat het niet juist was. Hij zei weer van wel. Hij duwde mij weer omlaag en voelde dat zijn eikel in mijn vagina ging. Ik ging steeds weer omhoog en hij duwde mij steeds weer omlaag. Hij ging steeds verder met zijn penis in mijn vagina. Ik denk dat hij er voor de helft in ging. [verdachte] heeft een grote penis en het deed zo verschrikkelijk veel pijn! Ik ging weer omhoog en wist van hem af te komen. Hij pakte mij bij mijn arm en zei: Dat flik je me niet, dat is zonde van mijn condoom. Ik ging stampend naar boven, waardoor het stopte.
V: Hoe vaak is hij met zijn penis in jouw vagina gegaan?
A: Alleen die keer. Ik was vijftien en [verdachte] is vier jaar ouder.
V: Vertel eens over dat vingeren?
A: [verdachte] en ik zaten op de bank. Hij zat aan mijn borsten. Daarna ging hij met zijn hand in mijn broek en ging met zijn vingers over mijn vagina heen. Daarna ging hij met zijn vingers in mijn vagina. Zo ging het eigenlijk altijd.
(…)
A: Ik raakte op de [a-straat] voor het eerst zijn penis aan. De eerste keer dat ik hem echt af moest trekken en dat hij klaar kwam, was op de bank op [b-straat]. Ik denk dat dat aftrekken voor het eerst gebeurde rond de tijd dat ik een vriendje had. [verdachte] zei namelijk altijd dat ik op hem kon oefenen, waardoor ik een expert kon zijn bij mijn vriendje.
V: Hoe ging dat aftrekken?
A: We zaten op de bank. Hij haalde zijn penis tevoorschijn en begon zich af te trekken. De rest van het gezin lag al in bed. [verdachte] zette porno aan op de tv. Ik weet alleen dat het porno was tussen een man en vrouw. De vrouw begon de man te pijpen, dat weet ik nog. Voor de rest keek ik er ook niet echt naar. Terwijl die porno aan stond, begin [verdachte] zich af te trekken. Hij praatte op mij in of ik hem verder af wilde trekken. Uiteindelijk ging hij naast mij zitten en ging ik hem aftrekken. Hij haalde daarvoor eerst nog wc papier. Ik trok hem af en terwijl ik dat deed, voelde hij aan mijn blote borsten. Vervolgens kwam hij klaar in zijn eigen hand. Hij maakte het schoon met het wc papier.
V: Hoe ging dat dan?
A: Ik zat met mijn hand aan zijn penis en hij hield zijn hand eronder om zijn sperma
op te vangen.
(…)
V: Wat is de laatste keer geweest?
A: Rond mijn achttiende jaar heb ik hem nog een keer gepijpt op de bank. Dat was op [b-straat]. De volgende dag ben ik voor het eten naar mijn ouders gegaan. Ik heb toen tegen mijn ouders gezegd dat [verdachte] ongewenst aan mij zat en dat er dingen met seks waren gebeurd. Mijn moeder haalde [verdachte] erbij. [verdachte] zei dat het klopte. De volgende dag moest hij het huis uit van mijn moeder. Daarmee was het gestopt.
(…)
V: Kun je nog terughalen hoe oud je was toen je hem de eerste keer moest pijpen? Je zegt tussen elf en dertien, maar kun je het iets preciezer zeggen?
A: Ik zat nog op de lagere school, ik denk dat ik in groep 7 zat. Ik ben een keer blijven zitten. Ik was elf of twaalf jaar. Het was het tweede jaar van de camping.
V: Hoe vaak kwam hij bij je als je in bed lag te slapen?
A: Vaak. Er waren weken dat het drie keer in de week gebeurde, maar soms ook een week
niet.
(…)
V: Er zijn momenten op de bank in de woonkamer dat hij je aanraakt en na het pijpen op de bank, kwam hij voor het eerst naar je kamer. Kwam hij daarna vaker naar je kamer?
A: Ja, klopt.
(…)
A: Rond mijn vijftiende begon ik te experimenteren met drugs. Ik begon met speed. [verdachte] zat zelf al lang aan de drugs. Als [verdachte] mij probeerde over te halen om handelingen te doen, zei ik wel eens dat hij moest stoppen en dat ik het anders aan papa en mama ging vertellen. [verdachte] zei dan dat hij dan zou vertellen aan papa en mama dat ik drugs gebruikte. Uiteindelijk moest ik dan toch die handelingen bij hem doen, omdat ik bang was dat hij het zou vertellen.
(…)
V: Hoe vaak denk je dat je [verdachte] hebt moeten pijpen?
A: Heel vaak. Ik denk zeker over de 200 keer. Het gebeurde dagelijks en soms ook dagen niet. Het zijn voor mij ook veel gaten. Wat ik weet is dat het gerust vier dagen achter elkaar kon gebeuren dat ik hem moest pijpen of dat het vingeren erbij kwam. Als hij naar mijn kamer kwam, dan raakte hij mij aan tot ik begon te bewegen en dan ging hij weer weg.
(…)
V: We hebben uit het informatieve gesprek begrepen dat je broer is aangesproken op zijn gedrag, vertel daar eens alles over?
A: Dat was mijn initiatief. Mijn vader wist niet hoe hij ermee om moest gaan. Ik heb met mijn vader en broer [verdachte] gesproken in 2018. Ik heb dat van tevoren besproken met mijn behandelaar. Ik vroeg aan [verdachte] of hij nog wist wat er gebeurd was tussen ons. Hij zei dat hij dat nog wist. Ik vroeg of hij vond dat ik daar een aandeel in had. Hij zei dat dat zeker niet zo was, omdat hij mij gepusht had. Ik vroeg waarom hij die dingen deed. Hij zei dat hij op die momenten een meisje wou zien of voelen, omdat hij seksverslaafd is. Mijn vader zei alleen maar dat hij het alsnog niet normaal vond, omdat hij vier jaar ouder is.
Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden op 14 maart 2019.
Vanaf mijn 10e en 11e herinner ik me het meest omdat het toen echt uit de hand liep. Ik moest echt handelingen uitvoeren bij hem en hij deed dingen bij mij. Ik moest met mijn handen zijn geslachtsdeel zitten en heen en weer bewegen. Aftrekken. Dat moest ik ook met mijn mond doen, hem pijpen. Hij zat met zijn handen aan mijn geslachtsdeel. Hij gaan met zijn handen aan mijn geslacht zitten, gaat in mij. Vingeren dus.
Na mijn 12de was het voornamelijk het pijpen en het aanraken. Op mijn 13de verhuisden
we naar [b-straat 1] in [plaats]. (..)
Er is één keer seks geweest. Ik denk dat dit rond mijn 15de was. Dit is gebeurd in de
woonkamer op [b-straat] in [plaats]. Het was toen begonnen in de keuken, hij deed
handelingen bij mij in de keuken, hij vingerde me, likte mij. (…)
Het resultaat was dat hij elke avond en nacht naar me toe kwam en dan zat hij aan mijn borsten en aan mijn vagina. (…)
Op mijn 18de stopte het. Het stopte omdat mijn broer het huis uit was gezet. Ik heb mijn ouders verteld dat [verdachte] me aanraakt op manieren die ik niet wilde. Dat er ook seksuele handelingen zijn gebeurd. [verdachte] is aan tafel geroepen en mijn moeder heeft gezegd dat hij het huis uit moet. (…)
[verdachte] zei vanaf mijn 9de dat het normaal was. Ook had [verdachte] een bepaalde machtsverhouding over mij. Dat maakte dat ik het niet eerder kon stoppen. [verdachte] heeft me verkracht gewoon. En er kwam drugs in het spel, daar chanteerde hij me mee, dat hij het zou vertellen aan mijn ouders dat ik dat gebruikte. Ik ben vanaf mijn 14de begonnen met blowen en vanaf mijn 15de en 16de raakte ik verslaafd aan de harddrugs, speed en XTC. Mijn broer gebruikte ook drugs. [verdachte] zei dat als ik niet mee zou gaan in de handelingen, hij het tegen mijn ouders zou zeggen dat ik drugs gebruikte. Dus ik voelde me gedwongen om erin mee te gaan want ik was als de dood dat mijn ouders erachter kwamen, van de drugs.
(…)
[verdachte] heeft erg gehuild aan tafel en hij schaamde zich heel erg. Hij heeft het ook niet ontkend aan tafel. Ongeveer een half jaar geleden hebben we een gesprek gehad, met mijn vader en [verdachte]. Dat heb ik met mijn behandelaar helemaal besproken en ook hoe. Ik zat met mijn vader en [verdachte] aan tafel. Ik heb aan [verdachte] gevraagd: "Vind jij dat ik een aandeel heb gehad in wat er gebeurd is?" Hij zei: "Nee." Hij zei uit zichzelf toen: "Ik heb je gepusht." Ik zei dat hij nu dus aangaf dat hij dingen deed die hij wilde maar ik wilde weten hoe het kan dat hij dit deed bij mij toen ik nog zo'n jong meisje was. [verdachte] zei dat hij seksverslaafd was en dat het gekomen is door de lust die hij kreeg in het meisje die hij zag.
Het proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris van [getuige 1] op 26 mei 2021.
Wat was het eerste moment dat u zich herinnert dat [slachtoffer] aan u iets verteld heeft over seksuele dingen door [verdachte] ?
Dat weet ik niet meer.
Bij benadering, was ze toen 15 of was ze 10 jaar. Zat ze op de basisschool?
Ja, ze zat op de basisschool.
Kunt u zich herinneren wat ze de eerste keer heeft gezegd over de handelingen?
Dat [verdachte] aan haar zat, geen specifieke dingen.
Waren dat wel dingen met een seksuele betekenis?
(…)
Het antwoord is ja.
Kunt u dit nog concreet maken
Ze kwam op een gegeven moment naar me toe. Ze zei dat [verdachte] dingen met haar deed die ze niet wilde. Dat ze wilde dat het stopte.
(…)
Hoorde u van haar zoiets een keer per jaar, een keer per maand?
(…) Ik weet dat het regelmatig was.
(…)
Ze moest hem pijpen, aftrekken. Op een gegeven moment was er iets met een condoom. Zij heeft toen iets gezegd van nee. Hij zei toen, zonde van de condoom. Ze heeft me ook gezegd dat ze gemeenschap met hem heeft gehad.
(…)
Ik vond slipjes van [slachtoffer] bij hem op de slaapkamer.
(…)
Ik weet dat er een kern van waarheid in zit. Ik vroeg op een gegeven moment één keer waarom hij dit soort dingen gedaan heeft en toen zei [verdachte] ,” ik had gewoon een meisje nodig”.(…)
Kunt u zich herinneren wanneer [verdachte] dit zei?
Een aantal jaren geleden. Ik denk ongeveer vijf jaar geleden.(…)
Ik heb [verdachte] uit huis gezet. Ik was de enige die er wat aan deed.
Het proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris van [getuige 2] op 26 mei 2021.
In 2018 heeft u een gesprek gehad samen [slachtoffer] en [verdachte] .
Dat klopt.
(…)
Dat is een tijdje geleden, maar slechts drie jaar geleden. Waarvoor moest [verdachte] excuus aanbieden?
Dat [slachtoffer] hem betichtte dat hij bepaalde handelingen met haar had gedaan. Ik vond het gepast om een gesprek daarover te hebben.
(…)
U zegt: dat stukje over dat hij op dat moment een meisje wilde voelen. Dat herken ik niet, maar de zinnen daarvoor?(de officier van justitie citeert nogmaals)
“Ik vroeg aan [verdachte] of hij nog wist wat er gebeurd was tussen ons. Hij zei dat hij dat nog wist. Ik vroeg of hij vond dat ik daar een aandeel in had. Hij zei dat dat zeker niet zo was, omdat hij mij gepusht had. Herkent u dat stukje?
Het klopt wel dat zoiets gezegd is. (…)
Rechter-commissaris : Hij heeft het dus ook gezegd?
Hij heeft gezegd dat het hem spijt en dat het zijn schuld was.
Het proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris van [getuige 3] op 3 juni 2021.
Ik weet dat er een soort van verzoengesprek was bij mijn vader en dat [verdachte] ook mede door het pushen van mijn vader de underdog heeft gespeeld. Ik was er zelf niet bij dus dat is lastig. Dat heb ik gehoord van mijn vader.
Wanneer heeft u dat gehoord?
Een jaar of anderhalf jaar geleden.
(…)
Wat heeft hij (hof begrijpt: [verdachte] ) wel gezegd?
Dat er handelingen zijn verricht.
Wat voor handelingen?
Seksuele handelingen.
(…)
Dus als ik u goed begrijp heeft hij niet tegen u gezegd dat hij [slachtoffer] gepenetreerd zou hebben, maar heeft hij wel gezegd dat ze seksuele handelingen hebben verricht?
Hij heeft het niet ontkend. Ik vroeg of er dingen gebeurd zouden zijn. Hij zei daarop: er zijn wel dingen gebeurd.
(…)
En dat was ook de strekking van dat gesprek? Het ging over dingen, over seksuele handelingen?
Dat kwam wel naar voren tijdens het gesprek met [verdachte] .
Rechter-commissaris: dat gesprek werd wel duidelijk gekoppeld aan de verwijten die [slachtoffer] maakte?
Ja.
(…)
Bent u wel eens door iemand anders aangesproken over iets dat [verdachte] zou hebben verteld over het plegen van seksuele handelingen met zijn zusje?
Ik ben daar wel op aangesproken.
(…)
Wat heeft die persoon tegen u gezegd?
Of er daadwekelijk dingen gebeurd zijn tussen [slachtoffer] en [verdachte] . Ik wuifde dat weg, ik dacht dat is grootspraak.
Van wie had die persoon gehoord dat er wat gebeurd zou zijn?
Volgens mij van [verdachte] zelf, wat hij zei.
Wat zou [verdachte] tegen die persoon hebben gezegd?
Dat werd wad genuanceerder gezegd, in de zin van dat [verdachte] , volgens die persoon, zei: “ik had [slachtoffer] al gedaan”.
(…)
Ik was toen zelf 17 jaar. Ik weet nog wel waar het was, maar ik weet niet meer wie het was. We hadden een vrij grote vriendengroep.
Waar was dat?
Bij de [c-straat] in [plaats].
Dus toen u een jaar of 17 was, is er bij de [c-straat] in [plaats] iemand naar u toe gekomen die tegen u heeft gezegd: [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij [slachtoffer] heeft gedaan.
‘Al’ heeft gedaan. In de zin van: voor jou. Een beetje pocherig.
De rechtbank heeft in het vonnis de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster en steunbewijs.
De rechtbank stelt voorop dat het bewijs dat een verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) door de rechtbank niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of alleen op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. In zedenzaken, zoals onderhavige zaak, doet zich vaak de situatie voor dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Dat is ook in deze zaak het geval. Uit vaste rechtspraak kan echter worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig (waaronder het seksueel binnendringen) bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring (aangever) heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
De rechtbank zal in dat kader eerst moeten vaststellen of zij de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar vindt en -als dat zo is en de verklaring dus als bewijsmiddel kan worden gebruikt- vervolgens ook moeten nagaan of in het dossier voldoende steunbewijs aanwezig is voor deze verklaring.
De rechtbank overweegt dat aangeefster [slachtoffer] uitgebreid, concreet. consistent en gedetailleerd heeft verklaard bij het informatief gesprek zeden op 14 maart 2019 en in haar aangifte op 14 mei 2019 over het misbruik door verdachte. Zowel ten aanzien van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als de frequentie van het misbruik en de omstandigheden waaronder dat misbruik heeft plaatsgevonden zijn de verklaringen van aangeefster consistent. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster dan ook in zijn geheel betrouwbaar.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of er voldoende steunbewijs aanwezig is voor deze verklaring. In het dossier bevinden zich getuigenverklaringen van de ouders en de broer van aangeefster en verdachte. Zij verklaren alle drie dat verdachte in meer of mindere mate aan hen heeft toegegeven dat er seksuele handelingen zijn verricht tussen hem en [slachtoffer], zoals hiervoor weergegeven. De rechtbank is van oordeel dat dat deze verklaringen voldoende steun bieden aan de verklaringen van [slachtoffer] zelf.
De verklaring van verdachte dat het niet klopt wat aangeefster verklaard, en er dus van misbruik geen sprake zou zijn geweest, acht de rechtbank gelet op het voornoemde niet geloofwaardig. Ook volgt de rechtbank verdachte niet in zijn verklaring dat hij de verrichte seksuele handelingen enkel heeft toegegeven om zijn vader een plezier te doen of dat hij dacht dat het alleen ging om het aanraken van elkaar over de kleding. De beschuldigingen van aangeefster waren voor verdachte al lange tijd voldoende duidelijk en hij heeft in dat kader zowel tegenover zijn vader, moeder als broer die beschuldigingen (gedeeltelijk) erkend.
Dwingen door een feitelijkheid/feitelijkheden (feit 3)
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie sprake kan zijn van dwingen door een feitelijkheid indien de verdachte opzettelijk een zodanig psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten. of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval (HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494).
De rechtbank overweegt dat in deze zaak sprake is van een natuurlijk overwicht van verdachte op aangeefster, nu hij de vier jaar oudere broer van zijn jongere zusje is. Juist die positie heeft verdachte gebruikt door tegen [slachtoffer] te zeggen dat het normaal was wat hij van haar vroeg, ondanks dat [slachtoffer] bij verdachte aangaf dat zij die dingen niet wilde doen. Vanuit die positie acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn handelen een zodanig psychische druk op [slachtoffer] heeft uitgeoefend dat zij zich naar redelijke verwachting niet tegen de handelingen heeft kunnen verzetten. Bovendien heeft verdachte [slachtoffer] bedreigd door te zeggen dat hij aan hun ouders zou vertellen dat [slachtoffer] drugs gebruikt als [slachtoffer] niet zou meewerken aan wat hij aan haar vroeg. Dat [slachtoffer] zich hierdoor naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken, acht de rechtbank aannemelijk, juist omdat verdachte haar vier jaar oudere broer was en daardoor een natuurlijk overwicht op [slachtoffer] had.
Partiële vrijspraak
De rechtbank merkt tot slot op dat verdachte van een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken; te weten het met de penis in de vagina gaan van aangeefster. De rechtbank twijfelt er niet aan dat dat ook is gebeurd. Uit de verklaring van aangeefster volgt echter dat dat is gebeurd voor haar zestiende verjaardag, terwijl dit onderdeel ten laste is gelegd bij feit 3, dat ziet op de periode waarin aangeefster 16 jaar of ouder was.
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de kinderrechter en neemt die over.
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof als volgt.
Uit de verklaring van [getuige 1], de moeder van zowel aangeefster als verdachte, blijkt dat aangeefster reeds op jonge leeftijd, toen zij nog op de basisschool zat, heeft verteld dat verdachte aan haar zat, dingen met haar deed die zij niet wilde en dat dat dingen waren met een seksuele betekenis. Na die eerste keer heeft ze dat regelmatig tegen haar moeder gezegd. Toen aangeefster ouder was, toen zij op de middelbare school zat, heeft zij concreet aan haar moeder verteld wat zij moest doen; zij moest onder meer pijpen en aftrekken. Het hof leidt hieruit af dat aangeefster gedurende de tenlastegelegde periode, en eigenlijk al vanaf het begin, haar moeder heeft verteld dat verdachte haar seksueel misbruikte. Uit de verklaring van de moeder blijkt eveneens dat verdachte aan zijn moeder heeft bevestigd wat er gebeurd was. Verdachte heeft tevens tegenover zijn broer bevestigd dat er wel wat gebeurd was en dat dat seksuele handelingen betrof. Met name gelet daarop is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster steun vinden in andere bewijsmiddelen en dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.”
Het juridisch kader
2.4
Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijsminimum moet het volgende voorop worden gesteld:
“Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.”2.
2.5
In een recente conclusie heb ik een overzicht van de rechtspraak van de Hoge Raad over het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv gegeven. In die conclusie merkte ik onder meer het volgende op. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen.3.Wel moet er een voldoende duidelijk verband zijn tussen de verklaring van de aangever en het steunbewijs.4.Bewijsmiddelen die een uitlating van de verdachte inhouden zijn onder omstandigheden als relevant steunbewijs aan te merken. Een dergelijk bewijsmiddel kan zelfstandig voldoende steunbewijs opleveren. Zo kunnen als steunbewijs WhatsApp-berichten met een onmiskenbaar seksuele strekking worden gebruikt als de verdachte en het slachtoffer verschillend verklaren over de vraag of ze seks hebben gehad.5.Ook liet de Hoge Raad een bewezenverklaring in stand waarvoor als steunbewijs een verklaring van de verdachte tegenover zijn vrouw was gebruikt.6.Tot slot liet de Hoge Raad een bewezenverklaring in stand die mede steunde op een transcriptie van een telefoongesprek waarin de verdachte aangaf dat er “dingen zijn gebeurd die niet hadden mogen gebeuren” en wie het slachtoffer was, en daarnaast op de verklaring van de verdachte over het gebruik van MSN en over het telefoongesprek.7.
De beoordeling van het middel
2.6
In de schriftuur wordt gesteld dat de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen van [getuige 1] (moeder van de verdachte en aangeefster), [getuige 2] (vader) en [getuige 3] (broer), voor zover deze mededelingen van de verdachte inhouden, niet als steunbewijs kunnen worden aangemerkt. In dat verband voeren de stellers van het middel aan dat deze onderdelen van de getuigenverklaringen in een te ver verwijderd verband staan met de aan de verdachte verweten gedragingen.
2.7
Het hof heeft verschillende verklaringen van de aangeefster betrouwbaar bevonden en voor het bewijs gebruikt. Deze verklaringen houden in dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen heeft begaan. Verder heeft het hof de op 26 mei 2021 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de moeder, vader en broer (van de aangeefster en de verdachte) voor het bewijs gebruikt.
2.8
De voor het bewijs gebruikte verklaring van de moeder houdt in dat de aangeefster in de tenlastegelegde periode regelmatig aan haar vertelde dat de verdachte seksuele handelingen (zoals pijpen, aftrekken en ook gemeenschap) met haar verrichtte en dat zij wist dat daar een kern van waarheid in zat, omdat zij de verdachte had gevraagd waarom hij dat soort dingen deed, waarop de verdachte zei dat hij “gewoon een meisje nodig had”. De verklaring van de vader houdt onder meer in dat hij een gesprek met de verdachte en de aangeefster heeft gehad omdat de aangeefster de verdachte had beticht van bepaalde handelingen. De verdachte zou volgens zijn vader bij dat gesprek hebben gezegd dat het hem speet en dat het zijn schuld was. Tot slot heeft de broer bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangeefster. Ook volgt uit zijn verklaring dat hij van een ander persoon had gehoord dat de verdachte tegen die persoon zou hebben gezegd dat hij de aangeefster “al had gedaan”.
2.9
Het hof heeft geoordeeld dat aan het bewijsminimum is voldaan omdat deze verklaringen voldoende steun bieden aan de verklaringen van de aangeefster. In dat verband heeft het hof overwogen dat alle drie de getuigen verklaren dat de verdachte in meer of mindere mate aan hen heeft toegegeven dat er seksuele handelingen zijn verricht tussen hem en de aangeefster. Het oordeel van het hof vind ik gezien de inhoud van de verklaringen van de getuigen niet onbegrijpelijk. Daarmee staan de verklaringen van de verdachte in een voldoende duidelijk verband tot de verklaringen van de aangeefster. Anders dan de stellers van het middel tot uitgangspunt nemen, is daarvoor niet vereist dat uit de verklaringen van de verdachte blijkt wat er precies aan seksuele handelingen heeft plaatsgevonden en/of dat sprake is geweest van seksueel binnendringen.8.Het oordeel van het hof dat in deze zaak is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
2.10
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof een straf heeft opgelegd uit het sanctiestelsel voor volwassenen (een gevangenisstraf), terwijl de verdachte ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde en een deel van het onder 2 bewezenverklaarde jonger dan 16 jaar was.
3.2
Voordat ik overga tot de beoordeling van deze klacht geef ik de relevante delen van het arrest weer en schets ik het juridisch kader voor de beoordeling van het middel.
De relevante delen van het arrest
3.3
Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen:
“Het vonnis waarvan beroep
Aan verdachte is één dagvaarding uitgebracht. De drie tenlastegelegde feiten zien op een periode waarin verdachte deels minderjarig en deels meerderjarig was. De rechtbank heeft twee vonnissen gewezen. Eén vonnis voor het minderjarige deel en één voor het meerderjarige deel.
De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het minderjarige deel van het bewezenverklaarde seksueel misbruik van zijn minderjarige zusje veroordeeld tot -kort gezegd- een jeugddetentie van één jaar met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft bevolen dat de jeugddetentie wordt vervangen door een gevangenisstraf.
De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het meerderjarige deel van het bewezenverklaarde seksueel misbruik van zijn minderjarige zusje veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de maatregel van een contactverbod met [slachtoffer] . De rechtbank heeft de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen van deze maatregel. De rechtbank heeft verder de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot € 14.315,38 en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Zoals uit de tenlastelegging blijkt, heeft een deel van de ontuchtige handelingen plaatsgevonden toen verdachte nog minderjarig was en een deel toen hij reeds meerderjarig was. Het vierde lid van artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering biedt het hof, als jeugdstrafkamer, in een zaak als deze de mogelijkheid om kennis te nemen van feiten voor- en nadat een verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Hiermee wordt beoogd mogelijk te maken dat een feitencomplex dat een periode omvat die begint voor het 18e levensjaar en eindigt na het 18e levensjaar als één feit te laste te leggen. De tenlastegelegde periode behoeft zo niet in twee delen te worden geknipt en een zaak hoeft dan niet gesplitst te worden in een minderjarige en een meerderjarige (deel)zaak. Het hof dient dan conform lid 5 van hetzelfde artikel een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. Gelet op de toelichting bij de invoering van dit wetsartikel is de hoofdregel dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen, maar de rechter kan ervoor kiezen een straf of maatregel uit het strafrecht voor jeugdigen op te leggen. Het voorstel voorziet niet in de mogelijkheid te differentiëren naar het moment waarop deze feiten zijn begaan (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33498, 3, p. 55). Het wetsartikel en de toelichting daarbij bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt dat dit alleen zou gelden voor zaken waarin het feitencomplex begint vanaf het 16e levensjaar en doorloopt tot na het bereiken van de leeftijd van 18 jaren.
Gezien het belang van verdachte bij gelijktijdige berechting van alle ten laste gelegde feiten en de omstandigheid dat deze feiten met elkaar als het ware één feitencomplex vormen, brengt een doelmatige rechtspleging met zich dat het hof alle feiten – ook al zijn zij begaan voor de inwerkingtreding van de hiervoor genoemde wetswijziging – gelijktijdig behandelt en in één arrest opneemt, zoals in vergelijkbare zaken al eerder is gedaan.
Om die reden, maar ook omdat het hof anders dan de rechtbank tot één strafoplegging komt voor alle ten laste gelegde feiten, zal het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen, waarbij de bewijsoverwegingen van de rechtbank worden overgenomen.
[…]
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte gedurende een periode van 10 jaar zijn vier jaar jongere zusje die toen het begon pas 8 jaar oud was, vele keren seksueel heeft misbruikt. Het misbruik door verdachte is door gegaan tot een leeftijd waarop hij al enkele jaren meerderjarig was en is gestopt omdat verdachte het huis is uitgezet. Verdachte was een persoon bij wie zijn destijds nog zeer jonge zusje zich vertrouwd en veilig had moeten voelen maar hij heeft ernstig inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Zij heeft tot de dag van vandaag nog veel last van hetgeen haar is aangedaan. Het is de vraag of zij ooit volledig zal herstellen.
Het hof houdt verder rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het LOVS en daarbij gelet op de periode dat verdachte minderjarig was en de periode dat verdachte meerderjarig was.
De reclassering heeft in haar advies van 23 februari 2021 gezien de leeftijd van verdachte in de bewezenverklaarde periode als volgt geadviseerd ten aanzien van toepassing van het jeugdstrafrecht:
Ons is gevraagd of er al dan niet reden is om het deel van de vermeende pleegperiode in zijn volwassenheid ook onder het ASR te laten vallen. Hiervoor hebben we de beschikbare wegingkaders ASR ingevuld.
Aangezien er - mede na afname van de SCIL 18+ (screener voor intelligentie en licht verstandelijke beperking) - geen vermoeden is van een licht verstandelijke beperking, en de handelingsvaardigheden en pedagogische mogelijkheden als voldoende worden ingeschat, zien wij geen reden of indicatie om voor de pleegperiode vanaf zijn volwassenheid te adviseren (ook) het ASR toe te passen.
Zoals aan het begin van dit arrest is overwogen, heeft het hof toepassing gegeven aan het bepaalde in het vierde lid van artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering door de ten laste gelegde feiten niet te splitsen in een minderjarig en meerderjarig deel. Op grond van het vijfde lid van voornoemd artikel dient de rechter een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. Gelet op de toelichting bij de invoering van dit wetsartikel is de hoofdregel dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen. Het hof ziet, mede naar aanleiding van het advies van de reclassering, geen aanleiding daar in dit geval vanaf te wijken.
Ook al is er inmiddels een behoorlijke tijd verstreken sinds de feiten hebben plaatsgevonden, naar het oordeel van het hof kan niet met een andere straf worden volstaan dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren. Dat komt overeen met de totale duur van de twee straffen die de rechtbank heeft opgelegd en het hof zal die straf als één straf opleggen. “
Het juridisch kader
3.4
Voor de vaststelling van het toepasselijke juridisch kader is het volgende van belang. De verdachte in deze zaak is geboren op 5 november 1991. Hij was daarmee ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde ouder dan 12 en jonger dan 16 jaar, ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde 15 tot en met 19 jaar en ten tijde van het onder 3 bewezenverklaarde 19 tot en met 21 jaar. Verder zijn de feiten in deze zaak begaan in de periode van 5 november 2003 tot en met 10 april 2011 en dateren zij dus van vóór de inwerkingtreding op 1 april 2014 van de wet waarbij een adolescentenstrafrecht is ingevoerd.9.
3.5
Gelet op het voorgaande zijn voor de beoordeling van het middel de volgende bepalingen van belang.
- art. 77a (oud) Sr:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen 9, eerste lid, 10 tot en met 22a, 24c, 37 tot en met 38i, 44 en 57 tot en met 62 niet van toepassing. In de plaats daarvan treden de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 77d tot en met 77gg.”
- art. 77b lid 1 Sr:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, kan de rechter de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing laten en recht doen overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande titels vervat, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.”
- art. 77c lid 1 (oud) Sr:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren doch nog niet die van eenentwintig jaren heeft bereikt, kan de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg. De uitvoering van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen vindt dan plaats overeenkomstig artikel 37c.”10.
- art. 77g lid 1 Sr:
“In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in deze Titel voorzien.”
- art. 77h lid 1 Sr:
“De hoofdstraffen zijn:
a. in geval van misdrijf: jeugddetentie, taakstraf of geldboete;
b. in geval van overtreding: taakstraf of geldboete.”
3.6
Art. 77a, 77b en 77c Sr regelen de verplichtingen en bevoegdheden van de rechter tot het opleggen van strafrechtelijke sancties aan minderjarigen (12 tot 18 jaar) en jongvolwassenen (ten tijde van de tenlastegelegde feiten nog 18 tot 21 jaar). Art. 77a Sr houdt in dat ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 18 jaren heeft bereikt, de art. 77d tot en met 77gg Sr in de plaats treden van een groot deel van de bepalingen uit het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht over straffen en maatregelen die aan volwassenen kunnen worden opgelegd (onder meer art. 9 Sr). Uitgangspunt is dus dat de art. 77d tot en met 77gg Sr van toepassing zijn op de verdachte die ten tijde van het begaan van het feit jonger dan 18 jaar en dus minderjarig was. Daarvan kan de rechter ten aanzien van minderjarige verdachten die bij het begaan van het feit 16 of 17 waren, afwijken onder de voorwaarde die art. 77b Sr noemt, te weten indien de rechter daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Verder geldt dat de rechter op grond van art. 77c Sr jeugdsancties kan toepassen op jongvolwassenen (18 tot (destijds) 21 jaar).
3.7
Het voorgaande maakt dat de rechter bij een veroordeling van de verdachte voor een feit dat door hem is begaan voordat hij de leeftijd van 16 jaar bereikt niet de bepalingen uit het sanctiestelsel voor volwassen kan toepassen. Dat brengt mee dat de oplegging van een gevangenisstraf voor dat feit is uitgesloten.11.
3.8
De inwerkingtreding op 1 april 2014 van de wet tot invoering van een adolescentenstrafrecht heeft dat nadien niet anders gemaakt. Bij het vervaardigen van het betreffende wetsvoorstel is ervoor gekozen om het adolescentenstrafrecht vorm te geven binnen de grenzen van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij art. 37 IVRK. Dat voorbehoud houdt in dat art. 37 IVRK Nederland er niet van kan weerhouden conform de Nederlandse strafwet jeugdigen die ten tijde van het plegen van het delict 16 jaar of ouder zijn via het volwassenenstrafrecht te berechten wanneer de persoonlijkheid van de minderjarige, de ernst van het feit of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daarvoor aanleiding geven.12.De wetgever heeft uitdrukkelijk niet beoogd ook personen die ten tijde van het begane feit 15 jaar (of jonger) waren voor een afdoening volgens het gewone strafrecht in aanmerking te laten komen.13.Art. 77b lid 1 Sr is dan ook in stand gebleven.
De beoordeling van het middel
3.9
De stellers van het middel klagen dat het hof aan de verdachte wegens het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een gevangenisstraf heeft opgelegd, terwijl de verdachte die feiten (deels) heeft gepleegd voordat hij 16 jaar was geworden.
3.10
Zoals blijkt uit hetgeen onder 3.4 is opgemerkt, was de verdachte ten tijde van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde inderdaad geheel of ten dele jonger dan 16 jaar. De wet voorziet dan niet in de mogelijkheid tot oplegging van een gevangenisstraf. Het hof heeft de verdachte evenwel mede voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. Dat betekent dat het middel terecht is voorgesteld en tot vernietiging van de gevangenisstraf moet leiden.
3.11
Nu het middel uitsluitend klaagt over de strafoplegging heb ik mij vervolgens afgevraagd of het voorgaande maakt dat de zaak moet worden teruggewezen. Art. 440 lid 2 Sv houdt in dat de Hoge Raad een zaak zelf kan afdoen indien dat mogelijk is zonder in een nieuw onderzoek van de feiten te treden. Van die bevoegdheid maakt de Hoge Raad alleen bij uitzondering gebruik.14.Zo’n uitzondering maakte de Hoge Raad bijvoorbeeld in een zaak waar de strafoplegging van het hof strijd was met art. 63 Sr (in verbinding met art. 77gg lid 2 Sr), maar duidelijk was wat het hof had beoogd te doen bij een juiste toepassing van art. 63 Sr (in verbinding met art. 77gg lid 2 Sr).15.
3.12
In deze zaak heeft de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van één jaar en een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren opgelegd.16.Het hof heeft op basis van in feite dezelfde bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd – alleen zonder de tenlastegelegde feiten te splitsen in een minderjarig en meerderjarig deel, zoals de rechtbank had gedaan. In de strafmotivering heeft het hof overwogen dat deze straf overeenkomt met de totale duur van de twee straffen die de rechtbank heeft opgelegd en dat het hof die straf “als één straf [zal] opleggen”. Daaruit kan worden afgeleid dat het hof bij een juiste toepassing van de wet tot dezelfde strafoplegging als de rechtbank was gekomen, te weten een jeugddetentie voor de duur van één jaar voor het deel van de feiten begaan toen de verdachte jonger dan 18 was, en een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren voor het deel van de feiten dat de verdachte heeft begaan nadat hij 18 was geworden. Zo bezien, denk ik dat Hoge Raad deze zaak zelf kan afdoen door – na vernietiging van de opgelegde gevangenisstraf - dezelfde straffen op te leggen als de rechtbank had opgelegd (voor dezelfde delen van de feiten). Daarbij merk ik op dat, nadat de uitspraak in deze zaak eenmaal onherroepelijk is geworden,17.de rechtbank op grond van art. 6:6:29 Sv zal kunnen beslissen dat de opgelegde jeugddetentie geheel of gedeeltelijk wordt vervangen door een van de straffen genoemd in art. 9 lid 1 Sr omdat de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf zou moeten plaatsvinden nadat de veroordeelde de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en deze naar het oordeel van de rechter niet meer voor een zodanige straf in aanmerking komt.
3.13
Het middel slaagt.
4. Slotsom
4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 26 mei 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de (voor jeugdigen geldende) redelijke termijn zal worden overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. Voor het overige heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en een jeugddetentie voor de duur van één jaar met vermindering daarvan ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑12‑2024
HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946, r.o. 5.2 en HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, r.o. 2.3. Daar wordt verwezen naar HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. M.J. Borgers.
HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.4.
HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, r.o. 2.4; HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 3.4.
HR 21 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:398 (art. 81 lid 1 RO).
HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:484, r.o. 2.5. Deze bekentenis omvatte niet de bewezenverklaring; zie mijn conclusie van 17 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:23, onder 14.
HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946, NJ 2023/299 m.nt. N. Jörg, r.o. 5.3.
Zie wederom HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.4.
Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht, Stb. 2013, 485. Art. V van deze wet houdt in dat de bepalingen zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, slechts worden toegepast met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze wet.
Bij de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties, is “artikel 37c” vervangen door “artikel 37a”, Stb. 2010, 818. De inwerkingtreding van deze wet was op 15 juni 2011, Stb. 2011, 296. In verband hiermee is toen art. 77c lid 1 Sr in die zin aangepast.
Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2325. Een deel van de straffen van art. 9 Sr kan ook opgelegd worden op grond van art. 77h Sr, maar de gevangenisstraf niet.
Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 3 en Kamerstukken II 1992/93, 22855 (R 1451), nr. 3, p. 45-46.
Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 3 en Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 6, p. 12. Zie ook de annotatie van D. Verbree bij Hof Arnhem-Leeuwarden 16 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4297 (het bestreden arrest) en Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6187, online te raadplegen op https://www.sr-updates.nl/commentaar/212965.
Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 363-364.
Zie HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1023.
Zie voor de vonnissen in eerste aanleg Rb Midden-Nederland 22 juni 2021, ECLI:NL:RBMN:2021:2619 en ECLI:NL:RBMN:2021:2619.
Art. 6:6:29 Sv spreekt net als voorheen art. 77k (oud) Sr niet over ‘verdachte’, maar over ‘veroordeelde’. Zie over art. 77k (oud) Sr: HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1751, r.o. 3.4.
Beroepschrift 14‑03‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/02085
Betekening aanzegging: 16 januari 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230197
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 16 mei 2013, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een vordering van een benadeelde partij en heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest opgenomen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
In het arrest heeft het hof een aantal (zeden-)feiten bewezen verklaard, gepleegd tegen de zus van verdachte. Door de verdediging en de advocaat-generaal is aangevoerd dat onvoldoende (steun-)bewijs voorhanden is, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
Uit het vonnis en het arrest volgt dat de rechtbank en het hof de verklaringen van [getuige 1] (moeder), [getuige 2] (vader) en [getuige 3] (broer) als steunbewijs hebben aangemerkt. Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat deze in de kern genomen slechts mededelingen bevatten die afkomstig zijn van aangeefster. Voor zover deze verklaringen mededelingen van verdachte betreffen kunnen deze verklaringen — mede in het licht van hetgeen uit het verhandelde ter terechtzitting en de verklaringen zelf — niet als steunbewijs worden aangemerkt. Dergelijke verklaringen kunnen immers slecht als steunbewijs worden aangemerkt indien deze ziet op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen zodat het oordeel van het hof dat verklaringen van getuigen over datgene wat verdachte tegenover hen in meer of mindere mate aan hen heeft toegegeven dat er seksuele handelingen zijn verricht ontoereikend is. Zo blijkt ook uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 1] slechts dat deze [e-straat] dat er ‘een kern van waarheid’ in zit zonder dat duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld en is hetgeen zij uit de mond van de verdachte heeft gehoord beperkt gebleven tot: ‘ik had gewoon een meisje nodig’. Voorts is in de bewijsmiddelen vastgesteld dat de broer van aangeefster/verdachte de door verdachte tegen een andere persoon afgelegde verklaring als ‘grootspraak’ /pocherig heeft aangemerkt. Zoals door de advocaat-generaal heeft aangevoerd blijkt uit hetgeen verdachte tegen de getuigen zou hebben verklaard niet wat er precies zou zijn gebeurd (zoals bijvoorbeeld ‘doktertje spelen’) en dus niet als een ‘bekennende verklaring’ kan worden aangemerkt en in ieder geval niet dat verdachte iets heeft verklaard over seksueel binnendringen, terwijl dit nu juist voor de ernst van het bewezenverklaarde en strafbaarheid een wezenlijk onderdeel uitmaakt. Gelet hierop is de bewezenverklaring dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘1. primair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 5 november 2003 tot en met 10 april 2007 te [a-plaats] en/of [b-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, althans éénmaal (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
- —
de borsten en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand doen nemen, althans doen/laten aanraken en/of betasten door die [slachtoffer] en/of
- —
(vervolgens) zich laten/doen aftrekken door die [slachtoffer] en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en/of getoond aan die [slachtoffer] en/of
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] gemasturbeerd, althans heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand(en) over zijn geslachtsdeel en/of
- —
zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of gestopt en/of
- —
zijn geslachtsdeel gébracht en/of gehouden in de mond van die [slachtoffer]; (art 244 Wetboek van Strafrecht)
1. subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 5 november 2003 tot en met 10 april 2007 te [a-plaats] en/of [b-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) ontuchtig
- —
de borsten en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand doen nemen, althans doen/laten aanraken en/of betasten door die [slachtoffer] en/of
- —
(vervolgens) zich laten/doen aftrekken door die [slachtoffer] en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en/of getoond aan die [slachtoffer] en/of
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] gemasturbeerd, althans heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand(en) over zijn geslachtsdeel en/of
- —
zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of gestopt; (art 247 Wetboek van Strafrecht)
2. primair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 11 april 2007 tot en met 10 april 2011 te [a-plaats] en/of [b-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, dié toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) ontuchtig
- —
de borsten en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand doen nemen, althans doen/laten aanraken en/of betasten door die [slachtoffer] en/of
- —
(vervolgens) zich laten/doen aftrekken door die [slachtoffer] en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en/of getoond aan die [slachtoffer] en/of
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] gemasturbeerd, althans heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand(en) over zijn geslachtsdeel en/of
- —
zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of gestopt; (art 245 Wetboek van Strafrecht)
2. subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen tussen 11 april 2007 tot en met 10 april 2011 te [c-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) ontuchtig
- —
de borsten en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand doen nemen, althans doen/laten aanraken en/of betasten door die [slachtoffer] en/of
- —
(vervolgens) zich laten/doen aftrekken door die [slachtoffer] en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en/of getoond aan die [slachtoffer] en/of
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] gemasturbeerd, althans heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand(en) over zijn geslachtsdeel en/of
- —
zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of gestopt en/of
- —
de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] gelikt, althans met zijn mond aangeraakt en/of
- —
(vervolgens) zijn tong in/tussen/op de vagina/schaamlippen gébracht en/of gedaan; (art 247 Wetboek van Strafrecht)
3.
hij in of omstreeks de periode van 11 april 2011 tot en met 10 april 2013 te [c-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens), door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal (telkens)
- —
de borsten en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand doen nemen, althans doen/laten aanraken en/of betasten door die [slachtoffer] en/of
- —
(vervolgens) zich laten/doen aftrekken door die [slachtoffer] en/of
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en/of getoond aan die [slachtoffer] en/of
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] gemasturbeerd, althans heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand(en) over zijn geslachtsdeel en/of
- —
zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of gestopt en/of
- —
de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] gelikt, althans met zijn mond aangeraakt en/of
- —
(vervolgens) zijn tong in/tussen de vagina/schaamlippen gebracht en/of gedaan en/of — zijn geslachtsdeel gebracht en/of gehouden in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer]; en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] heeft en/of heeft gehad (gezien de familiare relatie als broer en zus, met die [slachtoffer] en/of het leeftijdsverschil) en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; (art 242 Wetboek van Strafrecht)’
1.2
De rechtbank heeft verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld. Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft de verdediging in een appelschriftuur verzocht getuigen te horen. Daartoe is aangevoerd:
‘Hierbij wenst de verdediging, conform het bepaalde in art. 410 Sv. de volgende personen als getuigen op te geven:
- •
De heer [getuige 2] (vader), geboren op [geboortedatum] 1966, domicilie kiezende aan de [a-straat 01] ([postcode]) te [c-plaats];
- •
[getuige 3] (broer) geboren op [geboortedatum] 1992, domicilie kiezende de [b-straat 01] ([postcode]) te [c-plaats].
Toelichting:
Client ontkent iedere betrokkenheid bij verkrachting en ontucht met [slachtoffer]. De verdediging wenst verzochte getuigen nader te bevragen over het verkrachtingsaspect in deze zaak. Dit klemt temeer nu de ambtshalve opgeroepen getuigen bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat zij zelf nooit iets hebben waargenomen of gemerkt van seksueel misbruik, dat getuige [slachtoffer] het spelen op het toilet totaal anders heeft ervaren, net als getuige [getuige 3] en dat getuige [getuige 1] alleen heeft verklaard over wat [slachtoffer] aan haar heeft verklaard.
Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] kan worden afgeleid dat [slachtoffer] wordt beschreven als manipulatief en dat zij een eigen aandeel hierin heef gehad. Voordat de getuigen werden opgeroepen voor verhoor heeft [slachtoffer] ook nog met [getuige 3] en mevrouw [getuige 1] contact gehad en overleg gevoerd. De verdediging wenst hierover nadere vragen te stellen. Waarom heeft [slachtoffer] voor het getuigenverhoor contact opgenomen? Wat is er besproken met [slachtoffer]? Tevens kan [getuige 3] een nadere verklaring afleggen inzake [slachtoffer]. Wat namelijk onbesproken is gebleven door de rechtbank is dat [slachtoffer] ook uitdagend was en zelf een aandeel had in seksuele handelingen. Volgens getuige [getuige 3] heeft [slachtoffer] hem ook benaderd voor seksueel contact. Hoe deed [slachtoffer] dit dan? Wat voor soort contact wenste zij te hebben? Gebeurde het regelmatig dat [slachtoffer] seksueel contact opzocht met [getuige 3]? Valt niet uit te sluiten dat het initiatief geheel vanuit [slachtoffer] zelf was gekomen?
De rechtbank overweegt dat de verklaringen die [slachtoffer] heeft afgelegd consistent, gedetailleerd en concreet zijn. Zowel ten aanzien van de handelingen en de frequentie acht de rechtbank de verklaringen betrouwbaar. Echter wordt voorbijgegaan aan het door de verdediging gevoerde verweer en wordt deze op onjuiste gronden verworpen. Het steunbewijs bestaat uit de verklaringen van broer en ouders, die in meer of mindere mate zouden hebben verklaard dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank motiveert echter niet welke onderdelen van de getuigenverklaringen aangemerkt kunnen worden als steunbewijs. Hierbij is de verklaring van [slachtoffer] niet opgenoemd, alhoewel zij tevens duidelijk en consistent verklaart over wat zich heeft afgespeeld op de camping. Ook wordt er geen rekening gehouden met het feit dat zij verklaard dat [verdachte] niet uit huis is gezet.
De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan een deugdelijke motivering ten aanzien van het steunbewijs.
Ook acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] door zijn handelen een zodanige psychische druk zou hebben uitgeoefend op [slachtoffer], dat zij zich hiertegen redelijkerwijs niet heeft kunnen verzetten. Mede door het natuurlijk overgewicht van [verdachte] en dreigingen met het openbaar maken van [slachtoffer]'s drugsgebruik heeft [slachtoffer] zich niet kunnen verzetten. De rechtbank heef hierbij geen acht geslagen op het feit dat [slachtoffer] al op haar 12de drugs gebruikte en dat haar ouders daarvan reeds op de hoogte waren.
Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis van dit dossier kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en dient hij derhalve te worden vrijgesproken.
Gelet op de hierboven genoemde onderbouwing is het horen van verzochte getuigen in het belang van de verdediging.’
1.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 april 2018 is onder meer gerelateerd:
‘De voorzitter deelt mee — zakelijk weergegeven — :
De rechtbank heeft de zaak gesplitst en twee vonnissen gewezen. Het hof zal maar één arrest wijzen. De zaak heeft onnodig vertraging opgelopen. Het hof heeft een appelschriftuur ontvangen.
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Ik ben in hoger beroep gegaan omdat ik onschuldig ben.
De voorzitter deelt mee — zakelijk weergegeven — :
U bent uitgebreid verhoord door de politie en ook bij de rechtbank heeft u een verklaring afgelegd. In het dossier zit een verslag van het informatieve gesprek dat de politie met uw zus [slachtoffer] heeft gehad. Zij heeft aangegeven dat zij vanaf haar 9e tot haar 18 jaar door u is misbruikt. Het begon op de camping met onschuldig aanraken. Daarna kwamen er meer handelingen zoals pijpen en penetreren. In mei 2019 heeft ze aangifte gedaan. Aanvankelijk woonde het gezin in [b-plaats] en daarna in [c-plaats]. Ze heeft verklaard dat er zeker 200 keer handelingen hebben plaatsgevonden.
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Dat is onzin. Misschien wil ze mij zwartmaken of wil ze geld zien. Ik heb geen idee waarom ze zo verklaart.
De voorzitter merkt op — zakelijk weergegeven — :
Het punt bij een zedenzaak zoals deze is vaak dat er geen getuige bij is geweest. Er zijn geen mensen die iets gezien hebben en uit eigen waarneming kunnen verklaren. Jullie waren toen heel jong. Een nichtje heeft wel een verklaring afgelegd en ook uw moeder. Uw moeder is verder ook nog gehoord door de rechter-commissaris. Ze heeft verklaard dat uw zusje nog op de basisschool zat en dat ze naar haar toe was gekomen en vertelde dat [verdachte] aan haar zat. Dat wilde ze niet; ze wilde dat het zou stoppen. Vanaf haar 16e jaar heeft ze meer concrete dingen tegen haar moeder verteld. Aan uw moeder is gevraagd of ze er toen met u over heeft gepraat. Dat kon ze zich niet meer herinneren. Uw moeder heeft verklaard dat ze slipjes van aangeefster op uw kamer heeft gevonden. Uw moeder werd tijdens het verhoor emotioneel en ze zei dat dat kwam omdat ze wist dat er een kern van waarheid in de verklaring van uw zus zat. U had tegen haar gezegd dat u een meisje nodig had.
De verdachte verklaart — zake lijk weergegeven — :
Dat klopt niet. Zij is gemanipuleerd door [slachtoffer]. Er klopt helemaal niets van. Het klopt ook niet dat ik het huis uit ben gezet. Ik kreeg een huis van een maat van mij aangeboden en ben vervolgens zelf het huis uit gegaan, Het klopt niet dat mijn moeder heeft gezegd dat [slachtoffer] rust nodig had en dat ik daarom weg moest gaan. Het klopt niet dat [slachtoffer] meerdere keren bij mijn moeder heeft aangegeven dat er iets was gebeurd en dat ze mijn moeder heeft gesmeekt om iets te doen.
De voorzitter merkt op — zakelijk weergegeven — :
Uw vader is ook gehoord. Bij de rechter-commissaris is hij onder ede gehoord omdat de rechter-commissaris niet zeker wist of hij de waarheid sprak. Uw vader heeft verklaard dat er eind 2018 een gesprek met u en [slachtoffer] hierover heeft plaatsgevonden.
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Ik weet niet meer wat er specifiek tijdens dat gesprek is gezegd. Ik moest gedwongen mijn excuses aanbieden om wat ik haar zou hebben aangedaan. Voor mij was dat niet zo belangrijk. Ik moest alleen mijn excuses aanbieden omdat zij er maar niet over ophield. Ik werd gedwongen door mijn vader om mijn excuses aan te bieden. Ik ben elke dag bij mijn vader en hij zorgde voor mij. Voor mij is zijn wil wet.
De voorzitter merkt op — zakelijk weergegeven — :
Uw vader heeft ook verklaard dat hij u heeft gedwongen om uw excuses aan te bieden. Voor uw vader speelt het tussen twee van zijn kinderen. [slachtoffer] zou aan u hebben gevraagd wat er allemaal was gebeurd en of u zich dat herinnerde. U zou gezegd hebben dat het klopte en dat het niet haar schuld was omdat u haar zou hebben gepusht.
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Dat durf ik zo niet te zeggen.
De voorzitter merkt op — zakelijk weergegeven — :
Uw vader zegt dat het wel kan dat het zo is gezegd. U bood uw excuses aan terwijl u het niet had gedaan en u kunt zich er niet veel van herinneren?
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Dat komt door mijn verleden. Het zou kunnen dat ik in 2018 clean was.
De voorzitter merkt op — zakelijk weergegeven — :
Uw broer [getuige 3] heeft verklaard dat er seksuele handelingen zijn verricht en dat u heeft gezegd dat er wel dingen zijn gebeurd. Waar doelt hij dan op?
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Dat durf ik niet te zeggen. Ik heb geen specifieke herinnering aan dat gesprek.
De voorzitter deelt mee — zakelijk weergegeven — :
U bent ook nog door iemand anders aangesproken op de seksuele handelingen van u met uw zusje. Hij had van iemand gehoord dat u zou hebben gezegd dat u [slachtoffer] al zou hebben gedaan. U was pocherig tegen iemand die seksueel getint over [slachtoffer] praatte.
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Dat slaat nergens op.
De voorzitter deelt mee — zakelijk weergegeven — :
Het is opvallend dat u over alles wat iedereen heeft gezegd zegt dat het niet klopt. Niet alleen [slachtoffer] maar ook uw moeder en [getuige 3] zouden dan dingen hebben verzonnen.
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — :
Ik wil daar niets op zeggen.
Op vragen van de oudste raadsheer antwoordt verdachte — zakelijk weergegeven — : Tussen mijn zus en mij is het al van af het begin haat en nijd. Ik denk dat het haar om geld gaat. Ze wil mij zwartmaken. Ik kan het ook lastig volgen dat ze mij hiervan beschuldigd. Het is iets heel ergs waarvan ze mij beschuldigd. Het is niet waar.
(…)
Op vragen van de advocaat-generaal antwoordt de verdachte — zakelijk weergegeven — : Ik ben rond mijn 20o levensjaar het huis uit gegaan. [slachtoffer] was toen 18 jaar. Ik denk dat ik toen 21 of 22 jaar was. Net voordat ik werd verhoord door de politie hoorde ik van de beschuldigingen. Het gesprek met mijn vader ging inderdaad over ongepast seksueel gedrag. Toen ik bij de politie zei dat ik mij op mijn zwijgrecht beriep omdat ik anders dingen zou gaan vertellen die zij niet had verteld toen bedoelde ik het doktertje spelen vroeger op de camping. Ik kan om alles wat ik zeg veroordeeld worden. Tijdens het gesprek met mijn vader kwam alles als een donderslag bij heldere hemel. Het is dan zeker wel wat om dan toch sorry te zeggen, [slachtoffer] haalde zich wel vaker dingen in haar hoofd.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord — zakelijk weergegeven — :
Ik heb een bijzonder verzoek. Ik wil namelijk een verzoek doen tot het horen van een rechtspsycholoog. Ik heb er mijn redenen voor waarom ik dit verzoek niet eerder heb gedaan, Tegen verdachte ligt een zeer ernstige beschuldiging die een zware straf verdient. De pijn en het leed voor het slachtoffer zijn duidelijk. Dat is de ene kant van het verhaal aan de andere kant moet ik er niet aan denken dat iemand onschuldig wordt veroordeeld, De feiten zouden een behoorlijke tijd geleden zijn gepleegd en de aangifte is gedaan 5 jaar nadat de laatste handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Ik heb iets meer moeite met het steunbewijs dan de rechtbank. Ik wil een aantal punten uit de verklaring van [slachtoffer] toetsen. Het wc-incident op de camping waar [slachtoffer] bij was. In de ogen van [slachtoffer] was het minder seksueel getint. Moeder heeft verklaard dat [slachtoffer] geen strings droeg. [getuige 3] heeft wel bevestigd dat [slachtoffer] strings droeg. Het misbruik gebeurde 's avonds laat als de ouders haar bed gingen. Moeder kan zich niet herinneren dat ze eerder dan de kinderen naar bed ging. De beschuldigingen en confrontatie toen [verdachte] het huis uit ging lijken wel te kloppen. Het steunbewijs is voldoende maar wankel. Ik heb behoefte aan meer informatie. Ik wil de verklaring van [slachtoffer] controleren op betrouwbaarheid. [slachtoffer] heeft veel therapie gehad en dat werpt de vraag op over de betrouwbaarheid van haar verklaring. Een rechtspsycholoog zou kunnen onderzoeken wat de invloed van de therapieën is geweest op de verklaringen van [slachtoffer]. Als u zo'n onderzoek toewijst dan is het goed om ook een aantal getuigen opnieuw te horen. Dat zouden vader en broer gehoord moeten worden en ook [slachtoffer], Zij kan dan geconfronteerd worden met de verklaring van [slachtoffer] dat zij getuige is geweest van de seksuele handelingen. Ik vind het niet makkelijk om deze verzoeken, te doen. Het is verschrikkelijk dat er nu nog onderzoek moet worden gedaan. Maar ik was er niet bij en ik kan op basis van deze stukken niet tot een conclusie komen.
De raadsman reageert — zakelijk weergegeven — :
Mijn eerdere gedane verzoeken zijn afgewezen. Ik wil dit graag even met mijn cliënt overleggen.
(…)
De voorzitter deelt mee — zakelijk weergegeven — :
Gelet op het standpunt van de verdediging en nu het hof zich voldoende voorgelicht acht, zal het hof het verzoek afwijzen. We gaan vandaag door met de behandeling van de zaak. Het verzoek van de advocaat-generaal zal bij de beraadslaging in raadkamer wel opnieuw in acht worden genomen. Mocht dan blijken dat er toch nader onderzoek gedaan moet worden dan zal daartoe worden besloten in een tussenarrest.
De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir — zakelijk weergegeven — :
Ik kom tot een vrijspraak. In het dossier zit geen direct bewijs. Ik heb op dit moment niet genoeg bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. Het begin van alles, het wc-incident op de camping wordt door een getuige bevestigd maar ze zegt eerst dat ze het zich niet kan herinneren. Ook over het feit of [slachtoffer] wel of geen strings droeg is geen duidelijkheid. Ik snap niet waarom verdachte voor de lieve vrede zijn excuses aanbiedt.
Hij heeft op dat moment niet gezegd wat er precies zou zijn gebeurd. Misschien dacht hij dat het over doktertje spelen ging in het verleden. Hij heeft niets gezegd over pijpen of verkrachten. Het is onvoldoende om te zeggen dat verdachte bekent.
De raadsman voert het woord tot verdediging — zakelijk weergegeven — :
Ik sluit me aan bij het standpunt van de advocaat-generaal.’
1.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘1. primair
hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 5 november 2003 tot en met 10 april 2007 te [b-plaats], met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
- —
de borsten van die [slachtoffer] aangeraakt en
- —
zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- —
zich laten/doen aftrekken door die [slachtoffer] en
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- —
zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- —
zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
2. primair
hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 11 april 2007 tot en met 10 april 2011 te [b-plaats] met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, (telkens) ontuchtig
- —
de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- —
zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- —
zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- —
zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;
3.
hij in de periode van 11 april 2011 tot en met 10 april 2013 te [c-plaats], meermalen, (telkens), door een andere feitelijkheid en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal (telkens)
- —
de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- —
zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- —
zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- —
zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- —
zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
en bestaande die andere feitelijkheid en die bedreiging met die andere feitelijkheid hierin dat verdachte, een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] heeft gehad (gezien de familiare relatie als broer en zus, met die [slachtoffer] en het leeftijdsverschil) en (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.’
1.5
In het arrest heeft het hof daartoe overwogen:
‘Het hof heeft rekening gehouden met de volgende bewijsmiddelen, die vrijwel geheel overeenkomen met de bewijsmiddelen die de rechtbank in het vonnis heeft opgenomen:
- •
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] op 14 mei 2019:
V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: Mijn broer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991.
V: Waarvan wil je aangifte doen, kan je dat in enkele woorden zeggen?
A: Voor misbruik. Seksueel misbruik.
V: In welke periode heeft dat plaatsgevonden?
A: Rond 9 a 10 jaar tot ongeveer mijn achttiende.
(…)
Een keer op de [c-straat] is het nog een keer op zijn kamer gebeurd. We waren aan het spelen. Mijn andere broer [getuige 3] was er ook bij en [verdachte]. [getuige 3] ging vervolgens weg, waardoor ik alleen met [verdachte] in zijn kamer bleef. Ik zat op zijn bed. [verdachte] begon weer over het dansen in mijn string. Hij zei dat hij het leuk vond en dat weer wilde. Terwijl hij dat zei, maakte hij zijn broek open en haalde zijn penis tevoorschijn.
Hij zat op bed met zijn penis in zijn hand. Hij begon aftrekbewegingen te maken. Hij had het over pijpen, maar op die leeftijd wist ik nog niet zo goed wat dat was. Hij legde het mij uit. Hij vroeg ik dat bij hem wilde doen. Ik zei dat ik dat niet wilde. Hij begon op mij in te praten. Hij zei dat hij aan mij zag dat ik het wilde en dat hij mijn broer was. Hij zei dat het daarom wel kon. Hij vroeg of ik tussen zijn benen op mijn knieën wilde gaan zitten. Ik moest hem vervolgens pijpen. Ik heb zijn penis een keer een klein stukje in mijn mond gehad. Het duurde niet lang. Ik ben toen naar mijn kamer gegaan. Ik was toen tussen de elf en dertien jaar. Op mijn dertiende ben ik verhuisd en ik weet nog dat dit op de [c-straat] was.
(…)
A: Hij greep me bij mijn borsten als er niemand thuis was. Rond mijn tiende begonnen mijn borsten al te groeien. Rond mijn elfde zat ik al aan de BH maat A of B. Als ik dan beneden op de bank zat, ging hij aan mijn borsten zitten. Dat deed hij over mijn kleding. (…)
V: Vertel ons eens over het [d-straat]?
A: Ik was dertien jaar. Daar werd alles veel groter en escaleerde het. We gingen buiten chillen. Op de Hamershof kwam een grote groep samen. Mijn broers [verdachte] en [getuige 3] chillden met diezelfde groep. Een vriend uit die groep, [betrokkene 2], ging naar mijn broer [getuige 3] toe. Hij zei dat ze het met een groepje jongens over meisjes hadden. De jongens zeiden tegen [verdachte] dat hij een lekker zusje had. [verdachte] reageerde toen door te zeggen dat hij dat wist en dat hij mij ook al had gehad. Er is toen verder niet op gereageerd. [betrokkene 2] ging hiermee naar [getuige 3]. [getuige 3] is ongeveer een jaar jonger dan [verdachte]. [getuige 3] heeft er niets mee gedaan met wat hij van [betrokkene 2] hoorde.
(…). . .
V: Vertel nog eens over het seksueel misbruik dat op het [d-straat] gebeurde?
A: In de woonkamer 's avonds als iedereen naar bed ging. Ik denk dat ik net veertien was. Ik zat op de bank en [verdachte] zat naast me. Hij vroeg aan me of ik nog wist wat er vroeger was gebeurd. Of ik nog van die ene keer wist dat ik hem moest pijpen. Ik zei dat ik dat nog wel wist en dat ik dat niet normaal vond. Hij deed zijn broek weer open en haalde zijn penis weer tevoorschijn. Hij vroeg of ik het nog een keer wilde doen. Ik zei van niet. Hij begon weer dat ik het al een keer gedaan had en dat het wel kon, dat het normaal was. Ik blokkeerde op dat moment met mijn lichaam en geest en ik dissocieerde van mezelf. Ik zag mezelf van bovenaf. [verdachte] bleef doorvragen en praten dat het normaal was en dat ik het nog maar een keer moest proberen, anders wist ik niet of ik het wel leuk vond. Ik belandde weer tussen zijn benen, ik had mijn hand om zijn penis en moest hem pijpen. Dat ging niet heel soepel. Ik stopte zijn penis in mijn mond en ging heen en weer. (…).
Volgens mij is die nacht ook de eerste keer dat hij mij in de nacht ging betasten.(…) Ik weet dat ik ongeveer een uur na dat pijpen in mijn bed lag en probeerde te slapen. Hij kwam heel sneaky mijn kamer in. Ik deed alsof ik sliep. Mijn lichaam bevroor weer, omdat ik heel erg bang was voor wat komen ging. Hij probeerde met zijn hand onder de deken te komen. Hij zat aan de zijkant van mijn bed. Hij raakte mijn borsten aan en ging met zijn hand over mijn buik naar mijn vagina. Hij raakte mijn vagina aan en ik maakte een soort schoppende beweging. Net alsof ik in mijn slaap dat deed. Hij schrok hiervan en ging weg. Hij raakte mijn borsten aan over mijn nachtjapon. Ik droeg geen ondergoed, dus hij raakte mijn blote vagina aan.
(…)
V: Hoe ging het verder?
A: Heel geleidelijk op een avond niet meteen de volgende dag, maar ik denk een week later begon het weer op de bank. Het was altijd op de bank in de woonkamer. Hij raakte mijn borsten aan en ging ook met zijn hand in mijn T-shirt. Hij raakte mijn blote borsten aan.(…). Hij haalde weer zijn penis tevoorschijn en vroeg weer of ik hem wilde pijpen. Ik heb hem toen weer gepijpt.
V: Zijn er andere handelingen gebeurd op het [d-straat] dan wat je nu verteld hebt?
A: Ja. Het begon in de keuken. Ik was vijftien jaar. Ik was nog geen zestien, want ik was nog niet met de brommer bezig. Hij begon toen met handelingen bij mij. Hij had mij daarvoor al een paar keer gevingerd, maar nu deed hij het voor het eerst met zijn mond. Ik zat op het keukenblad. Hij trok mijn broek helemaal naar beneden waardoor ik met mijn blote kont op het keukenblad zat. Ik had geen broek en onderbroek aan. [verdachte] had dat helemaal uitgetrokken bij mij. Hij probeerde mij met zijn mond te bevredigen. Hij ging met zijn mond op mijn vagina en met zijn tong. Daarna deed hij ook zijn vingers erbij. Het stomme is dat mijn lichaam daar op reageerde waardoor hij dacht dat ik het lekker vond. Ik denk dat het een kwartier geduurd heeft. Hij stopte en stond op. Ik ging van het keukenblad af. Hij stond voor mij met zijn penis in mijn hand. Hij vroeg of ik op hem wilde zitten. Ik zei dat ik dat niet wilde. Hij zei dat hij had gemerkt dat ik het lekker vond. Hij pakte een condoom die hij al bij zich had. Ik weet niet waar hij hem vandaan haalde, maar hij had hem al bij zich. Hij deed de condoom om zijn penis. Hij zat inmiddels op de bank en ik moest op hem zitten met mijn gezicht naar hem toe. Ik hing boven hem omdat ik bang was dat hij bij mij naar binnen zou gaan. Ik vroeg of het wel goed was wat er gebeurde. Hij zei dat het goed was en wel meer gebeurde. Hij deed zijn handen op mijn schouders. Ik zei weer dat het waardoor ik zijn eikel tegen mijn vagina aan voelde. Ik schoot omhoog en zei weer dat het niet juist was. Hij zei weer van wel. Hij duwde mij weer omlaag en voelde dat zijn eikel in mijn vagina ging. Ik ging steeds weer omhoog en hij duwde mij steeds weer omlaag. Hij ging steeds verder met zijn penis in mijn vagina. Ik denk dat hij er voor de helft in ging. [verdachte] heeft een grote penis en het deed zo verschrikkelijk veel pijn! Ik ging weer omhoog en wist van hem af te komen. Hij pakte mij bij mijn arm en zei: Dat flik je me niet, dat is zonde van mijn condoom. Ik ging stampend haar boven. Waardoor het stopte.
V: Hoe vaak is hij met zijn penis in jouw vagina gegaan?
A: Alleen die keer. Ik was vijftien en [verdachte] is vier jaar ouder.
V: Vertel eens over dat vingeren?
A: [verdachte] en ik zaten op de bank. Hij zat aan mijn borsten. Daarna ging hij met zijn hand in mijn broek en ging met zijn vingers over mijn vagina heen. Daarna ging hij met zijn vingers in mijn vagina. Zo ging het eigenlijk altijd.
A: Ik raakte op de [c-straat] voor het eerst zijn penis aan. De eerste keer dat ik hem echt af moest trekken en dat hij klaar kwam, was op de bank pp het [d-straat]. Ik denk dat dat aftrekken voor het eerst gebeurde rond de tijd dat ik een vriendje had. [verdachte] zei namelijk altijd dat ik op hem kon oefenen, waardoor ik een expert kon zijn bij mijn vriendje.
V: Hoe ging dat aftrekken?
A: We zaten op de bank. Hij haalde zijn penis tevoorschijn en begon zich af te trekken. De rest van het gezin lag al in bed. [verdachte] zette porno aan op de tv. Ik weet alleen dat het porno was tussen een man en vrouw. De vrouw begon de man te pijpen, dat weet ik nog. Voor de rest keek ik er ook niet echt naar. Terwijl die porno aan stond, begin [verdachte] zich af te trekken. Hij praatte op mij in of ik hem verder af wilde trekken, Uiteindelijk ging hij naast mij zitten en ging ik hem aftrekken. Hij haalde daarvoor eerst nog wc papier. Ik trok hem af en terwijl ik dat deed, voelde hij aan mijn blote borsten. Vervolgens kwam hij klaar in zijn eigen hand. Hij maakte het schoon met het wc papier.
V: Hoe ging dat dan?
A: Ik zat met mijn hand aan zijn penis en hij hield zijn hand eronder om zijn sperma op te vangen.
(…)
V: Wat is de laatste keer geweest?
A: Rond mijn achttiende jaar heb ik hem nog een keer gepijpt op de bank. Dat was op het [d-straat]. De volgende dag ben ik voor het eten naar mijn ouders gegaan. Ik heb toen tegen mijn ouders gezegd dat [verdachte] ongewenst aan mij zaten dat er dingen met seks waren gebeurd. Mijn moeder haalde [verdachte] erbij. [verdachte] zei dat het klopte. De volgende dag moest hij het huis uit van mijn moeder. Daarmee was het gestopt.
(…).
V: Kun je nog terughalen hoe oud je was toen je hem de eerste keer moest pijpen? Je zegt tussen elf en dertien, maar kun je het iets preciezer zeggen?
A: Ik zat nog op de lagere school, ik denk dat ik in groep 7 zat. Ik ben een keer blijven zitten. Ik was elf of twaalf jaar. Het was het tweede jaar van de camping.
V: Hoe vaak kwam hij bij je als je in bed lag te slapen?
A: Vaak. Er waren weken dat het drie keer in de week gebeurde, maar soms ook een week niet.
(…)
V: Er zijn momenten op de bank in de woonkamer dat hij je aanraakt en na het pijpen op de bank, kwam hij voor het eerst naar je kamer. Kwam hij daarna vaker naar je kamer?
A: Ja, klopt.
A: Rond mijn vijftiende begon ik te experimenteren met drugs. Ik begon met speed. [verdachte] zat zelf al lang aan de drugs. Als [verdachte] mij probeerde over te halen om handelingen te doen, zei ik wel eens dat hij moest stoppen en dat ik het anders aan papa en mama ging vertellen. [verdachte] zei dan dat hij dan zou vertellen aan papa en mama dat ik drugs gebruikte. Uiteindelijk moest ik dan toch die handelingen bij hem doen, omdat ik bang was dat hij het zou vertellen.
(…)
V: Hoe vaak denk je dat je [verdachte] hebt moeten pijpen?
A: Heel vaak. Ik denk zeker over de 200 keer. Het gebeurde dagelijks en soms ook dagen niet. Het zijn voor mij ook veel gaten. Wat ik weet is dat het gerust vier dagen achter elkaar kon gebeuren dat ik hem moest pijpen of dat het vingeren erbij kwam. Als hij naar mijn kamer kwam, dan raakte hij mij aan tot ik begon te bewegen en dan ging hij weer weg. (…)
V: We hebben uit het informatieve gesprek begrepen dat je broer is aangesproken op zijn gedrag, vertel daar eens alles over?
A: Dat was mijn initiatief. Mijn vader wist niet hoe hij ermee om moest gaan. Ik heb met mijn vader en broer [verdachte] gesproken in 2018. Ik heb dat van tevoren besproken met mijn behandelaar. Ik vroeg aan [verdachte] of hij nog wist wat er gebeurd was tussen ons. Hij zei dat hij dat nog wist. Ik vroeg of hij vond dat ik daar een aandeel in had. Hij zei dat dat zeker niet zo was, omdat hij mij gepusht had. Ik vroeg waarom hij die dingen deed. Hij zei dat hij op die momenten een meisje wou zien of voelen, omdat hij seksverslaafd is. Mijn vader zei alleen maar dat hij het alsnog niet normaal vond, omdat hij vier jaar ouder is.
- •
Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden op 14 maart 2019.
Vanaf mijn 10e en 11e herinner ik me het meest omdat het toen echt uit de hand liep. Ik moest echt handelingen uitvoeren bij hem en hij deed dingen bij mij. Ik moest met mijn handen zijn geslachtsdeel zitten en heen en weer bewegen. Aftrekken. Dat moest ik ook met mijn mond doen, hem pijpen. Hij zat met zijn handen aan mijn geslachtsdeel. Hij gaan met zijn handen aan mijn geslacht zitten, gaat in mij. Vingeren dus.
Na mijn 12de was het voornamelijk het pijpen en het aanraken. Op mijn 13de verhuisden we naar het [d-straat] 29 in [c-plaats]. (…)
Er is één keer seks geweest. Ik denk dat dit rond mijn 15de was. Dit is gebeurd in de woonkamer op het [d-straat] in [c-plaats]. Het was toen begonnen in de keuken, hij deed handelingen bij mij in de keuken, hij vingerde me, likte mij. (…)
Het resultaat was dat hij elke avond en nacht naar me toe kwam en dan zat hij aan mijn borsten en aan mijn vagina. (…)
Op mijn 18de stopte het. Het stopte omdat mijn broer het huis uit was gezet. Ik heb mijn ouders verteld dat [verdachte] me aanraakt op manieren die ik niet wilde. Dat er ook seksuele handelingen zijn gebeurd. [verdachte] is aan tafel geroepen en mijn moeder heeft gezegd dat hij het huis uit moet. (…)
[verdachte] zei vanaf mijn 9de dat het normaal was. Ook had [verdachte] een bepaalde machtsverhouding over mij. Dat maakte dat ik het niet eerder kon stoppen. [verdachte] heeft me verkracht gewoon. En er kwam drugs in het spel, daar chanteerde hij me mee, dat hij het zou vertellen aan mijn ouders dat ik dat gebruikte. Ik ben vanaf mijn 14de begonnen met blowen en vanaf mijn 15de en 16de raakte ik verslaafd aan de harddrugs, speed en XTC. Mijn broer gebruikte ook drugs. [verdachte] zei dat als ik niet mee zou gaan in de handelingen, hij het tegen mijn ouders zou zeggen dat ik drugs gebruikte. Dus ik voelde me gedwongen om erin mee te gaan want ik was als de dood dat mijn ouders erachter kwamen, van de drugs. (…)
[verdachte] heeft erg gehuild aan tafel en hij schaamde zich heel erg. Hij heeft het ook niet ontkend aan tafel. Ongeveer een half jaar geleden hebben we een gesprek gehad, met mijn vader en [verdachte]. Dat heb ik met mijn behandelaar helemaal besproken en ook hoe. Ik zat met mijn vader en [verdachte] aan tafel. Ik heb aan [verdachte] gevraagd: ‘Vind jij dat ik een aandeel heb gehad in wat er gebeurd is?’ Hij zei: ‘Nee.’ Hij zei uit zichzelf toen: ‘Ik heb je gepusht.’ Ik zei dat hij nu dus aangaf dat hij dingen deed die hij wilde maar ik wilde weten hoe het kan dat hij dit deed bij mij toen ik nog zo'n jong meisje was. [verdachte] zei dat hij seksverslaafd was en dat het gekomen is door de lust die hij kreeg in het meisje die hij zag.
- •
Het proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris van [getuige 1] op 26 mei 2021.
Wat was het eerste moment dat u zich herinnert dat [slachtoffer] dan u iets verteld heeft over seksuele dingen door [verdachte]?
Dat weet ik niet meer.
Bij benadering, was ze toen 15 of was ze 10 jaar. Zat ze op de basisschool?
Ja, ze zat op de basisschool.
Kunt u zich herinneren wat ze de eerste keer heeft gezegd over de handelingen?
Dat [verdachte] aan haar zat, geen specifieke dingen.
Waren dat wel dingen met een seksuele betekenis?
(…)
Het antwoord is ja.
Kunt u dit nog concreet maken?
Ze kwam op een gegeven moment naar me toe. Ze zei dat [verdachte] dingen met haar deed die ze niet wilde. Dat ze wilde dat het stopte.
(…)
Hoorde u van haar zoiets een keer per jaar, een keer per maand?
(..,) Ik weet dat het regelmatig was.
(…)
Ze moest hem pijpen, aftrekken. Op een gegeven moment was er iets met een condoom. Zij heeft toen iets gezegd van nee. Hij zei toen, zonde van de condoom. Ze heeft me ook gezegd dat ze gemeenschap met hem heeft gehad.
(…)
Ik vond slipjes van [slachtoffer] bij hem op de slaapkamer.
(…)
Ik weet dat er een kern van waarheid in zit. Ik vroeg op een gegeven moment één keer waarom hij dit soort dingen gedaan heeft en toen zei [verdachte], ‘ ik had gewoon een meisje nodig’ (…)
Kunt u zich herinneren wanneer [verdachte] dit zei?
Een aantal jaren geleden. Ik denk ongeveer vijf jaar geleden.(…)
Ik heb [verdachte] uit huis gezet. Ik was de enige die er wat aan deed.
- •
Het proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris van [getuige 2] op 26 mei 2021.
In 2018 heeft u een gesprek gehad samen [slachtoffer] en [verdachte].
Dat klopt.
(…)
Dat is een tijdje geleden, maar slechts drie jaar geleden. Waarvoor moest [verdachte] excuus aanbieden?
Dat [slachtoffer] hem betichtte dat hij bepaalde handelingen met haar had gedaan. Ik vond het gepast om een gesprek daarover te hebben.
(…)
U zegt: dat stukje over dat hij op dat moment een meisje wilde voelen. Dat herken ik niet, maar de zinnen daarvoor ?(de officier van justitie citeert nogmaals)
‘Ik vroeg aan [verdachte] of hij nog wist water gebeurd was tussen ons. Hij zei dat hij dat nog wist. Ik vroeg of hij vond dat ik daar een aandeel in had. Hij zei dat dat zeker niet zo was, omdat hij mij gepusht had. Herkent u dat stukje?
Het klopt wel dat zoiets gezegd is. (…)
Rechter-commissaris: Hij heeft het dus ook gezegd?
Hij heeft gezegd dat het hem spijt en dat het zijn schuld was.
- •
Het proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris van [getuige 3] op 3 juni 2021.
Ik weet dat er een soort van verzoengesprek was bij mijn vader en dat [verdachte] ook mede door het pushen van mijn vader de underdog heeft gespeeld. Ik was er zelf niet bij dus dat is lastig. Dat heb ik gehoord van mijn vader.
Wanneer heeft u dat gehoord?
Eén jaar of anderhalf jaar geleden.
(…)
Wat heeft hij (hof begrijpt: [verdachte]) wel gezegd?
Dat er handelingen zijn verricht.
Wat voor handelingen?
Seksuele handelingen.
(…)
Dus als ik u goed begrijp, heeft hij niet tegen u gezegd dat hij [slachtoffer] gepenetreerd zou hebben, maar heeft hij wel gezegd dat ze seksuele handelingen hebben verricht?
Hij heeft het niet ontkend. Ik vroeg of er dingen gebeurd zouden zijn. Hij zei daarop: er zijn wel dingen gebeurd.
(…)
En dat was ook de strekking van dat gesprek? Het ging over dingen, over seksuele handelingen?
Dat kwam wel naar voren tijdens het gesprek met [verdachte].
Rechter-commissaris: dat gesprek werd wel duidelijk gekoppeld dan de verwijten die [slachtoffer] maakte?
Ja.
(…)
Bent u wel eens door iemand anders aangesproken over iets dat [verdachte] zou hebben verteld over het plegen van seksuele handelingen met zijn zusje?
Ik ben daar wel op aangesproken.
(…)
Wat heeft die persoon tegen u gezegd?
Of er daadwekelijk dingen gebeurd zijn tussen [slachtoffer] en [verdachte]. Ik wuifde dat weg, ik dacht dat is grootspraak.
Van wie had die persoon gehoord dat er wat gebeurd zou zijn?
Volgens mij van [verdachte] zelf, wat hij zei.
Wat zou [verdachte] tegen die persoon hebben gezegd?
Dat werd wad genuanceerder gezegd, in de zin van dat [verdachte], volgens die persoon, zei: ‘ik had [slachtoffer] al gedaan’.
Ik was toen zelf 17 jaar. Ik weet nog wel waar het was, maar ik weet niet meer wie het was. We hadden een vrij grote vriendengroep.
Waar was dat?
Bij de [e-straat] in [c-plaats].
Dus toen u een jaar of 17 was, is er bij de [e-straat] in [c-plaats] iemand naar u toe gekomen die tegen u heeft gezegd: [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij [slachtoffer] heeft gedaan. ‘Al’ heeft gedaan. In de zin van: voor jou. Een beetje pocherig.
De rechtbank heeft in het vonnis de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
‘De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster en steunbewijs.
De rechtbank stelt voorop dat het bewijs dat een verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) door de rechtbank niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of alleen op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. In zedenzaken, zoals onderhavige zaak, doet zich vaak de situatie voor dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Dat is ook in deze zaak het geval. Uit vaste rechtspraak kan echter worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig (waaronder het seksueel binnendringen) bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring (aangever) heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
De rechtbank zal in dat kader eerst moeten vaststellen of zij de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar vindt en — als dat zo is en de verklaring dus als bewijsmiddel kan worden gebruikt — vervolgens ook moeten nagaan of in het dossier voldoende steunbewijs aanwezig is voor deze verklaring.
De rechtbank overweegt dat aangeefster [slachtoffer] uitgebreid, concreet, consistent en gedetailleerd heeft verklaard bij het informatief gesprek zeden op 14 maart 2019 en in haar aangifte op 14 mei 2019 over het misbruik door verdachte. Zowel ten aanzien van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als de frequentie van het misbruik en de omstandigheden waaronder dat misbruik heeft plaatsgevonden zijn de verklaringen van aangeefster consistent, De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster dan ook in zijn geheel betrouwbaar.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of er voldoende steunbewijs aanwezig is voor deze verklaring. In het dossier bevinden zich getuigenverklaringen van de ouders en de broer van aangeefster en verdachte.
Zij verklaren alle drie dat verdachte in meer of mindere mate aan hen heeft toegegeven dat er seksuele handelingen zijn verricht tussen hem en [slachtoffer], zoals hiervoor weergegeven. De rechtbank is van oordeel dat dat deze verklaringen voldoende steun bieden aan de verklaringen van [slachtoffer] zelf.
De verklaring van verdachte dat het niet klopt wat aangeefster verklaard, en er dus van misbruik geen sprake zou zijn geweest, acht de rechtbank gelet op het voornoemde niet geloofwaardig. Ook volgt de rechtbank verdachte niet in zijn verklaring dat hij de verrichte seksuele handelingen enkel heeft toegegeven om zijn vader een plezier te doen of dat hij dacht dat het alleen ging om het aanraken van elkaar over de kleding. De beschuldigingen van aangeefster waren voor verdachte al lange tijd voldoende duidelijk en hij heeft in dat kader zowel tegenover zijn vader, moeder als broer die beschuldigingen (gedeeltelijk) erkend.
(…)’
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de kinderrechter en neemt die over.
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof als volgt.
Uit de verklaring van 1. [getuige 1], de moeder van zowel aangeefster als verdachte, blijkt dat aangeefster reeds op jonge leeftijd, toen zij nog op de basisschool zat, heeft verteld dat verdachte aan haar zat, dingen met haar deed die zij niet wilde en dat dat dingen waren met een seksuele betekenis. Na die eerste keer heeft ze dat regelmatig tegen haar moeder gezegd. Toen aangeefster ouder was, toen zij op de middelbare school zat, heeft zij concreet aan haar moeder verteld wat zij moest doen; zij moest onder meer pijpen en aftrekken. Het hof leidt hieruit af dat aangeefster gedurende de tenlastegelegde periode, en eigenlijk al vanaf het begin, haar moeder heeft verteld dat verdachte haar seksueel misbruikte. Uit de verklaring van de moeder blijkt eveneens dat verdachte aan zijn moeder heeft bevestigd wat er gebeurd was. Verdachte heeft tevens tegenover zijn broer bevestigd dat er wel wat gebeurd was en dat dat seksuele handelingen betrof. Met name gelet daarop is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster steun vinden in andere bewijsmiddelen en dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouding voor (1) het laten doen van nader onderzoek door een rechtspsycholoog naar de eventuele invloed van therapie op de verklaringen van aangeefster, alsmede voor (2) het opnieuw als getuigen horen van de heer [getuige 2], de heer [getuige 3] en [slachtoffer].
Het hof wijst dit voorwaardelijk verzoek af en verwijst daarbij naar hetgeen hiervoor is overwogen over de consistentie en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, de bruikbaarheid van het steunbewijs en de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte. Bij deze afwijzing weegt tevens mee dat er inmiddels 10 tot 20 jaren zijn verstreken sinds het misbruik heeft plaatsgevonden. Het hof ziet geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten voor het laten uitvoeren van een rechtspsychologisch onderzoek zoals voorwaardelijk verzocht door de advocaat-generaal, noch ziet het hof enige noodzaak tot het opnieuw laten horen van de getuigen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht.’
1.6
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs zal dienen te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.2.
1.7
Uit het vonnis en het arrest volgt dat de rechtbank en het hof de verklaringen van [getuige 1] (moeder), [getuige 2] (vader) en [getuige 3] (broer) als steunbewijs hebben aangemerkt. Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat deze in de kern genomen slechts mededelingen bevatten die afkomstig zijn van aangeefster. Voor zover deze verklaringen mededelingen van verdachte betreffen kunnen deze verklaringen — mede in het licht van hetgeen uit het verhandelde ter terechtzitting en de verklaringen zelf — niet als steunbewijs worden aangemerkt. Dergelijke verklaringen kunnen immers slecht als steunbewijs worden aangemerkt indien deze ziet op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen zodat het oordeel van het hof dat verklaringen van getuigen over dagen wat verdachte tegenover hen in meer of mindere mate aan hen heeft toegegeven dat er seksuele handelingen zijn verricht ontoereikend is. Zo blijkt ook uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 1] slechts dat deze [e-straat] dat er ‘een kern van waarheid’ in zit zonder dat duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld. Voorts is in de bewijsmiddelen vastgesteld dat de broer van aangeefster/verdachte de door verdachte tegen kennelijk weer een andere persoon (en dus niet tegen de broer zelf zoals is overwogen) afgelegde verklaring als ‘grootspraak’ heeft aangemerkt. Zoals door de advocaat-generaal heeft aangevoerd blijkt uit hetgeen verdachte tegen de getuigen zou hebben verklaard niet wat er precies zou zijn gebeurd (zoals bijvoorbeeld ‘doktertje spelen’ en dus niet als een ‘bekennende verklaring’ kan worden aangemerkt en in ieder geval niet dat verdachte iets heeft verklaard over seksueel binnendringen terwijl dit nu juist voor de ernst van het bewezenverklaarde en strafbaarheid een wezenlijk onderdeel uitmaakt. Gelet hierop is de bewezenverklaring dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Middel II
In het arrest heeft het hof verdachte ter zake van drie bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. Verdachte is geboren op [geboortedatum] 1991. Ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde was verdachte jonger dan 16 jaar. Dit geldt ook voor een deel van het onder feit 2 bewezenverklaarde. Ten tijde van het bewezenverklaarde kon slechts jeugddetentie worden opgelegd. Dit is thans ook nog het geval. Toepassing van meerderjarigenstrafrecht was/is pas — onder bepaalde voorwaarden — mogelijk ten aanzien van jeugdigen die de leeftijd van zestien jaren (doch nog niet die van achttien jaren) heeft bereikt. Mede gelet hierop brengt een redelijke wetstoepassing in gevallen als het onderhavige met zich dat ingeval art. 495 lid 4 Sv wordt toegepast in geval van samenloop van bewezenverklaarde feiten die een verdachte heeft begaan voor het bereiken van een 16-jarige leeftijd en feiten die daarna zijn begaan ten hoogste een jeugddetentie kan worden opgelegd van 24 maanden. In ieder geval getuigt het oordeel van het hof dat het hof het vrijstond een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel zodat het hof verdachte veroordeeld heeft tot een gevangenisstraf van drie jaar van een onjuiste rechtsopvatting, is althans onbegrijpelijk zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Toelichting
2.1
In het arrest heeft het hof onder meer bewezen verklaard, dat:
‘1. primair
hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 5 november 2003 tot en met 10 april 2007 te [b-plaats], met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens)
- —
de borsten van die [slachtoffer] aangeraakt en
- —
zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- —
zich laten/doen aftrekken door die [slachtoffer] en
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan die [slachtoffer] en
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- —
zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en — zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
2. primair
op tijdstippen in de periode gelegen tussen 11 april 2007 tot en met 10 april 2011 te [b-plaats] met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, (telkens) ontuchtig
- —
de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- —
zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- —
zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- —
zijn geslachtsdeel in de hand genomen en getoond aan de [slachtoffer],
- —
ten overstaan van die [slachtoffer] heen en weer gaande bewegingen gemaakt met zijn hand over zijn geslachtsdeel en
- —
zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;
3.
in de periode van 11 april 2011 tot en met 10 april 2013 te [c-plaats], meermalen, (telkens), door een andere feitelijkheid en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal (telkens)
- —
de borsten en vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en
- —
zijn geslachtsdeel laten aanraken door die [slachtoffer] en
- —
-zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en
- —
zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- —
zijn geslachtsdeel gehouden in de mond van die [slachtoffer];
en bestaande die andere feitelijkheid en die bedreiging met die andere feitelijkheid hierin dat verdachte, een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] heeft gehad (gezien de familiare relatie als broer en zus, met die [slachtoffer] en het leeftijdsverschil) en (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.’
2.2
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Aan verdachte is één dagvaarding uitgebracht. De drie tenlastegelegde feiten zien op een periode waarin verdachte deels minderjarig en deels meerderjarig was. De rechtbank heeft twee vonnissen gewezen. Eén vonnis voor het minderjarige deel en één voor het meerderjarige deel.
De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het minderjarige deel van het bewezenverklaarde seksueel misbruik van zijn minderjarige zusje veroordeeld tot — kort gezegd — een jeugddetentie van één jaar met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft bevolen dat de jeugddetentie wordt vervangen door een gevangenisstraf.
De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het meerderjarige deel van het bewezenverklaarde seksueel misbruik van zijn minderjarige zusje veroordeeld tot — kort gezegd — een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de maatregel van een contactverbod met [slachtoffer]. De rechtbank heeft de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen van deze maatregel. De rechtbank heeft verder de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot € 14.315,38 en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Zoals uit de tenlastelegging blijkt, heeft een deel van de ontuchtige handelingen plaatsgevonden toen verdachte nog minderjarig was en een deel toen hij reeds meerderjarig was. Het vierde lid van artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering biedt het hof, als jeugdstrafkamer, in een zaak als deze de mogelijkheid om kennis te nemen van feiten voor- en nadat een verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Hiermee wordt beoogd mogelijk te maken dat een feitencomplex dat een periode omvat die begint voor het 18e levensjaar en eindigt na het 18e levensjaar als één feit te laste te leggen. De tenlastegelegde periode behoeft zo niet in twee delen te worden geknipt en een zaak hoeft dan niet gesplitst te worden in een minderjarige en een meerderjarige (deel)zaak. Het hof dient dan conform lid 5 van hetzelfde artikel een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. Gelet op de toelichting bij de invoering van dit wetsartikel is de hoofdregel dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen, maar de rechter kan ervoor kiezen een straf of maatregel uit het strafrecht voor jeugdigen op te leggen. Het voorstel voorziet niet in de mogelijkheid te differentiëren naar het moment waarop deze feiten zijn begaan (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33498, 3, p. 55). Het wetsartikel en de toelichting daarbij bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt dat dit alleen zou gelden voor zaken waarin het feitencomplex begint vanaf het 16e levensjaar en doorloopt tot na het bereiken van de leeftijd van 18 jaren.
Gezien het belang van verdachte bij gelijktijdige berechting van alle ten laste gelegde feiten en de omstandigheid dat deze feiten met elkaar als het ware één feitencomplex vormen, brengt een doelmatige rechtspleging met zich dat het hof alle feiten — ook al zijn zij begaan voor de inwerkingtreding van de hiervoor genoemde wetswijziging — gelijktijdig behandelt en in één arrest opneemt, zoals in vergelijkbare zaken al eerder is gedaan.
Om die reden, maar ook omdat het hof anders dan de rechtbank tot één strafoplegging komt voor alle ten laste gelegde feiten, zal het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen, waarbij de bewijsoverwegingen van de rechtbank worden overgenomen.’
2.3
In het arrest heeft het hof verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof onder meer overwogen:
‘Zoals aan het begin van dit arrest is overwogen, heeft het hof toepassing gegeven aan het bepaalde in het vierde lid van artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering door de ten laste gelegde feiten niet te splitsen in een minderjarig en meerderjarig deel. Op grond van het vijfde lid van voornoemd artikel dient de rechter een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. Gelet op de toelichting bij de invoering van dit wetsartikel is de hoofdregel dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen. Het hof ziet, mede naar aanleiding van het advies van de reclassering, geen aanleiding daar in dit geval vanaf te wijken.’
2.4
Art. 495 Sv luidde tot 1 april 2014:
- ‘1.
De zaak wordt bij de rechtbank in eerste aanleg voor de kinderrechter vervolgd.
- 2.
Niettemin geschiedt de behandeling van de zaak door de meervoudige kamer, indien naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie
- a.
in de zaak een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan wel een zwaardere hoofdstraf dan vrijheidsstraf van zes maanden dient te worden opgelegd;
- b.
wegens de ingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient;
- c.
de zaak, indien deze tevens één of meer verdachten betreft die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt, niet voor splitsing vatbaar is.
- 3.
In zaken welke voor een meervoudige kamer der rechtbank worden vervolgd neemt de kinderrechter aan het onderzoek der terechtzitting deel.’
2.5
Met de invoering van een adolescentenstrafrecht3. zijn aan art. 495 Sv leden 4–6 toegevoegd, zodat sedertdien art. 495 Sv luidt:
- ‘1.
De zaak wordt bij de rechtbank in eerste aanleg voor de kinderrechter vervolgd.
- 2.
Niettemin geschiedt de behandeling van de zaak door de meervoudige kamer, indien naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie
- a.
in de zaak een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan wel een zwaardere hoofdstraf dan vrijheidsstraf van zes maanden dient te worden opgelegd;
- b.
wegens de ingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient;
- c.
de zaak, indien deze tevens één of meer verdachten betreft die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt, niet voor splitsing vatbaar is.
- 3.
In zaken welke voor een meervoudige kamer der rechtbank worden vervolgd neemt de kinderrechter aan het onderzoek der terechtzitting deel.
- 4.
De kinderrechter is bevoegd kennis te nemen van een strafbaar feit of strafbare feiten die zijn begaan nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt indien de vervolging van dat feit of deze feiten gelijktijdig plaatsvindt met de vervolging van verdachte ter zake van een strafbaar feit bedoeld in artikel 488, tweede lid. Het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing.
- 5.
Bij toepassing van het vierde lid kan de rechter recht doen volgens de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
- 6.
Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing wanneer het afzonderlijke strafbare feiten betreft die op grond van artikel 263 of artikel 287 gevoegd zijn behandeld.’
2.6
art. 77a Sr luidt:
‘Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen 9, 10, 12 tot en met 31, 35 tot en met 38u, 43a tot en met 44 en 57 tot en met 62 niet van toepassing. In de plaats daarvan treden de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 77d tot en met 77hh.’
2.7
Art. 77g Sr luidt:
- ‘1.
In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in deze Titel voorzien.
- 2.
Een hoofdstraf kan zowel afzonderlijk als tezamen met andere hoofdstraffen of met bijkomende straffen worden opgelegd.
- 3.
Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.’
2.8
Art. 77i Sr luidt:
- ‘1.
De duur van de jeugddetentie is:
- a.
voor degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt: ten minste een dag en ten hoogste twaalf maanden, en
- b.
overigens ten hoogste vierentwintig maanden.
- 2.
De duur van de jeugddetentie wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken of maanden.
- 3.
De artikelen 26 en 27 zijn bij veroordeling tot jeugddetentie van overeenkomstige toepassing.’
2.9
Verdachte is geboren op [geboortedatum] 1991. Ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde was verdachte jonger dan 16 jaar. Dit geldt ook voor een deel van het onder feit 2 bewezenverklaarde. Ten tijde van het bewezenverklaarde kon slechts jeugddetentie worden opgelegd.4. Dit is thans ook nog het geval. Toepassing van meerderjarigenstrafrecht was/is pas — onder bepaalde voorwaarden — mogelijk ten aanzien van jeugdigen die de leeftijd van zestien jaren (doch nog niet die van achttien jaren) heeft bereikt. Mede gelet hierop brengt een redelijke wetstoepassing5. in gevallen als het onderhavige met zich dat ingeval art. 495 lid 4 Sv wordt toegepast in geval van samenloop van bewezenverklaarde feiten die een verdachte heeft begaan voor het bereiken van een 16-jarige leeftijd en feiten die daarna zijn begaan ten hoogste een jeugddetentie wordt opgelegd van 24 maanden. Immers, in de uitleg van het hof kan aan iemand die nog geen 16 is en waar op grond van art 77i lid 1 sub a Sv een maximale jeugddetentie van twaalf maanden geldt, maar bij samenloop van strafbare feiten waar deze persoon inmiddels 16 of 17 is geworden en waarbij dan maximaal een jeugddetentie van 24 maanden kan worden opgelegd, door de werking van art 495 Sv het volwassenenstrafrecht worden toegepast. Dat is een onredelijke wetsuitleg. De MvT waar het hof naar verwijst meldt daarnaast eveneens het volgende in:
‘‘2.1
(…)
Het wetsvoorstel wil de flexibiliteit rond de leeftijdsgrens van 18 jaar daarom vergroten en het hele sanctiepakket uit het jeugdstrafrecht en het gewone strafrecht beschikbaar stellen voor de groep adolescenten van 16 tot 23 jaar.
(…)
Een gevolg van de keuze om het adolescentenstrafrecht vorm te geven binnen de grenzen van het IVRK en de daarbij gemaakte voorbehouden is dat enkele van de maatregelen geen betrekking hebben op 15- tot 23-jarigen maar strikt genomen zien op 16- tot 23-jarigen. Ook in de adviezen naar aanleiding van het wetsvoorstel is dit geconstateerd. Het gaat hierbij om gevallen waarin de rechter met toepassing van het gewone strafrecht een vorm van vrijheidsbeneming overweegt ten aanzien van een jeugdige die ten tijde van plegen van een misdrijf de leeftijd van 16 of 17 heeft bereikt.’
(…)
3.3.4
(…)
De mogelijkheid om ten aanzien van jeugdigen die bij het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van 16 of 17 jaar hebben bereikt toepassing te geven aan het volwassenenstrafrecht, voert dus direct terug naar de inrichting van een afzonderlijk jeugdstrafrecht.’
(onderstrepingen door de stellers van het middel).’
2.10
Het oordeel van het hof dat het wetsartikel en de toelichting erop (uit de wetsgeschiedenis) geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat dit alleen zou gelden voor zaken waarin het feitencomplex begint vanaf het 16e levensjaar en doorloopt tot na het bereiken van de leeftijd van 18 jaren is onbegrijpelijk. De invoering beoogt flexibiliteit rondom het 18e levensjaar.
2.11
Het oordeel van het hof levert bovendien strijd op met het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij art 37 IVRK, dat inhoudt dat dit de Nederlandse Staat niet kan weerhouden om conform de Nederlandse strafwet kinderen van 16 en ouder ten tijde van het plegen van het delict via het volwassenenstrafrecht te berechten.
2.12
Art. 495 Sv regelt ten slotte iets over de behandeling van zaken indien iemand wordt verdachte van een feitencomplex die begint voordat hij of zij 18 was en erna. Het beoogt een efficiënte en effectieve behandeling van de zaak. Dat het hof aan dit artikel ontleent dat ook een gevangenisstraf kan worden opgelegd aan een persoon die deels nog geen 16 jaar was, is gelet op de artt 77i Sr, de delen geciteerd uit de hiervoor bedoelde Memorie van Toelichting én het voorbehoud van Nederland bij art 37 IVRK dat zich beperkt tot verdachten van 16 jaar en ouder onjuist althans onbegrijpelijk.
2.13
In ieder geval getuigt het oordeel van het hof dat het hof het vrijstond een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel zodat het hof verdachte veroordeeld heeft tot een gevangenisstraf van drie jaar van een onjuiste rechtsopvatting zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 14 maart 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑03‑2024
Bedoeld zal zijn C.M.
Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452 alsmede HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152.
Wet van 27 november 2013, Stb. 2013, 485.
Vgl. o.m. HR 5 oktober 2010, NJ 2010/551.
Zie in dit verband HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1023, NJ 2019/305:‘2.8.2. Voorts geldt voor een deel van de feiten die door de eerste rechter met toepassing van het jeugdstrafrecht zijn berecht dat de verdachte ten tijde van het begaan van het feit zestien of zeventien jaren oud was, maar geldt voor een ander deel van die feiten dat de verdachte de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.Ingevolge art. 77i, eerste lid onder a, Sr is het maximum van een op te leggen jeugddetentie aan de verdachte voor de feiten die hij heeft begaan toen hij nog geen zestien jaren oud was, tot twaalf maanden begrensd. Deze maximumduur is absoluut in die zin dat bij samenloop van diverse strafbare feiten die een verdachte van die leeftijd heeft begaan ingevolge art. 77gg, tweede lid, Sr geen verhoging boven het genoemde maximum is toegestaan, terwijl art. 77a Sr de werking van art. 57 Sr voor jeugdigen uitsluit.2.8.3 Mede gelet hierop brengt een redelijke wetstoepassing in gevallen als het onderhavige met zich dat:a) de rechter ook in geval van samenloop van verschillende strafbare feiten in de eerste plaats ermee rekening dient te houden dat de duur van de jeugddetentie ingevolge art. 77i, eerste lid onder b, Sr in totaal ten hoogste 24 maanden bedraagt;b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met dit maximum van 24 maanden verminderd met de door de eerste rechter opgelegde straf, voor zover ten aanzien van die feiten het jeugdstrafrecht is toegepast;c) de rechter in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit;d) hij voorts rekening dient te houden met het absolute strafmaximum van 12 maanden dat ingevolge art. 77i, eerste lid onder b, Sr geldt voor alle feiten die de verdachte heeft begaan toen hij nog geen zestien jaren oud was.