Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.3.1
5.3.1 (Bijzondere) verhaalsrechten, executoriale titel, voorrechten, voorrang en achtergestelde vordering / Bodembeslagrecht en bodemvoorrecht ex art. 21-22 IW
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590656:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de verschillende executoriale titels, Jongbloed 2009.
Vgl. art. 3:277-282 BW, art. 3:253 BW, art. 3:268 BW en art. 480 Rv.
Bijvoorbeeld, art. 3:283-287 BW en art. 21 lid2 IW.
Bijvoorbeeld, art. 3:288-289 BW en art. 21 lid1 IW.
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN), m.nt. WMK. Vgl. art. 3:246 lid 5 BW.
Zie bijvoorbeeld art. 3:284 lid 2 BW en art. 21 lid2 IW.
Voorbeelden zijn derdenpand en derdenhypotheek (art. 3:231 lid 1 derde zin BW); het retentierecht (art. 3:292 jo 3:291 BW); het bodembeslagrecht van de fiscus (art. 22 IW); het verhaalsrecht (met voorrecht) op grond van de kosten tot behoud (art. 3:284 lid 2 BW en vgl. ook art. 3:287 lid 2 BW); de overdracht van een goed waarop executoriaal beslag is gelegd (art. 453a en 475h Rv); en de overdracht van een onder bewind gesteld goed dat blootstaat aan verhaal voor bewindschulden (art. 4:175 lid 2 BW en vgl. art. 4:167 en 4:175 lid 1 BW). Ook als de zaak van een derde zich onder de schuldenaar bevindt en de derde niet slaagt in het bewijs dat het goed aan hem toebehoort, kan de schuldeiser zich verhalen op een goed dat niet toebehoort aan zijn schuldenaar. Vgl. T.M. Parl. Gesch. Boek 6, p. 558; T&C Vermogensrecht 2002 (T.J. Mellema-Kranenburg), art. 6:150, aant. 2; en Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 470. Vgl. art. 3:45 BW, art. 3:90 lid 2 BW, art. 3:287 lid 2 BW, art. 8:215 en 8:825 BW.
Zie daarover nader o.a. Biemans 2009f, par. 2.2; en Fikkers 2000. Zie voor het faillissement van de derde-rechthebbende Biemans 2009f, en voor het faillissement van de schuldenaar en de verkrijger van een zaak waarop beslag rustte: HR 20 februari 2009, NJ 2009, 376 (Ontvanger/De Jong q.q.), m.nt. A.I.M. van Mierlo.
Zie voor de uitwerking van deze regel, Leidraad Invordering 2008, Artikel 22, in het bijzonder par. 22.1 en 22.8.
Vgl. Van Eijsden 2001, p. 44-45. De fiscus verkrijgt een executoriale titel door het uitvaardigen van een dwangbevel (art. 12-14 IW).
260. Een schuldeiser is bevoegd om zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar te verhalen, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt (art. 3:276 BW). Hij dient op het desbetreffende goed met een executoriale titel1 executoriaal beslag te laten leggen. De schuldeiser heeft in dat geval een verhaalsrecht op het desbetreffende goed. Hij heeft het recht om na de executie (tegeldemaking, uitwinning, vereffening) van het goed uit de netto executieopbrengst te worden voldaan. Bij twee of meer (beslagleggende) schuldeisers wordt de netto executieopbrengst tussen hen verdeeld.2 Het restant wordt aan de rechthebbende uitgekeerd.
Bij de verdeling hebben de schuldeisers onderling een gelijk recht om na voldoening van de kosten van executie uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang (art. 3:277 lid 1 BW). Voorrang vloeit voort uit pand en hypotheek, uit voorrechten en uit de andere in de wet aangegeven gronden (art. 3:278 lid 1 BW). Bij voorrechten wordt nader onderscheiden tussen bijzondere voorrechten (voorrechten op bepaalde goederen),3 en algemene voorrechten (voorrechten op alle tot een vermogen behorende goederen) (art. 3:278 lid 2 BW).4 Voorrang uit een andere in de wet aangegeven grond is de voorrang van de retentor ten aanzien van de zaak waarop zijn retentierecht rust. Een bijzondere vorm van voorrang is de voorrang van de stil pandhouder in het faillissement van de pandgever, in het geval dat de curator de stil verpande vordering heeft geïnd. Door de inning komt op het geïnde geen pandrecht te rusten. De schuldeiser (voormalig pandhouder) behoudt zijn voorrang uit hoofde van het pandrecht op het geïnde.5 Aan zijn vordering die hij ter verificatie indient, is de voorrang verbonden van het pandrecht, zonder dat het pandrecht zelf nog bestaat.
Pand en hypotheek gaan hoven voorrecht, tenzij de wet anders bepaalt (art. 3:279 BW);6 en bijzondere voorrechten gaan hoven algemene voorrechten, tenzij de wet anders bepaalt (art. 3:280 BW; vgl. art. 3:281 BW). De schuldeiser kan met zijn schuldenaar overeenkomen dat zijn vordering jegens alle of bepaalde schuldeisers een lagere rang neemt dan de wet hem toekent (art. 3:277 lid 2 BW), een zogenaamde 'achtergestelde vordering'. In bijzondere gevallen kan de schuldeiser zich verhalen op een goed dat niet aan zijn schuldenaar, maar aan een derde toebehoort.7 Op het verkrijgen van de executoriale titel zijn art. 435 lid 2 en lid 3 Rv van toepassing.8 Als de schuldeiser overgaat tot uitwinning van het goed van de derde-rechthehbende of als de derde-rechthebbende betaalt om uitwinning te voorkomen, wordt de derde-rechthebbende gesubrogeerd in de vordering van de schuldeiser (art. 6:150 sub a en b BW).
De fiscus is bevoegd om zich te verhalen op bodemzaken die zich op de bodem van de belastingplichtige bevinden (art. 22 IW, het zogenaamde 'bodembeslagrecht'). Het maakt daarbij niet uit of de bodemzaken aan de belastingplichtige of aan een derde toebehoren. De fiscus kan zich dus ook verhalen op zaken die niet aan de schuldenaar toebehoren.9 Het bijzondere verhaalsrecht ontstaat op het moment dat de fiscus beslag heeft laten leggen op de bodemzaken.10 De fiscus kan zijn bodemrecht aan de derde-rechthebbende tegenwerpen en aan diens schuldeisers, waaronder de schuldeiser met een stil pandrecht op deze zaken (art. 63c lid 2 Fw). De fiscus heeft – naast zijn algemene voorrecht (art. 21 lid1 IW) – een bijzonder voorrecht op alle bodemzaken. Dit 'bodemvoorrecht' gaat in rang boven een stil pandrecht (art. 21 lid 2 IW).