Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.2.3
4.2.3 Begroting van de kosten van het deskundigenbericht (vaststelling van het onderzoeksbudget)
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457888:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 195, eerste volzin Rv. Zie Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 134: “Voorafgaand aan of kort na uw benoeming ontvangt u van het gerecht het verzoek een voorschot op te geven.”
Zie bijvoorbeeld P.C.E. van Wijnen in zijn noot onder HR 22 april 1998, NJ 1999/43 (Staat/ Crombach). Het hoogste bedrag dat bij mijn weten in Nederland ooit als voorschot voor een deskundigenbericht is vastgesteld, bedraagt € 3.160.000. Dit deskundigenonderzoek had betrekking op de vraag hoeveel olie een concessionaris met het recht olie te boren in een blok op het continentaal plat mogelijk had onttrokken aan het aangrenzende blok van een andere concessionaris.
HR 22 april 1998, NJ 1999/43, m.nt. P.C.E. van Wijnen (Staat/Crombach) en HR 5 maart 1999,NJ 1999/382 (Zingstra/Coöperatieve Telersvereniging Land van Cuyk e.o.). Vgl. ook Leidraad des kundigen in civiele zaken nr. 133; De Groot 2012, p. 83-84.
Zie § 4.2.6.
HR 13 september 2002, NJ 2004/18, m.nt. H.J. Snijders (Uiterlinden/Van Zijp c.s.), besproken in § 4.2.2; De Groot 2012, p. 84-86.
De aard van deze beslissing brengt overigens mee dat de rechter van deze beslissing in bijzondere omstandigheden kan terugkomen, bijvoorbeeld indien de door de deskundigen bestede tijd door toedoen van de partij die het voorschot moest betalen nodeloos is opgelopen.
Vgl. conclusie A-G Langemeijer voor HR 5 maart 1999, NJ 1999/382 (Zingstra/Coöperatieve Telersvereniging Land van Cuyk e.o.), nr. 2.7.
HR 13 september 2002, NJ 2004/18, m.nt. H.J. Snijders (Uiterlinden/Van Zijp c.s.).
HR 22 januari 2010, NJ 2011/269, m.nt. H.J. Snijders (L./B.), in welk arrest de Hoge Raad uitdrukkelijk is omgegaan ten opzichte van HR 30 juni 1995, NJ 1996/200, m.nt. H.E. Ras (Zingstra/Coöperatieve Telersvereniging Land van Cuyk e.o.).
De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen deskundigen vragen hun kosten te begroten.1 De Leidraad deskundigen in civiele zaken gaat ervan uit dat de rechter de deskundigen altijd vraagt om hun kosten te begroten. Dit lijkt mij als uitgangspunt ook terecht. In de praktijk hoort men vaak klachten over de hoogte van de kosten en vooral de ondoorzichtigheid van de kostenopbouw van het deskundigenbericht.2 Zeker indien het onderzoeksbudget substantieel is, hetzij in absolute zin, hetzij relatief gezien het belang van de zaak en de draagkracht van de partij die het voorschot moet betalen, meen ik dat partijen hierover moeten worden gehoord. Indien de rechter de deskundigen vraagt hun kosten te begroten, brengt het beginsel van hoor en wederhoor mee dat de rechter het voorschot niet vaststelt voordat partijen zich hierover hebben kunnen uitlaten.3 Dit biedt partijen de mogelijkheid zich uit te spreken over het door de deskundigen in rekening te brengen uurtarief, het aantal uren dat zij verwachten in rekening te brengen en hun eventuele verschotten. Wat betreft het uurtarief merk ik op dat dit wettelijk is geregeld, maar dat daarvan in de praktijk met grote regelmaat wordt afgeweken.4 Naar aanleiding van het aantal uren dat de deskundigen verwachten in rekening te brengen en de verwachte verschotten kunnen partijen aan de orde stellen of dat wel nodig is en niet met een minder diepgaand onderzoek kan worden volstaan.5 Als de rechter van zijn bevoegdheid de deskundigen om een kostenbegroting te vragen gebruikmaakt, beslist hij op voorhand dat hij de kosten van het deskundigenbericht niet op een hoger bedrag zal vaststellen dan het voorschot bedraagt.6 De wijze waarop partijen zich kunnen uitlaten over de kostenbegroting van de deskundigen is niet geregeld. Dit kan informeel geschieden, bijvoorbeeld per brief.7
Door de vaststelling van het onderzoeksbudget kan de rechter, gehoord partijen, toezicht houden op de hoogte van de onderzoekskosten. Indien de rechter zou menen dat de deskundigen een te hoog budget claimen, kan hij met hen overleggen om te bezien of het onderzoek ook voor een lager bedrag kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door bepaalde onderzoekshandelingen achterwege te laten of minder diepgaand uit te voeren. Ook zou de rechter, als hij meerdere deskundigen heeft benoemd, alsnog kunnen besluiten het aantal deskundigen te beperken. Uiteraard is de uiteindelijke beslissing aan de rechter. Partijen kunnen de rechter wel vragen om het onderzoeksbudget niet hoger dan een bepaald bedrag vast te stellen, maar hebben geen vetorecht. Indien de rechter bezwaren van partijen tegen de kostenbegroting verwerpt, zal hij die beslissing evenwel van een toereikende motivering moeten voorzien. Dit vloeit voort uit de beslissing van de Hoge Raad in de Uiterlinden/Van Zijp-zaak, waarin hij overwoog dat de rechter van de kostenbegroting van artikel 195 Rv gebruik kan maken om te beoordelen of aan een verzoek tot maximering kan worden voldaan, waarbij een afwijzende beslissing toereikend zal moeten worden gemotiveerd.8
Tegen de beslissing van de rechter waarbij hij het onderzoeksbudget vaststelt, staat alleen gelijktijdig met de einduitspraak (cassatie)beroep open.9