Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.8.1
4.8.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454273:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen onder NJ 2011/211, JOR 2009/192, m.nt. J.J.M. van Mierlo onder JOR 2009/193 (KPNQwest), r.o. 3.4.1 en 3.4.2.
Op die grond kan de Ondernemingskamer het verzoek om een enquête ook afwijzen. Zie bijvoorbeeld OK 7 oktober 2010, ARO 2010/158 (Geomar).
Vgl. HR 10 september 2010, NJ 2010/483, JOR 2010/304, m.nt. S.M. Bartman (LCI Technology Group), r.o. 3.4.2.
Zie over noodzaakfinanciering De Kluiver 2006, p. 31-49 en de daar genoemde literatuur en jurisprudentie. Zie voorts HR 25 februari 2011, NJ 2011/335, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/ 115, m.nt. A. Doorman (Inter Access Groep).
Zie bijvoorbeeld OK 31 december 2009, JOR 2010/60, m.nt. A. Doorman (Inter Access Groep). In deze zaak gelastte de Ondernemingskamer een onderzoek en trof zij onmiddellijke voor zieningendie het mogelijk maakten de financiële noodsituatie te beëindigen. Op verzoek van partijenbenoemde de Ondernemingskamer vooralsnog geen onderzoeker. Op het moment van indiening had het enquêteverzoek een curatief karakter. Later, nadat de noodzaakfinanciering was geïmplementeerd, vroeg de voormalige grootaandeelhouder de Ondernemingskamer een onderzoeker te benoemen, hetgeen de Ondernemingskamer heeft gedaan bij beschikking OK 1 juli 2010, ARO 2010/107 (Inter Access Groep). De enquête had toen geen curatief karakter meer (er was orde op zaken gesteld), maar richtte zich op hetgeen in het verleden had plaatsgevonden. Anders gezegd: de enquête had een inquisitoir karakter gekregen.
Zie bijvoorbeeld OK 17 december 2008, ARO 2009/2 (Delascos Holding); OK 3 april 2014, ARO 2009/184 (Broekmans Assuranti ë n); OK 25 november 2010, ARO 2010/174 (Comos International).
In de in § 4.7.4 besproken KPNQwest-beschikking1 heeft de Hoge Raad beslist dat in beginsel een verzoek een onderzoek te gelasten naar een insolvente rechtspersoon inhoudelijk behandeld moet worden, en de praktische uitvoerbaarheid van een eventueel door de Ondernemingskamer te bevelen onderzoek niet als voorwaarde voor een verdere behandeling mag worden gesteld. Dit betekent dat de Ondernemingskamer de bevoegdheid heeft een onderzoek te bevelen terwijl onzeker is of er voldoende geld is om het onderzoek uit te voeren.2 Ook kan tijdens de uitvoering van het onderzoek blijken dat er onvoldoende geld is om het onderzoek te voltooien, namelijk als het onderzoeksbudget te laag blijkt te zijn vastgesteld en de rechtspersoon insolvent is en derden niet bereid zijn om voor het verhoogde of te verhogen onderzoeksbudget zekerheid te stellen. Hoe kan deze situatie worden voorkomen en wat moeten de onderzoekers en de Ondernemingskamer doen als deze situatie zich onverhoopt zou voordoen? Alvorens die vragen te beantwoorden, merk ik op dat het uitvoeren van een onderzoek zonder voldoende budget een probleem is dat zich vooral bij inquisitoire enquêtes voordoet.3 Als er orde op zaken moet worden gesteld bij een rechtspersoon die de financiële middelen niet heeft om een onderzoek te betalen, zijn er waarschijnlijk ook onvoldoende middelen voor de bedrijfsvoering. Het heeft geen zin om voordat dat probleem is opgelost een onderzoek uit te voeren. Dat probleem kan worden opgelost door onmiddellijke voorzieningen te treffen die noodzaakfinanciering mogelijk maken.4 Als vervolgens de financiële nood is geledigd, kan de (curatieve) procedure zonder onderzoek worden beëindigd. Is dat niet het geval, dan krijgt de procedure meer een inquisitoir karakter.5 Worden de financiële problemen niet opgelost, dan wordt er doorgaans geen onderzoek uitgevoerd en beëindigt de Ondernemingskamer de procedure.6