Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang
Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.5.3:6.5.3 Beperking werking door uitsluiten aandeelhouders met netto negatief of zonder (volledig) economisch belang
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.5.3
6.5.3 Beperking werking door uitsluiten aandeelhouders met netto negatief of zonder (volledig) economisch belang
Documentgegevens:
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS343168:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
a. Argumenten voor beperking
Uitgaande van de gedachte dat het vennootschapsrecht aan de aandeelhouder verschillende rechten jegens de vennootschap verschaft teneinde zijn economische belang te beschermen, valt gemakkelijk te betogen dat een aandeelhouder met netto negatief of zonder (volledig) economisch belang dergelijke rechten niet nodig heeft. Voor de aandeelhouder met een beperkt economisch belang geldt dat voor zover zijn juridische belang zijn economische belang overstijgt. Aanspraken ontleend aan artikel 2:8 BW kunnen van deze aandeelhouders worden afgenomen. Dat geldt in het bijzonder voor een aandeelhouder met een netto negatief belang bij aandelen in de vennootschap, wiens belang tegenstrijdig is aan dat van de vennootschap en zijn medeaandeelhouders.
b. Argumenten tegen beperking
Tegen een beperking pleit dat artikel 2:8 BW aan een aandeelhouder met netto negatief of zonder economisch belang toch al weinig of geen bescherming biedt– met zijn belang behoeft de vennootschap in beginsel geen rekening te houden – terwijl het artikel de rechten van deze aandeelhouder wel beperkt en hem voorts enkele verplichtingen oplegt, zoals uiteengezet in paragraaf 6.4.2. Die beperkingen en verplichtingen zouden wegvallen als de aandeelhouder met netto negatief of zonder economisch belang wordt uitgesloten. Uitsluiting van aandeelhouders zonder economisch belang zou daarnaast een gebruikelijke figuur als die van een stichting administratiekantoor in een lastig parket brengen. Dat die tot de kring van artikel 2:8 BW behoort en moet blijven behoren, lijkt evident.
Het uitsluiten van bepaalde aandeelhouders van de kring van artikel 2:8 BW leidt voorts tot afbakeningsproblemen en stelt de vennootschap voor de vraag jegens wie zij in de praktijk nu de normen van artikel 2:8 BW moet naleven.
c. Beoordeling
Het beperken van de reikwijdte van artikel 2:8 BW door het uitsluiten van aandeelhouders met netto negatief of zonder (volledig) economisch belang lijkt mij niet zinvol. In tegendeel, aan de redelijkheid en billijkheid van dat artikel kan de vennootschap nuttige aanspraken jegens zo’n aandeelhouder ontlenen. Die aandeelhouder wordt tot op zekere hoogte ingekapseld door de redelijkheid en billijkheid en beperkt in de uitoefening van zijn rechten, maar wel op een manier die maatwerk kan bieden. Zou zo’n aandeelhouder worden uitgesloten van de kring van artikel 2:8 BW, dan ligt voor de hand dat hij in meer algemene zin in de uitoefening van zijn aandeelhoudersrechten wordt beperkt, voor zover zijn juridische belang groter is dan zijn economische belang. Dat leidt tot afbakeningsproblemen en is een bottere bijl dat die van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zouden aandeelhouders met beperkt, zonder of netto negatief belang worden uitgesloten van de werking van artikel 2:8 BW, dan zou ook in een andere manier van het opleggen van transparantieverplichtingen moeten worden voorzien.
Dat laat onverlet dat voor aandeelhouders met een netto negatief belang of bij een combinatie van een tegenstrijdig belang met een beperkt economisch belang bij de aandelen, zie paragraaf 5.3.3d en 5.4.2b, het ontnemen van bepaalde aandeelhoudersrechten aangewezen lijkt.