Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.2.2:6.3.2.2 Verzuim van vormen
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.2.2
6.3.2.2 Verzuim van vormen
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581908:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het belangrijkste vormverzuim waarover in cassatie geklaagd kan worden, is schending van de motiveringseis. Art. 121 Gr.w., art. 5 lid 1 RO en art. 230 lid 1 Rv bepalen immers dat alle vonnissen en arresten, op straffe van nietigheid, de gronden inhouden waarop zij berusten. Als minimum geldt hierbij dat de (lagere) rechter in zijn uitspraak met voldoende bepaaldheid moet aangeven op welke feiten hij zijn uitspraak baseert, zodat de cassatierechter de mogelijkheid heeft te beoordelen of op deze feiten het recht op juiste wijze is toegepast. Daarnaast dient de motivering om de beslissing van de rechter vatbaar voor verificatie en aanvaardbaar te maken.1
In het kader van deze motiveringseis kunnen in cassatie beslissingen van de lagere rechter (ook indien deze 'gemengd' of zelfs zuiver 'feitelijk' zijn; over het onderscheid meer in § 6.2.3.2) getoetst worden op motiveringsgebreken als de aanwezigheid van een onbegrijpelijke of onvoldoende motivering, het verzuim essentiële stellingen van partijen te behandelen, en kennelijke vergissingen bij de vaststelling van de feiten. Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter in een bepaald geval precies reikt, hangt onder meer af van hetgeen partijen gedurende het geding hebben aangevoerd, alsmede van de aard van de procedure en de te nemen beslissing.2