Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.4.4
4.4.4.4 'Zelfbinding'?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS580684:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.4.4.2 en § 4.4.4.3.
Zie hierover § 4.3.4.
Zie HR 28 juni 1996 (De Nieuwe Woning/Staat), N] 1997, 495 m.nt. HJS, r.o. 3.2.
Zie over de vraag aan wie rechtsprekende bevoegdheden toekomen § 5.2.2.
Zie over deze rechtersregeling ook § 2.6.
Zie onder meer HR 4 oktober 1985, NJ 1986, 51; HR 1 november 1991, NJ 1992,30; HR 23 januari 1998, NJ 1998, 365.
HR 1 november 1991, NJ 1992, 30.
Zie de kritiek op dit punt van Brenninkmeijer 2001b, p. 65.
In gelijke zin Martens 1997, p. 18; Van der Meer & Rensink 1997, p. 13; Buijs & Stroink 1997, p. 34.
Zie HR 3 april 1998 (Lindeboom/Beusmans), Nj 1998,571 inzake het liquidatietarief voor de rechtbanken en gerechtshoven (zie over deze uitspraak ook § 5.2.3.5). In gelijke zin HR 15 februari 2002, NJ 2002, 197 inzake het liquidatietarief van het Gemeenschappelijk Hof voor de Nederlandse Antillen en Aruba.
Het is overigens denkbaar dat de hier genoemde rechtersregelingen op zeker moment door één of meer gerechten als eigen rechtersregeling worden overgenomen (zie hierover ook § 5.2.3.4 en § 5.2.3.5). In dat geval zouden zij (mits ook aan de overige voorwaarden is voldaan) m.i. wél als recht in de zin van art. 79 RO kunnen worden aangemerkt.
Zie hierover § 3.2.
Zie hierover § 3.2.3.
Bij dit laatste valt bijvoorbeeld te denken aan rechtersregelingen die door een vergadering van presidenten of sectorvoorzitters zijn vastgesteld (zie hierover § 5.2.3.5).
Zie § 3.2.3; zie voorts § 5.2.2.
Zie over rechtersregelingen die binding verkrijgen via precedentwerking hoofdstuk 8.
In deze zin ook Koenraad & Van der Meulen 2001, p. 371; Martens & Ten Kate 2000, p. 1623; Widdershoven 1999, p. 362; Bröring 1998, nr. 15. Zie over de vraag welk orgaan binnen een gerecht bevoegd is tot deze zelfbinding § 5.2.3.4 en § 5.2.3.5.
Zoals hierboven is uiteengezet, kan in algemene zin een bevoegdheid van de rechter tot vaststelling van rechtersregelingen worden aangenomen. Deze bevoegdheid is, evenals in het verleden de bevoegdheid tot vaststelling van bestuurlijke beleidsregels, te beschouwen als een 'afgeleide' bevoegdheid.1 Voor beleidsregels bracht dit onder meer met zich dat de vaststelling daarvan in beginsel dient te geschieden door het orgaan dat de oorspronkelijke ('primaire') bestuursbevoegdheid kan uitoefenen. Met andere woorden: een beleidsregel moet berusten op zelfbinding door het ter zake bevoegde bestuursorgaan.2 Gelet op de in het voorgaande reeds gebleken overeenkomsten tussen rechtersregelingen en beleidsregels, lijkt het voor de hand te liggen aan rechtersregelingen eenzelfde eis te stellen.
In het rolrichtlijnen-arrest is een dergelijke voorwaarde echter niet met zoveel woorden terug te vinden. De Hoge Raad spreekt in dit arrest immers slechts van 'door de rechtbank vastgestelde regels omtrent de uitoefening van haar rolbeleid'.3 Anders dan in het Leidraad-arrest, waarin beleidsregels door de Hoge Raad werden omschreven als de 'door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid vastgestelde regels', wordt van de desbetreffende rolrichtlijnen niet gezegd dat deze 'binnen de grenzen van de rechterlijke bevoegdheid' zijn (of moeten worden) vastgesteld, of bewoordingen van gelijke sfrekking. De vraag rijst dus of aan rechtersregelingen - althans willen deze tot de in § 4.4.5 te bespreken binding kunnen leiden - niettemin de eis moet worden gesteld, dat deze berusten op zelfbinding door de rechters die de desbetreffende 'rechtsprekende bevoegdheid'4 kunnen uitoefenen.
a) Buitengerechtelijke instellingen zijn niet bevoegd
De veronderstelling dat het bij rechtersregelingen, evenals als bij beleidsregels, moet gaan om zelfbinding door de ter zake bevoegde rechters en dat een zodanige regeling derhalve moet worden vastgesteld door het 'bevoegde orgaan', vindt steun in de houding die de Hoge Raad tot dusver heeft aangenomen ten opzichte van rechtersregelingen die niet van rechters of gerechten zélf, maar van instanties als de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) afkomstig zijn. Tot nu toe is het vaste jurisprudentie dat de van deze vereniging afkomstige 'alimentatienormen'5 geen recht in de zin van art. 79 RO vormen.6 In zijn arrest van 1 november 19917 onderbouwde de Hoge Raad als volgt waarom er zijns inziens geen reden is de NWR-alimenta-tienormen - in navolging van bestuurlijke beleidsregels - onder de reikwijdte van art. 79 RO te brengen:
"Het middel miskent dat het in het rapport Alimentatienormen niet gaat om regels die (-) zijn vastgesteld door een orgaan van het openbaar bestuur met het oog op de uitoefening van zijn eigen beleid, maar om richtlijnen die genoemde Vereniging [i.e. de NVvR - KT], een privaatrechtelijke instelling, aanbeveelt ten gebruike door rechterlijke instellingen die zich met de vaststelling van alimentatie bezighouden. Om zodanige richtlijnen onder art. 99 eerste lid onder 2e te begrijpen, bestaat geen grond." [cursiveringen van mij, KT]
Het is uiteraard mogelijk dat de Hoge Raad zich (mede) op dit standpunt stelt, omdat kwalificatie van de alimentatienormen als 'recht' een - waarschijnlijk aanzienlijke - toestroom van zaken tot gevolg zou hebben.8 Mijns inziens is hier echter het argument dat de nvvr een privaatrechtelijke instelling is, zelfstandig dragend: de nvvr heeft immers geen enkele zeggenschap over de inhoud van de rechtspraak, zodat zij ook moeilijk 'bevoegd' kan worden geacht tot vaststelling van (bindende) rechtersregelingen.
Uit de hier besproken jurisprudentie kan in meer algemene zin worden afgeleid dat een rechtersregeling die niet binnen het kader van de rechterlijke macht is vastgesteld, maar door een 'privaatrechtelijke' instelling als de NVvR of de Kring van Kantonrechters, niet als recht in de zin van art. 79 RO zal worden beschouwd. Dit geldt - naast de alimentafaenorrnen - onder meer voor thans bestaande rechtersregelingen als de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters,9 de verschillende liquidatietarieven10 en het rapport Voorwerk II.11 De vraag welk orgaan of welke organen binnen de rechterlijke macht bevoegd zijn tot vaststelling van rechtersregelingen, is hiermee overigens nog niet beantwoord. Deze vraag komt in § 5.2 nader aan de orde.
b) Invloed van de eis van rechterlijke onafhankelijkheid
De vraag of de vaststelling van rechtersregelingen dient te berusten op zelfbinding, is in het voorgaande benaderd vanuit een vergelijking met beleidsregels. Deze vergelijking wees reeds in de richting van het aanvaarden van een zodanige eis. Wanneer het gaat om de vaststelling van (bindende) regels door rechters is echter nog een ander gezichtspunt van belang, en wel een gezichtspunt dat zich met betrekking tot bestuurlijke beleidsregels niet op dezelfde wijze laat gelden. Ik doel hier op de eis dat de rechter in een rechtsstaat onafhankelijk dient te zijn.12 Van de verschillende vormen van onafhankelijkheid die te onderscheiden zijn, speelt hier met name de onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters een rol.13 Kan de rechter, gelet hierop, wel gebonden worden aan rechtersregelingen die van andere rechters of rechterlijke mstellingen afkomstig zijn?14
In § 3.2.3 bleek reeds dat de rechter niet alleen ten opzichte van de andere staatsmachten (wetgever en bestuur), maar ook ten opzichte van andere rechters tot op zekere hoogte onafhankelijk dient te zijn. Evenals de rechterlijke onafhankelijkheid in het algemeen houdt deze individuele onafhankelijkheid echter geen onbeperkte vrijheid van de rechter in. De rechter is immers gebonden aan het recht. Dat hij ook ten opzichte van zijn collega-rechters onafhankelijk dient te staan, impliceert dus geenszins dat hij louter volgens zijn persoonlijke rechtsopvattingen recht zou mogen of moeten spreken. De individuele rechter zal zich moeten aansluiten bij de gemeenschappelijke rechtsopvatting van een gerecht of van de gerechten als geheel, zoals die bijvoorbeeld via jurisprudentie wordt ontwikkeld. Wel wordt echter aan de individuele onafhankelijkheid het meest recht gedaan, indien de betrokken rechters in de gelegenheid worden gesteld, te participeren in de totstandkoming van een zodanige gemeenschappelijke rechtsopvatting.15
Gelet hierop moet mijns inziens worden aangenomen dat een rechtersregeling als hier bedoeld16 inderdaad dient te berusten op zelfbinding door de ter zake bevoegde rechters17 Niet alleen volgt dit logisch uit het feit dat de bevoegdheid tot vaststelling van een rechtersregeling steeds is 'afgeleid' van een bepaalde rechtsprekende bevoegdheid, ook het vereiste van (individuele) rechterlijke onafhankelijkheid wijst in deze richting.