Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/4.2.2
4.2.2 Uitgevende instelling; nadere uitwerking
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS496286:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Nieuwe Weme/Stevens, Serie OO&R, deel 34(2008), p. 191.
Onder een 'beleggingsinstelling' wordt in art. 1:1 Wft verstaan: 'beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds'. Een beleggingsmaatschappij is: 'een rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging vraagt of verkrijgt teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen'. Een beleggingsfonds wordt omschreven als: 'een niet in een beleggingsmaatschappij ondergebracht vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen'.
Opgemerkt moet worden dat de Staat zich overigens niets gelegen laat liggen aan de naleving van de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft. Naar mag worden aangenomen, houdt dat verband met de omstandigheid dat de Staat een 'goudgerande' debiteur is en er (nog) geen nieuws openbaar te maken is op grond waarvan dat in twijfel kan worden getrokken. Deze kwalificatie behoeft inmiddels toch wel enige relativering.
De juistheid van deze stelling volgt ook uit art. 5:25g lid 1 Wft, alwaar wordt bepaald dat bepaalde informatieverplichtingen van hoofdstuk 5.1A van de Wet op het financieel toezicht niet van toepassing zijn op genoemde publiekrechtelijke uitgevende instellingen. A contrario volgt hieruit dat de openbaannakingsplicht van art. 5:25i Wft wel op genoemde uitgevende instellingen van toepassing is. Het wordt immers niet nodig geacht deze uitgevende instellingen van de toepasselijkheid van de openbaannakingsplicht van koersgevoelige informatie ex art. 5:25i Wft uit te zonderen. Zie in dit verband tevens art. 1:2 Wft, alwaar wordt bepaald dat de informatieverplichtingen van hoofdstuk 5.1A van de Wet op het financieel toezicht mede zullen gelden voor de genoemde instellingen (waaronder bijvoorbeeld de ECB, de centrale banken van de lidstaten en internationale publiekrechtelijke instellingen).
In dezelfde zin Nieuwe Weme/Stevens, Serie 00&R, deel 34(2008), p. 192.
Naar mag worden aangenomen, zal eenzelfde voorziening gelden in het geval de certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland.
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* 2009, nr. 670, voor de vraag wanneer certificaten van aandelen met medewerking van de uitgevende instelling zijn uitgegeven.
Ik wijs er op dat art. 2 lid 1 onderdeel d van de Transparantierichtlijn de instelling die certificaten van aandelen heeft uitgegeven onder alle omstandigheden aanmerkt als de uitgevende instelling waarvoor de informatieverplichtingen van de Transparantierichtlijn gelden. Aldaar wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen certificaten van aandelen die al dan niet met medewerking van de uitgevende instelling zijn uitgegeven.
Dit is niet geheel in overeenstemming met art. 1 lid 2 van de Transparantierichtlijn. Zie voor het verschil Grundmann-van de Krol, Koersen door de Wet op het financieel toezicht (2010), p. 326.
Volgens de Richtlijn marktmisbruik geldt de openbaarmakingsplicht van art. 6 lid 1 voor alle emittenten van financiële instrumenten, derhalve ook voor open-end beleggingsinstellingen. Zie ook Hoff, Ondernemingsrecht 2008a, p. 79.
Zie de Nota van toelichting op het Besluit openbare biedingen Wft (Stb. 2007, 329), p. 34-35.
De tekst van art. 4 lid 3 van het Besluit openbare biedingen Wft lijkt echter ruimer te zijn geformuleerd. Verlangd wordt namelijk dat de bieder een openbare mededeling doet 'over informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de wet voor zover die rechtstreeks op hem betrekking heeft of verband houdt met het voorgenomen, aangekondigde of uitgebrachte bod' (cursivering toegevoegd, JH).
Met de ruime omschrijving van het begrip 'uitgevende instelling' als "rechtspersoon, vennootschap of instelling" zal onmiskenbaar beoogd zijn alle denkbare rechtssubjecten te omvatten die fmanciële instrumenten kunnen uitgeven.1 Het archetype van het begrip 'uitgevende instelling' is een N.V. die aandelen en/of obligaties heeft uitgegeven. Het begrip 'uitgevende instelling' is echter ruimer, en zal onder meer ook beleggingsinstellingen,2 cooperaties, stichtingen en volgens buitenlands recht opgerichte rechtspersonen, vennootschappen of instellingen omvatten. Onder het begrip 'uitgevende instelling' kunnen bovendien de Nederlandse staat,3 buitenlandse staten, regionale of lokale overheidslichamen en internationaalrechtelijke organisaties vallen.4 Hoewel besloten vennootschappen letterlijk genomen tot het begrip 'uitgevende instelling' gerekend zouden kunnen worden, is deze categorie rechtspersonen minder relevant voor de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht. De achtergrond daarvan is dat de door een B.V. uitgegeven aandelen wegens de daaraan statutair verbonden beperkte overdraagbaarheid niet voor toelating tot de handel op Euronext Amsterdam in aanmerking zullen komen (zie § 4.5.2). Voor door een B.V. — bijvoorbeeld een financieringsmaatschappij of een special purpose vehicle ten behoeve van een securitisation — uitgegeven obligaties of andere schuldinstrumenten ligt dit uiteraard anders.
Deze bonte stoet aan uitgevende instellingen laat zien dat voor wat betreft de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht de door de uitgevende instelling aangenomen rechtsvorm er niet toe doet. Ook de status van de uitgevende instelling is niet relevant. De openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie zal onverkort blijven gelden bij surseance van betaling, faillissement of ontbinding van de uitgevende instelling.5 Een onderscheid wordt evenmin gemaakt naar de aard van de door de uitgevende instelling ondernomen activiteiten. Gewoonlijk zullen dat ondernemingsactiviteiten zijn, maar vereist is dat niet. Een reeks van andere activiteiten wordt immers ook door uitgevende instellingen ondernomen (zoals overheidstaken, collectieve beleggingen e.d.). Intussen mag wel worden aangenomen dat de aard van de door de uitgevende instelling ondernomen activiteiten relevant zal zijn voor de informatie die door de uitgevende instelling op grond van art. 5:25i j° art. 5:53 lid 1 Wft openbaar gemaakt dient te worden.
Ten slotte wordt, zoals gezegd, voor wat betreft de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht geen onderscheid gemaakt naar het rechtsstelsel volgens welke de uitgevende instelling is opgericht. Zowel naar Nederlands recht als naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen, vennootschappen of instellingen vallen daarmee onder de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie. Evenmin is relevant waar de statutaire zetel dan wel de werkelijke zetel van de uitgevende instelling zich bevindt.
Om uiteenlopende redenen verdienen enkele bijzondere uitgevende instellingen nog een afzonderlijke bespreking.
Administratiekantoren
Art. 5:25b lid 2 Wft bevat een voorziening voor het geval certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen gereglementeerde markt.6 Omdat certificaten van aandelen niet worden uitgegeven door de instelling die de onderliggende aandelen heeft uitgegeven, zou de openbaarmakingsplicht bij gebreke van een wettelijke voorziening komen te berusten bij het administratiekantoor. Bepaald is echter voor dat geval dat de instelling die de onderliggende aandelen heeft uitgegeven voor de toepassing van onder meer de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft aangemerkt wordt als uitgevende instelling, althans voor zover de certificaten van aandelen met medewerking van de uitgevende instelling zijn uitgegeven 7 De openbaarmakingsplicht verschuift als het ware van het administratiekantoor naar de uitgevende instelling van de onderliggende aandelen.
Wanneer de certificaten van aandelen niet zijn uitgegeven met medewerking van de instelling die de onderliggende aandelen heeft uitgegeven, blijft de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft rusten op de uitgevende instelling van de certificaten van aandelen (d.w.z. het administratiekantoor).8
Beleggingsinstellingen
Ingevolge art. 5:25b lid 3 Wft zijn de diverse informatieverplichtingen van hoofdstuk 5.1A van de Wet op het financieel toezicht niet van toepassing op beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.9 Uitgezonderd hiervan is de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie ex art. 5:25i Wft. Deze informatieverplichting geldt dus wel voor open-end beleggingsinstellingen.10
Bieders bij een openbaar bod
Bij een openbaar bod dat onder de werking van de biedingsregels van hoofdstuk 5.5 (Openbaar bod op effecten) van de Wet op het fmancieel toezicht valt, geldt de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie ex art. 5:25i Wft onverkort (zie verder ook § 6.5.4). Zowel de bieder als de doelvennootschap zullen als uitgevende instelling aan deze openbaarmakingsplicht onderworpen kunnen zijn. Ingevolge art. 4 lid 3 van het Besluit openbare biedingen Wft is de openbaarmakingsplicht echter ook van belang voor bieders die niet onder de reikwijdtebepalingen van art. 5:25i Wft vallen. Immers, blijkens art. 4 lid 3 van voormeld besluit geldt de openbaarmakingsplicht ook voor:
"Een bieder van wie geen door hem uitgegeven of aangeboden financiële instrumenten met zijn instemming zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland (...)".
Te denken valt hierbij aan een bieder waarvan de financiële instrumenten in het geheel niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of uitsluitend in het buitenland.11 Gelet op de strekking van art. 4 lid 3 van het Besluit openbare biedingen Wft zal deze voor de bieder geldende openbaarmakingsplicht overigens beperkt zijn tot koersgevoelige informatie die rechtstreeks verband houdt met het openbaar bod.12