Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.7.
HR, 09-07-2024, nr. 22/02675
ECLI:NL:HR:2024:1013
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2024
- Zaaknummer
22/02675
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1013, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3072
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:531
ECLI:NL:PHR:2024:531, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1013
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑07‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0170
Uitspraak 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen gekwalificeerde doodslag, art. 288 Sr. Beginpunt redelijke termijn in eerste aanleg. Had hof datum van eerste inverzekeringstelling van verdachte als beginpunt van redelijke termijn in e.a. moeten aanmerken? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. Hof heeft met oordeel dat startpunt van redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM moet worden gelegd op 2-05-2018, als datum waarop verdachte o.b.v. bevel gevangenneming (opnieuw) in voorlopige hechtenis werd genomen, miskend wat is vooropgesteld. Verdachte is immers, gelet op ‘s hofs vaststellingen, op 9-06-2015 in verzekering gesteld, waarmee op dat moment de redelijke termijn is aangevangen. Door hof beschreven verloop van voorlopige hechtenis, waarbij o.m. voorlopige hechtenis op 18-09-2015 is opgeheven, brengt niet met zich dat dit aanvangsmoment na die inverzekeringstelling op 9-06-2015 is verschoven. Verloop van voorlopige hechtenis en duur van vrijheidsbeneming die in dat kader heeft plaatsgevonden en redenen die dat verloop hebben bepaald, kunnen overigens onder omstandigheden wel van betekenis zijn bij beantwoording van vraag of duur van procedure nog als redelijk kan worden aangemerkt. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf van 17 jaren (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) met 6 maanden te verminderen. Samenhang met 22/02591.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02675
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 juli 2022, nummer 20-003139-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat in deze zaak de datum van de eerste inverzekeringstelling van de verdachte niet geldt als beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.2
Het hof heeft over de berechting binnen een redelijke termijn onder meer overwogen:
“Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is neergelegd dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een behandeling binnen redelijke termijn.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In strafzaken vangt de redelijke termijn aan op het moment dat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering zal worden ingesteld.
Procedure in eerste aanleg
Op basis van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte ter zake van de verdenking in de onderhavige zaak op 9 juni 2015 in verzekering is gesteld, waarna de bewaring en gevangenhouding van de verdachte zijn bevolen. Op 18 september 2015 heeft de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis opgeheven en daartoe overwogen dat er op dat moment onvoldoende aanknopingspunten waren om de verdachte aan te merken als schutter/medepleger en dat de kans dat deze aanknopingspunten er nog zouden komen zodanig klein was dat het onverantwoord zou zijn om de verdachte in afwachting van zijn proces langer in voorarrest te houden. De dreiging voor de verdachte dat hij zou worden vervolgd was daarmee op dat moment niet langer aan de orde. Na een bevel tot opsporing en aanhouding van de officier van justitie is de verdachte op 10 augustus 2016 opnieuw in verzekering gesteld, waarna hij wederom is vrijgelaten. Uiteindelijk is de verdachte op 2 mei 2018 op basis van een bevel gevangenneming weer voorlopig gehecht geraakt, welke situatie tot op heden voortduurt. Het hof neemt gelet op deze gang van zaken, waarbij de verdachte tussen zijn eerste inverzekeringstelling en laatste invrijheidstelling grotendeels in vrijheid verkeerde, de datum 2 mei 2018 als datum waarop de redelijke termijn is aangevangen.
Het hof stelt vast dat de rechtbank op 8 oktober 2019 vonnis heeft gewezen, te weten 17 maanden nadat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen, en dat derhalve sprake is van een overschrijding met ongeveer 1 maand. Gelet op deze beperkte overschrijding, mede gelet op de complexiteit van het onderzoek en rekening houdend met de door de gezondheidstoestand van de verdachte ontstane vertraging van het onderzoek, zal het hof volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden.
2.3
Op het aan de verdachte in artikel 6 lid 1 EVRM toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daarover valt niet te geven. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als zo’n handeling worden aangemerkt. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.12.1.)
2.4
Het hof heeft met zijn oordeel dat het startpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM moet worden gelegd op 2 mei 2018, als de datum waarop de verdachte op basis van een bevel gevangenneming (opnieuw) in voorlopige hechtenis werd genomen, miskend wat hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld. De verdachte is immers, gelet op de vaststellingen van het hof, op 9 juni 2015 in verzekering gesteld, waarmee op dat moment de redelijke termijn is aangevangen. Het door het hof beschreven verloop van de voorlopige hechtenis, waarbij onder meer de voorlopige hechtenis op 18 september 2015 is opgeheven, brengt niet met zich dat dit aanvangsmoment na die inverzekeringstelling op 9 juni 2015 is verschoven. Daarover klaagt het cassatiemiddel terecht. Het verloop van de voorlopige hechtenis en de duur van de vrijheidsbeneming die in dat kader heeft plaatsgevonden, en de redenen die dat verloop hebben bepaald, kunnen overigens onder omstandigheden wel van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of de duur van de procedure nog als redelijk kan worden aangemerkt.
2.5
Nu de hiervoor besproken klacht slaagt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen.
2.6
Daarnaast bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis en doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit alles moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeventien jaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zestien jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.
Conclusie 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Concl. AG. Medeplegen gekwal. doodslag. Redelijke termijn. Oordeel hof dat door de (tijdelijke) opheffing van de voorlopige hechtenis de dreiging van een vervolging voor de verdachte niet meer aan de orde was is ontoereikend en onbegrijpelijk gemotiveerd. Oordeel hof dat niet de (eerste) inverzekeringstelling maar het (laatste) bevel gevangenneming als startdatum voor de redelijke termijn moet gelden is evenmin begrijpelijk en getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. HR kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02675
Zitting 14 mei 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 8 juli 2022 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02591. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 18 juli 2022 ingesteld namens de verdachte. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
1.4
In het middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het middel slaagt.
1.5
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Het tijdverloop
2.1
Het middel heeft betrekking op de redelijke termijn. De in dit verband in het middel en in deze conclusie aangehaalde data met de bijbehorende handelingen zijn:
- 09 juni 2015: (eerste) inverzekeringstelling, inbewaringstelling en gevangenhouding
- 18 september 2015: opheffing voorlopige hechtenis
- 10 augustus 2016: (tweede) inverzekeringstelling
- 26 augustus 2016: (eerste) gevangenneming
- 02 mei 2018: (tweede) gevangenneming
- 08 oktober 2019: vonnis rechtbank
- 11 oktober 2019: instellen hoger beroep
- 08 juli 2022: arrest hof
- 18 juli 2022: instellen cassatie
- 8 maart 2023 ontvangst hofstukken door Hoge Raad
- XX juni 2024: verwachte datum arrest Hoge Raad
3. Het middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof de strafoplegging onvoldoende met (bijzondere) redenen heeft omkleed, althans ontoereikend heeft gemotiveerd. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat in eerste aanleg sprake was van een “beperkte overschrijding” van de redelijke termijn, nu het daarbij een onjuist aanvangsmoment tot uitgangspunt heeft genomen (te weten de datum van het [A-G: tweede] bevel gevangenneming in plaats van de datum van de eerste inverzekeringstelling). In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof zijn oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van die overschrijding in eerste aanleg omdat (onder meer) de vertraging van het onderzoek zou zijn veroorzaakt “door de gezondheidstoestand van de verdachte”, ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2022 blijkens zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota over de strafmaat het volgende aangevoerd:
“De verdediging is van mening dat er sprake is van schending van de redelijke termijn conform artikel 6 EVRM. Op 10 juni 2015 is verdachte als eerste verhoord. De getuigen zijn verhoord in februari 2016. De datum van het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 8 oktober 2019. Uw arrest zal gewezen worden op, op z'n vroegst, 8 juli 2022.
Wat de verdediging betreft moet bij het bepalen van de strafmaat rekening worden gehouden met de redelijke termijn, de leeftijd van de verdachte en het ontbreken van justitiële documentatie en het gegeven dat het feit inmiddels al ruim acht jaar geleden heeft plaatsgevonden.”
3.3
Het bestreden arrest houdt onder het kopje “Op te leggen sanctie” onder meer in:
“Standpunt verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering. (…)
Het hof overweegt als volgt.
(…)
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is neergelegd dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een behandeling binnen redelijke termijn.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In strafzaken vangt de redelijke termijn aan op het moment dat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering zal worden ingesteld.
Procedure in eerste aanleg
Op basis van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte ter zake van de verdenking in de onderhavige zaak op 9 juni 2015 in verzekering is gesteld, waarna de bewaring en gevangenhouding van de verdachte zijn bevolen. Op 18 september 2015 heeft de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis opgeheven en daartoe overwogen dat er op dat moment onvoldoende aanknopingspunten waren om de verdachte aan te merken als schutter/medepleger en dat de kans dat deze aanknopingspunten er nog zouden komen zodanig klein was dat het onverantwoord zou zijn om de verdachte in afwachting van zijn proces langer in voorarrest te houden. De dreiging voor de verdachte dat hij zou worden vervolgd was daarmee op dat moment niet langer aan de orde. Na een bevel tot opsporing en aanhouding van de officier van justitie is de verdachte op 10 augustus 2016 opnieuw in verzekering gesteld, waarna hij wederom is vrijgelaten. Uiteindelijk is de verdachte op 2 mei 2018 op basis van een bevel gevangenneming weer voorlopig gehecht geraakt, welke situatie tot op heden voortduurt. Het hof neemt gelet op deze gang van zaken, waarbij de verdachte tussen zijn eerste inverzekeringstelling en laatste invrijheidstelling grotendeels in vrijheid verkeerde, de datum 2 mei 2018 als datum waarop de redelijke termijn is aangevangen.
Het hof stelt vast dat de rechtbank op 8 oktober 2019 vonnis heeft gewezen, te weten 17 maanden nadat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen, en dat derhalve sprake is van een overschrijding met ongeveer 1 maand. Gelet op deze beperkte overschrijding, mede gelet op de complexiteit van het onderzoek en rekeninghoudend met de door de gezondheidstoestand van de verdachte ontstane vertraging van het onderzoek, zal het hof volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden.
Procedure in hoger beroep
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 11 oktober 2019 met het instellen van hoger beroep namens de verdachte. Het hof wijst heden, op 8 juli 2022, arrest. De behandeling in hoger beroep is – gelet op de in beginsel geldende termijn van 16 maanden – derhalve overschreden met ongeveer 17 maanden. Het hof stelt vast dat een deel van de overschrijding, onder andere in verband met de beperkte beschikbaarheid van de raadsman voor de inhoudelijke behandeling van de zaak, toe te rekenen is aan de verdediging. Nu echter de overschrijding van de redelijke termijn niet alleen te wijten is aan de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop is het hof van oordeel dat deze overschrijding deels verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.
Het hof zal derhalve de op te leggen gevangenisstraf verminderen met 1 jaar en de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest.”
3.4
Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet snel sprake zijn omdat het oordeel van de feitenrechter sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.1.
3.5
De jurisprudentie van de Hoge Raad over het beginpunt van de redelijke termijn luidt sinds jaar en dag dat moet worden gerekend vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hij voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie zal worden vervolgd. Een meer specifieke regel is hier volgens de Hoge Raad niet over te geven. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie hoeft niet steeds als zo’n handeling te gelden. Dat ligt anders bij de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding. Die dienen volgens de Hoge Raad wel als zo’n handeling te worden aangemerkt.2.
De eerste deelklacht
3.6
In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte “in de periode tussen de eerste inverzekeringstelling (d.d. 9 juni 2015) en de aanvang van [de] actuele voorlopige hechtenis (het bevel gevangenhouding [A-G: ik begrijp gevangenneming] d.d. 2 mei 2018) grotendeels in vrijheid verkeerde, en dat in die periode de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn derhalve niet liep omdat “de dreiging voor de verdachte dat hij zou worden vervolgd daarmee op dat moment niet langer aan de orde [was]”, (…) niet zonder meer begrijpelijk (is) en (…) blijk (geeft) van een onjuiste rechtsopvatting.” Daartoe merkt de steller van het middel op dat de vervolging van de verdachte voor een levensdelict ten tijde van die eerste inverzekeringstelling een gegeven was, terwijl de (rechterlijke) beslissingen nadien (opheffing voorlopige hechtenis na 101 dagen, hernieuwde inverzekeringstelling en heenzending door de officier van justitie) niet inhielden dat hij niet meer voor dat feit zou worden vervolgd. “Integendeel, de kennelijke bewoordingen van de beslissing inhoudende een opheffing van de voorlopige hechtenis door de rechtbank (“... dat het onverantwoord zou zijn om de verdachte in afwachting van zijn proces langer in voorarrest te houden.”) impliceerden juist dat hij nog immer als verdachte werd vervolgd. Hetzelfde kan worden gezegd van de omstandigheid dat hij op 10 augustus 2016 opnieuw door de officier van justitie in verzekering werd gesteld ter zake de verdenking van hetzelfde levensdelict. Aan beide beslissingen, net als aan zijn eerste inverzekeringstelling d.d. 9 juni 2015, kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat hij (verder) zou worden vervolgd”, aldus de steller van het middel.
3.7
Het hof heeft in zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven strafmotivering overwogen dat de rechtbank op 18 september 2015 het bevel voorlopige hechtenis heeft opgeheven. In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 18 september 2015 is over de opheffing het volgende te lezen:
“De raadsman voert aan – zakelijk weergegeven –:
(…)
Ik ben van mening dat er geen ernstige bezwaren aanwezig zijn voor de tenlastelegging zoals deze er thans ligt. De rol die mijn cliënt heeft vervuld, is niet een rol die terugkomt in de tenlastelegging. Ik verzoek u dan ook de voorlopige hechtenis van mijn cliënt op te heffen wegens het gebrek aan ernstige bezwaren.
(…)
De officier van justitie brengt naar voren – zakelijk weergegeven – :
(…)
Ik merk voorts op dat het openbaar ministerie verdachte niet als de schutter heeft aangemerkt. Het gaat hier om een voorlopige tenlastelegging en dus nog enkel om een verdenking.
(…)
Ten aanzien van de ernstige bezwaren merk ik het volgende op. Ik begin met de opmerking dat het er niet om gaat dat het openbaar ministerie wettig en overtuigend bewijs moet leveren voor datgene dat aan verdachte wordt verweten. Het gaat om de vraag of uit het dossier dat aan de rechtbank is voorgelegd voldoende ernstige bezwaren blijken om de voorlopige hechtenis van deze verdachte te rechtvaardigen. Dat is in de visie van het openbaar ministerie zeker het geval. Ik wijs hierbij op de camerabeelden. Op deze beelden zijn twee personen waar te nemen. Daarnaast bevinden zich in het dossier forensische gegevens omtrent de doodsoorzaak. Ook wordt er aan de hand van mastgegevens onderzoek gedaan. Er heeft een doorzoeking in de woning van verdachte plaatsgevonden. Bij de doorzoeking zijn mobiele telefoons in beslag genomen. We weten uit onderzoek dat de telefoon van verdachte een mast heeft aangestraald in de omgeving van de plaats delict. Ook weten we op basis van telecomgegevens dat de vluchtroute via België is verlopen. Ook wijs ik op de verklaringen van de getuigen die de verdediging nu wil horen. Ook deze verklaringen onderschrijven de ernstige bezwaren. Deze getuigen verklaren niet over één dader. Zij hebben het over meerdere personen. Dan hebben we nog de verklaring van verdachte. Verdachte heeft eerder verklaard dat hij niet bij het schietincident aanwezig is geweest. Verder wilde verdachte niets verklaren. Vandaag horen we dat verdachte wel een verklaring af wil liggen. Verdachte gaat verklaren dat hij wel op de plaats delict is geweest. Als ik kijk naar de eisen die door de Hoge Raad worden gesteld omtrent ernstige bezwaren, kunnen deze ernstige bezwaren worden aangenomen op enkel een aangifte of op basis van een autopsierapport. In deze zaak is er niet alleen sprake van het overlijden van het slachtoffer, maar hebben we ook de opmerking van de raadsman dat verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest. Dit, in combinatie met de rest van het dossier, maakt dat er evident sprake is van ernstige bezwaren. De raadsman gaf net aan dat het zou kunnen zijn dat verdachte er enkel bij heeft gestaan. Als we het hebben over het leerstuk medeplegen, hebben we het over een leerstuk dat in ontwikkeling is. Aan de ene kant stelt de Hoge Raad hoge eisen, omdat medeplegen een strafverzwarend element is. Aan de andere kant is er sprake van verruiming van het leerstuk. Ik verwijs daarbij naar het Scooter-arrest. Wellicht blijkt er uit het verhoor met [betrokkene 1] dat er vooraf afspraken zijn gemaakt. Indien er vooraf afspraken zijn gemaakt en men vervolgens met een auto is gevlucht, kan dat onder omstandigheden ook medeplegen opleveren. Ik ben dan ook van mening dat de ernstige bezwaren onverkort aanwezig zijn.
(…)
De raadsman voert aan – zakelijk weergegeven –:
(…)
Ten aanzien van de ernstige bezwaren merk ik het volgende op. Het staat vast dat [betrokkene 1] de schutter is geweest. Mijn cliënt stond erbij en keek ernaar. De officier van justitie geeft net aan dat dit volgens de Hoge Raad afdoende zou zijn om medeplegen aan te nemen. Ik ken een zaak waarbij erbij staan en ernaar kijken niet afdoende was om medeplegen aan te nemen. Er was geen sprake van medeplegen, omdat diegene niet betrokken was bij hetgeen er aan vooraf was gegaan.
(…)
Op de vragen van de jongste rechter verklaart verdachte -zakelijk weergegeven-:
Ik was aanwezig op de plaats delict. Ik was daar samen met [betrokkene 1] . Ik heb gezien dat er werd geschoten. Ik stond niet ver van de auto van het slachtoffer.
De rechtbank trekt zich terug in raadkamer voor beraad.
De rechtbank hervat, bij monde van de voorzitter, het onderzoek ter terechtzitting en deelt haar beslissingen als volgt mede – zakelijk weergegeven – :
(…)
Ten aanzien van het opheffingsverzoek van de verdediging merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank dient, ter beoordeling van de vraag of er ernstige bezwaren aanwezig zijn, het dossier te bekijken zoals dat er thans ligt. Bij bestudering van het dossier valt op dat het slachtoffer, wanneer hij door verbalisanten op de grond wordt aangetroffen, de naam […] of […] noemt. Dit is niet de naam van verdachte. Voorts valt op dat getuigen verklaren dat het slachtoffer achterna werd gezeten door mannen met een getinte huidskleur. De rechtbank constateert dat verdachte geen getinte huidskleur heeft. Ook verklaren getuigen dat de schutter ongeveer 25 jaar oud was. Verdachte is 60 jaar oud. Uit camerabeelden blijkt dat de schutter het slachtoffer heeft afgetast en in zijn binnenzak heeft gevoeld. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat er in de binnenzak van het slachtoffer DNA is aangetroffen van het slachtoffer en van een ander persoon. Uit het onderzoek is tevens gebleken dat het DNA van deze andere persoon, niet het DNA van verdachte betreft. De rechtbank komt, alles afwegende, tot de conclusie dat er geen ernstige bezwaren aanwezig zijn voor de vraag of verdachte de schutter is geweest.
Voorts dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er ernstige bezwaren aanwezig zijn voor de vraag of verdachte als medepleger is aan te merken. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte ten tijde van het voorval op de plaats delict aanwezig is geweest. Uit de verklaring van verdachte kan de rechtbank echter niet opmaken dat verdachte als medepleger bij het voorval betrokken is geweest. Zowel verdachte, als [betrokkene 1] zullen over deze vraag nog worden verhoord. De rechtbank heeft echter ook van de officier van justitie begrepen dat deze personen de enige (nog resterende) potentiële bronnen zijn voor informatie betreffende de rol van verdachte. Bij de vraag of de voorlopige hechtenis moet voortduren mag de rechtbank de kans betrekken dat uit de verhoren van deze twee personen, beiden zelf verdachte, belastende informatie zal komen. De rechtbank acht die kans bijzonder klein.
Wanneer de rechtbank kijkt naar het dossier zoals dat er thans ligt, komt de rechtbank tot de conclusie dat er thans ook onvoldoende aanknopingspunten zijn om verdachte aan te kunnen merken als medepleger. De kans dat die aanknopingspunten er wel nog komen acht de rechtbank zodanig klein dat zij het onverantwoord acht verdachte in afwachting van zijn proces langer in voorarrest te houden.
De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis daarom met ingang van heden op.”
3.8
Het hof heeft vastgesteld dat de rechtbank op 18 september 2015 het bevel voorlopige hechtenis heeft opgeheven en daartoe heeft overwogen dat er op dat moment onvoldoende aanknopingspunten waren om de verdachte aan te merken als schutter/medepleger en dat de kans dat deze aanknopingspunten er nog zouden komen zodanig klein was dat het onverantwoord zou zijn om de verdachte in afwachting van zijn proces langer in voorarrest te houden. Het hof heeft hieruit afgeleid dat de dreiging voor de verdachte dat hij zou worden vervolgd daarmee op dat moment niet langer aan de orde was. In het middel wordt terecht geklaagd dat dat oordeel niet begrijpelijk is, in aanmerking genomen dat de rechtbank bij de beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis heeft overwogen dat het onverantwoord is om de verdachte “in afwachting van zijn proces” langer in voorarrest te houden. Reeds uit die woordkeuze blijkt dat de vervolging van de verdachte – niettegenstaande de opheffing van de voorlopige hechtenis – in de visie van de rechtbank nog immer aan de orde was. En zo is het natuurlijk ook. Wanneer het onderzoek ter terechtzitting in een bij de zittingsrechter aangebrachte zaak is aangevangen, loopt de vervolging totdat de zittingsrechter op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting heeft beslist op de vragen van art. 348 en 350 Sv. Afgezien daarvan, ook wanneer de verdachte nog niet zou zijn gedagvaard en de raadkamer van de rechtbank de voorlopige hechtenis bij gebrek aan ernstige bezwaren zou hebben opgeheven, is het niet aan de rechter om aan die opheffing de conclusie te verbinden dat de verdachte niet langer hoeft te vrezen voor vervolging. Afgezien van het feit dat een dergelijke conclusie in dat stadium van de voorlopige hechtenis niet is te rijmen met de rechtspraak van de Hoge Raad dat de inverzekeringstelling heeft te gelden als het startpunt van de redelijke termijn (zie hiervoor onder randnr. 3.5 en hierna onder randnr. 3.12), wordt hiermee ook miskend dat niet de rechter, maar het openbaar ministerie over de vervolging gaat. Dat geldt ook in het onderhavige geval waarin de verdachte al is gedagvaard met een – zo volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 september 2015 – voorlopige tenlastelegging die door de officier van justitie nog zal worden aangescherpt. De wijze waarop de officier van justitie zich op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 september 2015 heeft uitgelaten over de ernstige bezwaren – deze waren volgens hem “zeker” dan wel “evident” dan wel “onverkort” voldoende – zal bij de verdachte bepaald niet de verwachting hebben gewekt dat hij na de opheffing van de voorlopige hechtenis kon en mocht vertrouwen op een goede afloop van de zaak. Ook de omstandigheid dat de rechtbank de kans op nieuw belastend materiaal als klein inschatte zal hem niet helemaal gerust hebben gesteld. Ook een kleine kans blijft een kans. Kortom, het hof heeft onterecht en onbegrijpelijk geoordeeld dat door de opheffing van de voorlopige hechtenis de dreiging van een vervolging voor de verdachte uit de lucht zou zijn.3.
3.9
Het hof heeft in zijn strafmotivering overwogen dat de verdachte, na een bevel tot opsporing en aanhouding van de officier van justitie, op 10 augustus 2016 opnieuw in verzekering is gesteld, waarna hij wederom is vrijgelaten. Het hof heeft in die strafmotivering geen woord gewijd aan een bevel tot gevangenneming dat de rechtbank op 26 augustus 2016 heeft uitgevaardigd. In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 26 augustus 2016 is hierover te lezen:
“De officier van justitie voert het woord conform zijn op schrift gestelde vordering strekkende tot gevangenneming van de verdachte, welke vordering aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd. In aanvulling op de schriftelijke vordering heeft hij naar voren gebracht – zakelijk weergegeven –:
De ernstige bezwaren leid ik af uit de belastende verklaring van [betrokkene 1] . Deze verklaring bevat veel details, zoals het gebruikte wapen. Uit nader onderzoek is gebleken dat de verdachte inderdaad ooit een soortgelijk wapen heeft gehad. Ook heeft de [betrokkene 2] een belastende verklaring afgelegd. Hij verklaart namelijk dat de verdachte bij hem heeft ingewoond en dat de verdachte tegen hem heeft verklaard, dat hij, verdachte, heeft geschoten op [plaats] . Deze verklaringen werpen een geheel ander licht op de verklaring die de raadsman namens de verdachte op 18 september 2015 naar voren heeft gebracht. Aan de gronden, op basis waarvan ik de voorlopige hechtenis van de verdachte vorder, wil ik nog toevoegen het aanwezige vluchtgevaar. Tijdens de vorige zitting is door de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte aan een oproep van justitie gehoor zou geven, maar hij is er vandaag niet.
(…)
Na gehouden beraad deelt de voorzitter namens de rechtbank de beslissingen mede.
Ten aanzien van de vordering tot gevangenneming
De rechtbank is van oordeel dat uit de thans voorliggende feiten en omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren voor beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten.
(…)
De beslissing is afzonderlijk geminuteerd en aan dit proces-verbaal gehecht.”
3.10
De betreffende beslissing van de rechtbank houdt in:
“1. Verloop van de procedure
(…)
2. Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat uit de thans voorliggende feiten en omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren voor beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten.
De rechtbank overweegt voorts dat ter zake de tenlastegelegde feiten sprake is van de volgende gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vorderen:
- er is sprake van een verdenking van feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door die feiten is geschokt;
- er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en/of waardoor de gezondheid en/of de veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.
Gezien de artikelen 65, 66, 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering.
3. Beslissing
De rechtbank beveelt de gevangenneming van de verdachte met ingang van heden en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een Huis van Bewaring.”
3.11
Het hof heeft overwogen dat de verdachte na een bevel tot opsporing en aanhouding op 10 augustus 2016 opnieuw in verzekering is gesteld, waarna hij wederom is vrijgelaten en dat hij uiteindelijk op 2 mei 2018 op basis van een bevel gevangenneming weer voorlopig gehecht is geraakt, welke situatie tot op heden (A-G: waarmee het hof doelt op 8 juli 2022, de datum van het wijzen van het arrest) voortduurt. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het gelet op deze gang van zaken, waarbij de verdachte tussen zijn eerste inverzekeringstelling en laatste invrijheidstelling grotendeels in vrijheid verkeerde, de datum 2 mei 2018 als datum aanmerkt waarop de redelijke termijn is aangevangen.
3.12
Hoewel daarover in de schriftuur niet wordt geklaagd, merk ik allereerst op dat niet begrijpelijk is waarom het hof de gevangenneming van de verdachte op 26 augustus 2016 niet van belang acht voor zijn oordeel over de dreiging van een strafvervolging. Daarnaast acht ik het oordeel van het hof “dat gelet op deze gang van zaken waarbij de verdachte tussen zijn eerste inverzekeringstelling en laatste invrijheidstelling “grotendeels” in vrijheid verkeerde, de datum 2 mei 2018 heeft te gelden als datum waarop de redelijke termijn is aangevangen”, reeds niet begrijpelijk omdat het hof niets heeft vastgesteld over de exacte duur van de verschillende voorafgaande perioden van preventieve hechtenis. Voorts is het kennelijke oordeel van het hof dat de dreiging voor de verdachte dat hij zou worden vervolgd – ook voor zover het de periode vanaf 10 augustus 2016 tot aan 2 mei 2018 betreft – niet aan de orde was, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Bovenal is niet begrijpelijk waarom het hof in afwijking van de jurisprudentie van de Hoge Raad de eerste inverzekeringstelling van de verdachte op 9 juni 2015 niet als aanvangspunt van de redelijke termijn heeft aangemerkt. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het is vaste jurisprudentie dat de inverzekeringstelling van de verdachte dient te worden aangemerkt als een handeling waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hij voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie zal worden vervolgd.4.Het middel klaagt (ook) hierover terecht.
3.13
De eerste deelklacht is terecht voorgesteld. Tot terugwijzing behoeft dat echter niet te leiden, nu de Hoge Raad de zaak op dit punt om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen. De Hoge Raad kan, uitgaande van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg die is gerekend vanaf de eerste inverzekeringstelling van de verdachte, te weten 9 juni 2015, de opgelegde gevangenisstraf verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.5.
De tweede deelklacht
3.14
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat het oordeel van het hof, inhoudende dat gelet op de beperkte overschrijding, mede gelet op de complexiteit van het onderzoek en rekeninghoudend met de door de gezondheidstoestand van de verdachte ontstane vertraging van het onderzoek, kan worden volstaan met de enkele constatering, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Daartoe voert de steller van het middel aan dat uit het arrest niet duidelijk wordt waaruit de gezondheidstoestand van de verdachte heeft bestaan en waarom die een vertragende werking hadden op de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn en dat bovendien niet duidelijk wordt waarom dat een omstandigheid betreft die voor rekening van de verdachte dient te komen.
3.15
Gelet op het slagen van de eerste deelklacht meen ik dat deze deelklacht geen bespreking behoeft. De tweede deelklacht ziet immers op een overweging van het hof waaraan een onjuiste startdatum van de redelijke termijn ten grondslag is gelegd. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt ben ik uiteraard graag bereid mij alsnog uit te laten over deze deelklacht.
4. Slotsom
4.1
Het middel slaagt. De zaak behoeft niet te worden teruggewezen. De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.
4.2
Ambtshalve merk ik het volgende op. De verdachte heeft op 18 juli 2022 beroep in cassatie doen instellen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑05‑2024
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.12.1.
Terzijde merk ik nog op dat de rechtbank wat betreft het schieten heeft geconcludeerd “dat er geen ernstige bezwaren aanwezig zijn voor de vraag of verdachte de schutter is geweest”, terwijl zij over het medeplegen heeft geconcludeerd dat er “onvoldoende aanknopingspunten zijn om verdachte aan te kunnen merken als medepleger” (A-G: cursivering telkens door mij). Het hof heeft deze switch in terminologie, die niet de wettelijke is, van de rechtbank overgenomen, ook voor het deel waar de rechtbank nog terecht sprak van ernstige bezwaren. Het komt mij voor dat hantering van de wettelijke terminologie de voorkeur verdient.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.12.1.
Vgl. HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:63.
Beroepschrift 10‑07‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], dhr. [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1955, domicilie kiezende aan het adres van zijn raadsman, t.w. Koninginneweg 162-I te Amsterdam (1075 EG), rekwirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch, uitgesproken op 8 juli 2022 (parketnummer: 20-003139-19).
Rekwirant van cassatie dient hierbij het volgende middel in:
Middel
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd en/of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 358, tweede lid, 359, tweede, vijfde en zesde lid, en 415Wetboek van Strafvordering en artikel 6 Europees Verdrag lot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden geschonden, doordat (1) het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat in eerste aanleg sprake was van ‘beperkte overschrijding’ van de redelijke termijn (‘van ongeveer een maand’), nu het daarbij een onjuist aanvangsmoment (‘dies a quo’) tot uitgangspunt heeft genomen (te weten 2 mei 2018 — de datum van het bevel gevangenneming in plaats van 9 juni 2015 — de datum van de eerste inverzekeringstelling), en (2) het hof zijn oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van die overschrijding in eerste aanleg, omdat (o.m.) de vertraging van het onderzoek zou zijn veroorzaakt ‘door de gezondheidstoestand van de verdachte’, ontoereikend heeft gemotiveerd, zodat het gerechtshof de strafoplegging onvoldoende met (bijzondere) redenen heeft omkleed, althans die strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, hetgeen krachtens artikel 359, achtste lid, Sv. nietigheid van 's hofs arrest ten gevolge dient te hebben.
Toelichting
1.
Het ‘arrest’ d.d. 8 juli 2022 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende.
‘Op te leggen sanctie
[…]
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is neergelegd dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een behandeling binnen redelijke termijn.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In strafzaken vangt de redelijke termijn aan op het moment dat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering zal worden ingesteld.
Procedure in eerste aanleg
Op basis van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte ter zake van de verdenking in de onderhavige zaak op 9 juni 2015 in verzekering is gesteld, waarna de bewaring en gevangenhouding van de verdachte zijn bevolen. Op 18 september 2015 heeft de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis opgeheven en daartoe overwogen dat er op dat moment onvoldoende aanknopingspunten waren om de verdachte aan te merken als schutter/medepleger en dat de kans dat deze aanknopingspunten er nog zouden komen zodanig klein was dat het onverantwoord zou zijn om de verdachte in afwachting van zijn proces langer in voorarrest te houden. De dreiging voor de verdachte dat hij zou worden vervolgd was daarmee op dat moment niet langer aan de orde. Na een bevel tot opsporing en aanhouding van de officier van justitie is de verdachte op 10 augustus 2016 opnieuw in verzekering gesteld, waarna hij wederom is vrijgelaten. Uiteindelijk is de verdachte op 2 mei 2018 op basis van een bevel gevangenneming weer voorlopig gehecht geraakt, welke situatie tot op heden voortduurt.
Het hof neemt gelet op deze gang van zaken, waarbij de verdachte tussen zijn eerste inverzekeringstelling en laatste invrijheidstelling grotendeels in vrijheid verkeerde, de datum 2 mei 2018 als datum waarop de redelijke termijn is aangevangen. Het hof stel vast dat de rechtbank op 8 oktober 2019 vonnis heeft gewezen, te weten 17 maanden nadat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen, en dat derhalve sprake is van een overschrijding met ongeveer 1 maand. Gelet op deze beperkte overschrijding, mede gelet op de complexiteit van het onderzoek en rekeninghoudend met de door de gezondheidstoestand van de verdachte ontstane vertraging van het onderzoek, zal het hof volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden.
Procedure in hoger beroep
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 11 oktober 2019 met het instellen van hoger beroep namens de verdachte. Het hof wijst heden, op 8 juli 2022, arrest. De behandeling in hoger beroep is — gelet op de in beginsel geldende termijn van 16 maanden — derhalve overschreden met ongeveer 17 maanden. Het hof stelt vast dat een deel van de overschrijding, onder andere in verband met de beperkte beschikbaarheid van de raadsman voor de inhoudelijke behandeling van de zaak, toe te rekenen is aan de verdediging. Nu echter de overschrijding van de redelijke termijn niet alleen te wijten is aan de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop is het hof van oordeel dat deze overschrijding deels verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.
Het hof zal derhalve de op te leggen gevangenisstraf verminderen met 1 jaar en de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest. ’
2.
In het standaardarrest betreffende de redelijke termijn (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. P. Mevis) staat het volgende:
‘Aanvang van de redelijke termijn
3.12.1.
In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.’
3.
Hoge Raad 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:63 biedt een voorbeeld waarin Uw Raad de datum van inverzekeringstelling aanmerkt als aanvangstermijn voor de bepaling van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn:
‘3.4.
Het oordeel van het Hof dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg — welk oordeel erop berust dat voor het moment waarop die termijn in dit geval een aanvang neemt, moet worden uitgegaan van de datum waarop de inleidende dagvaarding is betekend — is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte op 26 juni 2006 in verzekering is gesteld en tussen die datum en 16 september 2009, zijnde de datum waarop de Rechtbank vonnis heeft gewezen, meer dan drie jaren zijn verstreken. Daarvan uitgaande, is het oordeel van het Hof dat gelet op de totale duur van de procedure in twee instanties en de geringe overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep tussen de datum waarop de Rechtbank vonnis heeft gewezen en 20 oktober 2011, de datum waarop het Hof arrest heeft gewezen, geen grond bestaat voor strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties evenmin begrijpelijk.’
4.
Zie tevens Hoge Raad 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1760:
‘3.3.
Wat betreft de aanvang van de redelijke termijn geldt het volgende. Op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt (vgl. HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721, rov. 3.12).’
5.
's Hofs redenering dat rekwirant in de periode tussen de eerste inverzekeringstelling (d.d. 9 juni 2015) en de aanvang van actuele voorlopige hechtenis (het bevel gevangenhouding d.d. 2 mei 2018) grotendeels in vrijheid verkeerde, en dat in die periode de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn derhalve niet liep omdat ‘de dreiging voor de verdachte dat hij zou worden vervolgd daarmee op dat moment niet langer aan de orde [was]’, is niet zonder meer begrijpelijk en geeft in het licht van bovenstaande jurisprudentie blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, de vervolging van rekwirant voor een levensdelict was ten tijde van die eerste inverzekeringstelling een gegeven, terwijl de (rechterlijke) beslissingen nadien (opheffing voorlopige hechtenis na 101 dagen, hernieuwde inverzekeringstelling en heenzending door de officier van justitie) niet inhielden dat hij niet meer voor dat feit zou worden vervolgd. Integendeel, de kennelijke bewoordingen van de beslissing inhoudende een opheffing van de voorlopige hechtenis door de rechtbank (‘…dat het onverantwoord zou zijn om de verdachtein afwachting van zijn proceslanger in voorarrest te houden. ’) impliceerden juist dat hij nog immer als verdachte werd vervolgd. Hetzelfde kan worden gezegd van de omstandigheid dat hij op 10 augustus 2016 opnieuw door de officier van justitie in verzekering werd gesteld ter zake de verdenking van hetzelfde levensdelict. Aan beide beslissingen, net als aan zijn eerste inverzekeringstelling d.d. 9 juni 2015, kon rekwirant in redelijkheid de verwachting ontlenen dat hij (verder) zou worden vervolgd.
6.
Voorts is het oordeel van het hof, inhoudende dat ‘Gelet op deze beperkte overschrijding, mede gelet op de complexiteit van het onderzoek en rekeninghoudend met de door de gezondheidstoestand van de verdachte ontstane vertraging van het onderzoek’, kan worden volstaan met de enkele constatering, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Uit 's hofs arrest wordt niet duidelijk waaruit de gezondheidstoestand van rekwirant heeft bestaan en waarom die een vertragende werking hadden op de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. Bovendien wordt geenszins duidelijk waarom dat een omstandigheid betreft die voor rekening van rekwirant diende te komen.
7.
In (opnieuw) het standaardarrest uit 2008 (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. P. Mevis) heeft Uw Raad het volgende overwogen:
‘Duur van de redelijke termijn
3.13.1.
De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:
- a.
De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.
- b.
De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.
- c.
De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.
(…)
3.16.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12–3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.’
Zie tevens, recentelijk, Hoge Raad 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1020.
9.
Het hof heeft aldus in zijn onder 1. hierboven weergegeven overwegingen betreffende de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, op twee punten de plank mis geslagen: (1) bij de bepaling van het aanvangsmoment (en daarmee de duur) van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn en (2) bij de in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden daarbij. Rekwirant verzoekt Uw Raad om die redenen de bestreden uitspraak te vernietigen en de zaak (in zoverre) terug te wijzen naar het gerechtshof 's‑Hertogenbosch , dan wel te verwijzen naar een aangrenzend hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, dan wel zelf af te doen op een wijze die rechtdoet aan de daadwerkelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in eerste aanleg (te weten 52 -/- 16 maanden = 36 maanden overschrijding) als in hoger beroep (17 maanden), zijnde een totale overschrijding van de redelijke termijn van 53 maanden.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. Hugo Bakker, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Koninginneweg 162 — I (1075 EG), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 10 juli 2023
Mr. Hugo Bakker