NJB 2024/1657:Redelijke termijn, art. 6 lid 1 EVRM: - Aanvangspunt: er dient te worden gerekend vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als zo’n handeling worden aangemerkt. In casu heeft het hof dit miskend. - Het verloop van de voorlopige hechtenis (waarbij van onderbrekingen sprake kan zijn) en de duur van de vrijheidsbeneming die in dat kader heeft plaatsgevonden, en de redenen die dat verloop hebben bepaald, kunnen onder omstandigheden van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of de duur van de procedure nog als redelijk kan worden aangemerkt.