Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/4.2.1.1
4.2.1.1 Het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90942:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Afhankelijk van het overeenkomen van een opschortende of ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst, wordt de leverancier eigenaar onder ontbindende dan wel opschortende voorwaarde. Over de vraag waaraan de opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs is verbonden, bestaan verschillende opvattingen in de literatuur. Ik verwijs naar Stolz 2015, p. 984-1006; Verheul 2018, p. 115-158.
Verheul 2018, p. 51-55 noemt dit ‘de neutrale werking’ van het eigendomsvoorbehoud.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 387-388.
HR 3 juni 2016, NJ 2016/290, JOR 2016/287 (Rabobank/Reuser).
Hierop geldt een uitzondering als de fiscus zich met het bodemrecht wil verhalen op de zaak. Zie hierover hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.1.2.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1239.
Deze vormvrijheid geldt echter niet (steeds) als het eigendomsvoorbehoud wordt bedongen in de overeenkomst van goederenkrediet, hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.1.3.
Verkoopt een leverancier zaken aan een koper, dan wordt de koopprijs doorgaans niet steeds gelijktijdig met de koop voldaan. De koper kan de koopprijs bijvoorbeeld nog niet (volledig) betalen of wil de zaken alvast onder zich nemen terwijl hij de betaling moet regelen. De leverancier kan besluiten om de zaken op krediet aan de koper te leveren. Doorgaans wil hij zekerheid verkrijgen voor dit verstrekte krediet. Art. 3:92 BW biedt de leverancier de mogelijkheid om een eigendomsvoorbehoud te bedingen. De leverancier behoudt zich de eigendom van de geleverde zaken voor totdat de koper de koopprijsvordering voldoet. De leverancier draagt de eigendom over op grond van een geldige titel en een levering door machtsverschaffing ex art. 3:91 BW. Het rechtsgevolg van de overdracht, de eigendomsovergang, is afhankelijk van de vervulling van de opschortende voorwaarde. Pas bij de vervulling gaat de eigendom over op de koper. Tot die tijd is de koper eigenaar onder de opschortende voorwaarde van betaling.1
De eigendom (onder ontbindende voorwaarde) van de zaken fungeert als zekerheid voor de betaling van de koopprijs. Blijft de koper in gebreke met voldoening van de koopprijs, dan kan de leverancier de koopovereenkomst ontbinden en de zaken als eigenaar revindiceren.
Bij de invoering van een wettelijke regeling voor het eigendomsvoorbehoud in het huidige BW heeft de minister twee redenen gegeven ter rechtvaardiging van het eigendomsvoorbehoud voor leverancierskrediet.
Ten eerste strekt het eigendomsvoorbehoud tot het behoud van de revindicatieaanspraak van de leverancier. In de memorie van antwoord II merkt de minister op dat het billijk is om de leverancier de mogelijkheid te geven om zijn zaken te revindiceren. Hij was vóór de overdracht namelijk onvoorwaardelijk eigenaar van de zaken. Door ontbinding komen partijen weer in dezelfde positie te verkeren als voor het sluiten van de koopovereenkomst.2 De leverancier is opnieuw onvoorwaardelijk eigenaar van de zaken.3 Dit is in overeenstemming met het resultaat van ontbinding (zonder eigendomsvoorbehoud) onder het oude recht.
Ten tweede heeft het eigendomsvoorbehoud tot gevolg dat de leverancier een ‘eerste zekerheidsrecht’ verkrijgt op de zaken. Hij komt zelfs niet in conflict met andere schuldeisers van de koper. De koper wordt namelijk pas onvoorwaardelijk eigenaar als de vordering van de leverancier is voldaan. Tot die tijd kunnen schuldeisers van de koper zich slechts verhalen op de eigendom onder opschortende voorwaarde op grond van art. 3:276 BW.4 Ontbindt de leverancier de koopovereenkomst, dan houdt de voorwaardelijke eigendom van de koper op te bestaan en dus ook de hierop gevestigde zekerheidsrechten. Er ontstaat geen concursus met schuldeisers van de koper.5 Zou de leverancier daarentegen geen eigendomsvoorbehoud kunnen bedingen, maar slechts een (stil) pandrecht, dan loopt hij het risico een tweede pandrecht te verkrijgen. Doorgaans heeft de bank van de koper eerder bij voorbaat een pandrecht op dezelfde zaken gevestigd. De minister achtte een tweede pandrecht ten gunste van de leverancier op de door hem geleverde zaken onwenselijk. Op deze op krediet geleverde zaken dient de leverancier een zekerheidsrecht te verkrijgen waarbij hij niet achter komt te staan bij andere schuldeisers. Hij behoort zich – in de woorden van de minister – tegen zekerheidsrechten van andere schuldeisers te kunnen ‘wapenen’.6 Later onderkende de minister dat een voorrangspositie ook kan worden bereikt door het voorbehouden van een pandrecht. Toch bleef hij het wenselijk achten om het eigendomsvoorbehoud een wettelijke basis te geven, gezien de behoefte die in de praktijk bestond aan deze rechtsfiguur.7
Naast deze twee door de minister aangevoerde argumenten voor de invoering van art. 3:92 BW, is de vormvrijheid van het eigendomsvoorbehoud een derde voordeel van deze rechtsfiguur ten opzichte van het pandrecht.8 Het eigendomsvoorbehoudbeding kan mondeling of schriftelijk, zoals in de algemene voorwaarden bij een koopovereenkomst, worden opgenomen.