RvdW 2024/583:Poging tot zware mishandeling van politieagent door met bestelbus met hoge snelheid op achterkant politieauto in te rijden (art. 302 lid 1 Sr). Heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu niet alle in aanmerking genomen omstandigheden (eenduidig) uit bewijsmiddelen blijken? Uit bewijsvoering volgt dat tijdens achtervolging met als doel verdachte aan te houden, verbalisant met politievoertuig voor verdachte kwam te rijden, dat verbalisant in binnenspiegel zag dat bestelbus van verdachte hem van achteren naderde en dat verbalisant ruimte wilde geven omdat verdachte geen snelheid minderde. Op moment dat verbalisant zich met voertuig naar andere rijstrook bewoog hoorde hij harde knal en voelde hij voertuig schudden, waarbij a.g.v. aanrijding door verdachte linker achterband van politievoertuig lek ging en met neus tegen betonnen wand aankwam. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof bewezenverklaard dat verdachte ‘met hoge snelheid op (rijdende) auto van verbalisant is in gereden (waarna die klapband kreeg)’ en heeft geoordeeld dat verdachte daarbij bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat verbalisant zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat door hof ook genoemde omstandigheid dat verdachte bij aanrijden van politievoertuig scherp zou hebben ingestuurd, niet uit b.m. volgt en dat b.m. niet eenduidig zijn over richting (naar links dan wel rechts) waarin politievoertuig zich bewoog bij wisselen van rijstrook direct voorafgaand aan aanrijding door verdachte. Die omstandigheden zijn immers in geheel van bewijsvoering van ondergeschikt belang. Volgt verwerping. CAG: anders.