Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/12.2.3.3
12.2.3.3 De grens tussen nevenrecht en kwalitatief recht
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588356:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In de Toelichting Meijers worden bijvoorbeeld de verplichtingen uit hoofde van het schuldeiserschap en de nevenrechten aangeduid als 'kwalitatieve schulden'. Zie o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 525 en p. 535.
Bij rechten uit borgtocht zou art. 6:251 BW niet tot een ander resultaat leiden dan art. 6:142 BW. De rechten uit borgtocht zouden ook op grond van art. 6:251 BW op het moment van overgang van de stil gecedeerde vordering op de stille cessionaris overgaan, omdat de stille cedent bij deze rechten per definitie geen belang meer heeft als hij niet de rechthebbende van de vordering is. Het tweede lid van art. 6:251 BW (overgang van de verplichting tot het verrichten van de tegenprestatie) zou buiten toepassing blijven: borgtocht is een eenzijdige overeenkomst; de stille cessionaris wordt niet verplicht om een tegenprestatie te verrichten.
Anders Mijnssen 2007, nr. 204, die verdedigt dat de rechten uit een kredietverzekering nevenrechten zijn, en W.L. Valk in Hijma, Van Dam, Van Schendel & Valk 2010, nr. 310, die zelfs betoogt dat art. 6:251 BW voor vorderingen geen zelfstandige betekenis heeft, omdat kwalitatieve rechten steeds nevenrechten zullen zijn en derhalve reeds op grond van art. 6:142 BW op de stille cessionaris overgaan. Zie hiervóór nr. 453-454.
Art. 6:144 lid 1 BW mist toepassing, omdat deze bepaling alleen betrekking op de nevenverplichtingen die voortvloeien het schuldeiserschap en de nevenrechten, maar niet op een voor de vordering overeengekomen tegenprestatie.
7 45. Naast de bij de vordering behorende nevenrechten kan de stille cessionaris ook de bij de vordering behorende kwalitatieve rechten verkrijgen. De nevenrechten en de kwalitatieve rechten dienen van elkaar te worden onderscheiden.
Kwalitatieve rechten zijn de uit overeenkomst (bijvoorbeeld, koop, verzekering, lastgeving) voortvloeiende, voor overgang vatbare rechten die in zodanig verband staan met het goed, dat de oude rechthebbende (de stille cedent) bij deze rechten slechts een belang heeft, zolang hij het goed (de vordering) behoudt. Is sprake van een kwalitatief recht, dan gaat het recht van rechtswege met het goed op de nieuwe rechthebbende over. Kwalitatieve rechten vloeien voort uit een overeenkomst. De nevenrechten die niet uit overeenkomst voortvloeien, zoals de rechten van pand en hypotheek, de voorrechten en het recht op een dwangsom zijn reeds om die reden geen kwalitatieve rechten. Rechten uit overeenkomst die op de stille cessionaris overgaan, kunnen nevenrechten of kwalitatieve rechten zijn. Voor de verduidelijking van de scheidslijn tussen nevenrechten en kwalitatieve rechten is het behulpzaam om een onderscheid te maken tussen de rechten uit overeenkomst tussen de schuldeiser en zijn schuldenaar, en de rechten uit overeenkomst tussen de schuldeiser en een derde.
Uit art. 6:142 lid 2 BW blijkt dat de rechten uit overeenkomst tussen de schuldeiser en zijn schuldenaar die nader de inhoud van de vordering bepalen, nevenrechten zijn, en geen kwalitatieve rechten. Hoewel deze rechten ook zouden kunnen worden omschreven als persoonlijke rechten die de schuldeiser met betrekking tot de vordering heeft bedongen, en die als zodanig als kwalitatieve rechten zouden kunnen kwalificeren,1 blijft art. 6:251 BW buiten toepassing. In dit geval is geen sprake van rechten uit een overeenkomst die is aangegaan ten aanzien van de vordering als goed (als zodanig), maar van bedingen die nader de inhoud van de vordering bepalen en die als een 'onderdeel' van het schuldeiserschap moeten worden beschouwd. De kwalitatieve rechten hebben alleen betrekking op rechten die krachtens overeenkomst zijn verkregen ten aanzien van de vordering als zodanig. De rechten uit hoofde van bedingen en overeenkomsten die nader de inhoud van de vordering bepalen, aangegaan met de schuldenaar, zijn reeds om die reden geen kwalitatieve rechten.
7 46. Bij de rechten uit een overeenkomst tussen de schuldeiser en een derde zijn de uitkomsten minder eenduidig. Wat is namelijk - bezien vanuit de nieuwe schuldeiser - het principiële verschil tussen de volgende soort vorderingen:
een vordering die gezekerd is door een borgtocht, waarbij de borg kan worden aangesproken als de schuldenaar van de hoofdvordering het laat afweten;
een vordering ten aanzien waarvan een eerdere verkoper een garantie heeft afgegeven dat de schuldenaar nakomt; en
een vordering ten aanzien waarvan een kredietverzekering is afgesloten uit hoofde waarvan de verzekeraar uitkeert als de schuldenaar niet nakomt?
De nieuwe schuldeiser verkrijgt in deze gevallen in de kern dezelfde (subsidiaire) vordering. In het geval dat zijn schuldenaar niet nakomt, kan hij namelijk steeds een derde (de borg, de verkoper respectievelijk de verzekeraar) tot betaling aanspreken. De overgang van deze rechten is echter verschillend geregeld. De rechten uit borgtocht gaan als nevenrechten op de stille cessionaris over op grond van art. 6:142 lid 1 BW. De rechten uit koop en verzekering daarentegen kunnen als kwalitatieve rechten op de stille cessionaris overgaan op grond van art. 6:251 BW. Een verklaring hiervoor is dat de borg zich verbindt tot nakoming van de verbintenis van de schuldenaar, en daarmee als derde in de 'interne' verhouding tussen schuldenaar en schuldeiser naast de schuldenaar staat, in tegenstelling tot de verkoper en de verzekeraar die in zekere zin buiten de verhouding tussen de schuldenaar en schuldeiser staan. Een andere verklaring is dat de regel van art. 6:142 BW is te beschouwen als een bijzondere toepassing van de regel van art. 6:251 lid 1 BW en dat de stille cedent bij de rechten uit borgtocht kennelijk per deftnitie geen belang heeft, als hij niet meer de rechthebbende van de vordering is.2
Is het goed een vordering, dan dienen de kwalitatieve rechten niet als nevenrechten te worden aangemerkt, enkel en aileen omdat de rechten bij een vordering horen, en niet bij een ander goed.3 Anders zou het niet meer ter zake doen of de stiile cedent nog belang heeft bij deze rechten, enkel en alleen omdat de rechten bij een vordering horen, en niet bij een ander goed. Het genuanceerde criterium van art. 6:251 BW zou daardoor komen te vervailen. Door de kwalificatie als nevenrecht zou ook art. 6:251 BW buiten toepassing blijven. Dat zou als gevolg hebben dat daardoor de verplichting om een eventuele tegenprestatie te verrichten (art. 6:251 lid 2 BW), niet op de nieuwe rechthebbende overgaat. Als de rechten uit de wederkerige overeenkomsten van koop, verzekering en lastgeving als nevenrechten worden beschouwd, zou alleen de stille cedent aansprakelijk zijn voor de tegenprestatie.4