Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.3.3
IV.3.3 Grondslagen IV en V: openheid van de procedure
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600899:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Luhmann 1969, i.h.b. p. 38-40.
Vgl. De Jong & Van Lent 2016, i.h.b. p. 46.
Vgl. bijv. Stuckenberg 2014, p. 312: “The original task of the presumption of innocence is to maintain the openness of the outcome, which is constitutive of a procedure.”
Aldus bijv. Henrion 2006, p. 926: “La présomption d’innocence sert l’institutionnalisation de l’incertitude jusqu’à l’issue de la procedure.” Vgl. ook Trechsel 2005, p. 163: ”The right to be presumed innocent can be regarded as being connected to the psychological climate in which proceedings ought to unfold [...]. The question as to the guilt or innocence of the accused, which is, after all, the essence of the proceedings, must remain open, even if the evidence against the accused appears to be overwhelming.”
De Jong & Van Lent 2013, p. 277-280; De Jong & Van Lent 2016, p. 45 e.v. Vgl. ook Weigend 2013, p. 196. Zie over deze kritische functie van de onschuldpresumptie ook Buruma 2009.
Dat blijkt ook uit empirisch onderzoek, zie voornamelijk en met verdere verwijzingen Salet 2015. Zij concludeert (p. 282 e.v.) dat ook in grote rechercheonderzoeken waaraan veel mensen deelnemen veelal naar bevestiging van de voor hen meest waarschijnlijke onderzoeksrichting wordt gezocht. Alternatieve standpunten worden in het streven naar consensus daarbij onvoldoende recht gedaan.
Zie o.a. Stevens, ‘Art. 271 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 7.7; Buruma 2009; Stevens 2010a, § 4; De Jong & Van Lent 2016, p. 42.
Zie op die manier bijv. ook Kuijer 2004, p. 299; Cleiren 2012, p. 66.
Stuckenberg 2014, p. 313. Trechsel (2005, p. 180) wijst in dit verband tevens op empirisch onderzoek dat uitwijst dat de lengte van het voorarrest een strafverhogend effect heeft.
Niklas Luhmann maakt in zijn boek Legitimation durch Verfahren, waarin hij het belang van procedures voor de legitimiteit van overheidsbeslissingen voor het voetlicht brengt, een even simpel als wezenlijk onderscheid tussen procedures en rituelen. Rituelen zijn vaste sequenties van handelingen waarvan op voorhand vastligt dat maar één volgende handeling de juiste is. Procedures hebben vaak rituele elementen, maar zijn zelf nadrukkelijk geen ritueel. In een procedure is de uitkomst per definitie onzeker. Het is deze onzekerheid die motiveert aan de procedure deel te nemen en deze serieus te nemen.1
In de tweede benadering van de relatie tussen de onschuldpresumptie en het recht op een eerlijk proces, staan deze openheid en onzekerheid centraal. Een eerlijk proces kan niet op voorhand reeds een uitgemaakte zaak zijn, maar moet afhankelijk van de in die procedure gedane, specifieke bevindingen tot verschillende uitkomsten kunnen leiden. Openheid en ruimte voor twijfel zijn in strafzaken echter bepaald geen vanzelfsprekendheid. De tegen een persoon bestaande verdenking speelt bij het opsporingsonderzoek van oudsher een belangrijke rol. Dikwijls wijst veel in de richting van de schuld van de verdachte. De gevolgen daarvan voor het verloop van het onderzoek zijn vooral door rechtspsychologen de afgelopen jaren veelvuldig onder de aandacht gebracht. Er lijkt bovendien aanleiding te vrezen dat de openheid van de uitkomst door recente ontwikkelingen in het huidige tijdgewricht verder onder druk zal komen te staan. De Jong & Van Lent wijzen onder andere op de grote belangstelling voor de particuliere belangen van het slachtoffer, de publieke wens tot zware straffen en de focus op veiligheid en risicobeheersing door middel van strafrecht. Het gevolg daarvan is een tendens strafbare feiten zo snel en liefst kostenefficiënt mogelijk af te doen, zonder daarvoor op het bereik of de impact van strafsancties te willen korten. Die ontwikkelingen kunnen aanleiding geven tot een meer proactieve en voorspellende invulling van het straf- en strafprocesrecht.2 Door anticipatie op de schuld van het individu te verbieden, tracht de behandelingsdimensie zulke tendensen te weerstaan.3 De behandelingsdimensie institutionaliseert de twijfel en onzekerheid die nodig zijn om een proces niet tot ritueel te laten verworden.4 De onschuldpresumptie is als het ware een “contrafactische notie”, die in de kern een tegenwicht biedt aan feitelijke schuldvermoedens die gedurende het strafrechtelijk onderzoek ontstaan.5
Deze kritische functie van het vermoeden van onschuld werkt op twee manieren. Ten eerste herinnert zij eenieder aan zijn eigen taak en de wijze waarop hij die behoort te vervullen. Met het onderzoek belaste autoriteiten moeten waken tegen tunnelvisie bij zichzelf en collega’s. Geïnstitutionaliseerde mechanismes als georganiseerde tegenspraak kunnen dat helpen voorkomen.6 De onschuldpresumptie heeft vooral een inscherpende functie en stimuleert ook steeds de hypothese dat de verdachte niet schuldig is serieus te blijven nemen (grondslag IV).7
Een verbod op behandeling als schuldige dient echter niet louter tot inscherping van de eigen openheid voor alternatieve hypothesen. De behandelingsdimensie tracht ook beïnvloeding van de zittingsrechter (of jury) te voorkomen. De rechter moet geheel autonoom zijn oordeel over de schuld van de verdachte kunnen vormen. Lopen anderen op dat oordeel vooruit, dan kan dat zijn onbevangenheid aantasten.8 Niet voor niets staat het EVRM toe de vrije meningsuiting te beperken “for maintaining the [...] impartiality of the judiciary”. Niet alleen politieke of media-uitingen over de schuld van de verdachte, maar ook meer organisatorische kwesties zoals de berechting van de verdachte in een kooi en/of gevangeniskleding, kunnen de rechterlijke onbevangenheid beïnvloeden.9 Door bejegening als schuldige te verbieden, beoogt de behandelingsdimensie bij te dragen aan de rechterlijke onbevangenheid (grondslag V).