HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.5.3, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.
HR, 28-05-2024, nr. 22/01399
ECLI:NL:HR:2024:767
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-05-2024
- Zaaknummer
22/01399
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:767, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑05‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:414
ECLI:NL:PHR:2024:414, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:767
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0107
Uitspraak 28‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling van politieagent door met bestelbus met hoge snelheid op achterkant politieauto in te rijden (art. 302.1 Sr). Heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu niet alle in aanmerking genomen omstandigheden (eenduidig) uit bewijsmiddelen blijken? Uit bewijsvoering volgt dat tijdens achtervolging met als doel verdachte aan te houden, verbalisant met politievoertuig voor verdachte kwam te rijden, dat verbalisant in binnenspiegel zag dat bestelbus van verdachte hem van achteren naderde en dat verbalisant ruimte wilde geven omdat verdachte geen snelheid minderde. Op moment dat verbalisant zich met voertuig naar andere rijstrook bewoog hoorde hij harde knal en voelde hij voertuig schudden, waarbij a.g.v. aanrijding door verdachte linker achterband van politievoertuig lek ging en met neus tegen betonnen wand aankwam. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof bewezenverklaard dat verdachte “met hoge snelheid op (rijdende) auto van verbalisant is in gereden (waarna die klapband kreeg)” en heeft geoordeeld dat verdachte daarbij bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat verbalisant zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat door hof ook genoemde omstandigheid dat verdachte bij aanrijden van politievoertuig scherp zou hebben ingestuurd, niet uit b.m. volgt en dat b.m. niet eenduidig zijn over richting (naar links dan wel rechts) waarin politievoertuig zich bewoog bij wisselen van rijstrook direct voorafgaand aan aanrijding door verdachte. Die omstandigheden zijn immers in geheel van bewijsvoering van ondergeschikt belang. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01399
Datum 28 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2022, nummer 21-004374-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.B. Spaargaren, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] , ontoereikend is gemotiveerd, omdat niet alle door het hof in aanmerking genomen omstandigheden (eenduidig) uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijken.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij op 6 september 2020 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen terwijl hij, verdachte, in een bestelbus rijdt op de snelweg met hoge snelheid op de (rijdende) auto van die [verbalisant 1] is in gereden (waarna die [verbalisant 1] een klapband kreeg) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“4. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2] , verbalisant, gesloten op 5 oktober 2020, p. 7-12, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 september 2020, omstreeks 04:55 uur, waren wij ter plaatse op de Laan van Vollenhove .
Bij controle van het kenteken in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), zag ik dat er van de bestelauto geen verzekeringsgegevens bekend waren.
Ik hoorde de man zeggen dat hij naar Zeist was gereden, maar dat hij dit niet wist.
Ik controleerde de gegevens van de man achter het stuur en zag dat hij was genaamd:
Naam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Geboren [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats]
Ik controleerde de gegevens van [verdachte] nog in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Ik zag dat het rijbewijs categorie B van [verdachte] vanaf 11 januari 2018 door het CBR divisie vorderingen ongeldig was verklaard.
Omstreeks 05:55 uur zag ik dat de eerder genoemde bestelauto nog op de locatie stond. Ik zag dat [verdachte] nog achter het stuur zat.
Ik zag dat de bestuurder tot stilstand kwam en voor mijn dienstauto bleef staan. Vervolgens ben ik uitgestapt om richting de bestuurder te lopen. Op het moment dat ik halverwege de bestelauto was, zag en hoorde ik dat de bestuurder vol accelereerde en met piepende banden wegreed. Ik zag vervolgens dat de bestuurder linksaf reed in de richting van De Dreef.
Tevens heeft de bestuurder na het doven van zijn verlichting deze niet meer aan gehad tijdens de gehele achtervolging. Tevens was het gezien het tijdstip nog donker buiten.
De Dreef is een weg binnen de bebouwde kom van Zeist met een geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur. Ik zag dat de verdachte met hoge snelheid over enkele drempels reed en hierbij bijna de macht over het stuur verloor. Op enig moment zag ik dat de snelheid 120 kilometer per uur was.
Ik zag vervolgens dat de verdachte bij een rotonde rechtdoor de Dijnselburgerlaan opreed. Ik zag dat de verdachte met hoge snelheid door rood reed bij de verkeerslichten op de kruising met de Boulevard en direct weer rechtsaf reed de Oude Woudenbergse Zandweg op. Vervolgens zag ik dat de verdachte rechtsaf de Erasmuslaan en direct linksaf de Spinozalaan op reed. Vanaf de Spinozalaan reed verdachte linksaf de Verlengde Slotlaan op en direct rechtsaf de Krakelingweg.
Ik zag vervolgens dat de verdachte op de kruising door de rode verkeerslichten naar links reed de Jagerssingel op.
Ik zag dat de verdachte op de Jagersingel verkeersbord D2 met een verplichte rijrichting naar rechts negeerde en hier links voorbij reed. Ik zag dat de verdachte vervolgens linksaf sloeg en wederom verkeersbord D2 met een verplichte rijrichting naar rechts negeerde en hier links voorbij reed.
Ik zag dat verdachte bij een rotonde rechtdoor reed de Heideweg op in de richting van de Driebergseweg. Ik zag vervolgens dat verdachte met hoge snelheid de rode verkeerslichten negeerde en naar links reed de Driebergseweg op. Ik zag vervolgens dat verdachte onder de rijksweg A12 door reed in de richting van Driebergens-Rijsenburg. Ter hoogte van de rotonde Horst zag ik dat verdachte linksaf sloeg de Horstlaan in. Vervolgens zag ik dat verdachte rechtsaf sloeg de Arnhemse Bovenweg op in de richting van Doorn.
Vervolgens zag ik dat verdachte vanaf de Berkenlaan rechtsaf de provinciale weg op reed terug in de richting van Driebergen-Rijsenburg.
Ik zag dat verdachte de Hoofdstraat helemaal volgde. Vervolgens zag ik dat verdachte de bebouwde kom uit reed en voor het Viaduct met de rijksweg A12 enkele malen met hoge snelheid diverse rode verkeerslichten negeerde. Vervolgens zag ik dat verdachte linksaf reed de rijksweg A12 op in de richting van Bunnik.
Ik zag dat verdachte de autosnelweg op was gereden en zijn snelheid verhoogde tot 160 kilometer per uur. De rijksweg A12 is een autosnelweg met een maximum snelheid van 100 kilometer per uur.
Ik zag dat verdachte tussen rijstrook 2 en 3 bleef slingeren en dat er inmiddels meerdere politie-eenheden bij de achtervolging waren aangesloten.
Ik zag dat er inmiddels wat meer overig verkeer op de autosnelweg reed zoals enkele personenauto’s en vrachtverkeer.
Ter hoogte van knooppunt Oudenrijn zag ik dat verdachte de A2 op reed. Vervolgens zag ik dat verdachte afslag 8 nam en rechts afsloeg in de richting van Utrecht.
Ik zag dat verdachte de Meernburg over reed in de richting van de Weg der Verenigde Naties. Ik zag vervolgens dat verdachte ging spookrijden. Vervolgens zag ik dat verdachte rechtsaf sloeg het viaduct op over het 24 oktober plein. Ik zag dat collega [verbalisant 1] met zijn dienstvoertuig voor verdachte kwam te rijden.
5. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] , verbalisant, gesloten op 15 september 2020, p. 16-17, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op het moment dat ik zag dat de bus mij met hoge snelheid naderde, reed ik ongeveer 40 kilometer per uur. Ik keek in de binnenspiegel en wilde zicht houden op de bus. Ik zag dat de bus geen snelheid minderde en besloot de bus ruimte te geven door terug te sturen naar de 2e rijstrook, om die bus die op de 1e rijstrook reed de gelegenheid te geven mij te passeren. Op het moment van insturen naar de 2e rijstrook (rechts) hoorde ik links achter mijn dienstvoertuig een harde knal en voelde mijn dienstvoertuig schudden. Ik schrok enorm en hield mijn stuur stevig vast, omdat ik bang was dat ik de controle over mijn voertuig kwijt zou raken op de flyover. Ik realiseerde mij direct dat de bus bij gewoon ramde. Ik merkte direct dat ik een lekke band had en wilde mijn voertuig zo snel mogelijk tot stilstand brengen.
(...)
6. Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3] , verbalisant, gesloten op 16 november 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik kreeg samen met mijn collega [verbalisant 4] de melding om collega [verbalisant 2] te ondersteunen met een achtervolging van een bus.
(...)
Ik zag dat er een dienstvoertuig voor het voertuig ging rijden. In dit voertuig zat collega [verbalisant 1] . Ik zag dat het dienstvoertuig vlak voor het voertuig reed. Ik had goed zicht op beide voertuigen aangezien ze op 2 verschillende banen reden. Ik zag dat het dienstvoertuig voor het voertuig ging rijden. Ik zag dat het voertuig tegen de achterkant van het dienstvoertuig reed. Ik zag dat het dienstvoertuig vlak voor de botsing een beweging naar links maakte. Ik zag dat het dienstvoertuig aan de linkerkant aan de achterzijde geraakt werd. Ik zag dat het dienstvoertuig verder naar links uitweek en met zijn neus tegen de betonnen wand aan kwam. Ik zag dat het dienstvoertuig een lekke linkerachterband had.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Op 6 september 2020, omstreeks 04:55 uur werd verdachte aangetroffen achter het stuur van een bestelbus, voorzien van het kenteken [kenteken] . Bij de controle van het kenteken kwam naar voren dat er geen verzekeringsgegevens bekend waren. Verdachte heeft op dat moment verklaard dat hij naar Zeist was gereden, maar dat hij niets wist van de verzekeringsgegevens. Na controle van de gegevens van verdachte in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat het rijbewijs categorie B van verdachte vanaf 11 januari 2018 ongeldig was verklaard.
Omstreeks 05:55 uur zag verbalisant [verbalisant 2] dat verdachte nog achter het stuur van de bestelbus zat. Slechts tien minuten later, omstreeks 06:05 uur zag [verbalisant 2] de bestelbus hard wegrijden vanaf de plaats waar verdachte eerder gecontroleerd werd. [verbalisant 2] zag dat er één persoon in de bestelbus zat. Vervolgens ontstond er een dollemansrit waarbij verdachte onacceptabele verkeersrisico’s heeft genomen. Tijdens de achtervolging hebben verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 1] enige tijd zicht gehad op het gezicht van de bestuurder van de bestelbus. Aan [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 1] is na de achtervolging een foto getoond van verdachte. [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 1] hebben op ambtseed dan wel op ambtsbelofte afzonderlijk van elkaar een herkenning opgemaakt gebaseerd op uiterlijke kenmerken. Het hof acht de herkenningen betrouwbaar. De herkenningen worden bovendien ondersteund door de bevindingen van eerder die nacht. Gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte diegene is die de bestelbus tijdens de dollemansrit heeft bestuurd.
Tijdens de dollemansrit is verdachte door meerdere politievoertuigen achtervolgd met als doel verdachte aan te houden. [verbalisant 1] kwam voor verdachte te rijden. [verbalisant 1] reed ten tijde van de aanrijding ongeveer 40 kilometer per uur en zag in de binnenspiegel dat de bestelbus hem van achteren naderde. Omdat verdachte met de bestelbus geen snelheid minderde besloot [verbalisant 1] aan verdachte ruimte te geven om hem te laten passeren. Daaruit leidt het hof af dat verdachte harder heeft moeten rijden dan [verbalisant 1] en dat verdachte met hoge snelheid op de fly-over reed. Op het moment dat [verbalisant 1] naar rechts wilde insturen, hoorde hij linksachter het politievoertuig een harde knal en voelde hij het politievoertuig schudden. Ten gevolge van de aanrijding tussen verdachte en [verbalisant 1] ging de linker achterband van het politievoertuig lek en kwam het politievoertuig met zijn neus tegen een betonnen wand aan. Wanneer twee rijdende voertuigen elkaar (waarvan althans één met hogere snelheid) raken, is de kans op een ongeluk met ernstig gevolg aanmerkelijk. Verdachte heeft met hoge snelheid scherp ingestuurd op het politievoertuig, terwijl verdachte daarvoor al diverse onacceptabele verkeersrisico’s heeft genomen. Het hof concludeert op basis van deze uiterlijke verschijningsvorm dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.”
2.3.1
Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat tijdens een achtervolging met als doel om de verdachte aan te houden, [verbalisant 1] met zijn politievoertuig voor de verdachte kwam te rijden, dat [verbalisant 1] in de binnenspiegel zag dat de bestelbus van de verdachte hem van achteren naderde en dat [verbalisant 1] ruimte wilde geven omdat de verdachte geen snelheid minderde. Op het moment dat [verbalisant 1] zich met zijn voertuig naar een andere rijstrook bewoog – zo volgt verder uit de bewijsvoering van het hof – hoorde [verbalisant 1] een harde knal en voelde hij zijn voertuig schudden, waarbij als gevolg van de aanrijding door de verdachte de linker achterband van het politievoertuig lek ging en dat voertuig met zijn neus tegen een betonnen wand aankwam.
2.3.2
Op grond van deze vaststellingen heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte “met hoge snelheid op de (rijdende) auto van die [verbalisant 1] is in gereden (waarna die [verbalisant 1] een klapband kreeg)” en heeft het geoordeeld dat de verdachte daarbij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat – zoals het cassatiemiddel op zichzelf terecht aanvoert – de door het hof ook benoemde omstandigheid dat de verdachte bij het aanrijden van het politievoertuig scherp zou hebben ingestuurd, niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt, en dat die bewijsmiddelen niet eenduidig zijn over de richting (naar links dan wel naar rechts) waarin het politievoertuig zich bewoog bij het wisselen van rijstrook direct voorafgaand aan de aanrijding door de verdachte. Die omstandigheden zijn immers in het geheel van de bewijsvoering van het hof van ondergeschikt belang.
2.4
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2024.
Conclusie 16‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Poging tot zware mishandeling. Voorwaardelijk opzet? Innerlijke tegenstrijdigheid van de bewijsmiddelen. Strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01399
Zitting 16 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 7 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 2 “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, onder 3 “overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en onder 4 primair “poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof wegens het onder 3 bewezenverklaarde aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 12 maanden met vermindering van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd of ingehouden is geweest. Tevens heeft het hof beslist over in beslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
Namens de verdachte heeft P.B. Spaargaren, advocaat te 's‑Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat ten aanzien van de onder 4 primair bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarmee is dit oordeel onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 6 september 2020 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen terwijl hij, verdachte, in een bestelbus rijdt op de snelweg met hoge snelheid op de (rijdende) auto van die [verbalisant 4] is in gereden (waarna die [verbalisant 4] een klapband kreeg) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:
“Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet, aan het overtreden van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet en aan poging tot zware mishandeling. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de gebezigde bewijsmiddelen zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Op 6 september 2020, omstreeks 04:55 uur werd verdachte aangetroffen achter het stuur van een bestelbus, voorzien van het kenteken [kenteken]. Bij de controle van het kenteken kwam naar voren dat er geen verzekeringsgegevens bekend waren. Verdachte heeft op dat moment verklaard dat hij naar Zeist was gereden, maar dat hij niets wist van de verzekeringsgegevens. Na controle van de gegevens van verdachte in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat het rijbewijs categorie B van verdachte vanaf 11 januari 2018 ongeldig was verklaard.
Omstreeks 05:55 uur zag [verbalisant 1] dat verdachte nog achter het stuur van de bestelbus zat. Slechts tien minuten later, omstreeks 06:05 uur zag [verbalisant 1] de bestelbus hard wegrijden vanaf de plaats waar verdachte eerder gecontroleerd werd. [verbalisant 1] zag dat er één persoon in de bestelbus zat. Vervolgens ontstond er een dollemansrit waarbij verdachte onacceptabele verkeersrisico’s heeft genomen. Tijdens de achtervolging hebben verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] enige tijd zicht gehad op het gezicht van de bestuurder van de bestelbus. Aan [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] is na de achtervolging een foto getoond van verdachte. [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben op ambtseed dan wel op ambtsbelofte afzonderlijk van elkaar een herkenning opgemaakt gebaseerd op uiterlijke kenmerken. Het hof acht de herkenningen betrouwbaar. De herkenningen worden bovendien ondersteund door de bevindingen van eerder die nacht. Gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte diegene is die de bestelbus tijdens de dollemansrit heeft bestuurd.
Tijdens de dollemansrit is verdachte door meerdere politievoertuigen achtervolgd met als doel verdachte aan te houden. [verbalisant 4] kwam voor verdachte te rijden. [verbalisant 4] reed ten tijde van de aanrijding ongeveer 40 kilometer per uur en zag in de binnenspiegel dat de bestelbus hem van achteren naderde. Omdat verdachte met de bestelbus geen snelheid minderde besloot [verbalisant 4] aan verdachte ruimte te geven om hem te laten passeren. Daaruit leidt het hof af dat verdachte harder heeft moeten rijden dan [verbalisant 4] en dat verdachte met hoge snelheid op de fly-over reed. Op het moment dat [verbalisant 4] naar rechts wilde insturen, hoorde hij linksachter het politievoertuig een harde knal en voelde hij het politievoertuig schudden. Ten gevolge van de aanrijding tussen verdachte en [verbalisant 4] ging de linker achterband van het politievoertuig lek en kwam het politievoertuig met zijn neus tegen een betonnen wand aan. Wanneer twee rijdende voertuigen elkaar (waarvan althans één met hogere snelheid) raken, is de kans op een ongeluk met ernstig gevolg aanmerkelijk. Verdachte heeft met hoge snelheid scherp ingestuurd op het politievoertuig, terwijl verdachte daarvoor al diverse onacceptabele verkeersrisico’s heeft genomen. Het hof concludeert op basis van deze uiterlijke verschijningsvorm dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 4] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.”
6. Voor de beoordeling van het middel zijn verder de volgende onderdelen van twee door het hof gebruikte bewijsmiddelen relevant:
“5. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4], verbalisant, gesloten op 15 september 2020, p. 16-17, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op het moment dat ik zag dat de bus mij met hoge snelheid naderde, reed ik ongeveer 40 kilometer per uur. Ik keek in de binnenspiegel en wilde zicht houden op de bus. Ik zag dat de bus geen snelheid minderde en besloot de bus ruimte te geven door terug te sturen naar de 2e rijstrook [ik begrijp de rechter rijstrook, D.P.], om die bus die op de 1e rijstrook [ik begrijp de linker rijstrook, D.P.] reed de gelegenheid te geven mij te passeren. Op het moment van insturen naar de 2e rijstrook (rechts) hoorde ik links achter mijn dienstvoertuig een harde knal en voelde mij dienstvoertuig schudden. Ik schrok enorm en hield mijn stuur stevig vast, omdat ik bang was dat ik de controle over mijn voertuig kwijt zou raken op de flyover. Ik realiseerde mij direct dat de bus bij gewoon ramde. Ik merkte direct dat ik een lekke band had en wilde mijn voertuigen zo snel mogelijk tot stilstand brengen.
[…]
6. Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2], verbalisant, gesloten op 16 november 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[…]
Ik zag dat er een dienstvoertuig voor het voertuig ging rijden. In dit voertuig zat collega [verbalisant 4]. Ik zag dat het dienstvoertuig vlak voor het voertuig reed. Ik had goed zicht op beide voertuigen aangezien ze op 2 verschillende banen reden. Ik zag dat het dienstvoertuig voor het voertuig ging rijden. Ik zag dat het voertuig tegen de achterkant van het dienstvoertuig reed. Ik zag dat het dienstvoertuig vlak voor de botsing een beweging naar links maakte. Ik zag dat het dienstvoertuig aan de linkerkant aan de achterzijde geraakt werd. Ik zag dat het dienstvoertuig verder naar links uitweek en met zijn neus tegen de betonnen wand aan kwam. Ik zag dat het dienstvoertuig een lekke linkerachterband had.”
7. De steller van het middel klaagt dat uit de desbetreffende bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte met hoge snelheid scherp heeft ingestuurd op het politievoertuig ten gevolge waarvan een botsing is veroorzaakt. Als gevolg hiervan kan ook het voorwaardelijk opzet op de botsing en dus op de poging tot het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel niet worden afgeleid uit de hierboven geciteerde bewijsmiddelen. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat de bewijsmiddelen tegenstrijdig zijn. Volgens het vijfde bewijsmiddel zou [verbalisant 4] namelijk voor de botsing naar rechts hebben gestuurd om ruimte te maken voor de bus van de verdachte, terwijl [verbalisant 4] volgens het zesde bewijsmiddel vlak voor de botsing een beweging naar links zou hebben gemaakt, waaruit dus blijkt dat [verbalisant 4] toen niet naar rechts heeft gestuurd. Als gevolg hiervan is het oordeel van het hof dat de verdachte (met zijn handelingen) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 4] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, onbegrijpelijk.
8. In de onderhavige zaak vereist het bewezenverklaarde opzet dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 4] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het hof heeft teneinde dit oordeel te dragen, met name overwogen dat de verdachte met hoge snelheid scherp heeft ingestuurd op het politievoertuig. Dit oordeel baseert het hof op de hierboven geciteerde bewijsmiddelen. Bewijsmiddel 5 bevat de verklaring van de [verbalisant 4], die verklaart dat hij voor de verdachte op de eerste rijstrook (ik begrijp dus: de linker rijstrook, D.P.) reed en vlak voor de botsing wilde uitwijken naar de tweede rijstrook aan de rechterkant. Op het moment dat hij naar de tweede rijstrook – naar rechts – instuurde zou verdachte hem hebben geramd. In bewijsmiddel 6 verklaart een andere verbalisant die achter de verdachte en [verbalisant 4] aanreed dat de verdachte en [verbalisant 4] op verschillende rijbanen reden. [verbalisant 4] zou vervolgens voor de verdachte zijn gaan rijden. Vlak voor de botsing zou volgens deze [verbalisant 4] naar links – in plaats van naar rechts – hebben gestuurd. Uit de verklaring van [verbalisant 4] volgt derhalve dat hij wilde uitwijken en teneinde daartoe naar rechts ging, terwijl de andere verklaring erop wijst dat [verbalisant 4] juist naar links stuurde vlak voordat de verdachte zijn dienstauto linksachter raakte. Deze bewijsmiddelen zijn daarmee innerlijk tegenstrijdig. Daaruit volgt in ieder geval niet dat de verdachte scherp zou hebben ingestuurd op het politievoertuig.
9. Het middel slaagt.
Slotsom
10. Het middel slaagt.
11. Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 14 april 2024 is overschreden. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, zal het hof waarnaar de zaak partieel wordt teruggewezen bij een eventuele strafoplegging met deze overschrijding rekening kunnen houden.1.Verder heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑04‑2024