Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.3.1:3.3.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.3.1
3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574761:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in deze zin bijv. Köhne 2000, p. 157-158; Hendriksen 2001, p. 150; Scholtens 2000, p. 15; Buijs Sc Stroink 1997, p. 34; Neerhof 1995, p. 229.
Vgl. Polak 1987, p. 26.
Gezien de opzet van dit onderzoek gaat het hierbij primair om de positie van de burgerlijke rechter t.o.v. de wetgever, al zal hetgeen hierover gezegd wordt wel grotendeels van overeenkomstige toepassing zijn op andere soorten (overheids)rechters.
Zie § 1.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in de voorgaande paragraaf bleek, vormt de onafhankelijkheid van de rechter geen principieel obstakel voor de vaststelling van rechtersregelingen (eventueel ook: bindende rechtersregelingen) door rechters. Een ander veel gehoord argument tegen de vaststelling van dergelijke rechtersregelingen is dat de rechter zich hiermee schuldig zou maken aan ongeoorloofde daden van wetgeving.1 Zulks zou in strijd zijn met de scheiding der machten. De vaststelling van algemene regels wordt in ons rechtssysteem immers doorgaans bij uitstek als een taak voor de wetgever beschouwd.2 De rechter zou daarom niet tot vaststelling van rechtersregelingen 'bevoegd' zijn, en voorzover dergelijke regelingen toch tot stand komen zou daaraan elke bindende werking ontzegd moeten worden.
Hiermee is de tweede algemene vraag die behandeling behoeft genoemd, namelijk of de staatsrechtelijke verhouding tussen rechter en wetgever inderdaad in de weg staat aan de vaststelling van rechtersregelingen, in het bijzonder aan het aannemen van gebondenheid daaraan. Teneinde deze vraag te kunnen beantwoorden zal eerst in algemene zin worden bezien, hoe de afbakening van taken tussen rechter3 en wetgever naar huidige inzichten wordt opgevat (§ 3.3.2). Vervolgens kan worden onderzocht in hoeverre het hierbij verschil maakt of de rechter zich binnen, dan wel buiten het kader van de beslechting van een concreet geschil van de hem toekomende taak kwijt (§ 3.3.3). Hét element dat rechtersregelingen wezenlijk onderscheidt van de meer gebruikelijke regels van 'rechtersrecht' is immers dat eerstgenoemde regels niet via rechterlijke uitspraken worden gevormd, maar juist daarbuiten tot stand worden gebracht.4