Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.3.1:IV.3.1 Vooraf: twee relaties tussen de behandelingsdimensie en het recht op een eerlijk strafproces
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.3.1
IV.3.1 Vooraf: twee relaties tussen de behandelingsdimensie en het recht op een eerlijk strafproces
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598620:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijv. Trechsel 1981, p. 319.
Zie § II.6 en II.7.
De Straatsburgse organen beschouwen de onschuldpresumptie expliciet als onderdeel van het recht op een eerlijk proces. Zie bijv. ECieRM 15 maart 1961, nr. 343/57 rep. (Nielsen/Denemarken); EHRM 12 april 2012, nr. 18851/07, par. 73 (Lagardère/Frankrijk); EHRM 2 oktober 2012, nr. 40094/05, par. 185 (Virabyan/Armenië).
Zo is het ter bescherming van de rechterlijke onpartijdigheid ook wenselijk dat een partijdigheidsclaim kan worden beoordeeld door een onpartijdige wrakingsrechter.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het beperkte verbod op behandeling als schuldige neemt niet alleen belangrijke dogmatische bezwaren tegen de behandelingsdimensie weg. Het is tevens om meerdere redenen positief te waarderen en te verdedigen. Daarbij laten zich twee hoofddoelen onderscheiden. Enerzijds beschermt de behandelingsdimensie de plaats en autoriteit van de procedure als het exclusieve forum voor schuldvaststelling, veroordeling en bestraffing van het individu. Anderzijds waarborgt de onschuldpresumptie de openheid van de uitkomst van die procedure. De beide perspectieven beschermen de procedure, maar relateren de behandelingsdimensie op uiteenlopende wijze aan het recht op een eerlijk proces.
Voor zover de behandelingsdimensie de exclusiviteit van de procedure waarborgt, gaat deze aan het recht op een eerlijk strafproces vooraf. Schuld moet worden vastgesteld door middel van een strafproces en zolang dit niet is gebeurd, mag iemand daarom niet als schuldige worden behandeld. Dat betekent tevens dat geen straf of aan bestraffing gelijk staande nadelen mogen worden opgelegd buiten de procedure om.1 De onschuldpresumptie is in dit opzicht geen aspect van het eerlijk proces, maar constitueert dat proces. Het onschuldvermoeden schrijft dat strafproces voor. Deze benadering heeft historisch gezien de beste papieren. Het was ten tijde van het Ancien Régime vooral bestraffing en onnodige vernedering zonder dat een veroordeling was uitgesproken die het op grond van de onschuldpresumptie moest ontgelden.2
Het andere perspectief beschouwt de behandelingsdimensie evenals de bewijsdimensie als onderdeel van het recht op een eerlijk proces. Voor een eerlijk proces is nodig dat de uitkomst van die procedure nog niet van tevoren vaststaat. Wordt iemand te vroeg als schuldige behandeld, dan beïnvloedt dat de eerlijkheid van de procedure. Op deze manier begrepen zijn de verhoudingen omgedraaid: het verbod op bejegening als schuldige vloeit uit het recht op een eerlijk proces voort. Deze opvatting vindt onder meer steun in de opname van het beginsel in het tweede lid van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR.3
Deze twee benaderingen kunnen naast elkaar bestaan. Dat een beginsel een bepaalde procedure voorschrijft en beschermt, staat er op zichzelf namelijk niet aan in de weg dat vervolgens dat beginsel ook in die procedure een belangrijke werking heeft.4 Beide benaderingen geven belangrijke, maar te onderscheiden argumenten voor het bestaan van een verbod op bejegening als schuldige.