Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.6.3
VIII.6.3 Civielrechtelijke weg
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600914:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. HR 7 april 1989, NJ 1989, 532; HR 2 februari 1993, NJ 1993, 552 en sindsdien steeds stilzwijgend, waarover nader Dane 2009, p. 188-191. Het navolgende heeft weliswaar strikt genomen geen betrekking op het strafrecht, maar is het rechtstreeks gevolg van een lacune in het strafprocesrecht en zodanig daarmee verbonden dat bespreking gerechtvaardigd is, ofschoon daarmee strikt genomen buiten de kaders van dit onderzoek wordt getreden. Vaak kan overigens ook nog een bestuursrechtelijke weg worden bewandeld, zie daarover Kwakman 2003, p. 191 e.v.
HR 30 maart 2001, NJ 2003, 615, m.nt. Scheltema (Staat/Lavrijsen); HR 21 maart 2003, NJ 2009, 232, m.nt. Mok; HR 17 september 2004, NJ 2005, 392, m.nt. Vranken; HR 13 september 2013, NJ 2014, 467, m.nt. Vranken.
Zie HR 13 oktober 2006, NJ 2007, 432, m.nt. Vranken; HR 12 juli 2013, NJ 2014, 520, m.nt. Vranken. Uit dat laatste arrest volgt tevens dat ook derden die naar aanleiding van de resultaten van de schade veroorzakende handeling verdacht worden geen beroep op het égalitébeginsel toekomt.
Zie o.a. HR 29 april 1994, NJ 1995, 727, m.nt. Brunner; HR 23 december 1994, NJ 1995, 512; HR 13 oktober 2006, NJ 2007, 432, r.o. 3.3, m.nt. Vranken.
Deze lijn van rechtspraak begint met HR 26 januari 1990, NJ 1990, 794. Zie daarna o.a. HR 23 november 1990, NJ 1991, 92; HR 29 april 1994, NJ 1995, 727, m.nt. Brunner; HR 23 december 1994, NJ 1995, 512; HR 14 januari 2005, NJ 2005, 346; HR 13 oktober 2006, NJ 2007, 432.
Zie voor auteursgewijze bespreking van die kritiek Dane 2009, p. 332-369.
Zie met uitvoerige literatuurverwijzingen Kwakman 2003, p. 177-180; Dane 2009, p. 455-459.
HR 13 oktober 2006, NJ 2007, 432, m.nt. Vranken.
Zie expliciet HR 29 april 1994, NJ 1995, 727.
Zie HR 21 april 2000, NJ 2001, 143, r.o. 4.3. Zie ook A-G Spier, conclusie vóór HR 14 januari 2005, NJ 2005, 346, m.nt. Brunner, punt 4.5.
HR 12 juni 1999, NJ 1999, 99, r.o. 3.5.
Zie als eerste EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/87, NJ 1994, 1, m.nt. Knigge, par. 30 (Sekanina/Oostenrijk) en daarover uitvoerig § VI.8.1.
Vgl. in deze zin ook Dane 2009, p. 455.
Na discontinuation van de strafprocedure: EHRM 13 januari 2005, nr. 42914/98 (Capeau/ België). Na vrijspraak: EHRM 13 juli 2010, nr. 25720/05 (Tendam/Spanje); EHRM 10 april 2012, nr. 32075/09, par. 46 (Lorenzetti/Italië); EHRM 16 februari 2016, nr. 53465/11 (Vlieeland Boddy en Marcello Lanni/Spanje).
EHRM 18 januari 2011, nr. 45482/06, NJ 2012, 418 (Bok/Nederland).
De Hoge Raad deed de daartegen gerichte klacht af met de aan art. 81 RO ontleende motivering, HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6967.
De fragmentarische en onvolledige compensatie die in het strafproces tot op heden kan worden verkregen, heeft de Hoge Raad doen oordelen dat de strafprocessuele regelingen niet kunnen worden beschouwd als een bijzondere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang die aan ontvankelijkheid van een vordering bij de burgerlijke rechter in de weg staat.1 Aan de niet-verdachte derde zal een civiele vordering toegewezen kunnen worden op grond van het ‘égalitébeginsel’, wanneer hij ondanks het rechtmatig karakter van het overheidshandelen daarvan onevenredige, buiten het normaal maatschappelijk risico vallende schade heeft geleden.2 Gewezen verdachten kunnen zich echter op die maatstaf niet met succes beroepen, omdat de gevolgen van het strafvorderlijk optreden behoren tot het normaal maatschappelijk risico van de verdachte.3
Voor de gewezen verdachte bestaan twee mogelijkheden. Is overheidsoptreden van de aanvang af in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm dan is om die reden mogelijk sprake van een onrechtmatige daad.4 Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het ontbreken van de vereiste verdenking of het gebruik van een niet-bestaande bevoegdheid. Ongeacht of een publiekrechtelijke rechtsnorm is geschonden, kan zich ten tweede het geval voordoen dat uit het strafdossier – uit de einduitspraak of anderszins – blijkt van de onschuld van de gewezen verdachte en van het achteraf bezien dus ongefundeerde karakter van de verdenking.5 Ook dan is sprake van een onrechtmatige daad. Daartoe is onvoldoende dat de verdachte van het feit is vrijgesproken. Blijkt de onschuld uit de stukken van de strafzaak niet, dan is de gewezen verdachte aangewezen op de regelingen uit het Wetboek van Strafvordering.
Op deze lijn van jurisprudentie bestaat veel kritiek. Zo wordt in de literatuur gewezen op verschillende op de civielrechtelijke dogmatiek geënte bezwaren.6 Vanuit meer strafrechtspolitiek oogpunt acht men moeilijk in te zien waarom het van de – min of meer toevallige – vaststelling van onschuld door de strafrechter afhankelijk wordt gesteld of aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. De verdachte wordt met een bewijslast opgezadeld die zich ook door werkelijk onschuldigen vaak niet laat vervullen. Het strafrechtelijk onderzoek is gericht noch ingericht op het aantonen van onschuld. Onschuld wordt verondersteld, mogelijke vaststelling van schuld is waar het in het strafrecht om draait en de rechter zal bij vrijspraak dikwijls volstaan met het oordeel dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.7
De Hoge Raad verdedigt de – ook naar eigen zeggen restrictieve – maatstaf als volgt. Enerzijds kan naar het oordeel van de Hoge Raad een risicoaansprakelijkheid in die zin dat de Staat steeds het risico draagt schade te moeten vergoeden, indien de strafvervolging niet tot een veroordeling leidt, niet worden aanvaard. Anderzijds zou het onwenselijk zijn wanneer de burgerlijke rechter in de regel in een daarop niet toegesneden procedure vragen onder ogen zou moeten zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en die deze bovendien in geval van vrijspraak reeds bij gewijsde heeft beantwoord.8 Een dergelijk onderzoek door de civiele rechter zou bovendien mogelijk niet in overeenstemming te brengen zijn met artikel 6 lid 2 EVRM.9 Volgens de Hoge Raad worden de grenzen die artikel 6 lid 2 EVRM stelt in acht genomen doordat de burgerlijke rechter geen zelfstandig oordeel zal vellen over de schuld of onschuld van de verdachte. Dat wordt aan de strafrechter overgelaten, zo is steeds overwogen. Het ligt echter wel op de weg van de gewezen verdachte om aan de hand van de strafrechtelijke stukken voldoende gespecificeerd te stellen waaruit zijn onschuld blijkt.10 De bewijslast rust op de gewezen verdachte, maar niet op basis van een vermoeden van schuld, maar op grond van de algemene regel dat wie onrechtmatigheid stelt, deze zal moeten bewijzen.11 Juist door aan dat uitgangspunt vast te houden en daarbij alleen te beoordelen of uit de stukken de onschuld blijkt, meent de Hoge Raad dat de civiele rechter niet is genoodzaakt tot in het licht van artikel 6 lid 2 EVRM ontoelaatbare vaststellingen.
Of de Hoge Raad daar in algemene zin gelijk in heeft, valt te betwijfelen. Vooropgesteld kan worden dat de civiele rechter op grond van deze rechtspraak nooit tot een finding of guilt hoeft te komen. Na een vrijspraak is echter ook voicing of suspicions in beginsel ontoelaatbaar.12 De civiele feitenrechter dient op de voet van de rechtspraak van de Hoge Raad steeds te beoordelen in hoeverre de stukken waarnaar de verdachte verwijst de onschuld van de verdachte buiten twijfel stellen. Naar mate de civiele rechter meer de ruimte neemt voor onderzoek naar en/of uitleg van die stukken, zal ook eerder sprake zijn van een eigen oordeel over de resterende grondslag voor een aan de verdachte te maken strafrechtelijk verwijt.13 Aangezien het EHRM een vrijspraak in verregaande mate gelijk lijkt te willen stellen aan bewijs van onschuld, komt de constatering dat de onschuld van de verdachte niet blijkt, vermoedelijk al gauw dichtbij het uitspreken van twijfels over die onschuld. Bovendien heeft het EHRM in zaken tegen andere landen schending van artikel 6 lid 2 EVRM vastgesteld, omdat in een schadevergoedingsprocedure van de gewezen verdachte werd verlangd dat hij zijn onschuld bewees.14
Het EHRM heeft zich over een Nederlandse zaak uitgesproken in Bok/Nederland.15 Hoewel daarin geen schending werd vastgesteld, kan de uitspraak niet als steun voor de lijn in de civiele rechtspraak worden opgevat. De verdachte was na veroordeling in eerste aanleg in beroep vrijgesproken. Hij had vervolgens op de voet van artikel 591a Sv een schadevergoeding ontvangen van 100.000 gulden, ofschoon hij om 200.000 gulden had verzocht. Vervolgens wendde hij zich tot de burgerlijke rechter. Deze paste de hiervoor beschreven rechtspraak toe en oordeelde dat uit de stukken niet bleek dat de verdachte onschuldig was.16 Nederland voerde in Straatsburg aan wat ook het standpunt van de Hoge Raad is, namelijk dat het gerechtshof geen uitdrukking had gegeven aan “lingering suspicion” maar louter had geconstateerd dat de vrijspraak op zichzelf onvoldoende grond was om te oordelen dat de onschuld van de verdachte was gebleken. Het EHRM zet vervolgens zijn rechtspraak op een rij en constateert dan dat de zaak van alle eerdere zaken verschilt doordat:
“[T]he applicant was awarded a sum of money towards his costs and expenses in dedicated proceedings which have not given rise to allegations that Article 6 § 2 has been violated, the applicant having chosen to bring additional civil proceedings in an attempt to obtain further sums.”
Dat de verdachte eerder al van de strafrechter een gedeeltelijke vergoeding had ontvangen, acht het Hof beslissend (“decisive”). De door het gerechtshof gekozen bewoordingen acht het EHRM echter “unfortunate and, given the confusion which those expressions caused, inappropriate”. Het gerechtshof had zich juist nog gedistantieerd van de rechtbank die had opgemerkt dat het bewijsmateriaal op de schuld van de verdachte wees. Het EHRM had evenwel het oog op de constateringen die erop neerkwamen dat het aanwezige materiaal niet in de richting van de onschuld van de verdachte wees en dat ontlastend materiaal ontbrak.
In het arrest Bok heeft het EHRM de civiele rechtspraak van de Hoge Raad wellicht willen sparen, maar met de lijn van de Hoge Raad kan het gelet op ‘s Hofs overige rechtspraak toch ook niet geheel instemmen en dat doet het dan ook niet. Het EHRM kwalificeert overwegingen van de nationale rechter als ongelukkig en ongepast, terwijl die overwegingen de rechtstreekse consequentie van de rechtspraak van de Hoge Raad zijn. Het uiteindelijk beslissende argument dat reeds enige compensatie was ontvangen, roept tevens een belangrijke vraag op, juist met betrekking tot de Nederlandse situatie. Hoe had een en ander uitgepakt als direct de civielrechtelijke weg was bewandeld? Vooral in gevallen van vrijspraak waarbij schade is geleden die niet valt onder de strafrechtelijke regeling en waarin de gewezen verdachte dus niet de mogelijkheid zou hebben gehad zich eerst tot de strafrechter te wenden, lijkt op grond van Bok/Nederland een klacht in Straatsburg op voorhand kansrijk. Door te benadrukken dat de gekozen bewoordingen van het gerechtshof eigenlijk niet deugden en tot afwijzing van de klacht te komen op de grond dat al strafrechtelijke compensatie was toegekend, geeft het EHRM bevestiging aan de indruk dat sprake is van voicing of suspicions van zodanige aard, dat zij in de regel na vrijspraak ontoelaatbaar zijn.