Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.1:6.2.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.1
6.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577093:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 4 bleek reeds dat een rechtersregeling omtrent de invulling van een bepaalde vorm van (rechterlijke) beleidsruimte die (a) berust op zelfbinding door de ter zake bevoegde rechters, en (b) behoorlijk bekend is gemaakt, de rechter bindt op grond van 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging'. Bij deze beginselen valt in het bijzonder aan het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel te denken.1 Deze binding staat strikt genomen los van de vraag of een zodanige rechtersregeling tevens recht in de zin van art. 79 RO oplevert. Wel is het zo, dat de eisen voor binding op grond van algemene rechtsbeginselen en voor kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO, (vrijwel) volledig samenvallen.2 De omvang van de binding waarin een rechtersregeling resulteert, wordt echter niet zozeer bepaald door de kwalificatie als recht in de zin van art. 79 RO, als wel door het specifieke karakter van een dergelijke regeling. Dit karakter wordt in het bijzonder bepaald door het feit dat rechtersregelingen niet berusten op een door de wetgever uitdrukkelijk aan de rechter toegekende wetgevende bevoegdheid, terwijl zij evenmin te beschouwen zijn als regels van jurisprudentierecht. Het gaat bij dit soort regelingen derhalve om regels van een lagere orde. Dit brengt met zich dat de binding aan rechtersregelingen in meerdere opzichten beperkt van aard is.3
Een eerste beperking is gelegen in het feit dat een rechtersregeling in beginsel dient te worden vastgesteld binnen de grenzen van de aan de rechter toekomende beslissingsruimte. Dit punt is in § 4.4.4.3 reeds besproken, zodat op deze plaats volstaan kan worden met een verwijzing daarnaar. In de tweede plaats zal de rechter in bepaalde gevallen van een (hem bindende) rechtersregeling kunnen afwijken. Deze bevoegdheid tot afwijking komt uitgebreider aan de orde in § 6.2.2. Een derde belangrijk punt is dat het bij de hier besproken rechtersregelingen in beginsel gaat om zelfbinding van bepaalde rechters jegens partijen. Dit doet de vraag rijzen in hoeverre ook anderen (andere rechters, en eventueel zelfs de procespartijen) aan een dergelijke regeling 'gebonden' kunnen zijn. Deze vragen vormen het onderwerp van § 6.2.3. Het feit dat de hier besproken rechtersregelingen berusten op zelfbinding, doet bovendien de vraag rijzen of een rechter die zich aan een rechtersregeling gebonden heeft, nog wel onpartijdig (in de zin van art. 6 EVRM) is indien hij een dergelijke regeling vervolgens in een concrete zaak moet toepassen. Op deze vraag wordt in § 6.2.4 ingegaan.