Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.4:8.4.4 Conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.4
8.4.4 Conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583069:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf is onderzocht in hoeverre de toepassing van een rechtersregeling in de lagere rechtspraak kan leiden tot een bepaalde mate van gebondenheid daaraan van de lagere rechters onderling. Hierbij is uitgegaan van de gedachte dat naarmate een bepaalde lijn in de rechtspraak meer gevestigd raakt, ook op het niveau van lagere rechters onderling een zekere - en steeds toenemende - graad van binding aan die rechtspraak kan ontstaan. Deze gedachte kan onderbouwd worden via de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, in het bijzonder het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Een beroep op deze beginselen wint aan kracht naarmate in meer vergelijkbare gevallen eenzelfde beslissing is gegeven.
Het voordeel van deze wijze om op horizontaal niveau met precedenten en rechtersregelingen om te gaan is dat zij de nodige flexibiliteit biedt. Deze flexibiliteit lijkt ook noodzakelijk omdat juist op horizontaal niveau (anders dan in 'verticale' verhoudingen) het 'autoriteitsargument' geen rol speelt en bovendien de rechtsontwikkeling erbij gebaat kan zijn dat in eerste instantie verschillende oordelen worden gegeven ten aanzien van eenzelfde rechtsvraag.1 Wanneer reeds de eerste uitspraak van een lagere rechter over een bepaalde kwesde bindend zou zijn voor alle andere lagere rechters is het gevaar van verstarring van het recht niet denkbeeldig.
De hier uiteengezette theorie kan bovendien zowel worden toegepast op de rechtsoordelen of rechtsopvattingen die in een rechterlijke uitspraak zijn neergelegd, als op de daarin louter 'feitelijk' gevolgde gedragslijnen. Dit laatste onderwerp valt buiten de 'klassieke' precedententheorieën, terwijl eigenlijk niet goed valt in te zien waarom de rechter aan 'vast beleid' niet ook tot op zekere hoogte gebonden zou kunnen zijn, in elk geval na verloop van tijd. Ook op dit gebied is overigens enige flexibiliteit noodzakelijk, omdat dit in sommige gevallen juist een belangrijke reden vormt om de rechter beleidsruimte te laten.2
Met het voordeel van de flexibiliteit is tevens een belangrijk nadeel genoemd: aan de hier omschreven vorm van precedentwerking is een zekere mate van vaagheid inherent. De mate van binding van de rechter is slechts in termen van meer en minder, dan wel sterk en zwak aan te geven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de mogelijkheden tot afwijking. Hoe 'meer' een bepaalde lijn in de rechtspraak gevestigd is, hoe 'sterker' de argumenten zullen moeten zijn om ervan af te mogen wijken. Ook hier kan niet op voorhand exact worden aangegeven welke argumenten in welk geval sterk genoeg zijn of welke mate van motivering afdoende is te achten. Niettemin is van (groot) belang dat ook voor het niveau van de lagere rechters kan worden onderbouwd dat en waarom hun uitspraken een bepaalde betekenis hebben voor andere lagere rechters, zodat een rechter niet geheel voorbij zal mogen gaan aan een rechtersregeling als bijvoorbeeld de kantonrechtersformule, die in constante rechtspraak door andere rechters wordt toegepast.