HR, 25-06-2013, nr. 12/03805 J
ECLI:NL:HR:2013:70, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
25-06-2013
- Zaaknummer
12/03805 J
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:70, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑06‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:53, Contrair
ECLI:NL:PHR:2013:53, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑06‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:70, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑04‑2013
- Wetingang
- Vindplaatsen
JIN 2013/145 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
VA 2014/28
SR-Updates.nl 2013-0295
VA 2014/28
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. HR herhaalt HR LJN AD5208. Het Hof had, bij gebreke aan initiatief van de verdachte ter bestrijding van de juistheid van de door de advocaat afgelegde verklaring dat hij door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd was tot het instellen van een rechtsmiddel, geen onderzoek mogen doen naar de juistheid van de verklaring van de advocaat dat hij door verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van beroep. Conclusie AG: anders (art. 80a RO).
Partij(en)
25 juni 2013
Strafkamer
nr. 12/03805 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2012, nummer 23/002027-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.
2.2.1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:
"De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende:
De verdachte woont in Engeland. Ik heb de verdachte in eerste aanleg niet gesproken, maar het contact verliep met de in Nederland wonende oom van de verdachte. Ik heb aan de oom van de verdachte de uitspraak in eerste aanleg doorgegeven met de vraag dit door te geven aan de verdachte en zijn moeder. De oom vertelde mij dat hij de verdachte en zijn moeder had gesproken en dat zij hoger beroep wilden instellen. Voorts vertelde de oom mij dat de verdachte en zijn moeder mij daarover zouden bellen. Ik heb toen alvast hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat de verdachte contact met mij zou opnemen, maar dat is tot op heden niet gebeurd.
Destijds achtte ik mij gemachtigd om hoger beroep in te stellen. Ik heb het wel niet rechtstreeks van de verdachte gehoord, maar wel van zijn oom. Het was dus de wens van de verdachte."
2.2.2.
Het bestreden arrest houdt in:
"Uit het proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg van 26 april 2012 blijkt dat verdachte niet was verschenen en de raadsman van de verdachte, mr. S.V. Ramdihal, aanwezig was, doch niet uitdrukkelijk gemachtigd door de verdachte. De raadsman heeft destijds verklaard dat de verdachte in Groot-Brittannië verblijft en dat hij niet rechtstreeks met de verdachte in contact staat, maar met diens oom. Vervolgens is de verdachte bij verstek door de kinderrechter veroordeeld.
Blijkens de akte rechtsmiddel van 27 april 2012 heeft mr. S.V. Ramdihal, als raadsman van de verdachte, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 26 april 2012.
Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart de raadsman onder meer:
- dat hij de verdachte in eerste aanleg niet zelf heeft gesproken, maar dat het contact verliep met de oom van de verdachte alhier,
- dat hij de oom van de verdachte de uitspraak heeft medegedeeld;
- dat de oom van de verdachte hem heeft verteld dat hij de uitspraak aan de verdachte heeft doorgegeven;
- dat de oom van de verdachte heeft gezegd dat de verdachte hoger beroep wenst in te stellen en dat de verdachte hem zou bellen;
- dat hij vervolgens alvast tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld onder de voorwaarde dat de verdachte contact met hem zou opnemen;
- dat de verdachte geen contact meer met hem heeft opgenomen.
Artikel 450, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafvordering luidt:
1. Het aanwenden van rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen stelt het hof vast dat de raadsman ten tijde van het instellen van het rechtsmiddel niet bepaaldelijk daartoe door de (17-jarige) verdachte was gemachtigd in de zin van artikel 450, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
Nu de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, kan het verzuim niet worden hersteld. Derhalve is het hof van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het - niet op rechtsgeldige wijze - namens hem ingestelde hoger beroep."
2.3.1.
Blijkens art. 450, eerste lid, Sv kan het aanwenden van de daar bedoelde rechtsmiddelen geschieden door een advocaat indien deze verklaart daartoe door degene die het middel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
2.3.2.
Met deze regeling verdraagt zich niet dat de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie een onderzoek instelt omtrent de vraag of de advocaat die verklaring naar waarheid heeft afgelegd.
2.3.3.
Aan de verdachte kan echter niet het recht worden ontzegd om het initiatief te nemen ter bestrijding van de juistheid van de door de advocaat afgelegde verklaring dat hij door hem, verdachte, bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van een rechtsmiddel. Bij gebreke van een regeling in het Wetboek van Strafvordering tot ontkentenis van door een advocaat gedane gerechtelijke verrichtingen, dient dat initiatief te worden genomen vóór of bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hogere instantie waar de zaak zal worden behandeld, waarna de rechter zal dienen te beslissen omtrent het aldus gerezen geschil over de ontvankelijkheid van de voorziening (vgl. HR 4 december 2001, LJN AD5208).
2.4.
Uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven blijkt niet van een zodanig initiatief. Het Hof had dus geen onderzoek mogen doen naar de juistheid van de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de Kinderrechter.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.
Conclusie 04‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. HR herhaalt HR LJN AD5208. Het Hof had, bij gebreke aan initiatief van de verdachte ter bestrijding van de juistheid van de door de advocaat afgelegde verklaring dat hij door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd was tot het instellen van een rechtsmiddel, geen onderzoek mogen doen naar de juistheid van de verklaring van de advocaat dat hij door verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van beroep. Conclusie AG: anders (art. 80a RO).
Nr. 12/03805 J Zitting: 4 juni 2013 | Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2012. Namens verzoeker is tijdig een schriftuur houdende één middel van cassatie ingezonden.
2. Het middel keert zich tevergeefs tegen het oordeel van het Hof dat het hoger beroep van verzoeker niet-ontvankelijk is, nu de desbetreffende motivering van het Hof ondeugdelijk noch onjuist is. Dat brengt mee dat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
3. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Beroepschrift 04‑04‑2013
Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Middel 1
Schending van het recht en / of verzuim van vormen, waarvan de niet naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat het Gerechtshof is gekomen tot een oordeel dat het hoger beroep van verdachte niet ontvankelijk zou zijn, zonder deugdelijke motivering, in elk geval met een onjuiste motivering. Ook was het hof niet bevoegd enig nader onderzoek te doen naar de juistheid van de machtiging van de raadsman.
Mede op grond van het voorgaande moet dan ook gesteld worden dat de beslissing van het Gerechtshof onbegrijpelijk is, althans niet voldoende gemotiveerd en daardoor niet in stand blijven.
Toelichting:
In deze zaak hebben zowel de verdachte als de raadsman niet de juistheid van de machtiging betwist. Alleen in dat specifieke geval is de rechter (en dus het gerechtshof) bevoegd nader onderzoek naar de machtiging te doen. Het hof was dus i.c. niet bevoegd enige nadere vraag te stellen over de machtiging van de raadsman.
Daarnaast heeft hof ten onrechte aangenomen dat de raadsman in hoger beroep heeft gesteld dat er sprake zou zijn van een voorwaardelijke machtiging tot het instellen van hoger beroep.
Dit is een eigen conclusie van het hof en zijn niet de woorden van de raadsman.
Tenslotte is ondergetekende van mening dat er wel degelijk sprake was van een machtiging ex art. 450 lid a onder a Sv. Immers de wens van de verdachte was het instellen van hoger beroep. Deze wens van verdachte is via de oom van verdachte bij ondergetekende terechtgekomen. Ondergetekende maar ook het hof twijfelde op geen enkele wijze aan de boodschap van deze oom.
Dit schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. Sunil V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende aan de Rhijnspoorplein nr. 30, 1018 TX te Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant tot cassatie.
Sunil V. Ramdihal