Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/8.2
8.2 De kern van de wettelijke regeling
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS501133:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 12.
Ten onrechte wordt in art. 5:25i lid 6 Wft uitsluitend verwezen naar art. 5:25i lid 5, eerste volzin Wft, en niet ook naar art. 5:25i lid 5, tweede volzin Wft (zie verder § 8.4.6).
Zie Kamerstukken II, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 36.
Art. 5:57 lid 1 onderdeel b Wft bepaalt verder — geparafraseerd weergegeven — dat het een insider verboden is 'een derde aan te bevelen of ertoe aan te zetten transacties te verrichten of te bewerkstelligen in die financiële instrumenten' ten aanzien waarvan de insider over voorwetenschap beschikt dan wel vanwege zijn bijzondere hoedanigheid geacht wordt daarover te beschikken.
Art. 5:57 lid 3 Wft voorziet in een grondslag om bij AMvB regels te stellen met betrekking tot de gevallen waarin en de omstandigheden waaronder sprake is van mededelen van voorwetenschap in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie als bedoeld in art. 5:57 lid 1 onderdeel a Wft. Zie verder § 8.4.4.
Ter voorkoming van selectieve openbaarmaking van koersgevoelige informatie — zo stelt de wetgever1 — is in art. 5:25i lid 2 Wft de voor uitgevende instellingen geldende verplichting opgenomen om onverwijld tot openbaarmaking van koersgevoelige informatie over te gaan. Diverse facetten van deze openbaarmakingsplicht zijn inmiddels in de voorgaande hoofdstukken uitgebreid aan bod gekomen. Eén facet daarvan is nog niet besproken. Art. 5:25i lid 5 Wft bevat de volgende bijzondere voorziening:
"Indien de uitgevende instelling of een persoon die haar vertegenwoordigt, doelbewust informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie meedeelt aan een derde, stelt de uitgevende instelling die informatie gelijktijdig algemeen verkrijgbaar. Indien de informatie niet doelbewust aan een derde is meegedeeld stelt de uitgevende instelling de informatie onverwijld na het doen van de mededeling algemeen verkrijgbaar. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing."
Kort en goed komt deze voorziening op het volgende neer. Indien (een vertegenwoordiger van) de uitgevende instelling in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie koersgevoelige informatie meedeelt aan een derde, ontstaat voor de uitgevende instelling in beginsel alsnog de plicht tot openbaarmaking van die informatie. Openbaarmaking van die koersgevoelige informatie moet gelijktijdig plaatsvinden indien de informatieverstrekking aan een derde doelbewust plaatsvindt of onverwijld daarna indien de koersgevoelige informatie niet doelbewust aan een derde is verstrekt door (een vertegenwoordiger van) de uitgevende instelling. In art. 5:25i lid 6 Wft wordt verder nog bepaald dat deze bijzondere openbaarmakingsplicht niet van toepassing is indien de persoon aan wie de informatie wordt medegedeeld ter zake daarvan gehouden is tot geheimhouding.2
Met de bijzondere openbaarmakingsplicht van art. 5:25i lid 5 Wft houdt het mededelingsverbod van art. 5:57 lid 1 onderdeel a Wft ten nauwste verband. Volgens de wetgever liggen deze bepalingen in het verlengde van elkaar.3 Op grond van het mededelingsverbod is het een ieder onder meer4 verboden om:
"(...) de informatie waarop zijn voorwetenschap betrekking heeft aan een derde mee te delen, anders dan in de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie".
Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat in het geval de koersgevoelige informatie (of in dit geval beter gezegd: de voorwetenschap) door de uitgevende instelling niet in de normale uitoefening van werk, beroep of functie aan een derde wordt medegedeeld het mededelingsverbod van art. 5:57 lid 1 onderdeel a Wft wordt overtreden.5 Wordt koersgevoelige informatie daarentegen wel in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie aan een derde medegedeeld, dan is het mededelingsverbod niet overtreden. Voor dat geval bepaalt art. 5:25i lid 5 Wft echter dat de uitgevende instelling deze informatie in beginsel alsnog openbaar dient te maken in vervolg op de selectieve openbaarmaking van deze informatie.
Na deze beknopte uiteenzetting van de wettelijke regeling volgt eerst een kennismaking met Regulation FD die de wetgever tot voorbeeld heeft gestrekt bij het ontwerpen daarvan (zie § 8.3). Daarna zal uitgebreider bij enkele onderdelen van de wettelijke regeling worden stilgestaan (zie § 8.4).