NJ 1970, 248
Hof 's-Gravenhage, 28-05-1969
Hof 's-Gravenhage 28-05-1969, ECLI:NL:GHSGR:1969:AC4939
- Instantie
Hof 's-Gravenhage
- Datum
28 mei 1969
- Magistraten
Van Moorsel, Hazendonk, Prins
- Zaaknummer
[1969-05-28/NJ_52650]
- LJN
AC4939
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHSGR:1969:AC4939, Uitspraak, Hof 's-Gravenhage, 28‑05‑1969
- Wetingang
Wet AB art. 1; Wet AB art. 2; Wet AB art. 3; Wet AB art. 4; Wet AB art. 5; Wet AB art. 6; Wet AB art. 7; Wet AB art. 8; Wet AB art. 9; Wet AB art. 10; Wet AB art. 11; Wet AB art. 12; Wet AB art. 13; Wet AB art. 14; BW art. 668; Rv (oud) art. 742
Essentie
Derden-arrest op gedecedeerde vordering.
Samenvatting
Terecht besliste de Rb., dat de geldigheid van de in Duitsland tussen twee aldaar gevestigde partijen tot stand gekomen cessie naar het Duitse recht moet worden beoordeeld, doch dat haar werking t.a.v. de in Nederland woonachtige Ned. debitrice is te beoordelen naar het Ned. recht.
Daargelaten of ingevolge art. 668, 2de lid, BW de debitrice, aan wie de cessie niet was betekend, noch deze door haar schriftelijk was aangenomen of erkend, maar aan wie de cessie wel bekend was, nog bevrijdend zou kunnen betalen aan haar oorspronkelijke creditrice, zij was daartoe in ieder ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.