Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.3.3.1
5.3.3.1 Bestaande verhaalsrechten en voorrang
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583641:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. hiervóór nr. 184 en 187.
Zie HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders. Zie over het inroepen van een voorrecht door een inningsbevoegde derde in het algemeen, A. Steneker in zijn noot (sub 6) onder Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (Bald/Van Boekhold); door openbaar pandhouder, Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 469; Verdaas 2008a, nr. 398; en door een beslaglegger HR 7 januari 1983, NJ 1983, 542 (Ontvanger/Guensberg), m.nt. BW; Broekveldt 2005, p. 110; Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 1.7 (en par. 3.1, sub c (p. 82)); Stein/Rueb 2009, par. 17.5.10, nt. 59 en par. 17.5.16.
Zie HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders.
Zie HR 7 januari 1983, NJ 1983, 542 (Ontvanger/Guensberg), m.nt. BW.
Voor de schorsing van het geding (art. 225 lid1 Rv) geldt hetzelfde, zie hiervóór nr. 141-142.
Zie ook ten aanzien van andere bijzondere procesgangen, hiervóór nr. 161 en 165.
266. Uit het voorgaande blijkt dat de stille cessionaris bestaande verhaalsrecht en voorrang als nevenrechten verkrijgt op het moment van de stille cessie. Het is vervolgens de vraag of de inningsbevoegde stille cedent zich mag beroepen op deze verhaalsrechten en voorrang. Het antwoord luidt bevestigend.
Is conservatoir of executoriaal beslag gelegd, bestaan ter zake van de vordering en de nevenrechten een of meer executoriale titels en zijn aan de vordering een of meer voorrechten of andere vormen van voorrang verbonden, dan profiteert de inningsbevoegde derde daarvan. Hij hoeft geen nieuw beslag te laten leggen en geen nieuwe executoriale titel te verkrijgen.1 Hij kan aanspraak maken op de aan de vordering verbonden voorrang.2 Uit hoofde van zijn inningsbevoegdheid is hij bevoegd tot de uitoefening van deze nevenrechten. Tussen de inningsbevoegdheid en deze nevenrechten bestaat een zodanig nauwe samenhang dat het gerechtvaardigd is dat de inningsbevoegde deze rechten kan uitoefenen. De rechtsregel uit het arrest Rabobank/Stormpolder leent zich voor overeenkomstige toepassing.3 Voor het uitoefenen door een beslaglegger van een aan de beslagen vordering verbonden voorrecht volgt het bovendien uit het arrest Ontvanger/Guensberg.4
Wil de derde, nadat hij inningsbevoegd is geworden, de executie aanvangen of voortzetten, dan is art. 431a Rv van toepassing. Art. 431a Rv bepaalt dat indien de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat, de executie eerst kan worden aangevangen of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde. Hieronder valt naar mijn mening mede het geval waarin een derde de executiebevoegdheid overneemt van de schuldeiser (of een andere derde), en omgekeerd. Het begrip overgang in art. 431a Rv ziet derhalve niet op een goederenrechtelijke overgang van de bevoegdheid. De curator, de openbaar pandhouder en de bewindvoerder (enz.) die de executie overnemen, dienen de overgang van de bevoegdheid eerst aan de schuldenaar te betekenen, alvorens zij de executie kunnen aanvangen of voortzetten (vgl. art. 25 e.v. Fw en art. 225 lid1 Rv). Voor een bijzonder verhaalsrecht op een goed van een derde-rechthebbende geldt hetzelfde.
De inningsbevoegde kan zich beroepen op een overeenkomst van achterstelling tussen een andere schuldeiser en de schuldenaar (art. 3:277 lid 2BW).
In het (zeldzame) geval dat een derde in eigen naam inningsbevoegd wordt ten aanzien van een belastingvordering van de fiscus, komen aan hem naar mijn mening niet dezelfde bijzondere bevoegdheden toe die aan de fiscus op grond van de Invorderingswet 1990 toekomen. Deze bevoegdheden zijn verbonden aan de persoon van de Ontvanger. De inningsbevoegde derde kan daarentegen wei gebruik maken van een reeds gelegd executoriaal beslag en profiteren van het algemene voorrecht ex art. 21 lid1 IW en het bijzondere voorrecht ex art. 21 lid 2 IW.
267. Op grond van zijn (privatieve) last tot inning is de inningsbevoegde stille cedent in beginsel ook bevoegd om de hiervoor genoemde rechten en bevoegdheden uit te (blijven) oefenen, tenzij uit de last tot inning anders voortvloeit.
Art. 431a Rv blijft bij de stille cessie buiten toepassing tot het moment van mededeling of preciezer, tot het moment dat de cessionaris deze bevoegdheid wil uitoefenen. Als de gene die bevoegd blijft tot de tenuitvoerlegging van een executoriale titel dezelfde persoon blijft, blijft betekening achterwege. Het maakt geen verschil of de stille cedent eerst als schuldeiser de executoriale titel ten uitvoer legt en daarna als lasthebber van de stille cedent.5 Hij blijft bevoegd tot tenuitvoerlegging. Als de stille cedent na de stille cessie krachtens lastgeving bevoegd blijft tot de tenuitvoerlegging van de executoriale titel, is evenmin sprake van de overgang van de bevoegdheid zoals bedoeld in art. 431a Rv. Oefent de stille cessionaris een van de genoemde rechten of bevoegdheden uit, of betekent hij de overgang van de executoriale titel aan de schuldenaar, dan zal hierin mededeling van de stille cessie besloten liggen.
In het geval dat de fiscus belastingenvorderingen stil cedeert, blijft naar mijn mening de fiscus bevoegd om zijn bijzondere bevoegdheden op grond van de Invorderingswet 1990 uit te oefenen, ook al is hij geen schuldeiser meer. Zijn inningsbevoegdheid is hier doorslaggevend.6