Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.4.3
4.4.4.3 Grenzen aan de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577103:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Behoudens de, waarschijnlijk uitzonderlijke, gevallen waarin bijv. een rechtersregeling aanvankelijk in strijd is met de bewoordingen van een wettelijke regel, maar de (hoogste) rechter deze regel vervolgens 'contra legem' interpreteert, zodat de desbetreffende rechtersregeling bij nader inzien toch niet in strijd blijkt met de aldus uitgelegde wet.
Indien wel een comparitie na antwoord heeft plaatsgevonden, kan de rechter bepalen dat geen gelegenheid gegeven zal worden voor pleidooi, aldus art. 134 lid 1 Rv in fine.
Zie met name HR 15 maart 1996 (Boumans/Bistro 't Plenkske), NJ 1997, 341 m.nt. HJS; HR 5 oktober 2001 (Verbeek/SCH), NJ 2002,514 m.nt. DA; HR 15 november 2002 (ANP/ Spruijt), NJ 2004, 2 m.nt. DA.
Aldus Hof 's-Gravenhage 19 maart 1996, NJ 1997,362. Zie in soortgelijke zin Hof 's-Hertogenbosch 7 november 2002, NJkort 2002, 86: het is in strijd met fundamentele beginselen van procesrecht om het recht op pleidooi geheel aan een partij te ontzeggen op de grond dat het administratieve voorschrift van art. 6.3 LRr (overleggen van een extra procesdossier uiterlijk twee weken vóór het pleidooi) door een misverstand niet tijdig is nageleefd.
Aldus ook HR 11 juli 2003 (Van den Kieboom/Lensvelt), NJ 2003,567, JBPr 2003,58 m.nt. K. Teuben, waarin de HR onder meer overwoog dat het bepaalde in (art. 2.12 van) het LRr niet kan afdoen aan het op de wet (art. 144 (oud) Rv) gebaseerde recht op pleidooi.
CRvB 22 maart 2001, TAR 2001, 73.
Hof 's-Gravenhage 5 maart 1998, NJ 1998, 864.
Gepubliceerd in Sfcrf. 2004, nr. 58.
Aldus Hof 's-Gravenhage 1 augustus 2001, LJN-nr. AD 4714. De wet laat echter niet toe, aldus het hof, dat deze niet-ontvankelijkverklaring wordt uitgesproken zonder dat een mondelinge behandeling is gehouden (zie in dezelfde zin Hof 's-Gravenhage 15 augustus 2001, LJN-nr. AD 3839; Hof 's-Gravenhage 5 juni 2002, LJN-nr. AE 5126); overigens steeds m.b.t. de tot 1 april 2002 geldende versie van het procesreglement, dat sindsdien onder meer op dit punt is gewijzigd.
HR 16 november 2001, NJ 2002, 401 m.nt. HJS.
Zie hierover § 4.3.3.
Aldus HR 1 februari 2002, Nf 2002, 185.
Zie hierover uitgebreider § 2.5.
Vgl. in deze zin ook de Conclusie van A-G Huydecoper bij HR 11 juli 2003 (Stichting Vervroegd Uittreden/De Bruin), N] 2003, 566; zie voorts Ruygvoorn & Engelhart 2004, p. 262-263.
Vgl. Brenninkmeijer 1989, p. 1627.
Zie over deze rechtersregeling § 2.7.
Zie o.a. HR 1 maart 2002 (TNO/Ter Meulen), Nj 2003, 210 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss; HR 1 maart 2002 (Guérand/FTT), Nj 2003,211 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss; HR 2 november 2001 (Elverding en Kruijff/Wienholts), N] 2001, 667; HR 15 december 2000 (Intramco/ Grotenhuis), N] 2001, 251 m.nt. PAS.
Vgl. hierover bijv. Loonstra 2001, p. 35-37; Scholtens 1998.
Zie hierover bijv. Loth 2001, p. 113-115; Brenninkmeijer 1989, p. 1623-1624.
Zie over de mogelijkheden tot afwijking van een rechtersregeling § 4.4.5 en § 6.2.2.
Wanneer de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen wordt gezien als een impliciete bevoegdheid, wordt tevens duidelijk dat en waarom de mogelijkheid tot vaststelling daarvan steeds begrensd is. Het gaat hier immers om een afgeleide bevoegdheid, die voortvloeit uit de aan de rechter toekomende beslissingsruimte. Iedere vorm van rechterlijke beshssingsruimte kent echter bepaalde grenzen, waar de rechter bij een beslissing in een concreet geval niet buiten mag treden. Hetzelfde heeft dan te gelden bij de vaststelling van een rechtersregeling: deze dient steeds te blijven binnen de grenzen van de beslissingsruimte die de desbetreffende (wettelijke) regel, ter invulling waarvan de rechtersregeling is bedoeld, kent.
In § 4.4.2.4 is al uitgebreider besproken op welke wijze de beslissingsruimte van de rechter begrensd kan zijn, zodat ik hier kan volstaan met een korte herhaling van de belangrijkste punten. De grenzen worden in de eerste plaats aangegeven door bewoordingen, doel en strekking van de desbetreffende wettelijke regel zelf, zoals deze uiteindelijk door de hoogste rechter worden uitgelegd (waarbij de rechter, door bijvoorbeeld voor een nieuwe uitleg te kiezen, deze grenzen overigens ook zal kunnen wijzigen). Ook andere rechtsregels kunnen de beslissingsruimte die de rechter op grond van enige wettelijke bepaling heeft, of op het eerste oog lijkt te hebben, beperken. Met name kan hierbij worden gedacht aan bepalingen van de Grondwet of andere wetten, aan ieder verbindende verdragsbepalingen, aan EG-recht en voorts uiteraard aan ongeschreven (jurisprudentie)recht. Een rechtersregeling mag, evenals overigens een beslissing van de rechter in een concreet geval, met dit alles niet in strijd komen.1
Ik geef enige voorbeelden om een en ander te verduidelijken. Het tot 1 januari 2002 geldende art. 144 lid 1 Rv gaf partijen het recht hun zaak mondeling te doen bepleiten. Naar huidig recht geldt hetzelfde indien geen comparitie na antwoord heeft plaatsgevonden (vgl. art. 134 lid 1 Rv).2 Dit recht op pleidooi is te beschouwen als een fundamenteel recht, zodat de rechter een verzoek tot pleidooi slechts mag afwijzen indien de wederpartij zich tegen toewijzing van het verzoek verzet wegens 'klemmende redenen' of het verzoek anderszins in strijd is met de eisen van een goede procesorde.3 Dit geldt ook wanneer de partij die pleidooi vraagt gedurende de procedure de (enige) gelegenheid tot het nemen van een conclusie voorbij heeft laten gaan. Een rolreglement mag het pleitrecht dan ook niet zodanig beperken dat aan het niet strikt volgen van het reglement - behoudens in geval van misbruik van procesrecht of van strijd met een goede procesorde - zonder meer als sanctie het verval van dat recht wordt verbonden.4 Dit zou immers in strijd komen met de wet.5 Om dezelfde reden kan een afspraak tussen rechtbanken de wettelijke regeling inzake relatieve competentie niet opzij zetten6 en dient het (voormalige) 'versneld regime' te wijken voor art. 18eex.7 Wél laat de wet in art. 816 Rv (inhoudend dat bij een eenzijdig verzoek tot echtscheiding het aan de andere echtgenoot betekende exploot ter griffie moet worden ingediend), de rechter de ruimte om - zoals is gebeurd in art. 4.2 van het Procesreglement Scheidingsprocedure van de rechtbanken8 - te bepalen dat dit exploot binnen een termijn van vier weken ter griffie moet worden overgelegd, op straffe van niet-ontvankelijkverklaring.9
Een voorbeeld van een rechtersregeling in strijd met ongeschreven recht is te vinden in het (in § 4.4.2.2 reeds besproken) arrest Ajax/Valk.10 In deze zaak ging het om een bepaling uit het rolreglement van het Hof Den Haag, welke bepaling de eis stelde dat bij inschrijving van een nieuwe zaak de originele appèldagvaarding en, zo nodig, een origineel herstelexploot dienden te worden overgelegd. Hoewel het stellen van deze (niet met zoveel woorden in de wet opgenomen) eis volgens de Hoge Raad in beginsel strookt met de 'eisen van een behoorlijke rechtspleging', brengen deze eisen, gelet op de ingrijpende gevolgen die de weigering een zaak ter rolle in te schrijven kan hebben, tevens mee dat gelegenheid wordt geboden verzuimen op dit punt 'met bekwame spoed', d.w.z. binnen veertien dagen, te herstellen. Nu de bewuste bepaling van het reglement niet in een zodanige herstelmogelijkheid voorzag, was deze in zoverre onverbindend (al zegt de Hoge Raad dit niet in deze bewoordingen).
Evenmin als de vaststelling van beleidsregels door het bestuur in algemene zin in strijd is met de toekenning van beslissingsruimte aan het bestuur,11 is de vaststelling van een rechtersregeling per definitie strijdig te achten met het feit dat de wetgever de rechter beslissingsruimte heeft gegeven. Integendeel, zo bleek in § 4.4.3.2: gelet op de eisen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid is de rechter juist gehouden deze ruimte op consistente wijze in te vullen. Niettemin zal zeker niet ieder geval van rechterlijke beshssingsruimte zich lenen voor invulling via een rechtersregeling. Soms zal invulling inderdaad slechts van geval tot geval mogelijk zijn. In de eerste plaats zal dit afhangen van doel en strekking van de desbetreffende regel (hetgeen, zoals eerder opgemerkt, uiteindelijk een kwestie van uitleg van die regel is). Indien de wetgever bijvoorbeeld heeft bedoeld dat de rechter bij toepassing van een bepaalde regel met alle omstandigheden van het geval rekening moet kunnen houden, zal de vaststelling van een rechtersregeling onder omstandigheden in strijd kunnen komen met deze strekking. Ook in dit opzicht kunnen doel en strekking van de betrokken wettelijke regel dus grenzen stellen aan de mogelijkheid, ter mvulling daarvan een rechtersregeling vast te stellen.
Een voorbeeld hiervan vormt art. 1:402 BW, inhoudende dat de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, daarbij tevens bepaalt vanaf welke dag dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn. Blijkens de wetsgeschiedenis biedt deze bepaling de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Met die vrijheid is, naar het oordeel van de Hoge Raad, niet verenigbaar een (jurisprudentiële) regel, inhoudend dat als uitgangspunt geldt dat de ingangsdatum dient te worden vastgesteld op de datum waarop het inleidend verzoekschrift ter griffie van de rechtbank is ingediend.12 Een rechtersregeling met een dergelijke inhoud zou, naar aan te nemen valt, eveneens met de door de Hoge Raad aldus omschreven strekking van art. 1:402 BW in strijd komen.
Een soortgelijk voorbeeld biedt - wellicht - het rapport Voor-werk II, waarvan de eerste twee aanbevelingen betrekking hebben op de vaststelling van vergoedingen voor buitengerechtelijke kosten. Zoals bleek in § 2.5 heeft de rechter ter zake 'beleidsruimte': hij kan zowel contractueel bedongen buitengerechtelijke kosten als kosten die via de weg van art. 6:96 lid 2 BW worden gevorderd (zo nodig ambtshalve) matigen op grond van art. 242 Rv, respectievelijk art. 6:109 bw.13 De aanbevelingen uit het rapport Voor-werk II brengen echter mee dat de rechter de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten steeds dient te matigen (c.q. forfaitair dient vast te stellen), en wel tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief. Niet ondenkbaar acht ik dat deze imperatieve invulling voor alle gevallen van de aan de rechter toegekende matigingsbevoegdheid verder gaat dan de wet toestaat.14
Het feit dat de rechter bij toepassing van een bepaalde regel rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval, behoeft echter niet per definitie in de weg te staan aan de mogelijkheid tot vaststelling van een rechtersregeling dienaangaande. Rechtersregelingen hebben immers doorgaans behekking op onderwerpen die zich in de praktijk met (grote) regelmaat voordoen. Bij een groot aantal gelijksoortige zaken zal het in veel gevallen mogelijk zijn, een of meer specifieke omstandigheden te benoemen die - in het 'doorsnee' geval - het meest relevant zijn voor de beslissing. Deze omstandigheden kunnen dan worden 'meegenomen' in een rechtersregeling, terwijl van de overige bijzonderheden van het geval in beginsel geabstraheerd kan worden.15 Een goed voorbeeld hiervan vormt de kantonrechtersformule.16
Hoewel de kantonrechter, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, bij de vaststelling van een ontbindingsvergoeding alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren mee dient te wegen,17 zullen normaal gesproken de duur van het dienstverband, de leeftijd en het salaris van de werknemer en (in voorkomend geval) de mate van verwijtbaarheid aan beide zijden, het meest relevant zijn voor de hoogte van de toe te kennen vergoeding.18 Dit zijn dan ook de omstandigheden die in de kantonrechtersformule zijn neergelegd als mee te wegen factoren. Het bestaan van een dergelijke rechtersregeling doet echter niet af aan de mogelijkheid (beter geformuleerd: de plicht) van de rechter, bij zijn uiteindelijke beslissing, en dus ook bij de toepassing van deze rechtersregeling, steeds rekening te houden met alle bijzonderheden van het individuele geval.19 Met name kan de aanwezigheid van 'bijzondere omstandigheden' aanleiding zijn voor afwijking van de regeling.20