NJ 2024/237
Het hof heeft het startpunt van de redelijke termijn — de eerste inverzekeringstelling — miskend.
HR 09-07-2024, ECLI:NL:HR:2024:1013
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 juli 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, T.B. Trotman
- Zaaknummer
22/02675
- Conclusie
A-G mr. P.M. Frielink
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS976718:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1013, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:531, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑05‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑07‑2023
- Wetingang
Art. 6 EVRM
Essentie
Startpunt redelijke termijn. Het hof is bij het vaststellen van het startpunt van de redelijke termijn uitgegaan van de begindatum van de laatste vrijheidsbeneming van de verdachte en niet van de begindatum van de eerste inverzekeringstelling. Dat oordeel is onjuist.
Samenvatting
Op het aan de verdachte in artikel 6 lid 1 EVRM toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.