Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.4.4
3.4.4 Doen plegen
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS350979:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Smidt I, p. 435.
HR 27 juni 1898, W. 7146.
Gezien de thans gebezigde extensieve interpretatie van de uitlokkingsmiddelen heeft dit argument volgens de literatuur aan waarde ingeboet. De Hullu 2018, p. 479.
HR 19 december 1910, W. 9122.
In de literatuur wordt aangenomen dat processuele gebreken die vervolging uitsluiten, zoals het overlijden van de feitelijke uitvoerder, niet tot de voor doen plegen relevante straffeloosheid leiden. De Hullu 2018, p. 479; Harteveld 2007, p. 157; Krabbe 2007, p. 152.
De Hullu 2018, p. 481.
Knigge 2003, p. 297.
Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 13 op art. 47 Sr.
Harteveld 2007, p. 161.
Zie bijvoorbeeld De Hullu 2018, p. 483; Keulen e.a. 2010, p. 112.
Volgens de wetgever van 1881 was doen pleger ‘hij die het feit pleegt, niet persoonlijk maar door tusschenkomst van een ander, als werktuig in zijne hand, wanneer die ander wegens de onwetendheid waarin hij verkeert, de dwaling waarin hij is gebragt of het geweld waarvoor hij zwicht, handelt zonder opzet, schuld of toerekenbaarheid’.1 De doen pleger was in de ogen van de wetgever dus iemand die een ander als ‘willoos werktuig’ had gebruikt ter realisering van zijn eigen strafbare plannen. De ontwikkeling die deze deelnemingsvorm doormaakte, volgde al vrij snel na de inwerkingtreding van het Wetboek en is sindsdien niet ingrijpend gewijzigd. In het Pastoor-arrest uit 1898 werd beslist dat de straffeloosheid van de feitelijke uitvoerder een vereiste is voor de aansprakelijkheid van de doen pleger.2 Anders zou volgens de redenering van de Hoge Raad de beperkende werking van de uitlokkingsmiddelen worden ondermijnd.3 De vraag of de oorzaak van de straffeloosheid van de feitelijke uitvoerder enkel gelegen mag zijn (in een gebrek) in zijn opzet, schuld of toerekenbaarheid beantwoordde de Hoge Raad een korte twintig jaar later ontkennend in het Terp-arrest.4 Ook indien de feitelijke uitvoerder de volgens de delictsomschrijving vereiste kwaliteit mist en om die reden niet strafbaar is als pleger, is de deelnemingsvorm van het doen plegen van toepassing.5 Tot slot werd in het Reispas-arrest uit 1913 bepaald dat doen plegen ook mogelijk is indien niet de doen pleger, maar de feitelijke uitvoerder de vereiste kwaliteit bezit.6
Net zoals voor alle deelnemingsvarianten is voor doen plegen opzet op de deelnemingsgedraging vereist.7 Aangezien het doen plegen gezien wordt als een directe deelnemingsvorm – de doen pleger komt in de plaats van de pleger – geldt voor de doen pleger dezelfde opzeteis als voor de pleger.8 Het opzet van de doen pleger dient derhalve gericht te zijn op alle delictsbestanddelen waarop ook de pleger opzet moet hebben voor strafbaarheid. Er is geen opzet vereist op de straffeloosheid van de feitelijke uitvoerder.9
In de literatuur wordt de zelfstandige waarde van het doen plegen sterk gerelativeerd. Er is gewezen op de (materiële) overlap met andere deelnemingsfiguren zoals de uitlokking en het medeplegen.10 Vanwege de uitbreiding van de reikwijdte van die figuren ligt toepassing van het doen plegen steeds minder voor de hand. Daarnaast heeft de toenemende mate waarin delictsomschrijvingen functioneel worden uitgelegd, tot gevolg dat de doen pleger steeds vaker als ‘gewone’ pleger kan worden aangemerkt. Hierdoor is de figuur van het doen plegen steeds meer in onbruik geraakt. Om deze reden zijn er auteurs die voor afschaffing van deze deelnemingsvorm pleiten.11