Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1045.
HR, 29-09-2023, nr. 22/01718
ECLI:NL:HR:2023:1265, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-09-2023
- Zaaknummer
22/01718
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1265, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑09‑2023; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1042, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:1045, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2022:1042, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1265, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑05‑2022
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2023/580
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0083
NJ 2023/349 met annotatie van L. Strikwerda
JBPr 2024/6 met annotatie van mr. B.F.L.M. Schim
Uitspraak 29‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/01718
Datum 29 september 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[A] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: R.K. van der Brugge,
tegen
[K] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/05/371589 / ES RK 20-279, C/05/381813 / FA RK 20-4766 en C/05/365423 / FA RK 20-188 van de rechtbank Gelderland van 26 maart 2021;
b. de beschikking in de zaken 200.296.442 en 200.296.445 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2022.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2022 en tot verwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak staat de toepassing van art. 12 Rv in eerste aanleg en in hoger beroep centraal. Daarnaast komt de erkenning van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht aan de orde.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2013 in Marokko met elkaar gehuwd. In 2020 is het huwelijk (met terugwerkende kracht) in Nederland geregistreerd in de basisregistratie personen.
(ii) Partijen hebben (en hadden ten tijde van het sluiten van het huwelijk) beiden zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit.
(iii) Partijen zijn de ouders van twee minderjarige kinderen, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
(iv) In 2019 heeft de vrouw, die toen zwanger was van het tweede kind, met het oudste kind de echtelijke woning verlaten en is zij elders in Nederland gaan wonen.
(v) De man heeft op 24 september 2020 in Marokko een procedure aanhangig gemaakt (hierna: de Marokkaanse procedure) waarin hij verzocht de vrouw te verplichten om samen met de kinderen in de echtelijke woning te wonen op straffe van verbeurte van een dwangsom. De vrouw heeft in die procedure op 9 december 2020 verweer gevoerd en verzocht om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage van 100,-- dirham per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
(vi) Bij vonnis van 17 juni 2021 heeft de rechter in de Marokkaanse procedure het verzoek van de man afgewezen (hierna: het Marokkaanse vonnis). Ten aanzien van het tegenverzoek van de vrouw is de man uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om aan de vrouw met ingang van 21 december 2020 te betalen 500,-- dirham per kind per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen.
2.3
De vrouw heeft op 5 juni 2020 met een verzoek tot echtscheiding de onderhavige procedure ingeleid. Bij aanvullend verzoek heeft zij verzocht nevenvoorzieningen te treffen, onder meer strekkende tot verdeling van het huwelijksvermogen. De man heeft op 29 december 2020 een zelfstandig verzoek gedaan tot het vaststellen van een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Dat verzoek heeft hij dus gedaan nadat de vrouw in de Marokkaanse procedure had verzocht om vaststelling van kinderalimentatie (zie hiervoor in 2.2 onder (v)). De vrouw heeft ten aanzien van het verzoek van de man met een beroep op art. 12 Rv de exceptie van litispendentie opgeworpen en betoogd dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van dit verzoek kennis te nemen op de grond dat de vrouw reeds op 9 december 2020 een alimentatieverzoek bij de Marokkaanse rechter had ingediend en het door de Marokkaanse rechter te wijzen vonnis op grond van art. 431 lid 2 Rv in Nederland kan worden erkend.
2.4
De rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2021 – dus vóór het Marokkaanse vonnis – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
De rechtbank heeft voorts de door de vrouw opgeworpen exceptie van litispendentie verworpen en zich bevoegd geacht om kennis te nemen van het verzoek van de man tot vaststelling van kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank is art. 12 Rv niet van toepassing omdat de Marokkaanse procedure niet hetzelfde onderwerp betreft, nu in Marokko een man niet om door de vrouw te betalen kinderalimentatie kan verzoeken. (rov. 3.65)
Daarnaast is geen verdrag of (bijzondere) wet van toepassing op grond waarvan de Marokkaanse beslissing in Nederland kan worden tenuitvoergelegd, zodat niet is voldaan aan het vereiste van een voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbare beslissing. (rov. 3.67)
De rechtbank heeft onder meer bepaald dat de vrouw aan de man per maand een bedrag van € 8,50 per kind aan kinderalimentatie moet betalen.
Verder heeft de rechtbank beslist dat voor zover er nog persoonlijke spullen van de vrouw in de (voormalig) echtelijke woning liggen de man deze zo spoedig mogelijk aan de vrouw dient terug te geven. (rov. 3.137 en het dictum onder 4.4)
2.5
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie vernietigd en heeft zich vervolgens onbevoegd verklaard ten aanzien van dat verzoek.1.Daartoe heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.
De rechtbank is voorbijgegaan aan het beroep van de vrouw op de exceptie van litispendentie van art. 12 Rv. Hiertegen richt zich de tweede grief van de vrouw, waarin zij samengevat stelt dat beide procedures wel degelijk over hetzelfde onderwerp gaan, namelijk het vaststellen van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen. Het Marokkaanse vonnis kan in Nederland worden erkend op grond van art. 431 lid 2 Rv en de uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 20142., nu aan de in dat arrest gestelde vier vereisten is voldaan. De rechtbank had zich dus onbevoegd moeten verklaren, aldus de vrouw. (rov. 5.11-5.12)
In de Marokkaanse procedure is eerder (namelijk op 9 december 2020) verzocht om kinderalimentatie dan in de Nederlandse procedure (29 december 2020). De procedures betreffen hetzelfde onderwerp, namelijk het vaststellen van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat het begrip ‘onderwerp’ volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie tamelijk ruim moet worden genomen. (rov. 5.14)
De Marokkaanse rechter heeft inmiddels een vonnis gewezen, dat op grond van de in het Gazprombank-arrest geformuleerde regels in Nederland kan worden erkend. De rechtsmacht van de Marokkaanse rechter staat tussen partijen niet ter discussie en de beslissing is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging. Van strijd met de Nederlandse openbare orde is geen sprake, nu ook in Nederland een man veroordeeld kan worden een onderhoudsbijdrage ten behoeve van zijn kinderen te voldoen aan de andere ouder. Tot slot is niet gebleken van onverenigbaarheid met een tussen partijen (eerder) gegeven beslissing van de Nederlandse rechter. (rov. 5.16)
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank zich ten aanzien van de kinderalimentatie onbevoegd had moeten verklaren. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie vernietigen en zich vervolgens ten aanzien van het verzoek tot kinderalimentatie onbevoegd verklaren. (rov. 5.17)
De rechtbank heeft beslist dat voor zover er nog spullen van de vrouw in de voormalige echtelijke woning liggen, de man die zo spoedig mogelijk aan de vrouw dient terug te geven. Beide partijen richten grieven tegen deze beslissing. Door geen van partijen is gespecificeerd om welke (persoonlijke) spullen het gaat, zodat het hof hier ook niet over kan beslissen. De grieven falen. De beslissing van de rechtbank blijft in stand. (rov. 5.31-5.33)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel I van het middel neemt tot uitgangspunt dat art. 12 Rv van toepassing is en bestrijdt vanuit verschillende invalshoeken de oordelen van het hof dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren om kennis te nemen van het verzoek van de man tot vaststelling van kinderalimentatie en dat het hof op grond van art. 12 Rv onbevoegd is. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat de rechtbank op grond van art. 12 Rv bevoegd was om de behandeling van de zaak aan te houden, maar daartoe niet verplicht was.
Het onderdeel klaagt terecht niet dat het hof bij de toepassing van art. 12 Rv alleen heeft onderzocht of het Marokkaanse vonnis vatbaar is voor erkenning in Nederland op grond van de voorwaarden in het Gazprombank-arrest3., en niet ook heeft onderzocht of dit vonnis vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland. In een geval als hier aan de orde is immers, bij gebreke van een executieverdrag tussen Nederland en Marokko, in het kader van de toepassing van art. 12 Rv niet tevens vereist dat het Marokkaanse vonnis voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is.4.
3.2
De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht noodzaakt tot uitleg van art. 12 Rv. Bij die uitleg is uitgangspunt (i) dat art. 12 Rv ziet op gevallen waarin de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is (zie hierna in 3.3.3), (ii) dat art. 12 Rv de rechter niet dwingt zich desondanks onbevoegd te verklaren, nu de rechter niet verplicht is om de zaak aan te houden op grond van deze bepaling (zie hierna in 3.3.5) en (iii) dat uit een oogpunt van goede procesorde zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de Nederlandse procedure na een inhoudelijke behandeling of beoordeling alsnog eindigt in onbevoegdverklaring (zie hierna in 3.3.2).
De litispendentieregeling van art. 12 Rv
3.3.1
Art. 12 Rv luidt als volgt:
“Indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Indien het een zaak betreft die bij dagvaarding moet worden ingeleid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.”
3.3.2
Art. 12, derde zin, Rv in verbinding met art. 11 Rv houdt in dat het beroep op litispendentie in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, op straffe van verval van het recht daartoe moet worden gedaan voor alle weren ten gronde. Deze regel beoogt de goede procesorde te bevorderen en strekt ertoe te voorkomen dat de gedaagde na een debat over de rechtsbetrekking, in een later stadium van de procedure zou kunnen opwerpen dat de rechter wegens zuiver processuele regels niet tot een beoordeling van het geschil zou moeten komen. Gelet op deze strekking moet worden aangenomen dat ook in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, het beroep op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv voor alle weren ten gronde moet worden gedaan.
Voor het hoger beroep brengt deze regel mee dat in die instantie alleen dan een beroep op litispendentie kan worden gedaan indien de partij die het betreft, in eerste aanleg niet is verschenen, of indien het beroep op litispendentie betrekking heeft op een vordering die of verzoek dat voor het eerst in hoger beroep is ingesteld respectievelijk gedaan.
3.3.3
Toepassing van art. 12 Rv veronderstelt dat de rechter op grond van een bevoegdheidsregel internationale bevoegdheid (rechtsmacht) heeft om de zaak te berechten. De litispendentieregeling van art. 12 Rv vormt immers een uitzondering in het bevoegdheidsrecht, die tot gevolg kan hebben dat de rechter, hoewel hij aan een bevoegdheidsregel internationale bevoegdheid kan ontlenen, zich toch onbevoegd verklaart. De rechter dient dus, voordat hij ten aanzien van een bepaalde vordering of verzoek aan toepassing van art. 12 Rv toekomt, eerst zijn internationale bevoegdheid ter zake te onderzoeken.5.
3.3.4
Bij de beoordeling van het beroep op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv dient de rechter, indien hij aanhouding op grond van deze bepaling overweegt, in de eerste plaats te onderzoeken of – op het moment van deze beoordeling – is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling, dus of (i) tussen dezelfde partijen (ii) over hetzelfde onderwerp (iii) een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is (waaronder ook moet worden begrepen de situatie dat de rechter in deze staat een beslissing heeft gegeven en de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel nog niet is verstreken), (iv) welke zaak – in de eerste instantie – eerder aanhangig is gemaakt dan de procedure bij de Nederlandse rechter. Daarbij geldt dat het tijdstip van aanhangig maken van de buitenlandse procedure moet worden bepaald naar het – door de rechter ambtshalve toe te passen – recht van de desbetreffende staat.6.
3.3.5
Is aan de hiervoor in 3.3.4 vermelde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv voldaan, dan dient de rechter vervolgens te onderzoeken of in de buitenlandse procedure een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is.7.Indien dat het geval is, kan de rechter op grond van art. 12, eerste zin, Rv de behandeling van de zaak aanhouden; hij is daartoe niet verplicht. De rechter kan bijvoorbeeld beslissen dat de behandeling van de zaak niet wordt aangehouden omdat een onherroepelijke beslissing van de buitenlandse rechter naar verwachting nog te lang op zich laat wachten (zie hierna in 3.3.6). De bevoegdheid om de zaak op grond van art. 12 Rv aan te houden komt alleen toe aan de rechter van de instantie waarin het beroep op litispendentie is gedaan (en kon worden gedaan, zie hiervoor in 3.3.2, tweede alinea).
De beslissing om de behandeling van de zaak al dan niet aan te houden, is een voorlopige beslissing, waaraan de rechter niet is gebonden. Het staat de rechter die tot aanhouding heeft besloten, dus vrij om – zolang de buitenlandse rechter nog geen onherroepelijke beslissing heeft gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is – terug te komen van die beslissing en de behandeling van de zaak voort te zetten.
3.3.6
Heeft de rechter de behandeling van de zaak op grond van art. 12, eerste zin, Rv aangehouden, en blijkt de vervolgens door de buitenlandse rechter gegeven beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar te zijn8., dan is onbevoegdverklaring op grond van art. 12, tweede zin, Rv aan de orde.
Daarbij geldt dat de rechter zich op grond van art. 12 Rv alleen dan onbevoegd mag verklaren als de buitenlandse beslissing onherroepelijk is geworden, dat wil zeggen dat tegen deze beslissing in de staat van herkomst geen rechtsmiddel is ingesteld en de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel is verstreken.9.Aldus wordt voorkomen dat zowel de Nederlandse als de buitenlandse rechter zich onbevoegd verklaart, wat kan meebrengen dat het geschil nergens in rechte kan worden beslecht.
Is de buitenlandse beslissing die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, nog niet onherroepelijk, dan kan de rechter de behandeling van de zaak verder aanhouden in afwachting van het onherroepelijk worden van de buitenlandse beslissing dan wel de behandeling van de zaak voortzetten (zie hiervoor in 3.3.5).
Blijkt de buitenlandse beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar te zijn alsook onherroepelijk te zijn, dan moet de rechter zich op grond van art. 12 Rv onbevoegd verklaren. In dat stadium heeft de rechter, gelet op de bewoordingen van art. 12 Rv, geen discretionaire bevoegdheid meer.
3.4.1
In hoger beroep geldt in dit verband het volgende.
3.4.2
Heeft de rechter in eerste aanleg een inhoudelijke beslissing gegeven nadat hij had geoordeeld dat niet is voldaan aan de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv, dan kan een tegen dat oordeel gerichte grief niet ertoe leiden dat de rechter in hoger beroep alsnog met toepassing van art. 12 Rv tot het oordeel komt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de desbetreffende vordering of het verzoek onbevoegd is. De beslissing van de rechter in eerste aanleg impliceert immers dat deze rechter de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden en dat stond hem in het kader van de toepassing van art. 12 Rv hoe dan ook vrij (zie ook hierna in 3.4.3).
3.4.3
Tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg om de behandeling van de zaak op grond van art. 12 Rv al dan niet aan te houden (zie hiervoor in 3.3.5), kan gelet op het discretionaire karakter daarvan niet in hoger beroep worden opgekomen.
3.4.4
Heeft de rechter in eerste aanleg een inhoudelijke beslissing gegeven nadat hij in het kader van de toepassing van art. 12 Rv had geoordeeld dat de buitenlandse beslissing niet voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn of niet onherroepelijk is (zie hiervoor in 3.3.6), dan verklaart de rechter in hoger beroep de Nederlandse rechter alsnog op grond van art. 12 Rv onbevoegd indien de rechter in hoger beroep, naar aanleiding van een tegen dat oordeel gerichte grief of in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, oordeelt dat dit onjuist is, en ook overigens aan de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv is voldaan. Het betreft hier een beoordeling naar het moment van dat oordeel in eerste aanleg (ex tunc).
3.4.5
Heeft de rechter in eerste aanleg geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv onbevoegd is, dan kan dat oordeel in hoger beroep worden aangevochten op de grond dat de rechter in eerste aanleg de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden heeft miskend of ten onrechte heeft geoordeeld dat de buitenlandse beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn en onherroepelijk is (zie hiervoor in 3.3.6).
Vernietigt de rechter in hoger beroep de beslissing van de rechter in eerste aanleg dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv onbevoegd is, dan verwijst hij de zaak op de voet van art. 76 Rv terug naar de rechter in eerste aanleg, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de rechter in hoger beroep de zaak aan zich houdt. Weliswaar heeft de rechter in eerste aanleg zich in dat geval niet onbevoegd verklaard ‘wegens het ontbreken van rechtsmacht’ (zie hiervoor in 3.3.3), maar onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv moet daarmee op een lijn worden gesteld.
3.4.6
Het voorgaande komt erop neer dat in hoger beroep:
(i) de verwerping van een beroep op art. 12 Rv slechts met succes kan worden bestreden voor zover de rechter in eerste aanleg, na toepassing te hebben gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid tot aanhouding, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat niet aan de voorwaarden voor onbevoegdverklaring is voldaan (zie hiervoor in 3.4.4);
(ii) de beslissing tot onbevoegdverklaring op de voet van art. 12 Rv binnen het door de grieven ontsloten gebied volledig kan worden herbeoordeeld (zie hiervoor in 3.4.5).
3.5.1
Het vorenstaande laat onverlet dat in de Nederlandse procedure, waarin een beroep op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv is gedaan, partijen tevens kunnen vragen om erkenning van de buitenlandse beslissing, al dan niet met veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld (art. 431 lid 2 Rv) (zie hierna in 3.6.1-3.6.2).
Uit het oogpunt van proces-economie moet worden aanvaard dat ook in een verzoekschriftprocedure kan worden verzocht om (erkenning van de buitenlandse beslissing en) veroordeling, op de voet van art. 431 lid 2 Rv, tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. Art. 261 Rv verzet zich daartegen niet.10.
3.5.2
Onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv heeft betrekking op de vordering of het verzoek ten aanzien waarvan het beroep op art. 12 Rv is gedaan (zie hiervoor in 3.3.3). Is in de procedure tevens een vordering ingesteld, of verzoek gedaan, tot erkenning van de buitenlandse beslissing, al dan niet met veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld (zie hiervoor in 3.5.1), dan wordt de procedure daarover voortgezet.
Erkenning naar commuun ipr; buitenlandse beslissing onherroepelijk?
3.6.1
Naar commuun internationaal privaatrecht is uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.11.
3.6.2
De rechter kan erkenning als hiervoor in 3.6.1 bedoeld uitstellen of weigeren indien de buitenlandse beslissing niet onherroepelijk is, dat wil zeggen dat tegen de buitenlandse beslissing in de staat van herkomst een rechtsmiddel is ingesteld of de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel nog niet is verstreken.12.Een weigering op deze grond vormt geen belemmering voor een hernieuwd verzoek om erkenning van de beslissing. Ook kan de rechter, op verzoek of ambtshalve, de voorwaarde stellen dat de partij die om erkenning van een niet onherroepelijke buitenlandse beslissing vraagt, zekerheid stelt voor schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden.
Onderhavige zaak
3.7.1
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank – wat er ook zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering – het beroep van de vrouw op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv verworpen, primair op grond van het oordeel dat geen sprake is van ‘hetzelfde onderwerp’. De rechtbank was dus van oordeel dat niet is voldaan aan de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv. Vervolgens heeft zij een inhoudelijke beslissing gegeven over de kinderalimentatie.
3.7.2
De vrouw heeft in hoger beroep een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van ‘hetzelfde onderwerp’. Het hof heeft deze grief gegrond bevonden en zich vervolgens op grond van art. 12 Rv onbevoegd verklaard.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, kon deze grief echter niet leiden tot het oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv ten aanzien van het desbetreffende verzoek onbevoegd is.
3.7.3
Onderdeel I, dat hierop gerichte klachten bevat, slaagt dus in zoverre. Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling.
Overige onderdelen
3.8.1
Onderdeel III is gericht tegen de verwerping door het hof (in rov. 5.31-5.33) van de grief van de man tegen het oordeel van de rechtbank dat de man gehouden is aan de vrouw haar persoonlijke spullen terug te geven voor zover die zich in de echtelijke woning bevinden. Door deze grief te verwerpen op de grond dat geen van partijen heeft gespecificeerd om welke spullen het gaat, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste opvatting over de art. 149 en 150 Rv, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het onderdeel.
3.8.2
Het onderdeel slaagt. In eerste aanleg heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw haar persoonlijke spullen teruggeeft. De man heeft daartegen aangevoerd dat de vrouw al haar persoonlijke spullen heeft meegenomen toen zij de echtelijke woning verliet. De rechtbank heeft beslist dat de man de vrouw haar persoonlijke spullen diende terug te geven, voor zover die zich nog in de echtelijke woning bevonden. In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zich nog persoonlijke spullen bevinden in de echtelijke woning. Door de desbetreffende grief van de man te verwerpen heeft het hof miskend dat het op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv aan de vrouw, en dus niet aan de man, was om te stellen en zo nodig te bewijzen welke persoonlijke spullen de man diende terug te geven.
3.9
Onderdeel II kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 29 september 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑09‑2023
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank).
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank), rov. 3.6.4; zie ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170 (Albaniabeg), rov. 3.2.2.
Zie hierover HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1266 (B/R).
Vgl. ook HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077 (NRSC), rov. 3.3.2; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, rov. 3.4.3.
Vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 45.
HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1266 (B/R), rov. 3.2.3.
HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1266 (B/R), rov. 3.2.3.
Vgl. ook HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, rov. 3.4; HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, rov. 3.3.2; HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1275, rov. 3.2.3.
HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170 (Albaniabeg), rov. 3.2.2; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank), rov. 3.6.4.
Conclusie 11‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Internationaal Privaatrecht. Procesrecht. Litispendentie (art. 12 Rv). Kinderalimentatieprocedures aanhangig in Marokko en in Nederland; uitleg art. 12 Rv; Nederlandse rechter onbevoegd o.g.v. erkenning Marokkaanse alimentatiebeslissing op voet art. 431 lid 2 Rv op basis Gazprombank-criteria (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838)? Twee-conclusieregel. Bewijslast (art. 150 Rv).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01718
Zitting 11 november 2022
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de man] (hierna: de man)
tegen
[de vrouw] (hierna: de vrouw)
Deze zaak heeft betrekking op de uitleg van art. 12 Rv inzake litispendentie. Tussen partijen is zowel in Nederland als in Marokko een procedure aanhangig, waarin zij ieder een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie hebben gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat art. 12 Rv niet van toepassing is en de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag aan kinderalimentatie. In de Marokkaanse procedure is vervolgens de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag aan kinderalimentatie. In hoger beroep heeft het hof art. 12 Rv van toepassing geacht en zich onbevoegd verklaard, onder meer omdat het Marokkaanse vonnis voor erkenning vatbaar is op de voet van art. 431 lid 2 Rv. Tegen dit oordeel is het cassatiemiddel hoofdzakelijk gericht. De vraag rijst of art. 12 Rv van toepassing is wanneer tussen Nederland en de betrokken staat geen verdrag (of verordening) inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van toepassing is.
Deze vraag staat ook centraal in een andere zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is met als zaaknummer 22/01667, waarin ik eveneens vandaag conclusie neem.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.Partijen zijn op 17 mei 2013 met elkaar gehuwd in Marokko. Het huwelijk is op 15 mei 2020 (met terugwerkende kracht) geregistreerd in de basisregistratie personen in Nederland.
1.2
Partijen hebben (en hadden ten tijde van het sluiten van het huwelijk) beiden zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn de ouders van een dochter (geboren op [geboortedatum] 2016) en een zoon (geboren op [geboortedatum] 2019), over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
1.3
Op 7 april 2019 heeft de vrouw met de dochter de echtelijke woning in [plaats 1] verlaten en is zij in [plaats 2] gaan wonen.
1.4
Op 5 juni 2020 heeft de vrouw bij de rechtbank Gelderland een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij aanvullend verzoek heeft zij verzocht nevenvoorzieningen te treffen, waaronder de verdeling van het huwelijksvermogen. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen gedaan, waaronder het op 29 december 2020 bij de rechtbank ingekomen (aanvullend) verzoek tot het vaststellen van de door de vrouw aan hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
1.5
Op 24 september 2020 heeft de man in Marokko een procedure aanhangig gemaakt met het verzoek de vrouw te verplichten om samen met de kinderen in de echtelijke woning te wonen, op straffe van een dwangsom. De vrouw heeft in die procedure verweer gevoerd en op 9 december 2020 de Marokkaanse rechter verzocht om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage van 100 Marokkaanse dirham per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
1.6
In de procedure bij de rechtbank Gelderland heeft de vrouw ten aanzien van het verzoek van de man inzake kinderalimentatie, de exceptie van litispendentie van art. 12 Rv opgeworpen en betoogd dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van dit verzoek kennis te nemen, omdat de vrouw op 9 december 2020 een alimentatieverzoek bij de Marokkaanse rechter heeft ingediend en het door de Marokkaanse rechter te wijzen vonnis op grond van art. 431 lid 2 Rv in Nederland kan worden erkend.
1.7
Bij beschikking van 26 maart 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank de exceptie van litispendentie verworpen, omdat (i) geen sprake is van een geschil tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, en (ii) ten aanzien van de door de Marokkaanse rechter te geven uitspraak niet is voldaan aan het vereiste van een voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbare beslissing (rov. 3.59-3.68). De rechtbank heeft bepaald dat met ingang van de datum van de beschikking de vrouw aan de man € 8,50 per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen gelast zoals is overwogen in rov. 3.119-3.192 van de beschikking. De echtscheidingsbeschikking is op 16 november 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage.
1.8
Bij beslissing van 17 juni 2021 heeft de Marokkaanse rechter de eis van de man afgewezen. Ten aanzien van de tegeneis van de vrouw is de man uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om aan de vrouw met ingang van 21 december 2020 te betalen 500 Marokkaanse dirham per kind per maand in het levensonderhoud van de kinderen.
1.9
Tegen de beschikking van de rechtbank van 26 maart 2021 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld en de man incidenteel appel. Hun onderscheiden grieven hebben – voor zover in cassatie van belang – betrekking op (i) de onderhoudsbijdrage voor de kinderen; (ii) de onroerende zaak in Marokko, en (iii) de persoonlijke spullen van de vrouw.
(i) Onderhoudsbijdrage kinderen
1.10
De vrouw heeft onder meer gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank over de door haar aan de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen. Zij heeft een beroep gedaan op de exceptie van litispendentie van art. 12 Rv en zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren ten aanzien van het verzoek van de man tot vaststelling van kinderalimentatie (rov. 5.11-5.12).
1.11
Bij beschikking van 10 februari 2022 heeft het hof (in de procedure met als zaaknummer 200.286.442), voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van € 8,50 per maand per kind zal betalen. Het hof heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van het verzoek van de man tot het vaststellen van een door de vrouw aan hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Daartoe heeft het hof, kort samengevat, het volgende overwogen. Het verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage van de man voor de kinderen is op 9 december 2020 bij de Marokkaanse rechter aanhangig gemaakt en is daarmee eerder gedaan dan het verzoek van de man om een onderhoudsbijdrage van de vrouw voor de kinderen in de Nederlandse procedure op 29 december 2020. Beide procedures betreffen hetzelfde onderwerp, namelijk een onderhoudsbijdrage voor de kinderen (rov. 5.14). De volgende vraag is of de – inmiddels gewezen – uitspraak van de Marokkaanse rechter in Nederland voor erkenning en/of tenuitvoerlegging in aanmerking komt. Tussen Nederland en Marokko bestaat op dit punt geen verdrag, zodat art. 431 Rv van toepassing is. Het Marokkaanse vonnis voldoet aan de criteria van het Gazprombank-arrest van de Hoge Raad2., zodat het van rechtswege moet worden erkend (rov. 5.15-5.16). Het hof heeft zich daarom onbevoegd verklaard van het verzoek van de man tot het betalen van kinderalimentatie door de vrouw kennis te nemen.
(ii) Onroerende zaken in Marokko
1.12
De vrouw heeft ook een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw haar stelling niet heeft onderbouwd dat de man een woning in [plaats 3] ([complex]) heeft. De rechtbank heeft haar verzoek tot verdeling bij helfte afgewezen (rov. 3.142-3.145). In haar grief heeft de vrouw gesteld dat de man op de peildatum eigenaar van deze woning en inboedel was. De man heeft dit bewust verzwegen om woning en inboedel buiten de verdeling te houden, zodat de gehele woning met de inboedel aan de vrouw toekomt op grond van art. 3:194 lid 2 BW. De vrouw heeft een koopovereenkomst uit juli 2015 en een kadastraal uittreksel overgelegd (rov. 5.23). Volgens het hof heeft de vrouw op dit onderdeel aan haar stelplicht voldaan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man in 2015 de desbetreffende onroerende zaak heeft aangekocht. Deze zaak was op 21 maart 2021, dus na de peildatum van 5 juni 2020, nog steeds zijn eigendom. Het lag op de weg van de man om de stelling van de vrouw gemotiveerd te betwisten. De man heeft slechts al hetgeen de vrouw heeft gesteld, betwist en zich op het standpunt gesteld dat het door de vrouw in het geding gebrachte kadastraal uittreksel vals zou zijn. Die betwisting is onvoldoende. Het hof concludeert dat de onroerende zaak op de peildatum tot het te verdelen vermogen behoort en dat is voldaan aan de vereisten van art. 3:194 lid 2 BW (rov. 5.24). Op grond van de twee-conclusieregel heeft het hof buiten beschouwing gelaten hetgeen de man in zijn brief van 26 december 2021 heeft gesteld voor zover dit meer is dan enkel een korte toelichting op de daarbij overgelegde producties (rov. 5.1).
(iii) Persoonlijke spullen van de vrouw
1.13
Beide partijen hebben gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank dat de man, voor zover er nog spullen van de vrouw in de voormalig echtelijke woning liggen, deze spullen zo spoedig mogelijk aan de vrouw dient terug te geven. De man heeft vernietiging van deze beslissing verzocht en betoogd dat de beslissing ruimte voor discussie geeft, nu niet duidelijk is of er nog persoonlijke spullen van de vrouw in de woning aanwezig waren. De vrouw heeft in haar grief gesteld dat de man weigert om de persoonlijke spullen van de vrouw af te geven. Zij heeft verzocht dat het bevel tot teruggave wordt versterkt met lijfsdwang, althans dat de man wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van vervangende schadevergoeding (rov. 5.32). Het hof heeft beide verzoeken afgewezen en de beslissing van de rechtbank in stand gelaten, omdat door geen van partijen is gespecificeerd om welke (persoonlijke) spullen het gaat, zodat het hof hierover ook niet kan beslissen (rov. 5.33).
1.14
De man heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof.3.De vrouw is niet verschenen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 5.13-5.17, 7.4 en 7.5 van de bestreden beschikking en bestaat uit drie onderdelen.
2.2
Onderdeel I klaagt in de kern genomen dat het hof zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de man tot vaststelling van kinderalimentatie. Volgens het onderdeel (en de daarop gegeven toelichting onder 6) is de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv niet verplicht om de behandeling van de zaak aan te houden totdat de Marokkaanse rechter heeft beslist, omdat tussen Nederland en Marokko geen verdrag van toepassing is inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen. Ook betoogt het onderdeel dat wanneer de rechtbank het beroep op litispendentie heeft verworpen en verder gaat met de behandeling van de zaak, de uitspraak van de rechtbank niet meer kan worden vernietigd wegens onbevoegdheid in het geval dat in appel alsnog het beroep op litispendentie wordt gehonoreerd (toelichting onder 3). Volgens het onderdeel is in het kader van litispendentie het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding beslissend voor het bepalen van de vraag op welk moment een nevenverzoek tot vaststelling van kinderalimentatie bij de Nederlandse rechter aanhangig is gemaakt. Het onderdeel klaagt verder dat de beschikking van de rechtbank Gelderland eerder is gewezen (op 26 maart 2021) dan de beslissing van de Marokkaanse rechter (op 17 juni 2021), zodat rov. 5.16 van de bestreden beschikking onjuist is.
2.3
De klacht dat het hof zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard en toepassing heeft gegeven aan art. 12 Rv, heeft de verste strekking en bespreek ik als eerste. Ik stel hierbij het volgende voorop. De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde en moeten ambtshalve worden toegepast.4.Op deze regels kan een uitzondering bestaan, indien zowel in Nederland als in een vreemde staat een procedure tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp aanhangig is. In het commune internationaal bevoegdheidsrecht is in art. 12 Rv een regeling getroffen voor litispendentie.5.Art. 12 Rv luidt als volgt:
‘Indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Indien het een zaak betreft die bij dagvaarding moet worden ingeleid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.’
2.4
Art. 12 Rv beoogt te voorkomen dat er gelijktijdig procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp worden gevoerd, waardoor het gevaar van tegenstrijdige uitspraken ontstaat. Het artikel vertoont overeenkomsten met de litispendentiebepaling van (thans) art. 29 Verordening Brussel I-bis6.en art. 27 EVEX II7.(en de voorgangers van deze bepalingen).
2.5
Art. 12 Rv geeft aan de rechter een discretionaire bevoegdheid om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de beslissing van de buitenlandse rechter.8.De Nederlandse rechter kan de behandeling van de zaak aanhouden, maar is daartoe niet verplicht. Hierin ligt een belangrijk verschil met art. 29 Verordening Brussel I-bis en art. 27 EVEX II (en hun voorgangers), die bepalen dat de rechter in het geval van litispendentie de zaak moet aanhouden. Volgens de wetgever vloeit dit verschil voort uit het feit dat via de verordeningen en verdragen als het ware een gesloten stelsel van intern-regionale relatieve bevoegdheid is ingevoerd.9.
2.6
In het geval dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv de behandeling van de zaak heeft aangehouden, duurt de aanhouding voort totdat de buitenlandse rechter heeft beslist. De tweede volzin van art. 12 Rv bepaalt dat indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart. De vraag rijst in welke gevallen moet worden aangenomen dat de buitenlandse beslissing voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is. Hierover bestaan twee opvattingen, een enge en een ruime opvatting. In de enge opvatting verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd in het geval dat de buitenlandse beslissing op grond van een verdrag of een verordening in Nederland voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is. In de ruime opvatting geldt dat de Nederlandse rechter zich ook bij gebreke van een verdrag of een verordening onbevoegd verklaart in het geval dat een partij op de voet van art. 431 lid 2 Rv bij de Nederlandse rechter een vordering instelt tot veroordeling van de wederpartij waartoe deze in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. De Nederlandse rechter toetst of de buitenlandse beslissing voldoet aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het Gazprombank-arrest.10.Is dat het geval, dan wordt in het Nederlandse vonnis de wederpartij veroordeeld tot datgene waartoe zij in de buitenlandse beslissing was veroordeeld. In het Gazprombank-arrest heeft de Hoge Raad in rov. 3.6.4 overwogen dat in een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv tot uitgangspunt dient dat een buitenlandse beslissing wordt erkend
‘indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is’.
2.7
Op deze wijze kan in een summiere procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv een buitenlands vonnis bij gebreke van een verdrag of een verordening in Nederland alsnog worden erkend en wordt op grond van de beslissing van de Nederlandse rechter een executoriale titel verkregen.
2.8
De enge opvatting is terug te vinden in recente uitspraken van het hof Amsterdam11.en het hof Den Haag.12.Voor deze opvatting is steun te vinden in de MvT bij art. 12 Rv, waar het volgende is opgemerkt:
‘De erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen is voor een niet onbelangrijk gedeelte geregeld in internationale verdragen. Voor zover deze materie niet door verdragen geregeld is, bepaalt nationaal recht de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen. Naar huidig Nederlands recht kan erkenning volgen indien de buitenlandse rechter zijn bevoegdheid op internationaal aanvaarde regels heeft gebaseerd, hij behoorlijke regels van procesvoering heeft toegepast en de beslissing niet in strijd is met de openbare orde. Buitenlandse beslissingen kunnen alleen in Nederland ten uitvoer worden gelegd indien internationale verdragen dat meebrengen, zie art. 431 Rv. Is dat niet het geval, dan zal er dus geen sprake zijn van de in artikel 12 (…) bedoelde situatie van litispendentie, omdat de eerder in het buitenland gestarte procedure niet voor executie in Nederland in aanmerking komt’.13.
2.9
In de MvT wordt geen aandacht geschonken aan de vraag of een beslissing in een summiere procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv, kan leiden tot onbevoegdheid van de rechter in het kader van art. 12 Rv. Ten tijde van de invoering van art. 12 Rv kon reeds de weg van zo’n summiere procedure worden gevolgd.14.Het stilzwijgen van de MvT op dit punt is een argument ten gunste van de enge opvatting.
2.10
De enge opvatting sluit ook aan bij de uitleg van art. 10 Rv in samenhang met art. 767 Rv. Op grond van deze bepalingen is de Nederlandse rechter onder bepaalde voorwaarden bevoegd ten aanzien van het hoofdgeschil wanneer in Nederland vreemdelingenbeslag is gelegd (het forum arresti). In zijn arrest van 12 april 2019 heeft de Hoge Raad overwogen:
‘Art. 767 Rv biedt uitsluitend een grondslag voor internationale rechtsmacht indien “een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen” ontbreekt. Deze zinsnede moet aldus worden verstaan dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet kan worden gebaseerd op art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv indien (i) de Nederlandse rechter reeds rechtsmacht toekomt op een andere grondslag, zoals de art. 2-9 Rv, of (ii) de beslaglegger door middel van een procedure bij een buitenlandse overheidsrechter een uitspraak kan verkrijgen die op grond van een EU-verordening of een verdrag vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland (…)’.15.
2.11
2.12
In de zaak die in cassatie aan de orde is, is het hof uitgegaan van de ruime opvatting door na te gaan of de Marokkaanse beslissing in Nederland op grond van art. 431 lid 2 Rv voor erkenning en/of tenuitvoerlegging in aanmerking komt (rov. 5.15-5.17). De ruime opvatting wordt ook aangenomen in de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2022, waartegen cassatieberoep is ingesteld (aanhangig onder zaaknummer 22/01667) en waarin ik eveneens vandaag concludeer.17.
2.13
Voor de ruime opvatting pleit dat de Nederlandse rechter de zaak in meer gevallen kan aanhouden ten gunste van een procedure bij de buitenlandse rechter en zich ook in meer gevallen onbevoegd dient te verklaren. Verdedigd kan worden dat deze opvatting goed aansluit bij de doelstelling van art. 12 Rv om parallelle procedures te beperken en daarmee tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Daarentegen lijkt de ruime opvatting op gespannen voet te staan met de tweede weg die art. 431 lid 2 Rv biedt, namelijk een nieuwe inhoudelijke behandeling van het geschil door de Nederlandse rechter. Het is de vraag of deze weg van inhoudelijke behandeling nog kan worden gevolgd wanneer de Nederlandse rechter zich op grond van art. 12 Rv onbevoegd heeft verklaard, omdat de buitenlandse beslissing in een summiere procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv voor erkenning in aanmerking komt en op basis daarvan een Nederlandse beslissing is gegeven.
2.14
Naar geldend recht slaat de afweging tussen de enge en de ruime opvatting naar mijn mening door ten gunste van de enge opvatting: de Nederlandse rechter dient zich op grond van art. 12 Rv uitsluitend onbevoegd te verklaren wanneer de buitenlandse beslissing voor erkenning en/of tenuitvoerlegging vatbaar is op grond van een verdrag of een verordening.
2.15
In deze zaak geldt dat tussen Nederland en Marokko geen verdrag van toepassing is voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen.18.Evenmin is van toepassing de Alimentatieverordening19., omdat Marokko daaraan als niet-lidstaat niet is gebonden en de Alimentatieverordening niet voorziet in een bepaling die betrekking heeft op de situatie van litispendentie tussen een gerecht van een lidstaat en een gerecht van een derde staat.20.
2.16
Ik wijs er nog op dat de exceptie van litispendentie niet ambtshalve wordt toegepast, maar moet worden ingeroepen. In deze zaak heeft de vrouw in eerste aanleg deze exceptie opgeworpen en vervolgens in hoger beroep een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat art. 12 Rv niet van toepassing is. Het hof heeft deze grief behandeld en geoordeeld dat de Nederlandse rechter onbevoegd is. De door het onderdeel verdedigde opvatting dat het hof de beslissing van de rechtbank niet mocht vernietigen wegens onbevoegdheid van de Nederlandse rechter in het geval dat in hoger beroep het beroep op litispendentie alsnog wordt gehonoreerd, vindt geen steun in het recht en is onjuist.
2.17
Het onderdeel bepleit verder de opvatting dat voor de beoordeling van het tijdstip van aanhangigheid in het kader van art. 12 Rv moet worden uitgegaan van het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding en niet van het moment van aanhangig maken van eventuele nevenverzoeken, zoals het nevenverzoek tot vaststelling van kinderalimentatie. Deze opvatting is onjuist. Het tijdstip waarop een geschil geacht wordt aanhangig te zijn, moet worden bepaald volgens de lex fori.21.Naar Nederlands procesrecht (zie art. 69 lid 1, tweede volzin en art. 125 lid 1 Rv) is een geding aanhangig vanaf de dag van de dagvaarding of indiening van het verzoekschrift. Naar Nederlands internationaal privaatrecht moet de rechtsmacht ten aanzien van de echtscheiding afzonderlijk worden bepaald, evenals de rechtsmacht voor de in het kader van het echtscheidingsverzoek ingediende verzoeken tot het treffen van voorlopige en nevenvoorzieningen.22.Dit betekent dat ook het peilmoment voor de beoordeling van litispendentie voor ieder verzoek afzonderlijk dient te worden bepaald.
2.18
De slotsom is dat de klacht slaagt die is gericht tegen het oordeel van het hof dat art. 12 Rv leidt tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, omdat het Marokkaanse vonnis voor erkenning in Nederland in aanmerking komt op de voet van art. 431 lid 2 Rv aan de hand van de criteria van het Gazprombank-arrest. De overige klachten van het onderdeel hebben betrekking op de nadere toepassing die het hof aan art. 12 Rv heeft gegeven. Bij het slagen van de klacht dat het hof aan art. 12 Rv geen toepassing had moeten geven, behoeven deze overige klachten bij gebrek aan belang geen bespreking.
2.19
Onderdeel II heeft betrekking op rov. 5.1 van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft geoordeeld dat de stellingen van de man in zijn brief van 26 december 2021 in strijd zijn met de twee-conclusieregel die in art. 347 lid 1 Rv besloten ligt, voor zover deze stellingen verder gaan dan het enkel geven van een korte toelichting op de daarbij overgelegde producties. Volgens het onderdeel was het hof gehouden te onderzoeken of de inhoud van de in de brief weergegeven toelichting op productie 30 een toelaatbare precisering is van het reeds bij verweerschrift opgeworpen verweer van de man dat de door de vrouw overgelegde stukken over de onroerende zaak in [plaats 3] valselijk zijn opgemaakt.23.De man kon zijn verweer niet eerder onderbouwen dan nadat de vrouw vertalingen van deze stukken in het geding had gebracht. Het hof had dan ook niet in rov. 5.24 mogen oordelen, althans niet zonder nadere motivering, dat de onroerende zaak in [plaats 3] tot het te verdelen huwelijksvermogen behoort en de man opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen dan wel verborgen heeft gehouden en daarom op grond van art. 3:194 lid 2 BW zijn aandeel daarin heeft verbeurd aan de vrouw. Ook klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat de bewijslast van de echtheid van de stukken op de vrouw rust, zodat van de man niet mocht worden gevergd dat hij een bewijsaanbod deed, althans dat het hof zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2.20
Over de klacht inzake de twee-conclusieregel merk ik het volgende op. De twee-conclusieregel is gericht op de beperking van het processuele debat in hoger beroep en brengt mee dat grieven, een eisverandering of -vermeerdering, en nieuwe feiten en stellingen in beginsel uiterlijk in de eerste conclusie mogen worden aangevoerd.24.Ook voor verweren die door geïntimeerde worden aangevoerd tegen de vordering van de oorspronkelijk eiser, geldt dat wijziging of uitbreiding daarvan dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep.25.Op deze in beginsel strakke regel zijn een drietal uitzonderingen aanvaard, namelijk in het geval dat (i) de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd26., (ii) onverkorte toepassing van de regel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde (zoals bij een apparaatsfout27.of nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard28.), en (iii) de bijzondere aard van de procedure dat meebrengt.29.Ook voor die uitzonderingsgevallen blijft echter gelden dat dit niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. De twee-conclusieregel staat er niet aan in de weg dat reeds ingenomen grieven, stellingen en verweren later worden uitgewerkt of gepreciseerd30.of dat appellant, bij betwisting van de door hem gestelde feiten door geïntimeerde, bij akteverzoek met betrekking tot die feiten alsnog bewijsstukken in geding brengt of bewijs aanbiedt.31.De beoordeling of sprake is van een toelaatbare uitwerking of precisering berust op uitleg van de processtukken, die is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht.32.De opgeworpen rechtsklachten stuiten reeds hierop af.
2.21
Het hof heeft de stellingen van de man in zijn brief van 26 december 2021, voor zover zij verder gaan dan het enkel geven van een korte toelichting op de daarbij overgelegde producties, niet in zijn overwegingen en oordeel betrokken, omdat sprake is van strijd met de twee-conclusieregel. Een reden voor een uitzondering op deze regel is het hof niet gebleken (rov. 5.1). Het hof heeft vervolgens in rov. 5.24 geoordeeld dat de man de stelling van de vrouw dat de man op de peildatum eigenaar was van een woning en inboedel te [plaats 3], onvoldoende heeft betwist. Deze overwegingen zijn niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Ik licht dit als volgt toe.
2.22
Uit het procesdossier blijkt dat de vrouw tijdig heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat haar verzoek ten aanzien van de woning van de man te [plaats 3] moet worden afgewezen (rov. 3.144) en de vrouw zich heeft beroepen op art. 3:194 lid 2 BW.33.Ter onderbouwing van deze grief heeft de vrouw een koopovereenkomst en een kadastraal uittreksel, beide gesteld in de Arabische taal, overgelegd. De man heeft zich verweerd met de stelling dat het kadastraal uittreksel valselijk is opgemaakt.34.Bij verweerschrift in het incidenteel appel heeft de vrouw vertalingen van beide stukken overgelegd. Voor de mondelinge behandeling van 6 januari 2022 heeft de man bij brief nadere producties overgelegd, waaronder een kadastraal uittreksel (incl. vertaling), kopieën van zijn identiteitsbewijzen, een bankafschrift en een kopie van het identiteitsbewijs van zijn vader.35.Ter toelichting heeft de man de volgende verweren aangevoerd:
(i) de gegevens omtrent de identiteit van de man, zoals vermeld in de koopovereenkomst, komen niet overeen met zijn identiteitsbewijzen (zoals de geldigheidsduur en de voornaam van de man);
(ii) hetzelfde geldt voor andere informatie uit de koopovereenkomst, zoals het beroep van de man en het feit dat de man in [plaats 3] zou hebben gewoond;
(iii) het identiteitsnummer van de verkoper is open gelaten, terwijl dit verplicht is en de notaris de identiteitsbewijzen zou hebben geraadpleegd;
(iv) de handtekeningen van partijen ontbreken, althans betwist de man dat zijn handtekening is weergegeven;
(v) de man heeft geen hypotheek afgesloten en was op dat moment ook niet in Marokko;
(vi) de stempels van de koopovereenkomst zijn vaag en moeilijk leesbaar; en
(vii) uit het kadaster blijkt dat het appartement op naam staat van [naam].
2.23
De stellingen onder (i)-(vi) zien op de beweerdelijke valsheid van de door de vrouw overgelegde koopovereenkomst. In zijn verweerschrift heeft de man echter het standpunt ingenomen dat het kadastraal uittreksel valselijk zou zijn opgemaakt. De bezwaren van de man ten aanzien van de koopovereenkomst heeft het hof begrijpelijkerwijs niet beschouwd als een uitwerking of precisering van dit reeds opgeworpen verweer, maar als een nieuw verweer. Het argument van de man dat hij niet eerder kon uitleggen waarom de koopovereenkomst ook een vervalsing betreft, omdat de vrouw pas bij verweerschrift in het incidenteel appel vertalingen had overgelegd, gaat bovendien niet op. Aangenomen mag worden dat bij de man reeds voordat hij de vertaling van de koopovereenkomst ontving, de overtuiging bestond dat hij geen onroerend goed in Marokko in eigendom heeft, welk standpunt hij ook in eerste aanleg heeft ingenomen.36.Verder blijkt uit de stellingen onder (iv) en (vi) dat ook bij kennisname van de niet-vertaalde koopovereenkomst bij de man twijfel had kunnen zijn ontstaan over de echtheid daarvan. De man heeft er desalniettemin voor gekozen om niet bij eerste gelegenheid – te weten in het verweerschrift, zoals vereist door de twee-conclusieregel – ook de echtheid van de koopovereenkomst (onderbouwd) te betwisten.
2.24
De stelling onder (vii) kan worden opgevat als een uitwerking van het bij verweerschrift opgeworpen verweer dat het kadastraal uittreksel valselijk is opgemaakt. Het hof heeft in rov. 5.24 opgemerkt dat niet duidelijk is of de man nu enkel het stuk uit 2021 als vals bestempelt of ook de koopovereenkomst uit 2015. Hieruit blijkt dat het hof de bij brief van 26 december 2021 overgelegde producties en een korte toelichting daarop in zoverre wel in zijn oordeel heeft betrokken, maar tot het oordeel is gekomen dat de betwisting van de man, gelet op hetgeen de vrouw heeft gesteld en overgelegd, (nog steeds) onvoldoende is. Hierop sluit aan het oordeel van het hof dat de man niet concreet heeft gemaakt waarom het kadastraal uittreksel vals zou zijn.
2.25
Op grond van het voorgaande zijn de overwegingen van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, zodat de klacht over de twee-conclusieregel faalt.
2.26
De andere klacht van het onderdeel waarin wordt betoogd dat de bewijslast van de echtheid van de stukken op de vrouw rust, zodat van de man niet mocht worden gevergd dat hij een bewijsaanbod deed, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist – dat wil zeggen in het geval dat wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd, overeenkomt met het stuk dat is ondertekend – volgt uit art. 150 Rv dat op degene die zich op de valsheid van de akte beroept, als hoofdregel de bewijslast rust.37.Op grond van art. 159 lid 2 Rv rust de bewijslast op degene die de onderhandse akte als bewijsstuk gebruikt of zich daarop beroept, alleen voor zover het de echtheid van de handtekening betreft. Deze bepaling is in deze zaak niet van toepassing, omdat de man de echtheid van de onderhandse akte(n) op zichzelf heeft betwist. De bewijslast dat het door de vrouw overgelegde kadastraal uittreksel en eventueel de koopovereenkomst vals zijn, berust dus in beginsel op de man. De rechter kan op grond van vaststaande feiten en omstandigheden, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, weliswaar tot het oordeel komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst, maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.38.Het hof mocht de man dan ook tegenwerpen dat hij in dit verband geen bewijsaanbod heeft gedaan, hetgeen ook niet onbegrijpelijk is. De klacht faalt daarom.
2.27
Onderdeel III is gericht tegen rov. 5.33 van de bestreden beschikking, waarin het hof de beslissing van de rechtbank in stand heeft gelaten dat de man, voor zover er nog persoonlijke spullen van de vrouw in de voormalige echtelijke woning aanwezig zijn, deze spullen zo spoedig mogelijk aan de vrouw dient terug te geven. Volgens het onderdeel heeft het hof nagelaten art. 149 Rv in samenhang met art. 150 Rv toe te passen en miskend dat de vrouw, gelet op de betwisting door de man, geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, evenmin versterkt met een bewijsaanbod, waaruit blijkt welke van haar persoonlijke spullen nog steeds in de echtelijke woning aanwezig zijn. Het hof had de beslissing van de rechtbank dan ook moeten vernietigen en het verzoek van de vrouw moeten afwijzen. Het in stand laten van de beslissing van de rechtbank is onbegrijpelijk, in het licht van de stellingen van de man39.en gezien de overweging van het hof dat door geen van partijen is gespecificeerd om welke (persoonlijke) spullen het gaat, aldus het onderdeel.
2.28
In eerste aanleg heeft de vrouw verzocht om teruggave van haar persoonlijke spullen, waaronder haar kleding, schoenen en administratie.40.De man heeft daarop het verweer gevoerd dat de vrouw al haar persoonlijke spullen heeft meegenomen toen zij de echtelijke woning verliet.41.De rechtbank heeft geoordeeld dat voor zover er nog persoonlijke spullen van de vrouw in de (voormalig) echtelijke woning liggen, de man deze zo spoedig mogelijk aan de vrouw dient terug te geven (rov. 3.137). Zowel de vrouw als de man hebben gegriefd tegen deze beslissing van de rechtbank. De vrouw heeft onder meer verzocht dat het bevel wordt versterkt met een dwangsom en lijfsdwang, en subsidiair, dat de man wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding.42.De man heeft onder meer vernietiging van de beslissing van de rechtbank verzocht, omdat (i) de vrouw niet heeft aangetoond dat er nog persoonlijke spullen in de echtelijke woning liggen; (ii) de vrouw alles heeft meegenomen bij haar vertrek en nadien nog twee goederen heeft opgehaald; (iii) de rechtbank heeft nagelaten te beslissen of er al dan niet nog persoonlijke spullen in de woning lagen; en (iv) de beslissing van de rechtbank ruimte laat voor discussie.43.
2.29
In rov. 5.32 heeft het hof het standpunt van de man als volgt samengevat:
‘In zijn tweede grief stelt de man dat die beslissing ruimte voor discussie geeft, nu niet duidelijk is of er nog persoonlijke spullen van de vrouw in de woning aanwezig waren. Hij verzoekt vernietiging van die beslissing.’
Vervolgens heeft het hof beide verzoeken afgewezen en de beslissing van de rechtbank in stand gelaten. Daarbij heeft het hof overwogen dat ‘[d]oor geen van partijen is gespecificeerd om welke (persoonlijke) spullen het gaat, zodat het hof hier ook niet over kan beslissen’ (rov. 5.33).
2.30
De klacht werpt terecht op dat dit oordeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 150 Rv. Ingevolge art. 284 lid 1 Rv zijn de algemene bepalingen van bewijsrecht ook van toepassing in de verzoekschriftprocedure, tenzij de aard daarvan zich hiertegen verzet.44.Op grond van art. 150 Rv rust op de vrouw de stelplicht en bewijslast van de relevante feiten en omstandigheden ter onderbouwing van haar afgifteverzoek, waaronder het feit dat er nog (persoonlijke) spullen in de (voormalig) echtelijke woning liggen en dat de man weigert deze af te geven. Zowel de rechtbank als het hof hebben zich niet uitgelaten over de bewijslastverdeling in dit verband. Het hof was gehouden tot een nieuwe zelfstandige beoordeling van de zaak, naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing en met inachtneming van de juiste bewijslastverdeling.45.Het hof kon dus niet volstaan met het in stand laten van de beslissing van de rechtbank, enkel vanwege de omstandigheid dat beide partijen hebben nagelaten de persoonlijke spullen te specificeren. Nu de stelplicht en de bewijslast inzake het afgifteverzoek op de vrouw rusten, was het niet aan de man om de (persoonlijke) spullen te specificeren, noch mocht dit van hem worden verwacht. Dit oordeel geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 150 Rv.
2.31
De door de man opgeworpen grief laat bovendien geen andere lezing toe dan dat de man de vernietiging van de beslissing van de rechtbank heeft verzocht, niet alleen omdat die ruimte voor discussie zou laten, maar ook omdat de vrouw, in het licht van de betwisting door de man, niet zou hebben bewezen dat er nog persoonlijke spullen in de woning aanwezig zijn, waarover de rechtbank ook geen oordeel heeft geveld. Anders gezegd, de man heeft de beslissing van de rechtbank als geheel aan de orde willen stellen in hoger beroep. De samenvatting van de grief van de man door het hof in rov. 5.32, zoals hierboven weergegeven, dekt dus niet (helemaal) de lading. Dat het hof de grieven van de man te beperkt heeft opgevat blijkt ook uit de overweging dat beide partijen niet hebben gespecificeerd om welke (persoonlijke) spullen het gaat. Om de grieven van de man ten volle te kunnen beoordelen had het hof immers dienen te onderzoeken of de vrouw – op wie de stelplicht en bewijslast rust – heeft gesteld, en indien nodig, heeft bewezen, welke persoonlijke spullen zich nog in de echtelijke woning bevinden. Nu een andere motivering voor het afwijzen van de grief van de man ontbreekt, is het oordeel van het hof dan ook ontoereikend gemotiveerd, zodat de klacht slaagt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2022 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2022
Zie rov. 3.1-3.11 van de bestreden beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden 10 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1045, RFR 2022/73.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer.
Voor de volledigheid merk ik op dat het door de man overgelegde procesdossier niet volledig is: een groot aantal producties ontbreekt.
Dit is vaste rechtspraak. Zie o.a. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.4.3; HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418, m.nt. L. Strikwerda, rov. 4.2.3; HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.3.2.
Art. 12 Rv is ingevoerd op 1 januari 2002 bij Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580 (herziening procesrecht). Zie over art. 12 Rv: Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019/93; P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 12 Rv, aant. 1; M. Zilinsky, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 12 Rv; F. Ibili e.a., (Echt)scheiding en internationaal privaatrecht, 2018, p. 47-48.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 30 oktober 2007, PbEU 2009, L 147.
Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 119.
Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, t.a.p.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer.
Hof Amsterdam 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3248, JBPr 2022/37, m.nt. M.W.F. Bosters.
Hof Den Haag 15 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:700. Deze opvatting is ook terug te vinden in Rb. Gelderland 12 november 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7122; Rb. Limburg 24 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4574.
Parl. Gesch. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 120.
Zie onder 2.4-2.9 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:530) vóór HR 26 september 2014 (Gazprombank), reeds aangehaald.
Zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.4.5.
Zie ook hof Den Haag 15 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:700, rov. 22.
Zie voor de ruime opvatting ook: Rb. Rotterdam 30 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9828; Rb. Amsterdam 21 februari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4506, JBPr 2007/71, m.nt. G.S.C.M. van Roeyen.
Marokko is geen partij bij het Haags Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden van 23 november 2007 en de voorgangers daarvan, resp. het Haags Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen van 15 april 1958 en het Haags Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973. Daarentegen is Marokko sedert 25 mei 1957 wel partij bij het VN Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud van 20 juni 1956, maar dit verdrag is een rechtshulpverdrag dat de inning van onderhoudsbijdragen wil vergemakkelijken en speelt in deze zaak geen rol.
Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEU 2009, L 7/1.
Zo’n situatie is wel geregeld in art. 33 Verordening Brussel I-bis (Verordening nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)). Art. 33 kent de rechter van de lidstaat een discretionaire bevoegdheid toe de uitspraak aan te houden ‘indien (a) wordt verwacht dat het gerecht van het derde land een beslissing zal geven die kan worden erkend en, in voorkomend geval, ten uitvoer kan worden gelegd in die lidstaat, en tevens (b) het gerecht van de lidstaat ervan overtuigd is dat aanhouding nodig is voor een goede rechtsbedeling’.
Zie Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 119, met verwijzing naar HvJEG 7 juni 1984, C-129/83, ECLI:EU:C:1984:215, NJ 1985/331 (Zelger/Salinitri).
Vgl. HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31, NJ 2018/58.
Zie nrs. 34-36 van het ‘verweerschrift tevens houdende incidenteel appel’ van de man (zonder datum).
Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.2-4.2.3; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154, m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.1-2.4.2; zie ook onder 2.3 van mijn conclusie van 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:455.
Zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, NJ 2018/31, rov. 3.3.2.
Zie HR 11 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4687, NJ 1984/298; HR 19 juni 2009, reeds aangehaald, rov. 2.4.4; HR 22 december 2017, reeds aangehaald, rov. 3.3.3.
Zie HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, m.nt. W.D.H. Asser.
Zie HR 19 juni 2009, reeds aangehaald, rov. 2.4.4; HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225, NJ 1992/407, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.5.
Zie HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7619, NJ 2007/333, m.nt. M.R. Mok, rov. 4.3; HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, NJ 2012/293; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, JBPr 2017/35, m.nt. G.C.C. Lewin.
Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/116 onder verwijzing naar HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0834, NJ 1993/216, rov. 3.2.
Zie HR 19 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2672, NJ 1998/671, rov. 3.3; HR 23 maart 2007, reeds aangehaald, rov. 4.3.
Zie nr. 25-26 van het beroepschrift van de vrouw van 28 juni 2021.
Zie nr. 35 van het ‘verweerschrift tevens houdende incidenteel appel’ van de man (zonder datum).
Deze stukken worden in de brief van 26 december 2021 als productie 30 aangeduid. Het bankafschrift en kopie van het identiteitsbewijs van de vader van de man bevinden zich niet in het door de man in cassatie overgelegde procesdossier.
Zie nr. 38 van het ‘verweerschrift tegen aanvullend verzoekschrift, tevens aanvullend zelfstandig verzoek’ van de man van 22 december 2020.
Zie HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0827, NJ 1993/179, rov. 3.5; HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:641, NJ 2019/188, rov. 3.4.3.
Zie HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4278, NJ 2000/236, rov. 3.4; HR 19 april 2019, reeds aangehaald, rov. 3.4.4.
Zie nr. 66-68 van het ‘verweerschrift tevens houdende incidenteel appel’ van de man (zonder datum).
Zie nr. 30 van het ‘incidenteel verzoek ex artikel 21 Rv/843a Rv, verweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens houdende zelfstandige verzoeken’ van de vrouw van 23 oktober 2020.
Zie nr. 29-31 van het ‘verweerschrift tegen aanvullend verzoekschrift, tevens aanvullend zelfstandig verzoek’ van de man van 22 december 2020.
Zie nr. 28 van het ‘hogerberoepschrift’ van de vrouw van 28 juni 2021.
Zie nr. 66-68 van het ‘verweerschrift tevens houdende incidenteel appel’ van de man (zonder datum).
Zie o.a. HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283, NJ 2020/378, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, rov. 3.4.3; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1777, JBPr 2019/4, m.nt. E. Gras, rov. 3.3.2.
Beroepschrift 09‑05‑2022
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE:
Aan de Hoge Raad der Nederlanden;
Geeft eerbiedig te kennen:
[de man], verzoeker tot cassatie, verder te noemen: de man, wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.K. van der Brugge, kantoorhoudende te DEN HAAG aan het Esmoreitplein 24 (2531 EJ), die hem in rechte voor de Hoge Raad der Nederlanden zal vertegenwoordigen en die zodoende het onderhavige verzoekschrift tot cassatie ondertekent en indient;
Verweerster in cassatie is:
[de vrouw]; wonende te [woonplaats], verder te noemen: de vrouw; in hoger beroep woonplaats gekozen hebbend ten kantore van haar advocaat mr. J. el Hannouche, kantoorhoudend te UTRECHT op het adres Atoomweg 63 (3542 AA);
Verzoeker tot cassatie — verder te noemen: de man — stelt cassatie in tegen de beschikking d.d. 10 februari 2022 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Locatie Arnhem, zaaknummer 200.296.442, welke beschikking samen met (afschriften van) alle overige processtukken uit de eerste aanleg en de tweede instantie aan de Hoge Raad zullen worden overgelegd.
De volgende middelen van cassatie worden ingediend:
Cassatiemiddel I:
1—
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen doordat het Hof ten onrechte heeft overwogen en beslist in de rechtsoverwegingen 5.13 tot en met 5.17, 7.4 en 7.5 dat de tweede grief van de vrouw slaagt en daarmee het beroep van de vrouw op de exceptie van litispendentie ex artikel 12 Rv; evenals dat de Rechtbank zichzelf onbevoegd had moeten verklaren ten aanzien van de door de man verzochte kinderalimentatie zodat de beslissing van de Rechtbank hierover wordt vernietigd, en dat het Hof zichzelf onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het verzoek van de man tot vaststelling van kinderalimentatie.
Want in het geval van rechterlijke procedures over het levensonderhoud voor minderjarige kinderen die zowel ten overstaan van de Nederlandse rechter en de Marokkaanse rechter aanhangig zijn gemaakt, terwijl in de Nederlandse procedure in rechte vaststaat dat de procedure bij de Marokkaanse rechter op een eerder tijdstip is begonnen dan die bij de Nederlandse rechter, is de Nederlandse rechter niet verplicht om de behandeling van de zaak aan te houden totdat de Marokkaanse rechter een beslissing heeft genomen. Het bepaalde in art. 12 Rv, eerste zin, bepaalt dat de Nederlandse rechter daartoe bevoegd is maar niet dat deze daartoe verplicht is.
Ook de overweging en beslissing van het Hof in rov. 5.16 dat het Marokkaanse vonnis in Nederland erkend kan worden en voor tenuitvoerlegging vatbaar is omdat geen sprake is van onverenigbaarheid met een eerdere in Nederland gewezen rechterlijk uitspraak, is rechtens onjuist. Deze eerdere uitspraak is er namelijk wel: de Rechtbankbeschikking d.d. 26 maart 2021 die van eerdere datum is dan het vonnis van de Marokkaanse rechter (17 juni 2021).
2—
Althans het Hof heeft niet, onvoldoende, of op onbegrijpelijke wijze gemotiveerd in de rov. 5.14 dat de vrouw, ten overstaan van de Marokkaanse civiele rechter, op een eerder tijdstip een procedure is begonnen dan de man bij de Nederlandse rechter over hetzelfde onderwerp: namelijk de vaststelling door de rechter van een bedrag aan kinderalimentatie.
Deze motivering is onbegrijpelijk omdat de man in zijn verweerschrift in hoger beroep heeft uiteengezet dat de procedure tot vaststelling van kinderalimentatie in Marokko een heel andere is dan die in Nederland. Zo kan de man geen (tegen)verzoek tot het vaststelling van kinderalimentatie bij de Marokkaanse rechter indienen, speelt het ontbreken van financiële draagkracht van de man geen rol bij de beslissing van de Marokkaanse rechter, heeft de vrouw tegenover de Marokkaanse rechter verzwegen dat zij de woning van de man heeft verlaten om te ontkomen aan de consequentie dat zij in dat geval volgens het Marokkaanse recht geen recht meer heeft op kinderalimentatie en is het niet betalen van, door de Marokkaanse rechter vastgestelde kinderalimentatie, een strafbaar feit naar Marokkaans recht. Zie hierover het verweerschrift in hoger beroep: alinea's 17 tm 24.
Deze verschillen hebben tot gevolg dat, zelfs met een ruime uitleg van het begrip ‘onderwerp’, de Nederlandse echtscheidingsprocedure waarin de nevenvoorziening vaststelling van kinderalimentatie wordt verzocht, wezenlijk verschilt van de Marokkaanse procedure waarin de echtgenote vaststelling van een kinderalimentatie verzoekt. In dat geval is niet voldaan aan één van de voorwaarden voor een geslaagd beroep op litispendentie.
Gelet op deze argumenten van de man had het Hof zijn oordeel nader moeten motiveren maar dat is niet gebeurd.
Onbegrijpelijk is ook 's‑Hofs oordeel in rov. 5.14 achter d) dat er geen Nederlandse rechterlijke uitspraak bestaat van eerdere datum die onverenigbaar is met het Marokkaanse vonnis. Zie alinea 22 van het verweerschrift van de man in hoger beroep waarin de man heeft gesteld dat op 17 juni 2021 door de Marokkaanse rechter is beslist dat hij € 95,00 per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen.
Dit terwijl in de eindbeschikking d.d. 26 maart 2020 van de Rechtbank is beslist dat de vrouw € 8,50 aan kinderalimentatie per maand aan de man moet betalen.
Als er geen onverenigbaarheid is van deze beide uitspraken, had het Hof zijn oordeel hierover nader moeten motiveren wat het Hof niet heeft gedaan.
Toelichting:
3—
De man is allereerst van mening dat het Hof de rechtsregel die toepasselijk is bij een beroep van een procespartij op de exceptie van litispendentie, zoals deze is geformuleerd in art. 12 Rv, onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Zelfs wanneer de beslissing van de Marokkaanse rechter in beginsel voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar zou zijn, mag de Nederlandse rechter toch beslissen om de behandeling van de zaak niet aan te houden en een eindbeslissing nemen nog voordat de Marokkaanse rechter een inhoudelijke beslissing zal geven.
Omdat de Rechtbank in zijn eindbeschikking d.d. 26 maart 2021 had beslist om het beroep op litispendentie te verwerpen en de behandeling van de zaak daarom niet aan te houden, mocht het Hof in hoger beroep niet meer deze eindbeslissing van de Rechtbank vernietigen omdat deze ten onrechte de behandeling van de zaak niet had aangehouden.
Bovendien mocht het Hof de eindbeschikking van de Rechtbank al daarom niet vernietigen omdat deze op een eerder tijdstip werd uitgesproken (26 maart 2021) dan de eindbeslissing van de Marokkaanse rechter (17 juni 2021). Wanneer de Nederlandse rechter in eerste aanleg het beroep op litispendentie verwerpt en verder gaat met de behandeling van (kinder)alimentatiezaak, kan de eerdere einduitspraak van de Nederlandse rechter niet meer vernietigd worden wegens onbevoegdheid omdat in hoger beroep alsnog het beroep op litispendentie wordt gehonoreerd. Onbevoegdheid wegens litispendentie kan in (kinder)alimentatiezaken kan alleen door de Nederlandse rechter uitgesproken worden als deze heeft beslist dat de procedure aangehouden moet worden. En de Marokkaanse rechter daarna, dus op een eerder tijdstip dan de Nederlandse rechter die heeft beslist dat de zaak wegens litispendentie aangehouden moet worden, een eindbeslissing neemt die voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komt.
4—
Evenmin kon het Hof vanwege deze redenen beslissen dat het Marokkaanse vonnis, dat van latere datum is dan de eindbeschikking van de Rechtbank, erkend moest worden en voor tenuitvoerlegging vatbaar is in Nederland. De inhoud van het Marokkaanse vonnis is tegengesteld aan de beschikking van de Rechtbank: in het Marokkaanse vonnis wordt een kinderalimentatieplicht van de man vastgesteld, in de beschikking van de Rechtbank een kinderalimentatieplicht van de vrouw.
5—
Het Hof heeft in rov. 5.14 ook een rechtens onjuiste beslissing genomen door te overwegen dat het verzoek van de vrouw aan de Marokkaanse rechter om kinderalimentatie op een eerder tijdstip was ingediend dan het verzoek daartoe door de man bij de Nederlandse rechter. Want de vrouw heeft als eerste bij de Rechtbank een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend (5 juni 2020). Pas later, op 9 december 2020, is de vrouw in Marokko een afzonderlijke procedure tot het vaststellen van kinderalimentatie begonnen. De man heeft op 29 december 2020 bij de Nederlandse rechter een verzoek tot kinderalimentatie ingediend.
Het moment van indienen van een verzoekschrift tot echtscheiding dient bepalend te zijn voor de beantwoording van de vraag op welk tijdstip een nevenverzoek tot vaststelling van kinderalimentatie bij de Nederlandse rechter aanhangig is gemaakt.
6—
Belangrijk is dat tussen Nederland en Marokko geen verdrag is gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke alimentatiebeslissingen. De Nederlandse alimentatierechter moet dus terugvallen op het bepaalde in art. 12 Rv. Zojuistgenoemd art. 12 Rv kent geen verplichting voor de rechter om de exceptie van litispendentie te honoreren.
Verder is van belang dat procedures over (kinder)alimentatie naar hun aard spoedeisend zijn. Onzekerheid over de duur van de buitenlandse procedure kan met zich mee brengen dat de Nederlandse rechter de beslissing van de buitenlandse rechter niet kan en wil afwachten.
Mocht het zo zijn dat de Nederlandse uitspraak en de Marokkaanse van latere datum inhoudelijk tegenstrijdig zijn met elkaar, dan kan de Marokkaanse uitspraak niet in Nederland erkend worden en komt deze niet voor tenuitvoerlegging in aanmerking. Bij twijfel daarover kan ook de executierechter daarover uitsluitsel te geven.
Verder is van belang dat een door de Nederlandse rechter vastgesteld bedrag aan kinderalimentatie altijd wegens wijziging van omstandigheden aangepast kan worden. Rechterlijk uitspraken van buitenlandse rechters kunnen ook een wijziging van omstandigheden opleveren.
7—
Een verzoek tot echtscheiding opent, volgens het bepaalde in art. 827 Rv, de mogelijkheid dat nevenvoorzieningen worden verzocht en uitgesproken. Gelijktijdig met het verzoek tot echtscheiding dan wel in een latere fase van de procedure. Eén van deze nevenvoorzieningen is het vaststellen van kinderalimentatie. Deze nevenvoorzieningen zijn een onderdeel van de echtscheidingsprocedure. Bovendien is de werking van deze nevenvoorzieningen afhankelijk van de uitkomst van de echtscheidingsprocedure. De vaststelling van een kinderalimentatie treedt pas in werking als de rechter de echtscheiding heeft uitgesproken en deze is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het Hof heeft beslist dat de datum van indiening van het (neven)verzoekschrift tot vaststelling van kinderalimentatie bij de Nederlandse en de Marokkaanse rechter als het bepalende moment wordt beschouwd voor het slagen, of mislukken, van een beroep op litispendentie.
Dat is onwenselijk omdat de werking van de buitenlandse (in casu: Marokkaanse) rechterlijke beslissing niet afhankelijk hoeft te zijn van de vraag of de echtscheiding in Nederland is uitgesproken en definitief is geworden. Het is goed mogelijk dat de echtscheiding in Nederland toch niet doorgaat maar dat de andere echtgenoot, krachtens een buitenlandse rechterlijke uitspraak, dan toch kinderalimentatie verschuldigd is.
Het primaat behoort dus te blijven bij de in Nederland gestarte echtscheidingsprocedure.
Cassatiemiddel II:
8—
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, omdat het Hof in de eindbeschikking in rov. 5.1. heeft beslist dat toepassing van de twee-conclusie-leer met zich meebrengt dat ook de brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 26 december 2021 niet in de overwegingen en de beslissing van het Hof worden betrokken voor zover deze brief meer is dan enkel een korte toelichting op de producties. Met als gevolg dat, ten onrechte want rechtens onjuist, de inhoud van de op blz. 4 en 5 van deze brief geschreven toelichting bij de door de man overgelegde productie 30 niet door het Hof zijn meegewogen in zijn overwegingen en beslissing in de rov. 5.24.
De zojuist genoemde overwegingen en beslissingen van het Hof in de rov. 5.1 en 5.24 zijn rechtens onjuist omdat het Hof gehouden was om te onderzoeken of de inhoud van de op blz. 4 en 5 van deze brief geschreven toelichting bij de door de man overgelegde productie 30, als een toegestane precisering beschouwd moeten worden van het door de man in zijn verweerschrift in hoger beroep in alinea's 34 tm 36, gevoerde verweer dat de door vrouw overgelegde stukken vervalsingen zijn. Echter het Hof heeft dit onderzoek niet verricht. Daarom mocht het Hof ook niet beslissen in rov. 5.24 dat de derde grief van de vrouw slaagt.
Rechtens onjuist is ook de overweging van het Hof in rov. 5.24 dat de man geen bewijsaanbod heeft gedaan van de door hem gestelde valsheid van de door de vrouw overgelegde stukken. Want de bewijslast van de echtheid van de door de vrouw overgelegde stukken rust op haar. Op de man rust geen bewijslast van zijn verweer dat deze stukken vals zijn.
9—
Althans het Hof heeft zijn beslissingen in de rov. 5.1. en 5.24, zoals hierboven in alinea 7 geformuleerd, onvoldoende dan wel op onbegrijpelijk wijze gemotiveerd. Omdat in 's‑Hofs beschikking geen enkele overweging van het Hof is gewijd aan de vraag of de inhoud van de op blz. 4 en 5 van de brief d.d. 26 december 2021 geschreven toelichting bij de door de man overgelegde productie 30, als een toegestane precisering beschouwd moeten worden van het door de man, in zijn verweerschrift in hoger beroep in alinea's 34 tm 36, gevoerde verweer dat de door vrouw overgelegde stukken vervalsingen zijn. Dat had wel gemoeten omdat deze toelichting een essentiële uitwerking is van het beroep van de man in zijn verweerschrift in hoger beroep op valsheid van stukken. Het gaat hier niet om nieuwe grieven of verweren. Bovendien gaat het hier om een toelichting op de overgelegde productie 30 waaruit blijkt dat het onroerende goed niet in Marokko is geregistreerd op de naam van de man en dus zijn eigendom niet is. Ook heeft de man daarin uitgelegd waarom de door de vrouw overgelegde koopovereenkomst een vervalsing is. Deze uitleg kon hij niet eerder geven omdat de vrouw pas in haar verweerschrift tegen het incidentele hoger beroep vertalingen van de door haar overgelegde Marokkaanse documenten in het geding heeft gebracht.
Als het Hof de door de man overgelegde productie 30 en zijn inhoudelijke toelichting wel had meegewogen, dan wel daarmee voldoende rekening mee had gehouden, dan zou het Hof niet tot zijn overwegingen in 5.24 hebben kunnen concluderen. Althans niet zonder een nadere, in rov. 5.24 ontbrekende, motivering.
Onbegrijpelijk is ook de overweging van het Hof dat de man geen bewijsaanbod heeft gedaan betreffende de door hem gestelde valsheid. De man heeft ruimschoots voldaan aan zijn stelplicht gelet op de overgelegde productie 30 en zijn inhoudelijke toelichting in zijn brief van 26 december 2021. De bewijslast van de echtheid van de door de vrouw overgelegde stukken blijft daarom op haar rusten.
Toelichting:
10—
De rov. 5.23 tm 5.25 gaan over het beroep van de vrouw op het bepaalde in art. 3 : 194 lid 2 BW zodat de man zijn aandeel in de onroerende zaak met inboedel in [a-plaats] zou hebben verbeurd wegens verzwijging. Essentieel is de stelling van de vrouw dat deze onroerende zaak al eigendom was van de man vóórdat de vrouw in Nederland een verzoekschrift tot echtscheiding indiende. Deze onroerende zaak valt dan, krachtens het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De man heeft zowel in eerste als tweede aanleg ontkent dat hij de eigenaar was en is van deze onroerende zaak.
In het door de vrouw ingediende beroepschrift in hoger beroep verwijst de vrouw in alinea 26 naar de door haar overgelegde producties 12, 13 en 14.
De producties 12 en 14 zijn volgens de vrouw de Marokkaanse koopovereenkomst en de kadastrale registratie. Deze stukken zijn in de Marokkaanse taal opgesteld. Vertalingen waren niet bijgevoegd.
De man heeft daarom zijn beroep op valsheid van deze stukken pas onderbouwd toen de vrouw vertalingen van deze stukken heeft overgelegd bij haar verweerschrift tegen het incidentele hoger beroep. Zie de producties 22 en 23. Toen pas was hij in staat om zijn valsheidsverweer nader te preciseren. Eerder niet want hij moest de overlegging van deze vertalingen afwachten.
Zie overigens ook HR 27-04-2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301 (De Beeld-brigade/Hulskamp), NJ 2012/293 waarin de HR in rov. 3.9 heeft overwogen dat nadere stellingen bij pleidooi als een toegestane precisering van een eerdere stelling beschouwd moeten worden.
Cassatiemiddel III:
11—
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, omdat het Hof in de eindbeschikking in rov. 5.33. heeft beslist dat de incidentele grief van de man tot vernietiging van het oordeel van de Rechtbank waarin wordt beslist dat de man de persoonlijke bezittingen van de vrouw, voor zover deze nog in de echtelijke woning aanwezig zijn, zo spoedig als mogelijk aan haar moet teruggeven, wordt verworpen en dat het oordeel van de Rechtbank wordt bekrachtigd.
Deze beslissing is rechtens onjuist omdat het Hof het bepaalde in de artt. 149 en 150 Rv over de stelplicht en bewijslast van gestelde feiten en omstandigheden niet heeft toegepast. Als het Hof deze regels wel zou hebben toegepast, dan had het Hof tot de conclusie moeten komen dat de vrouw, gelet op de betwisting door de man, geen feiten en omstandigheden had gesteld, evenmin versterkt met een bewijsaanbod, waaruit kan blijken welke van haar persoonlijke spullen nog steeds in de echtelijke woning aanwezig waren. Vervolgens zou het Hof dan de beslissing van de Rechtbank moeten vernietigen en de vordering van de vrouw alsnog hebben moeten afwijzen.
Althans het Hof heeft zijn beslissingen in de rov. 5.33. onvoldoende dan wel op onbegrijpelijk wijze gemotiveerd. Zie de alinea's 66 tm 69 in het verweerschrift teven inhoudende incidenteel hoger beroep van de man.
De beslissing van het Hof om de 2e incidentele grief van de man te verwerpen en de beslissing van de Rechtbank te bekrachtigen is onbegrijpelijk omdat het Hof, met juistheid overigens, heeft overwogen dat de vrouw de door haar bedoelde persoonlijke bezittingen niet nader heeft omschreven dan wel gespecificeerd.
Welke persoonlijke bezittingen de man dan aan de vrouw moet afgeven blijft duister. Het Hof had zijn beslissing hierover nader moeten motiveren echter dat heeft het Hof nagelaten.
Toelichting:
12—
Voorop gesteld wordt dat de overweging in rov. 5.33 dat geen der partijen heeft uitgelegd of gespecificeerd om welke persoonlijke bezittingen van de vrouw het gaat, als juist beschouwd kan worden. In rov. 3.135 en 3.136 van de beschikking van Rechtbank wordt weliswaar vermeld dat de vrouw in eerste aanleg heeft gedoeld op kleding, schoenen en administratie, maar anderzijds overweegt de Rechtbank ook met juistheid dat de man zich heeft verweerd met de stelling dat de vrouw alles had meegenomen uit de echtelijke woning wat van haar was.
Echter zowel Rechtbank als Hof hebben uit het oog verloren dat het de vrouw is geweest die zich heeft beroepen op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten en omstandigheden. Er zouden zich in de echtelijke woning nog steeds persoonlijke spullen van haar bevinden en de man zou weigeren om deze af te geven. Dus rust op de man een rechtsplicht om deze aan de vrouw af te geven.
Het is dan aan de vrouw om de stellen, en desnoods te bewijzen, welke spullen van haar nog steeds in de echtelijke woning zijn zodat inderdaad geconcludeerd kan worden dat de man weigerachtig is om deze af te geven.
Met juistheid heeft het Hof overwogen dat onduidelijk is gebleven welke persoonlijke spullen de vrouw bedoeld: deze zijn niet nader omschreven of gespecificeerd. De conclusie behoort dan te zijn dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht met als consequentie dat haar vordering tot afgifte moet worden afgewezen.
Voorbehoud vanwege het nog niet beschikbaar zijn van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 6 januari 2022
13—
Het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 6 januari 2022 is opgevraagd maar nog niet ontvangen. De man behoudt zich daarom het recht voor dit verzoekschrift aan te vullen / te wijzigen zodra zojuistgenoemd proces-verbaal is ontvangen.
Redenen waarom:
De Hoge Raad der Nederlanden wordt verzocht om de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Locatie Arnhem, d.d. 10 februari 2022 met zaaknummers 200.296.442 en 200.296.445 te vernietigen met zodanig verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren;
Den Haag, 9 mei 2022
Advocaat.