Rb. Amsterdam, 30-06-2016, nr. 3582401 DX EXPL 14-379
ECLI:NL:RBAMS:2016:4298
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
30-06-2016
- Zaaknummer
3582401 DX EXPL 14-379
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2016:4298, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 30‑06‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2017:164
ECLI:NL:RBAMS:2016:9484, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 31‑03‑2016
ECLI:NL:RBAMS:2015:10191, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 24‑12‑2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:10192, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 02‑07‑2015
ECLI:NL:RBAMS:2014:9862, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 18‑12‑2014
- Vindplaatsen
NTHR 2016, afl. 5, p. 273
Uitspraak 30‑06‑2016
Inhoudsindicatie
‘Effectenlease zaak. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Het betreft de wijze van schadeberekening wegens schending van de zorgplicht in zaken waarin geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last bij het aangaan van de effectenlease-overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt. Op grond van artikel 6:100 BW dienen voordelen zoals dividenden en/of een batig saldo uit een eerder (een jaar of korter) beëindigde effectenlease-overeenkomst in mindering te worden gebracht op de schade. De vraag is met name of in dergelijke zaken die voordelen eerst in mindering dienen te worden gebracht op de schade bestaande uit de betaalde termijnen of op de schade bestaande uit een restschuld, dan wel op beide schadecomponenten. Voorts is de vraag of, gelet op het feit dat het de afwikkeling van massaschadezaken betreft, in hoeverre bij de toepassing van deze voordeelsverrekening mag worden geabstraheerd van de feitelijke financiële gang van zaken in de individuele zaak.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Privaatrecht
zaak- en rolnummer: 3582401 DX EXPL 14-379
vonnis van: 30 juni 2016 (bij vervroeging)
f.no.: 438
Vonnis van de kantonrechter:
i n z a k e
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
nader te noemen: Dexia,
gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel.
t e g e n
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,,
nader te noemen: [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk.
Het verdere verloop van de procedure
1. Op 23 februari 2016 heeft op verzoek van Dexia een pleidooi plaatsgevonden.Beide partijen waren daarbij aanwezig. Partijen hebben verschillende aanvullende stukken overgelegd. Bij tussenvonnis van 31 maart 2016 is overwogen dat er aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in verband daarmee voorgestelde vragen. Eerst Dexia en vervolgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] hebben zich naar aanleiding daarvan bij akte uitgelaten. Daarna is vonnis bepaald op heden.
Gronden van de beslissingin conventie en in reconventie
2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen hij in zijn tussenvonnissen van 24 december 2015 en 23 februari 2016 heeft overwogen. Voor de leesbaarheid zal een deel van de overwegingen in laatstbedoeld vonnis hier worden herhaald.
2.2.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr | Contractnr. | Datum | Naam overeenkomst | Looptijd | Leasesom |
I. | [nummer] | [datum] | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.040,99 |
II. | [nummer] | [datum] | WinstVerDubbelaar | 60 mnd | ƒ 11.194,54 |
III | [nummer] | [datum] | WinstVerDubbelaar | 60 mnd | ƒ 11.253,50 |
IV | [nummer] | [datum] | Troefplan | 60 mnd | ƒ 14.471,15 |
V | [nummer] | [datum] | WinstVerDriedubbelaar | 36 mnd | ƒ 20.630,30 |
VI | [nummer] | [datum] | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.173,74 |
VII | [nummer] | [datum] | Multiplier Effect | 60 mnd | ƒ onbekend |
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:
Nr. | Datum eindafrekening | Resultaat |
I. | 22-05-2001 | + € 6.901,20 |
II. | 19-12-2001 | - € 5.624,11 |
III. | 19-12-2000 | + € 15.012,74 |
IV. | 19-12-2006 | - € 22,97 |
V. | 24-05-2004 | + € 20,76 |
VI. | 16-05-2002 | + € 2.346,58 |
VII. | 17-09-2002 | + € 0,00 |
Toepassing Hof-model en Hof-formule
2.4.
Voor de maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.
2.5.
In dit geval heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gesteld dat er, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’. Gelet op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] behoort te blijven.
2.6.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dat de lease-overeenkomsten IV, V en VII verlieslatende overeenkomsten betreffen. Het batig saldo ad € 22.055,88 dient volgens hem allereerst in mindering te worden gebracht op de inleg. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] brengt dit mee dat met betrekking tot de lease-overeenkomsten IV en V nog een bedrag van € 4.740,90 door Dexia dient te worden voldaan.
Dexia betwist dit laatste standpunt van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Volgens Dexia dient het batig saldo alleen te worden verrekend met de schade bestaande uit de restschuld.
Overwegingen met betrekking tot de toerekening van voordeel uit voorgaande overeenkomsten met een batig saldo op grond van eerdere jurisprudentie
3.1.
Op de door de afnemer van Dexia geleden schade moet in mindering worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Vanaf de totstandkoming van de wijze van schadeberekening in effectenlease-zaken, aangeduid als toepassing van de ‘Hof-formule’ (gebaseerd op de arresten van Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983)) hebben de (kanton)rechters behorende tot het toenmalige team effectenlease (hierna: de rechtbank) in hun beslissingen toepassing gegeven aan deze voordeelstoerekening door het voordeel eerst in mindering te brengen op de schade bestaande uit betaalde termijnen (rente en eventuele aflossingen).
3.2.
De rechtbank heeft zich daarbij met name gebaseerd op de volgende overwegingen in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (o.m. LJN BK4978, de daarbij belangrijkste onderdelen zijn hierna gecursiveerd):
“4.28 Het bovenstaande brengt mee dat de overeenkomst ten aanzien waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden en de overeenkomst of overeenkomsten die met een batig saldo is of zijn geëindigd, en hiermee zowel de schade als het voordeel van de wederpartij, het gevolg zijn van een zelfde gebeurtenis, namelijk het voortdurende onbeschermd blijven van de wederpartij tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht door de voort durende niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht. Hieruit volgt dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade — ervan uitgaande dat het in artikel 6:162 BW en het in artikel 6:98 BW bedoelde verband aanwezig is — die voor de wederpartij uit een bepaalde overeenkomst tot effectenlease is voortgevloeid, door de wederpartij genoten voordeel uit (andere) overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd in mindering moet worden gebracht, behoudens het hierna onder 4.30 overwogene. Het dan overblijvende bedrag moet worden verminderd zoals onder 4.19 tot en met 4.23 overwogen en vervolgens, na deze vermindering, door Dexia worden vergoed. De zojuist bedoelde verrekening van voordeel dient plaats te vinden vóór de vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia op grond van artikel 6:101 BW. Deze laatste kan immers eerst plaatshebben nadat de te vergoeden schade is vastgesteld en juist hierop ziet het in mindering brengen van voordeel uit (andere) overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd. Er is geen aanleiding op dit punt onderscheid te maken tussen voordeel uit laatstbedoelde overeenkomsten en (het onder 4.26 bedoelde) voordeel dat de weder partij van Dexia heeft genoten — in de vorm van dividenden — uit dezelfde overeenkomst als waaruit de te vergoeden schade is gevolgd.”
en
“4.30 Overweging verdient nog dat op grond van artikel 6:100 BW genoten voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade uitsluitend in mindering mag worden gebracht voor zover dit redelijk is. Waar het ontbreken van bescherming tegen het lichtvaardig of met ontoereikend inzicht aangaan van overeenkomsten tot effectenlease, de wederpartij van Dexia zowel voordeel — in de vorm van een of meer overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd — als schade heeft opgeleverd, afhankelijk van de toevallige waardeontwikkeling van de geleaste effecten, moet het in de regel voor redelijk worden gehouden dat dit voordeel in zijn geheel op de te vergoeden schade in mindering wordt gebracht. Deze regel lijdt slechts uitzondering, als tussen de feitelijke einddatum van een overeenkomst die met een batig saldo is geëindigd — in het algemeen: de datum waarop de geleaste effecten zijn verkocht — en het tijdstip waarop dezelfde wederpartij hierna een of meer overeenkomsten is aangegaan ten aanzien waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden, ten minste één jaar is verstreken. In zo'n geval immers kan de wederpartij redelijkerwijs worden geacht ten tijde van het aangaan van laatstbedoelde overeenkomst of overeenkomsten en in ieder geval tijdens de looptijd daarvan, het batige saldo van de eerdere overeenkomst geheel te hebben besteed en dus niet meer voor handen te hebben voor de delging van een mogelijk verlies uit de latere overeenkomst of overeenkomsten. Het is dan niet redelijk het genoten voordeel, ook niet gedeeltelijk, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering te brengen.”
In cassatie heeft de Hoge Raad naar aanleiding daarvan overwogen in zijn arrest van 29 april 2011 (NJ 2013/40 m.nt. Vranken, ECLI:NL:HR:2011:BP4012), r.o 3.3.2 en 4.6.3:
‘3.3.2 (…)
De overeenkomst ten aanzien waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden en de overeenkomst of overeenkomsten die met een batig saldo is of zijn geëindigd, en hiermee zowel de schade als het voordeel van de afnemer, zijn het gevolg van een zelfde gebeurtenis als bedoeld in art. 6:100 BW, namelijk het voortdurend onbeschermd blijven van de afnemer tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht door de voortdurende niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht. Hieruit volgt dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade — ervan uitgaande dat het in art. 6:162 BW en het in art. 6:98 BW bedoelde verband aanwezig is — die voor de afnemer uit een bepaalde overeenkomst tot effectenlease is voortgevloeid, in beginsel het door de afnemer genoten voordeel uit (andere) overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd, in mindering moet worden gebracht. Deze regel lijdt op grond van de in art. 6:100 bedoelde redelijkheid evenwel uitzondering indien tussen de feitelijke einddatum van een overeenkomst die met een batig saldo is geëindigd, en het tijdstip waarop dezelfde afnemer hierna een of meer overeenkomsten is aangegaan ter zake waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden, ten minste een jaar is verstreken. (…)
In de rov. 4.27–4.29 van het hof — weergegeven hiervoor in 3.3.2 — ligt besloten dat het in een geval als het onderhavige in feite gaat om een zodanig samenhangend geheel van telkens soortgelijke transacties in een bepaalde periode waarbij Dexia telkens is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende bijzondere zorgplichten, dat zulks in haar verhouding tot dezelfde afnemer aangemerkt kan worden als “een zelfde gebeurtenis” in de zin van art. 6:100 die zowel schade (bij verliesgevende transacties) als voordeel (bij winstgevende transacties) teweegbrengt, hetgeen meebrengt dat de genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de begroting van de omvang van de schade. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.’
3.3.
Uit voorgaande overwegingen van het hof en het oordeel van de Hoge Raad daarover heeft de rechtbank geconcludeerd dat uitgangspunt is dat een batig saldo van een voorgaande overeenkomst slechts als voordeel op de schade in mindering wordt gebracht indien de overeenkomst op grond waarvan schadevergoeding wordt gevorderd is aangegaan maximaal een jaar na de einddatum van de voorgaande overeenkomst waaruit het batig saldo is ontstaan. Voorts heeft de rechtbank daaruit geconcludeerd dat de bedoelde verrekening van voordeel op grond van artikel 6:100 BW dient plaats te vinden vóór de vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia op grond van artikel 6:101 BW.
3.4.
Bovenbedoelde overwegingen geven geen uitsluitsel over de vraag of het betreffende voordeel in mindering moet worden gebracht op de schade bestaande uit door de afnemer verschuldigde rente en kosten (de termijnen), op de schade bestaande uit een restschuld, of op beide schadecomponenten. Deze vraag is met name relevant in zaken waarin de schade uit termijnen door toepassing van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer blijft.
3.5.
Nadat bovenbedoelde arresten waren gewezen heeft de rechtbank deze vraag beantwoord met inachtneming van de volgende aspecten. De vele duizenden zaken overziende is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat in veel gevallen de opbrengst (met daarin het batig saldo) van de ene overeenkomst is aangewend ter financiering van de termijnen van de volgende (verlieslatende) overeenkomst. Ook is geconstateerd dat in veel gevallen opbrengsten zoals dividenden door Dexia (met instemming van de afnemer) werden verrekend met betalingsverplichtingen van de afnemer. Daarnaast is in aanmerking genomen dat de schade uit termijnen op een (veel) eerder moment werd geleden dan de schade wegens een restschuld (of daarvan sprake was kon immers pas na beëindiging van de betreffende overeenkomst blijken. Tenslotte is in aanmerking genomen dat ook het gerechtshof in de hiervoor geciteerde r.o. 4.30 er van uit ging dat een afnemer het batige saldo van de eerdere overeenkomst na een jaar geheel zou hebben besteed. Gegeven het feit dat de looptijd van de meeste lease-overeenkomsten tenminste drie jaar bedroeg betrof dit de periode waarin uitsluitend schade in de vorm van termijnbetalingen werd geleden. Een en ander bracht de rechtbank tot de conclusie dat het in het overgrote deel van de zaken voor de hand lag om het genoten voordeel op grond van artikel 6:100 BW eerst te verrekenen met de schade uit termijnen en, voor zover er daarna nog te verrekenen voordeel resteerde, met de schade uit een restschuld.
3.6.
Om een behoorlijke rechtspleging in grote aantallen financiële massaschadezaken mogelijk te maken (daaronder begrepen: met de mogelijkheid tot afdoening binnen een redelijke termijn) achtte de rechtbank het zowel noodzakelijk als gerechtvaardigd om – bijzondere omstandigheden daargelaten – te abstraheren van de feitelijke gebeurtenissen in het concrete geval door in alle gevallen de verrekening van het voordeel met (eerst) de schade uit termijnen tot uitgangspunt te nemen.
Stelling Dexia: deze wijze van voordeeltoerekening in zaken waarin geen sprake is van een ‘onaanvaardbare financiële last’ is onjuist.
4.1.
Dexia heeft in de onderhavige procedure bij pleidooi gesteld dat de onder 3.5 bedoelde toepassing in strijd is met hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 april 2011 (NJ 2013/40 m.nt. Vranken, ECLI:NL:HR:2011:BP4012), met name in r.o. 4.4 van dat arrest. Volgens Dexia volgt uit dat arrest dat het batig saldo uitsluitend in mindering dient te worden gebracht op de restschuld en dient, als dit arrest ter discussie wordt gesteld, ook de termijn van een jaar na afloop van de overeenkomst met batig saldo ter discussie te worden gesteld. Bij verrekening op grond van artikel 6:100 BW gaat het niet om een verrekening als bedoeld in artikel 6:127 BW. Of sprake was van een onaanvaardbare last bij de afnemer dient abstract te worden getoetst en daarbij is geen plaats voor een oordeel over de vraag of het batig saldo uit een voorgaande overeenkomst daarbij de doorslag geeft. Indien gevallen waarin het batig saldo uit een voorgaande overeenkomst is verrekend met de (termijn)lasten anders worden behandeld dan andere gevallen zal dat leiden tot onwerkbare, althans onredelijke uitkomsten, aldus – steeds – Dexia. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt zich op het standpunt dat, in gevallen als de onderhavige waarin geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’, het in mindering brengen van het voordeel op (uitsluitend) de restschuld in de meeste gevallen tot ongerijmde resultaten leidt, althans tot niet redelijke en billijke resultaten.
4.2.
In r.o. 4.4 van bovengenoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen:
“4.4 Onderdeel V neemt tot uitgangspunt dat in de oordelen van het hof ligt besloten dat de omvang van de vergoedingsplicht van Dexia moet worden vastgesteld door eerst de totale schade (betaalde rente en aflossing en restschuld) vast te stellen, vervolgens het te verrekenen voordeel op die schade in mindering te brengen en ten slotte op het dan resterende bedrag in mindering te brengen het gedeelte van dit resterende bedrag dat op grond van eigen schuld voor rekening van de afnemer komt. Het onderdeel klaagt dat de in bijlage B opgenomen berekening hiermee niet in overeenstemming is, omdat het hof het te verrekenen voordeel uitsluitend in mindering heeft gebracht op de restschuld en op die grond tot de conclusie is gekomen dat per saldo geen schade resteert tot vergoeding waarvan Dexia is gehouden. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat in een geval waarin (zoals hier) de betaalde rente en aflossing op grond van eigen schuld van de afnemer geheel voor rekening van de afnemer blijven, het geen verschil maakt of het te verrekenen voordeel in mindering wordt gebracht voordat of nadat de betaalde rente en aflossing in mindering worden gebracht. In beide gevallen resteert immers alleen de restschuld verminderd met het te verrekenen voordeel als het schadebedrag, waarop vervolgens de door het hof wegens eigen schuld aanvaarde vermindering van de vergoeding met eenderde deel wordt toegepast. Met andere woorden: nu blijkens rov. 4.23 (in verbinding met rov. 4.20) het gehele bedrag van de door [naam 1] betaalde rente en aflossing wegens eigen schuld voor zijn rekening blijft, kan het — eveneens wegens eigen schuld — voor zijn rekening blijvende eenderde gedeelte van de resterende schade (zie eveneens rov. 4.23, nu in verbinding met rov. 4.22) slechts betrekking hebben op het bedrag van de restschuld verminderd met het te verrekenen voordeel. Slechts in (thans niet aan de orde zijnde) gevallen als bedoeld in 's hofs rov. 4.21 — waarin onderzoek zou hebben uitgewezen dat de overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer zou hebben gelegd en Dexia daarom gehouden was het aangaan van de overeenkomst aan de afnemer te ontraden —, moet inderdaad ter voorkoming van een onjuist resultaat eerst het te verrekenen voordeel op de totale schade (betaalde rente en aflossing en restschuld) in mindering worden gebracht voordat op het dan resterende bedrag de vermindering wegens eigen schuld (eenderde gedeelte van dat gehele resterende bedrag, zie rov. 4.21 en 4.22) wordt toegepast.”
Uitgangspunten bij de beoordeling van schadevorderingen in effectenleasezaken.
4.3.
Bij de berekening van de schadevergoeding in effectenleasezaken zijn de volgende elementen van belang:
de schade bestaande uit betaalde (althans op grond van de overeenkomst verschuldigde) termijnen (hierna: de termijnen);
de schade bestaande uit de restschuld;
het te verrekenen voordeel dat kan bestaan uit dividenden en andere opbrengsten van de overeenkomst(en) waarop de vordering betrekking heeft, en uit een batig saldo (het verschil tussen alle door de afnemer verkregen opbrengsten en alle op grond van dezelfde overeenkomst gedane betalingen) uit (een) eerdere overeenkomst(en) die binnen een jaar voor het aangaan van eerstbedoelde overeenkomst(en) zijn geëindigd;
de vraag of bij het aangaan van de in de procedure betrokken overeenkomst(en) sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ aan de zijde van de afnemer.
4.4.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in effectenleasezaken volgt dat zowel bij schending van de waarschuwingsplicht als bij schending van de onderzoeksplicht sprake is van een conditio sine qua non verband tussen deze schendingen van de zorgplicht en het aangaan van de lease-overeenkomst, dat de aanbieder gehouden is om de schade te vergoeden die is geleden door het aangaan van de lease-overeenkomst, en dat deze schade bestaat uit enerzijds de betaalde (dan wel nog te betalen) rentetermijnen en de aflossingen (en eventuele kosten), en anderzijds de restschuld. Met name wordt gewezen op de rechtsoverwegingen 5.5.3, 5.6.1 en 5.6.3 in het arrest van Hoge Raad van 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815):
‘5.5.3 Indien ervan kan worden uitgegaan dat de financiële positie van de afnemer ten tijde van het aangaan van de overeenkomst toereikend was om zijn betalingsverplichtingen uit die overeenkomst, waaronder de mogelijke (maximale) restschuld, na te komen, zal - in verband met de omstandigheid dat de op de aanbieder rustende waarschuwingsplicht ook ertoe strekt te waarschuwen tegen het aangaan van onnodige risico's - het verweer van de aanbieder dat de afnemer de overeenkomst ook zou zijn aangegaan indien de aanbieder niet in zijn zorgplicht was tekortgeschoten, in het licht van de desbetreffende stellingen van de afnemer voldoende concreet moeten zijn onderbouwd. Is deze onderbouwing niet genoegzaam, kan eveneens tot uitgangspunt worden genomen dat de afnemer zonder dat tekortschieten van de aanbieder in diens zorgplicht de overeenkomst niet zou hebben gesloten.
5.6.1
Indien het vorenbedoeld oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad en de schade kan worden aangenomen, zal op de voet van art. 6:101 BW dienen te worden beoordeeld in hoeverre deze schade als door de afnemer zelf veroorzaakt voor zijn rekening moet blijven.
5.6.3
Bij de vereiste afweging kan onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende schadeposten, te weten: de reeds betaalde rente en aflossing enerzijds, en de restschuld anderzijds. Daarbij moet in aanmerking worden genomen welke de bestedingsruimte was die de afnemer destijds had.
In gevallen waarin bij onderzoek door de aanbieder zou zijn gebleken dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer naar redelijke verwachting toereikend was de rente en aflossing te voldoen, zullen deze schadeposten in beginsel geheel voor rekening van de afnemer moeten worden gelaten, aangezien deze schade dan geheel kan worden toegeschreven aan de omstandigheid dat, naar de afnemer wist of moest weten, met geleend geld is belegd.’
Daarbij is van belang dat zowel in de onderhavige zaak als in andere effectenleasezaken geen sprake is van (enige concrete onderbouwing van) een verweer van Dexia dat de afnemer de overeenkomst ook zou zijn aangegaan indien (de rechtsvoorganger van) Dexia zijn waarschuwingsplicht zou zijn nagekomen.
4.5.
Daardoor kan tot uitgangspunt worden genomen dat voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen de onrechtmatige daad (het tekortschieten in de zorgplichten) en alle uit het aangaan van de overeenkomst voortvloeiende schade, dat wil zeggen zowel de schade uit termijnen als die uit een restschuld, en dat als uitgangspunt geldt dat Dexia aansprakelijk is voor alle schade, behoudens voor zover deze door toepassing van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer dient te blijven.
4.6.
Als bij nakoming van de onderzoeksplicht de uitkomst van afdoende onderzoek zou zijn geweest dat het aangaan van de lease-overeenkomst (wel) een onaanvaardbaar zware financiële last zou hebben opgeleverd, dan kan de afnemer, na toepassing van het ‘eigen schuld’ beginsel als bedoeld in artikel 6:101 BW, aanspraak maken op vergoeding van tweederde deel van de totale schade, dat wil zeggen tweederde deel van zowel de termijnen als van de restschuld. Voor dat geval is derhalve niet van belang welk deel van de schade wordt verrekend met het voordeel.
4.7.
Indien er daarentegen geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, dan blijft het deel van de schade dat bestaat uit de betaalde termijnen (rente, eventuele aflossingen en kosten) geheel voor rekening van de afnemer en heeft deze in beginsel slechts aanspraak op vergoeding van tweederde deel van de schade bestaande uit een restschuld. Het arrest waaruit hiervoor onder 4.2 is geciteerd betrof een geval waarin, evenals in de onderhavige procedure, geen sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’, waardoor de betaalde rente en aflossing op grond van eigen schuld van de afnemer geheel voor rekening van de afnemer bleven. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen dat het klachtonderdeel (inhoudende, kort samengevat, dat eerst het voordeel in mindering zou moeten worden gebracht en pas daarna het bedrag dat op grond van eigen schuld voor rekening van de afnemer zou behoren te komen) bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. Het zal echter duidelijk zijn dat het voor het definitieve resultaat van een procedure als de onderhavige, waarin de afnemer vergoeding vordert van schade als gevolg van schending van de zorgplicht, een groot verschil maakt of het voordeel in mindering wordt gebracht op het gedeelte van de schade dat voor rekening van de afnemer blijft (de termijnen) of dat dit in mindering wordt gebracht op het gedeelte van de schade dat voor tweederde door Dexia dient te worden vergoed (de restschuld).
4.8.
Bij veel zaken, waaronder de onderhavige, zijn bij de vraag op welk deel (of welke delen) van de schade het voordeel in mindering moet worden gebracht de hierna te noemen aspecten van belang. Het grote aantal effectenleasezaken (naar het zich laat aanzien zullen nog vele duizenden zaken behandeld moeten worden) en het belang van een doelmatige, praktische en voldoende voortvarende rechtspleging rechtvaardigen dat bij de vraag op welke schadecomponent het voordeel in mindering moet worden gebracht in enige mate wordt geabstraheerd van de concrete zaak door ook omstandigheden in de onderstaande overwegingen te betrekken die (mogelijk) niet in de onderhavige zaak aanwezig zijn, maar wel in veel andere soortgelijke zaken.
Aspecten van belang bij de keuze van de wijze van voordeeltoerekening
4.9.
In veel effectenlease zaken waarin sprake is van een batig saldo uit eerdere overeenkomst(en) die binnen een jaar voor het aangaan van eerstbedoelde overeenkomsten is of zijn geëindigd (hierna: het batig saldo), overstijgt dit batig saldo de andere voordelen (zoals dividenden uit de in het geding zijnde overeenkomst) aanzienlijk. Voorts is in veel gevallen (ook in de onderhavige zaak) de einduitkering van een eerdere overeenkomst aangewend om de termijnen van een nieuwe overeenkomst (die aan de vordering ten grondslag ligt) bij vooruitbetaling te voldoen, over het algemeen door middel van verrekening. Hoewel die einduitkering meestal een hoger bedrag is dan het ‘batig saldo’ (omdat dit laatste het verschil vormt tussen alle opbrengsten, waaronder de einduitkering, en alle kosten) maakt dat batig saldo wel deel uit van die einduitkering.
4.10.
Bij verrekening tussen enerzijds de verbintenis van Dexia tot betaling van (onder meer) de einduitkering (waarin begrepen het batig saldo uit een voorgaande overeenkomst), en anderzijds de verbintenis van de afnemer tot betaling van de termijnen voor de nieuwe overeenkomst, gaan beide verbintenissen teniet (artikel 6:127 BW). Daaruit kan worden geconcludeerd dat in een dergelijk geval het voordeel bestaande uit het batig saldo uit een eerdere overeenkomst op grond van de wet in mindering is gebracht op de schade (uit die nieuwe overeenkomst) bestaande uit termijnbetalingen. Het is de vraag of dan nog de mogelijkheid bestaat (en of het redelijk is) om datzelfde voordeel in mindering te brengen op een ander deel van de schade, de restschuld.
4.11.
De schade bestaande uit de termijnen ontstaat reeds vanaf de aanvang van de looptijd van de overeenkomst. Uit hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) heeft overwogen, kan worden afgeleid dat een schadepost bestaande uit termijnbetalingen (minus dividenduitkeringen) telkens ontstaat op het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de inleg daadwerkelijk is voldaan. Dat de schade op grond van artikel 6:101 BW gedragen moet worden door de afnemer doet daar niet aan af. Die schade bestaat niet alleen uit betaalde termijnen, maar ook uit de termijnen die de afnemer op grond van de overeenkomst nog aan Dexia verschuldigd is (en die als aparte post op de eindafrekening verschijnt en door Dexia pleegt te worden gevorderd). In veel gevallen waarin de afnemer, nadat het geschil tussen partijen was ontstaan, is opgehouden met het doen van termijnbetalingen, heeft Dexia de aan de afnemer toekomende dividenden en andere opbrengsten verrekend met achterstallige termijnbetalingen. Ook in die gevallen kan worden geconcludeerd dat het voordeel, bestaande uit de verrekende dividenden c.a., krachtens artikel 6:127 BW reeds in mindering is gebracht op de schade bestaande uit termijnbetalingen. Ook hier is het de vraag of dan nog de mogelijkheid bestaat (en of het redelijk is) om datzelfde voordeel in mindering te brengen op een ander deel van de schade, de restschuld..
4.12.
Artikel 6:100 BW bepaalt dat het voordeel (uit dezelfde gebeurtenis als waardoor de schade is veroorzaakt) bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht ‘voor zover dit redelijk is’. Indien sprake is van een batig saldo uit een eerdere overeenkomst maakt dit saldo deel uit van de aan de afnemer toekomende opbrengst van die eerdere overeenkomst. In het geval deze opbrengst aan de afnemer wordt uitgekeerd, behoort deze vervolgens tot het vermogen van de afnemer (voordien behoorde de lease-overeenkomst ook tot dat vermogen maar was onzeker of dit een winst- of verliespost zou opleveren). Dat vermogen is mede bepalend voor de vraag of bij het aangaan van de (binnen een jaar daarop volgende) overeenkomst, terzake waarvan schadevergoeding wordt gevorderd, sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’. Met name in gevallen waarin het batig saldo aanzienlijk is kan (uitsluitend) als gevolg van de ontvangst van de einduitkering uit de eerdere overeenkomst (waarin dat saldo is begrepen) een situatie ontstaan waarin niet langer sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’, met als gevolg dat de schade bestaande uit de verschuldigde termijnen geheel door de afnemer moet worden gedragen. In een dergelijk geval is ten gevolge van (onder meer) het batig saldo de vergoedingsplicht van Dexia derhalve reeds verminderd (namelijk met het tweederde deel van de schade bestaande uit termijnen dat zij anders had dienen te dragen). De vraag is of het onder die omstandigheden redelijk is dat Dexia als gevolg van het hiervoor bedoelde batig saldo niet alleen wordt ontheven van de verplichting tot vergoeding van de schade bestaande uit termijnen, maar bovendien geheel of gedeeltelijk wordt bevrijd van haar verplichting tot vergoeding van de resterende schade omdat het batig saldo als voordeel op de restschuld in mindering wordt gebracht.
4.13.
De kwestie van de wijze van verrekening van het batig saldo en andere voordelen uit eerdere overeenkomsten vormt niet alleen in de onderhavige zaak, maar ook in een groot aantal andere aan deze rechtbank en aan andere gerechten ter beoordeling voorgelegde zaken onderwerp van geschil. Daarnaast is de rechtbank ambtshalve bekend dat er nog vele duizenden zaken zijn waarin de afnemer wel een opt-outverklaring heeft ingediend (waardoor hij niet gebonden is aan de door het gerechtshof Amsterdam verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst) maar waarin nog geen procedure aanhangig is gemaakt, of een minnelijke regeling is bereikt, zodat rekening moet worden gehouden met vele toekomstige procedures. De zaken die thans aanhangig worden gemaakt betreffen veelal gevallen waarin meerdere lease-overeenkomsten zijn gesloten. Hoewel geen tellingen zijn verricht leert de ervaring uit voorgaande zaken dat in enkele tientallen procenten van de procedures sprake is van een batig saldo uit een eerdere overeenkomst, dat veelal verrekend is met termijnen van een volgende overeenkomst. In elke zaak waarin schade wordt gevorderd wegens schending van de zorgplicht kan een uitkering van de opbrengst van een voorgaande overeenkomst (de einduitkering met daarin het batig saldo) van belang zijn voor de vraag of sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’. Daarnaast zijn er veel gevallen waarin dividenden c.a. verrekend zijn met achterstallige betalingen. De tijdstippen en bedragen van deze verrekeningen zijn divers. Er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat een en ander anders zal zijn bij gevallen waarin thans nog geen procedure aanhangig is gemaakt, maar naar verwachting nog wel zal worden gemaakt. Mede gelet op het bovenstaande biedt de jurisprudentie thans onvoldoende houvast voor een juiste toepassing van de voordeelstoerekening in elk individueel geval.
4.14.
Het grote aantal zaken en het per zaak grote aantal feitelijke betalingen en verrekeningen over en weer rechtvaardigen een wijze van berekening van de (eventueel) aan de afnemer toekomende schadevergoeding (waaronder begrepen de verrekening van voordelen) die eenduidig, overzichtelijk en praktisch toepasbaar is. Duidelijkheid daarover ontbreekt thans, althans duidelijkheid met betrekking tot de hiervoor bedoelde vraagstukken. Deze duidelijkheid heeft niet alleen tot doel om de vele zaken in rechte op de juiste wijze te behandelen en te beslissen, maar ook om partijen (en hun gemachtigden) beter in staat te stellen hun geschillen buiten rechte af te doen.
4.15.
Gelet op het voorgaande wenst de kantonrechter de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De vragen hebben uitdrukkelijk alleen betrekking op de beoordeling van vorderingen tot schadevergoeding terzake van een (of meer) overeenkomst(en) waarbij geen sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’.
I. Dient een batig saldo uit een eerdere effectenlease-overeenkomst, die is geëindigd binnen een jaar voordat de overeenkomst is aangegaan die ten grondslag is gelegd aan de vordering tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, maar welk batig saldo is aangewend voor de betaling van termijnbedragen van de laatstbedoelde overeenkomst doordat de opbrengst van de eerstbedoelde overeenkomst is verrekend met de betalingsverplichtingen van de afnemer uit de tweede overeenkomst, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?
II. Dienen voordelen bestaande uit dividenden en/of andere opbrengsten van een aan de vordering tot schadevergoeding ten grondslag liggende effectenlease-overeenkomst die zijn verrekend met de betalingsverplichtingen uit de effectenlease-overeenkomst, zoals achterstallige termijnen, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?
III. Dienen de hiervoor onder I. en II. bedoelde vragen anders te worden beoordeeld indien het onder I. bedoelde batig saldo uit een eerdere effectenlease-overeenkomst en de onder II. bedoelde voordelen van een aan de vordering tot schadevergoeding ten grondslag liggende effectenlease-overeenkomst niet zijn verrekend met betalingsverplichtingen van de afnemer op grond van laatstbedoelde overeenkomst, maar aan de afnemer zijn uitbetaald?
IV. Dient, in een situatie waarin een batig saldo als onder I. bedoeld dat (als onderdeel van de einduitkering van een eerdere effectenlease-overeenkomst) aan de afnemer is uitgekeerd, waardoor als gevolg daarvan geen sprake (meer) is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ met betrekking tot de overeenkomst die ten grondslag is gelegd aan de vordering tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?
V. Is het geoorloofd om, wegens het belang van een praktische, efficiënte en zo mogelijk uniforme beoordeling van geschillen omtrent alle effectenlease-overeenkomsten, de verrekening van voordelen als hier bedoeld (bestaande uit batig saldo uit een of meer eerdere overeenkomst(en), dividenden en andere opbrengsten uit de in het geding zijnde overeenkomst(en)) toe te passen volgens een vaste – van de aard, de omvang en het tijdstip van de afzonderlijke voordelen in de onderhavige individuele zaak geabstraheerde – methode, door de voordelen steeds in mindering te brengen op dat deel van de schade dat daar in het merendeel van de individuele gevallen het meest voor in aanmerking komt, tenzij bijzondere omstandigheden in het individuele geval rechtvaardigen dat van die vaste methode wordt afgeweken?
4.16
In afwachting van de beslissing van de Hoge Raad zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Na ontvangst van een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich ter zake van de uitspraak van de Hoge Raad uit te laten.
Beslissing
De kantonrechter:
bepaalt dat aan de Hoge Raad de hiervoor sub 4.15 omschreven vragen worden gesteld ex artikel 392 Rv;
bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van dit vonnis zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad, postbus 20303, 2500 EH Den Haag;
bepaalt dat de griffier afschriften van de andere op deze procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad zendt;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Uitspraak 31‑03‑2016
Mr. C.L.J.M. de Waal
Partij(en)
Vonnis van de kantonrechter:
inzake
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
nader te noemen: Dexia,
gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel.
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,,
nader te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. G. van Dijk.
De procedure
1. Het verder verloop van de procedure blijkt uit:
Op 23 februari 2016 heeft er op verzoek van Dexia een pleidooi plaatsgevonden. Beide partijen waren daarbij aanwezig. Partijen hebben verschillende aanvullende stukken overgelegd.
Daarna is vonnis bepaald op heden.
Gronden van de beslissing
in conventie en in reconventie
2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen hij in zijn tussenvonnis van 24 december 2015 heeft overwogen.
2.2
, [gedaagde] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr | Contractnr. | Datum | Naam overeenkomst | Looptijd | Leasesom |
|---|---|---|---|---|---|
I. | [001] | 23-05-1996 | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.040,99 |
II. | [002] | 20-12-1996 | WinstVerDubbelaar | 60 mnd | ƒ 11.194,54 |
III | [003] | 20-12-1995 | WinstVerDubbelaar | 60 mnd | ƒ 11.253,50 |
IV | [004] | 20-12-2001 | Troefplan | 60 mnd | ƒ 14.471,15 |
V | [005] | 23-05-2001 | WinstVerDriedubbelaar | 36 mnd | ƒ 20.630,30 |
VI | [006] | 22-05-1997 | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.173,74 |
VII | [007] | 04-09-1997 | Multiplier Effect | 60 mnd | ƒ onbekend |
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:
Nr. | Datum eindafrekening | Resultaat |
|---|---|---|
I. | 22-05-2001 | + € 6.901,20 |
II. | 19-12-2001 | − € 5.624,11 |
III. | 19-12-2000 | + € 15.012,74 |
IV. | 19-12-2006 | − € 22,97 |
V. | 24-05-2004 | + € 20,76 |
VI. | 16-05-2002 | + € 2.346,58 |
VII. | 17-09-2002 | + € 0,00 |
Toepassing Hof-model en Hof-formule
2.4.
Voor de overige maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
- A.
er is sprake van huurkoop;
- B.
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
- C.
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
- D.
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;
- E.
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.
2.5.
In dit geval heeft [gedaagde] gesteld dat er, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’. Gelet op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] behoort te blijven.
2.6.
[gedaagde] stelt dat de lease-overeenkomsten IV, V en VII verlieslatende overeenkomsten betreffen. Het batig saldo ad € 22.055,88 dient volgens hem allereerst in mindering te worden gebracht op de inleg. Volgens [gedaagde] brengt dit mee dat met betrekking tot de lease-overeenkomsten IV en V nog een bedrag van € 4.740,90 door Dexia dient te worden voldaan.
Dexia betwist dit laatste standpunt van [gedaagde]. Volgens Dexia dient het batig saldo alleen te worden verrekend met de schade bestaande uit de restschuld.
Overwegingen met betrekking tot de wijze van voordeeltoerekening in zaken waar in geen sprake is van een ‘onaanvaardbare financiële last’.
3.1.
Op de door de afnemer van Dexia geleden schade moet in mindering worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Vanaf de totstandkoming van de wijze van schadeberekening in effectenlease-zaken, aangeduid als toepassing van de ‘Hof-formule’ (gebaseerd op de arresten van Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983)) heeft de rechtbank Amsterdam in haar beslissingen toepassing gegeven aan deze voordeelstoerekening door het voordeel eerst in mindering te brengen op de schade bestaande uit betaalde termijnen (rente en eventuele aflossingen).
3.2.
Dexia heeft in de onderhavige procedure bij pleidooi gesteld dat deze toepassing in strijd is met hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 april 2011 (NJ 2013/40 m.nt. Vranken, ECLI:NL:HR:2011 :BP4012), met name in r.o. 4.4 van dat arrest. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat, in gevallen als de onderhavige waarin geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’, het in mindering brengen van het voordeel op (uitsluitend) de restschuld in de meeste gevallen tot ongerijmde resultaten leidt, althans tot niet redelijke en billijke resultaten.
3.3.
In r.o. 4.4 van bovengenoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen:
4.4
Onderdeel V neemt tot uitgangspunt dat in de oordelen van het hof ligt besloten dat de omvang van de vergoedingsplicht van Dexia moet worden vastgesteld door eerst de totale schade (betaalde rente en aflossing en restschuld) vast te stellen, vervolgens het te verrekenen voordeel op die schade in mindering te brengen en ten slotte op het dan resterende bedrag in mindering te brengen het gedeelte van dit resterende bedrag dat op grond van eigen schuld voor rekening van de afnemer komt. Het onderdeel klaagt dat de in bijlage B opgenomen berekening hiermee niet in overeenstemming is, omdat het hof het te verrekenen voordeel uitsluitend in mindering heeft gebracht op de restschuld en op die grond tot de conclusie is gekomen dat per saldo geen schade resteert tot vergoeding waarvan Dexia is gehouden. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat in een geval waarin (zoals hier) de betaalde rente en aflossing op grond van eigen schuld van de afnemer geheel voor rekening van de afnemer blijven, het geen verschil maakt of het te verrekenen voordeel in mindering wordt gebracht voordat of nadat de betaalde rente en aflossing in mindering worden gebracht. In beide gevallen resteert immers alleen de restschuld verminderd met het te verrekenen voordeel als het schadebedrag, waarop vervolgens de door het hof wegens eigen schuld aanvaarde vermindering van de vergoeding met eenderde deel wordt toegepast. Met andere woorden: nu blijkens rov. 4.23 (in verbinding met rov. 4.20) het gehele bedrag van de door […] betaalde rente en aflossing wegens eigen schuld voor zijn rekening blijft, kan het — eveneens wegens eigen schuld — voor zijn rekening blijvende eenderde gedeelte van de resterende schade (zie eveneens rov. 4.23, nu in verbinding met rov. 4.22) slechts betrekking hebben op het bedrag van de restschuld verminderd met het te verrekenen voordeel. Slechts in (thans niet aan de orde zijnde) gevallen als bedoeld in 's hofs rov. 4.21 — waarin onderzoek zou hebben uitgewezen dat de overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer zou hebben gelegd en Dexia daarom gehouden was het aangaan van de overeenkomst aan de afnemer te ontraden —, moet inderdaad ter voorkoming van een onjuist resultaat eerst het te verrekenen voordeel op de totale schade (betaalde rente en aflossing en restschuld) in mindering worden gebracht voordat op het dan resterende bedrag de vermindering wegens eigen schuld (eenderde gedeelte van dat gehele resterende bedrag, zie rov. 4.21 en 4.22) wordt toegepast.
3.4.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in effectenleasezaken volgt dat zowel bij schending van de waarschuwingsplicht als bij schending van de onderzoeksplicht sprake is van een conditio sine qua non verband tussen deze schendingen van de zorgplicht en het aangaan van de effectenlease-overeenkomst, dat de aanbieder gehouden is om de schade te vergoeden die is geleden door het aangaan van de effectenlease-overeenkomst, en dat deze schade bestaat uit enerzijds de betaalde (dan wel nog te betalen) rentetermijnen en de aflossingen (en eventuele kosten), en anderzijds de restschuld. Als bij nakoming van de onderzoeksplicht de uitkomst van afdoende onderzoek zou zijn geweest dat het aangaan van de effectenlease-overeenkomst (wel) een onaanvaardbaar zware financiële last zou hebben opgeleverd, dan komt in beginsel ook de schade bestaande uit betaalde rente en aflossing (in ieder geval deels) voor vergoeding in aanmerking. Indien er daarentegen geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, dan blijft het deel van de schade dat bestaat uit de betaalde termijnen (rente, eventuele aflossingen en kosten) geheel voor rekening van de afnemer.
3.5.
Bij de berekening van de schadevergoeding in effectenleasezaken zijn de volgende elementen van belang:
- A.
de schade bestaande uit betaalde (althans op grond van de overeenkomst verschuldigde) termijnen (hierna: de termijnen);
- B.
de schade bestaande uit de restschuld;
- C.
het te verrekenen voordeel dat kan bestaan uit dividenden en andere opbrengsten van de overeenkomst(en) waarop de vordering betrekking heeft, en uit een batig saldo (het verschil tussen alle door de afnemer verkregen opbrengsten en alle op grond van dezelfde overeenkomst gedane betalingen) uit (een) eerdere overeenkomst(en) die binnen een jaar voor het aangaan van eerstbedoelde overeenkomst(en) zijn geëindigd;
- D.
de vraag of bij het aangaan van de in de procedure betrokken overeenkomst(en) sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ aan de zijde van de afnemer.
3.6.
Bij een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ kan, na toepassing van het ‘eigen schuld’ beginsel en indien aan de overige in de jurisprudentie geformuleerde voorwaarden is voldaan, de afnemer aanspraak maken op vergoeding van tweederde deel van de totale schade, dat wil zeggen tweederde deel van zowel de termijnen als de restschuld, zodat het voor dat geval niet van belang is welk deel van de schade wordt verrekend met het voordeel.
3.7.
Het arrest waaruit hiervoor is geciteerd betrof echter een geval waarin, evenals in de onderhavige procedure, geen sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’, waardoor de betaalde rente en aflossing op grond van eigen schuld van de afnemer geheel voor rekening van de afnemer bleven. De Hoge Raad heeft daarin overwogen dat het klachtonderdeel (inhoudende, kort samengevat, dat eerst het voordeel in mindering zou moeten worden gebracht en pas daarna het bedrag dat op grond van eigen schuld voor rekening van de afnemer zou behoren te komen) bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. Het zal echter duidelijk zijn dat het voor het definitieve resultaat van een procedure als de onderhavige, waarin de afnemer vergoeding vordert van schade als gevolg van schending van de zorgplicht, een groot verschil maakt of het voordeel in mindering wordt gebracht op het gedeelte van de schade dat voor rekening van de afnemer blijft (de termijnen) of dat dit in mindering wordt gebracht op het gedeelte van de schade dat voor tweederde door Dexia dient te worden vergoed (de restschuld).
3.8.
Bij veel zaken, waaronder de onderhavige, zijn bij de vraag op welk deel (of welke delen) van de schade het voordeel in mindering moet worden gebracht de volgende aspecten van belang.
3.9.
In veel effectenlease (…) uit eerdere overeenkomsten die binnen (…) overeenkomsten zijn geëindigd (hierna: het (…) de andere voordelen (zoals dividenden uit de in het (…) Voorts is in veel gevallen (ook in de onderhavige zaak) (…) overeenkomst aangewend om de termijnen van een nieuwe (…) ten grondslag ligt) bij vooruitbetaling te voldoen, (…) verrekening. Hoewel die einduitkering meestal hoger bedrag is dan het ‘batig saldo’ (omdat dit laatste het verschil vormt tussen alle opbrengsten, waaronder de einduitkering, en alle kosten) maakt dat batig saldo wel deel uit van die opbrengst.
3.10.
Bij verrekening tussen enerzijds de verbintenis van Dexia tot betaling van (onder meer) de einduitkering (waarin begrepen het batig saldo uit een voorgaande overeenkomst), en anderzijds de verbintenis van de afnemer tot betaling van de termijnen voor de nieuwe overeenkomst, gaan beide verbintenissen teniet (artikel 6:127 BW). Daaruit kan worden geconcludeerd dat in een dergelijk geval het voordeel bestaande uit het batig saldo uit een eerdere overeenkomst op grond van de wet in mindering is gebracht op de schade (uit die nieuwe overeenkomst) bestaande uit termijnbetalingen. Het is de vraag of dan nog de mogelijkheid bestaat (en of het redelijk is) om datzelfde voordeel in mindering te brengen op een ander deel van de schade, de restschuld.
3.11.
De schade bestaande uit de termijnen ontstaat reeds vanaf de aanvang van de looptijd van de overeenkomst. Uit hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) heeft overwogen, kan worden afgeleid dat een schadepost bestaande uit termijnbetalingen (minus dividenduitkeringen) telkens ontstaat op het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de inleg daadwerkelijk is voldaan. Dat de schade op grond van artikel 6:101 BW gedragen moet worden door de afnemer doet daar niet aan af. Die schade bestaat niet alleen uit betaalde termijnen, maar ook uit de termijnen die de afnemer op grond van de overeenkomst nog aan Dexia verschuldigd is (en die als aparte post op de eindafrekening verschijnt en door Dexia pleegt te worden gevorderd). In veel gevallen waarin de afnemer, nadat het geschil tussen partijen was ontstaan, is opgehouden met het doen van termijnbetalingen, heeft Dexia de aan de afnemer toekomende dividenden en andere opbrengsten verrekend met achterstallige termijnbetalingen. Ook in die gevallen kan worden geconcludeerd dat het voordeel, bestaande uit de verrekende dividenden c.a., krachtens artikel 6:127 BW reeds in mindering is gebracht op de schade bestaande uit termijnbetalingen. Ook hier is het de vraag of dan nog de mogelijkheid bestaat (en of het redelijk is) om datzelfde voordeel in mindering te brengen op een ander deel van de schade, de restschuld..
3.12.
Artikel 6:100 BW bepaalt dat het voordeel (uit dezelfde gebeurtenis als waardoor de schade is veroorzaakt) bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht ‘voor zover dit redelijk is’. Indien er sprake is van een batig saldo uit een eerdere overeenkomst maakt dit saldo deel uit van de aan de afnemer toekomende opbrengst van die eerdere overeenkomst. In het geval deze opbrengst aan de afnemer wordt uitgekeerd, behoort deze vervolgens tot het vermogen van de afnemer (voordien behoorde de effectenlease-overeenkomst ook deel uit van dat vermogen maar was onzeker of dit een winst- of verliespost zou opleveren). Dat vermogen is mede bepalend voor de vraag of bij het aangaan van de (binnen een jaar daarop volgende) overeenkomst, terzake waarvan schadevergoeding wordt gevorderd, sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’. Met name in gevallen waarin het batig saldo aanzienlijk is kan (uitsluitend) als gevolg van de ontvangst van de einduitkering uit de eerdere overeenkomst (waarin dat saldo is begrepen) een situatie ontstaan waarin niet langer sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’, met als gevolg dat de schade bestaande uit de verschuldigde termijnen geheel door de afnemer moet worden gedragen. In een dergelijk geval is ten gevolge van (onder meer) het batig saldo de vergoedingsplicht van Dexia derhalve reeds verminderd (namelijk met het tweederde deel van de schade bestaande uit termijnen dat zij anders had dienen te dragen). De vraag is of het onder die omstandigheden redelijk is dat Dexia als gevolg van het hiervoor bedoelde batig saldo niet alleen wordt ontheven van de verplichting tot vergoeding van de schade bestaande uit termijnen, maar bovendien geheel of gedeeltelijk wordt bevrijd van haar verplichting tot vergoeding van de resterende schade omdat het batig saldo als voordeel op de restschuld in mindering wordt gebracht.
3.13.
De kwestie van de wijze van verrekening van batig saldo en andere voordelen uit eerdere overeenkomsten vormt niet alleen in de onderhavige zaak, maar ook in een groot aantal andere aan deze rechtbank en aan andere gerechten ter beoordeling voorgelegde zaken onderwerp van geschil. Daarnaast is de kantonrechter ambtshalve bekend dat er nog vele duizenden zaken zijn waarin de afnemer wel een opt-outverklaring heeft ingediend (waardoor hij niet gebonden is aan de door het gerechtshof Amsterdam verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst) maar waarin nog geen procedure aanhangig is gemaakt, of een minnelijke regeling is bereikt, zodat rekening moet worden gehouden met vele toekomstige procedures. De zaken die thans aanhangig worden gemaakt betreffen veelal gevallen waarin meerdere effectenlease-overeenkomsten zijn gesloten. Hoewel geen tellingen zijn verricht leert de ervaring uit voorgaande zaken dat in enkele tientallen procenten van de procedures sprake is van een batig saldo uit een eerdere overeenkomst, dat veelal verrekend is met termijnen van een volgende overeenkomst. In elke zaak waarin schade wordt gevorderd wegens schending van de zorgplicht kan een uitkering van de opbrengst van een voorgaande overeenkomst (met daarin het batig saldo) van belang zijn voor de vraag of er sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’. Daarnaast zijn er veel gevallen waarin dividenden c.a. verrekend zijn met achterstallige betalingen. De tijdstippen en bedragen van deze verrekeningen zijn divers. Er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat een en ander anders zal zijn bij gevallen waarin thans nog geen procedure aanhangig is gemaakt, maar waarvan mag worden verwacht dat dit op termijn wel het geval zal zijn. Mede gelet op het bovenstaande biedt de jurisprudentie thans onvoldoende houvast voor een juiste toepassing van de voordeelstoerekening in elk individuele geval.
3.14.
Het grote aantal zaken en het per zaak grote aantal feitelijke betalingen en verrekeningen over en weer rechtvaardigen een wijze van berekening van de (eventueel) aan de afnemer toekomende schadevergoeding (waaronder begrepen de verrekening van voordelen) die eenduidig, overzichtelijk en praktisch toepasbaar is. Duidelijkheid daarover ontbreekt thans, althans duidelijkheid met betrekking tot de hiervoor bedoelde vraagstukken. Deze duidelijkheid heeft niet alleen tot doel om de vele zaken in rechte op de juiste wijze te behandelen en te beslissen, maar ook om partijen (en hun gemachtigden) beter in staat te stellen hun geschillen buiten rechte af te doen.
3.15.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voornemens de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, bedoeld om met behulp van de daarop te geven antwoorden in deze en andere concrete zaken te beslissen over de wijze waarop toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6:100 BW.
De vragen hebben uitdrukkelijk alleen betrekking op de beoordeling van vorderingen tot schadevergoeding terzake van een (of meer) overeenkomst(en) waarbij geen sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’.
- I.
Dient een batig saldo uit een eerdere effectenlease-overeenkomst, die is geëindigd binnen een jaar voordat de overeenkomst is aangegaan die ten grondslag is gelegd aan de vordering tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, maar welk batig saldo is aangewend voor de betaling van termijnbedragen van de laatstbedoelde overeenkomst doordat de opbrengst van de eerstbedoelde overeenkomst is verrekend met de betalingsverplichtingen van de afnemer uit de tweede overeenkomst, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?
- II.
Dienen voordelen bestaande uit dividenden en/of andere opbrengsten van een aan de vordering tot schadevergoeding ten grondslag liggende effectenlease-overeenkomst die zijn verrekend met de betalingsverplichtingen uit de effectenlease-overeenkomst, zoals achterstallige termijnen, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?
- III.
Dienen de hiervoor onder I. en II. bedoelde vragen anders te worden beoordeeld indien het daar bedoelde batig saldo uit een eerdere effectenlease-overeenkomst en de daar bedoelde voordelen van een aan de vordering tot schadevergoeding ten grondslag liggende effectenlease-overeenkomst niet zijn verrekend met betalingsverplichtingen van de afnemer op grond van laatstbedoelde overeenkomst, maar aan de afnemer zijn uitbetaald?
- IV.
Dient een batig saldo als onder I. bedoeld dat, omdat dit deel uitmaakt van de opbrengst van de eerdere effectenlease-overeenkomst die aan de afnemer wordt uitgekeerd, tot gevolg te hebben dat bij het aangaan van de overeenkomst, die ten grondslag is gelegd aan de vordering tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, een situatie is ontstaan waarin geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ en dus tot een bevrijding van Dexia van de verplichting tot vergoeding van schade bestaande uit de verschuldigde termijnen, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?
- V.
Is het geoorloofd om, wegens het rechtsbelang van een efficiënte afdoening van massaschadezaken als de onderhavige, de verrekening van voordelen als hier bedoeld (bestaande uit batig saldo uit een eerdere overeenkomst, dividenden en andere opbrengsten uit de in het geding zijnde overeenkomst(en)) toe te passen volgens een vaste methode, door de voordelen steeds in mindering te brengen op het deel van de schade dat daar in het merendeel van de individuele gevallen het meest voor in aanmerking komt, ongeacht de aard, de omvang of het tijdstip van de afzonderlijke voordelen in het individuele geval, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat van die vaste methode wordt afgeweken?
3.16.
Alvorens verder zal worden beslist, zal de zaak op de voet van artikel 392 lid 2 Rv worden verwezen naar de rol teneinde beide partijen tegelijkertijd in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen alsmede over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen vragen.
Beslissing
De kantonrechter:
- I.
stelt partijen bij akte in de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen zoals geformuleerd in rechtsoverweging 3.15. ;
- II.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 april 2016 voor uitlating partijen.
- III.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier
De kantonrechter
Uitspraak 24‑12‑2015
Mr. C.L.J.M. de Waal
Partij(en)
Vonnis van de kantonrechter:
inzake
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
nader te noemen: Dexia,
gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel.
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,,
nader te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. G. van Dijk.
De procedure
1.
Het verder verloop van de procedure blijkt uit:
Bij tussenvonnis van 2 juli 2015 (hierna: het tussenvonnis) is bepaald dat Dexia een nieuw financieel overzicht in het geding dient te brengen. Vervolgens zijn ingediend.
- —
de akte na tussenvonnis van Dexia, onder overlegging van een financieel overzicht;
- —
de akte van Dexia, waarbij zij verzoekt om pleidooi;
- —
de antwoordakte van [gedaagde];
Daarna is vonnis bepaald op heden.
Gronden van de beslissing
in conventie en in reconventie
2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen hij heeft overwogen in voornoemd tussenvonnis.
2.2.
[gedaagde] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr | Contractnr. | Datum | Naam overeenkomst | Looptijd | Leasesom |
|---|---|---|---|---|---|
I. | [001] | 23-05-1996 | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.040,99 |
II. | [002] | 20-12-1996 | WinstVerDubbelaar | 60 mnd | ƒ 11.194,54 |
III | [003] | 20-12-1995 | WinstVerDubbelaar | 60 mnd | ƒ 11.253,50 |
IV | [004] | 20-12-2001 | Troefplan | 60 mnd | ƒ 14.471,15 |
V | [005] | 23-05-2001 | WinstVerDriedubbelaar | 36 mnd | ƒ 20.630,30 |
VI | [006] | 22-05-1997 | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.173,74 |
VII | [007] | 04-09-1997 | Multiplier Effect | 60 mnd | ƒ onbekend |
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:
Nr. | Datum eindafrekening | Resultaat |
|---|---|---|
I. | 22-05-2001 | + € 6.901,20 |
II. | 19-12-2001 | − € 5.624,11 |
III. | 19-12-2000 | + € 15.012,74 |
IV. | 19-12-2006 | − € 22,97 |
V. | 24-05-2004 | + € 20,76 |
VI. | 16-05-2002 | + € 2.346,58 |
VII. | 17-09-2002 | + € 0,00 |
Toepassing Hof-model en Hof-formule
2.4.
Voor de overige maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
- A.
er is sprake van huurkoop;
- B.
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
- C.
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
- D.
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;
- E.
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.
2.5.
In het onderhavige geval dient op de door [gedaagde] gestelde door hem geleden schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet.
2.6.
Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [gedaagde] ingevolge de lease-overeenkomsten heeft genoten, zoals aan hem betaalde of toekomende dividenden. [gedaagde] heeft in totaal ten aanzien van de in geding zijnde lease-overeenkomsten een bedrag van in totaal € 1.951,72 aan dividend van Dexia ontvangen.
2.7.
Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [gedaagde] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door hem veroorzaakt voor rekening van [gedaagde] moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.
2.8.
In dit geval heeft [gedaagde] gesteld dat er, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’. Gelet op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] behoort te blijven.
2.9.
Dienaangaande wordt allereerst overwogen dat Dexia een nieuw financieel overzicht heeft overgelegd, waarin de door [gedaagde] betaalde bedragen met betrekking tot de overgenomen aandelen terzake de lease-overeenkomsten V en VII (abusievelijk stond in het tussenvonnis overeenkomst IV vermeld, maar dit moet VII zijn) zijn vermeld.
Het betreft hier de schade bestaande uit hetgeen door [gedaagde] méér moest worden betaald dan de waarde van de aandelen bij overname daarvan, waarmee de gehele lening is afgelost. Dit is een nadelig financieel gevolg van het aangaan van de beide overeenkomsten. De restschuld is betaald en er is daadwerkelijk schade geleden.
2.10.
Op grond van leaseovereenkomst V is een bedrag van € 1.487,16 (termijnen) en € 7.874,46 (restant hoofdsom) aan Dexia betaald. Verder is er een bedrag van € 1,59 aan dividenden en een bedrag van € 2.916,54 (waarde effecten) van Dexia ontvangen.
2.11.
Op grond van leaseovereenkomst VII is een bedrag van € 18.214,63 (termijnen) en € 41.328,08 (restant hoofdsom) aan Dexia betaald. Verder is een bedrag van € 6.811,04 aan dividenden en een bedrag van € 34.409,08 (waarde effecten) van Dexia ontvangen.
2.12.
[gedaagde] stelt dat de lease-overeenkomsten IV, V en VII verlieslatende overeenkomsten betreffen. Het batig saldo ad € 22.055,88 dient allereerst in mindering te worden gebracht op de inleg. Volgens [gedaagde] betekent dat met betrekking tot de lease-overeenkomsten IV en V nog een bedrag van € 4.740,90 door Dexia dient te worden voldaan.
Dexia betwist dit laatste standpunt van [gedaagde]. Volgens Dexia dient het batig saldo alleen te worden verrekend met de schade bestaande uit de restschuld.
2.13.
Bij akte van 3 november 2015 heeft Dexia om pleidooi verzocht. Dexia stelt dat zij haar stellingen omtrent de wijze van het verrekenen van het batig saldo nader wenst toe lichten.
De kantonrechter ziet — mee gelet op het verzoek van Dexia — aanleiding een pleidooi in deze te bepalen.
2.14.
Daarbij wordt nog het volgende opgemerkt. Ter gelegenheid van het te houden pleidooi zullen slechts aan de orde kunnen komen de geschilpunten waarop in het voorgaande nog niet is beslist. Dat betreft met name het door Dexia genoemde geschilpunt omtrent de wijze van het verrekenen van het batig saldo bij het bepalen of — en zo ja — de hoogte van het te restitueren bedrag aan schade (wegens te veel betaalde restschuld dan wel te veel betaalde termijnen).
2.15.
Gelet op het vorengaande zal op de rolzitting over 14 dagen na heden een datum voor pleidooi worden bepaald, nadat partijen in de gelegenheid zijn geweest om tot uiterlijk twee werkdagen voor die zitting hun verhinderdata (in een periode van 2 tot 8 weken daaropvolgend) (in een periode van 2 tot 8 weken daaropvolgend) schriftelijk op te geven aan het Bureau Teamplanner-Dexia per e-mail administratie.effectenleaseteam.amsterdam@rechtspraak.nl), fax (020-5412990) of per post. Partijen dienen daarbij zittingsdatum en rolnummer te vermelden.
Indien een partij niet of niet tijdig haar verhinderdata opgeeft, zal haar-behoudens in geval van calamiteiten-na vaststelling van de zittingsdatum geen uitstel meer worden verleend.
3.
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Beslissing
De kantonrechter:
- I.
bepaalt dat partijen zullen verschijnen op een nader te bepalen terechtzitting van de kantonrechter voor pleidooi;
- II.
bepaalt dat de zaak weer zal dienen ter rolzitting van donderdag 7 januari 2016 te 10.00 uur voor dagbepaling pleidooi;
- III.
wijst erop dat verhinderdata kunnen worden opgegeven, zoals hiervoor vermeld;
- IV.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier
De kantonrechter
Uitspraak 02‑07‑2015
C.L.J.M. de Waal
Partij(en)
Vonnis van de kantonrechter:
inzake
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
nader te noemen: Dexia,
gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel.
t e g e n
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,,
nader te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. G. van Dijk.
De procedure
1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
de dagvaarding van 28 oktober 2014 van Dexia, met producties.
- —
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde], met producties.
- —
Bij tussenvonnis van 18 december 2014 is bepaald dat de onderhavige zaak schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend.
- —
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord reconventie van Dexia, met producties,
- —
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [gedaagde], met producties,
- —
de conclusie van dupliek in reconventie van Dexia.
Vonnis is bepaald op heden.
Gronden van de beslissing
in conventie en in reconventie
De feiten
2. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast.
2.1.
Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.
2.2
[gedaagde] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr | Contractnr. | Datum | Naam overeenkomst | Looptijd | Leasesom |
|---|---|---|---|---|---|
I. | [001] | 23-5-1996 | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.040,99 |
II. | [002] | 20-12-1996 | WinstVerDubbelaa | 60 mnd | ƒ 11.194,54 |
III | [003] | 20-12-1995 | WinstVerDubbelaar | 60 mnd | ƒ 11.253,50 |
IV | [004] | 20-12-2001 | Troefplan | 60 mnd | ƒ 14.471,15 |
V | [005] | 23-05-2001 | WinstVerDriedubbelaar | 36 mnd | ƒ 20.630,30 |
VI | [006] | 22-05-1997 | Duolease | 60 mnd | ƒ 15.173,74 |
VII | [007] | 04-09-1997 | Multiplier Effect | 60 mnd | ƒ onbekend |
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:
Nr. | Datum eindafrekening | Resultaat |
|---|---|---|
I. | 22-05-2001 | + € 6.901,20 |
II. | 19-12-2001 | − € 5.624,11 |
III. | 19-12-2000 | + € 15.012,74 |
IV. | 19-12-2006 | − € 22,97 |
V. | 24-05-2004 | + € 20,76 |
VI. | 16-05-2002 | + € 2.346,58 |
VII. | 17-09-2002 | + € 0,00 |
2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de lease-overeenkomsten in totaal een bedrag van € 29.971,19 aan maandtermijnen en een bedrag van € 22,97 aan restschuld aan Dexia betaald. Vervolgens heeft [gedaagde] een bedrag van € 8.762,76 aan dividenden en een bedrag van € 26.849,10 aan ander voordeel ontvangen.
2.4.
Bij brief van 14 augustus 2014 heeft Dexia aan [gedaagde] meegedeeld dat zij met [gedaagde] wil bepalen of hij nog in aanmerking komt voor een schadevergoeding op basis van het Hofmodel. Dexia heeft [gedaagde] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan en — zo niet — mee te delen en te onderbouwen welk schadebedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn.
2.5.
[gedaagde] heeft hierop niet gereageerd.
2.6.
Bij brief van 4 september 2014 heeft de gemachtigde van Dexia aan [gedaagde] meegedeeld dat zij het geschil wil afwikkelen en dat daarvoor noodzakelijk is dat al de van belang zijnde gegevens dienen te worden bekeken of [gedaagde] nog recht heeft op een schadevergoeding. [gedaagde] wordt verzocht mee te delen of hij meent nog in aanmerking te komen voor een schadevergoeding en — zo ja — de van belang zijnde gegevens toe te sturen, zodat berekend kan worden of [gedaagde] recht heeft op een vergoeding.
2.7.
[gedaagde] heeft hierop niet gereageerd.
3. Vorderingen
3.1.
Dexia vordert in conventie dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten lease-overeenkomsten met nummers [003], [001], [002], [006], [007], [005] en [004] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. Ten slotte vordert Dexia [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld bij het aangaan van de overeenkomsten en vordert veroordeling van Dexia tot betaling van a) een bedrag van € 4.748,20 te vermeerderen met wettelijke rente en b) de buitengerechtelijke en proceskosten.
4. Standpunten Dexia
4.1
Dexia stelt dat zij zich ziet geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering heeft in verband met de tussen hen gesloten overeenkomsten.
4.2.
[gedaagde] heeft inhoudelijk verweer gevoerd en gesteld dat Dexia nog een bedrag van € 4.748,20 aan hem dient te voldoen.
5. Beoordeling van de vorderingen
Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?
5.1.
[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.
5.2.
Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenlease-producten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers — waaronder [gedaagde] — aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling, inhoudende dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan, vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.
5.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde], moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde], kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.
5.4.
De onderhavige procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding tussen partijen vormt een onderdeel van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken is bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massaschadezaken als geheel, en voorts wat de betrokken partijen (met name Dexia) en gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.
5.5.
Het overgrote deel van de bovenbedoelde zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst in de beschikking van hof Amsterdam d.d. 25 januari 2005. [gedaagde] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-outverklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat [gedaagde] een hogere schadevergoeding wenste te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in zijn geval aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring heeft [gedaagde] thans meer dan zeven jaar geleden afgelegd.
5.6.
In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van hof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.
5.7.
De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of [gedaagde] nog aanspraken heeft jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.
5.8.
Naar aanleiding daarvan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraken van [gedaagde] op Dexia ten gevolge van onrechtmatig handelen van Dexia (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de lease-overeenkomsten), dat méér dan dertien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst(en) heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer vijf jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde] vorderingen op Dexia heeft, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde] ook vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van zijn (eventuele) vorderingen op Dexia te onderzoeken.
5.9.
Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van Hoge Raad en hof Amsterdam — dan wel in de daarna uitgesproken arresten — is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in zijn geval daartoe aanleiding bestaat. Voorts is niet zonder betekenis dat een aantal door [gedaagde] in de onderhavige procedure opgeworpen stellingen recent zijn verworpen door het hof Amsterdam, zonder dat de gemachtigde van [gedaagde] tegen de betreffende arresten cassatie heeft doen instellen. Nu die gemachtigde naar eigen zeggen optreedt voor vele duizenden afnemers, en het stellingen betreft die velen van hen (zo niet allen) zullen aangaan, overtuigt het argument betreffende de kosten van cassatie niet Deze zullen per afnemer relatief gering zijn. Zouden de beoordelingsmaatstaven onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, dan zou het in de rede hebben gelegen dat in het belang van de afnemers wel cassatie zou zijn ingesteld tegen het (de) betreffende arrest(en) van hof Amsterdam. Dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.
5.10.
Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde]. De door (de gemachtigde van) [gedaagde] genoemde geschilpunten waarop nog een oordeel van de Hoge Raad wordt verwacht zijn, voor zover de Hoge Raad daarover niet reeds heeft beslist in bovengenoemde arresten, niet van dien aard dat er aanleiding bestaat om alle zaken waarin zij voorkomen aan te houden. Gelet op de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken immers vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade (waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is) bestaat uit zowel de betaalde termijnen als de restschuld, en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat een oordeel van de Hoge Raad (voor zover niet reeds gegeven) over de gevolgen van het niet bezitten van een publiekrechtelijke vergunning door een tussenpersoon gevolgen zal hebben voor de mate van eigen schuld van de afnemer is niet onderbouwd. Dit ligt evenmin voor de hand, omdat dit geen wijziging brengt in hetgeen de afnemer had kunnen en behoren te weten en nimmer is gesteld dat de afnemer bepaald onderzoek heeft nagelaten omdat hij er van uit ging dat de tussenpersoon wel zou beschikken over de betreffende vergunning. Daarnaast wordt volgens (de gemachtigde van) [gedaagde] eveneens een oordeel gevraagd over stellingen die er op neerkomen dat Dexia bepaalde verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. De omvang van de schade is echter gegeven, deze wordt niet beïnvloed door de vraag of die schade door onrechtmatig handelen of door een toerekenbare tekortkoming is veroorzaakt. Ook ten aanzien van dit punt valt niet in te zien waarom dit van invloed zou zijn op de mate van eigen schuld van de afnemer. De thans gestelde prejudiciële vragen betreffende de ingangsdatum van de wettelijke rente belemmeren niet een beslissing op dat punt in de onderhavige procedure, zoals in de afgelopen tien jaar in duizenden soortgelijke zaken ook is gebleken. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is vormt evenmin een belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.
5.11.
Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van Dexia beoogt om vast te stellen of [gedaagde] nog een vordering op Dexia heeft. [gedaagde] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in zijn rechtspositie. Van schending van zijn aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM — wat daar verder ook van zij — kan dan ook geen sprake zijn.
5.12.
Er bestaat geen aanleiding voor een algemene aanhouding of ‘standstill’. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde lease-overeenkomsten worden behandeld en beslist. Voor zover dit in een bepaalde zaak anders is in verband met bijzondere omstandigheden of bijzondere geschilpunten, zal in die zaak anders kunnen worden beslist.
5.13.
Mede gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat Dexia in het onderhavige geval voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering, dat de belangen van [gedaagde] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt en beslist en voorts dat dit evenmin in strijd is met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt Dexia geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op die vordering zal daarom in het hierna volgende worden beslist.
Aankoop en behoud aandelen
5.14.
De stellingen van [gedaagde] inhoudende dat Dexia niet op de in de lease-overeenkomsten voorziene wijze ten behoeve van [gedaagde]aandelen heeft aangekocht en behouden, zijn onderwerp geweest van een door de Autoriteit Financiële Markten (hierna; AFM) onder leiding van een door het hof Amsterdam daartoe aangewezen raadsheer-commissaris verricht (deskundigen)onderzoek. In de beschikking d.d. 25 januari 2007 (waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend werd verklaard) heeft het hof die stellingen verworpen. Dit omdat de vraag of Dexia in de periode waarop het onderzoek zich heeft toegespitst (in verband met de beschikbare gegevens met name de periode december 2000 tot en met december 2005) de benodigde aandelen heeft verworven en behouden om aan haar verplichtingen uit hoofde van bestaande lease-overeenkomsten als de onderhavige te kunnen voldoen, door AFM in positieve zin is beantwoord. Dit oordeel heeft het hof Amsterdam herhaald in haar arrest van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523). Concrete feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn door [gedaagde] niet gesteld, zodat de hier bedoelde stellingen van [gedaagde] worden gepasseerd. De recente jurisprudentie waarop [gedaagde] in dit verband heeft gewezen betrof een ander product en een andere aanbieder en heeft geen betrekking op Dexia of op de in geschil zijnde effectenlease-producten.
Beurskoersen
5.15.
[gedaagde] stelt verder dat Dexia bij de aankoop van de aandelen waar de lease-overeenkomsten betrekking op hebben niet de juiste beurskoersen zou hebben gehanteerd. Met Dexia wordt overwogen dat de bij aankoop gehanteerde beurskoersen in de overeenkomsten zelf zijn opgenomen en voorts dat de exacte informatie over de beurskoersen op de data van aankoop voor een ieder toegankelijk is. [gedaagde] heeft in dit verband onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd op welke wijze Dexia in zijn geval en met betrekking tot de in geding zijnde lease-overeenkomsten onjuist dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het slechts verwijzen naar een boetebesluit uit november 2006 van de AFM is onvoldoende, omdat daaruit niets blijkt over de onderhavige lease-overeenkomsten.
Beleggingstechnische tekortkomingen
5.16.
[gedaagde] stelt dat de door Dexia aangeboden producten ‘beleggingstechnische tekortkomingen’ vertoonden, waardoor de [gedaagde] ofwel heeft gedwaald ofwel aanspraak behoort te hebben op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan zou volgen uit de standaard toepassing van de Hof-formule. [gedaagde] meent dat aan de leaseovereenkomsten de volgende beleggingstechnische tekortkomingen kleven:
- a.
de samenstelling van de portefeuille is onvoldoende gespreid; het zijn drie of vier fondsen, terwijl het tien tot twintig fondsen zouden moeten zijn;
- b.
feitelijk is het onmogelijk de leaseovereenkomsten tussentijds te beëindigen of de aandelen om te wisselen;
- c.
gezien de hoge rente op de lening bestaat een (zeer) geringe kleine mogelijkheid om rendement te maken;
- d.
de leaseovereenkomsten bieden geen mogelijkheid om koersverliezen af te dekken;
- e.
er dient niet belegd te worden met geleend geld.
5.17.
De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde], daaronder begrepen de verwijzing naar de conclusies van prof. dr. M. Damm in zijn rapport van 16 september 2013 waar ook in deze procedure naar wordt verwezen, zijn in het arrest van hof Amsterdam d.d. 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) uitgebreid besproken en verworpen (vgl. r.o. 3.18 van dat arrest). Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling in verband met een onjuiste voorstelling van zaken betreffende de beleggingstechnische risico's. Naar die overwegingen wordt verwezen en deze maakt de kantonrechter tot de zijne. De stelling dat effectenleaseovereenkomsten zoals Dexia die aanbood veel meer risico in zich droegen dan het ‘gewoon’ beleggen in aandelen met geleend geld en dat bij de vaststelling van de mate van eigen schuld van de afnemers rekening zou moeten worden gehouden met een veel hoger risico bij effectenleaseproducten dan een normaal beleggersrisico, wordt verworpen.
Buitengerechtelijke kosten
5.18.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door Dexia, hetgeen Dexia gemotiveerd heeft betwist. Geoordeeld wordt dat [gedaagde] geen aanspraak heeft op een dergelijke vergoeding. Dit omdat niet is onderbouwd dat dergelijke kosten met betrekking tot de onderhavige zaak zijn gemaakt, en tevens omdat is komen vast te staan dat de aanspraak jegens Dexia niet groter is dan Dexia bereid was buiten rechte te vergoeden, van welk aanbod geen gebruik is gemaakt, waardoor eventuele buitengerechtelijke kosten ook niet in redelijkheid zijn gemaakt.
Toepassing Hof-model en Hof-formule
5.19.
Voor de overige maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK.4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
- A.
er is sprake van huurkoop;
- B.
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
- C.
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
- D.
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;
- E.
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.
5.22.
In het onderhavige geval dient op de door [gedaagde] gestelde door hem geleden schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet.
5.23.
Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [gedaagde] ingevolge de lease-overeenkomsten heeft genoten, zoals aan hem betaalde of toekomende dividenden. [gedaagde] heeft in totaal ten aanzien van de in geding zijnde lease-overeenkomsten een bedrag van in totaal € 1.951,72 aan dividend van Dexia ontvangen.
5.24.
Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [gedaagde] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door hem veroorzaakt voor rekening van [gedaagde]moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.
5.25.
In dit geval heeft [gedaagde] gesteld dat er, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’. Gelet Op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] behoort te blijven.
5.26.
[gedaagde] stelt dat de lease-overeenkomsten IV, V en VII verlieslatende overeenkomsten betreffen. Het batig saldo ad € 22.055,88 dient allereerst in mindering te worden gebracht op de inleg. Volgens [gedaagde] betekent dat met betrekking tot de lease-overeenkomsten IV en V nog een bedrag van € 4.740,90 door Dexia dient te worden voldaan.
Dienaangaande wordt allereerst overwogen dat Dexia in haar financieel overzicht (zoals overgelegd bij haar inleidende dagvaarding) en de bij conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie overgelegde berekening van de (schade-)vergoeding (Hof-model) nalaat de door [gedaagde] betaalde bedragen met betrekking tot de overgenomen aandelen terzake de lease-overeenkomsten IV en V te vermelden.
Het betreft hier de schade bestaande uit hetgeen door [gedaagde] méér moest worden betaald dan de waarde van de aandelen bij overname daarvan, waarmee de gehele lening is afgelost. Dit is een nadelig financieel gevolg van het aangaan van de beide overeenkomsten. De restschuld is betaald en er is daadwerkelijk schade geleden.
5.27.
Dexia dient bij nadere akte een nieuw financieel overzicht in het geding te brengen, waarin de waarde van de effecten zijn opgenomen op het moment van overname door [gedaagde].
5.28.
[gedaagde] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.
5.29.
Na ontvangst van het financieel overzicht en de reacties daarop van beide partijen, zal de kantonrechter kunnen berekenen of terzake de beide overeenkomsten wellicht nog een bedrag aan schade door Dexia dient te worden uitgekeerd of niet dan wel of [gedaagde] nog betalingsverplichtingen jegens Dexia heeft.
6.
In afwachting hiervan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
Beslissing
De kantonrechter:
- I.
stelt Dexia bij akte in de gelegenheid om een nieuw financieel overzicht in het geding te brengen overeenkomstig het bepaalde in ro. 5.27.;
- II.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 juli 2015 voor akte overlegging financieel overzicht zijdens Dexia;
- III.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier
De kantonrechter
Uitspraak 18‑12‑2014
Mr. C.L.J.M. de Waal
Partij(en)
vonnis van de kantonrechter
inzake
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerder in reconventie,
nader te noemen: eisende partij,
gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
nader te noemen: gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk.
Onder ‘afnemer’ wordt hieronder de contractuele wederpartij van eisende partij bedoeld.
De procedure
Bij dagvaarding, met producties, heeft eisende partij gevorderd zoals daarin omschreven.
Gedaagde partij heeft schriftelijk geantwoord, een tegeneis geformuleerd en stukken in het geding gebracht.
Gronden van de beslissing
De kantonrechter is van oordeel dat de zaak in dit stadium niet geschikt is voor een bijeenkomst met partijen. De procedure wordt schriftelijk voortgezet.
Eerst wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld op de zitting van 29 janauri 2015 te reageren op het verweer van gedaagde partij en haar tegeneis.
Daarna zal gedaagde partij op een nader vast te stellen rolzitting bij conclusie van dupliek in conventie/conclusie van repliek in reconventie kunnen reageren op hetgeen door eisende partij is aangevoerd.
Onder verwijzing naar de op 1 december 2009 door het hof te Amsterdam uitgesproken arresten (LJN: BK4978, BK4981, BK4982, BK4983), alsmede naar de door deze rechtbank op 27 januari 2010 uitgesproken vonnissen (LJN: BL0909, BL0911, BL0912, BL0913, BL0915, BL0916, BL1157), draagt de kantonrechter partijen op bij de door hun te nemen conclusies tevens de in bijlage 1 bij dit vonnis genoemde gegevens te verstrekken, zoveel mogelijk onderbouwd met schriftelijke stukken waaruit de juistheid van deze gegevens blijkt, eventueel nog aangevuld met een toelichting. Tevens wordt aan partijen opgedragen een berekening over te leggen met betrekking tot de vraag of wel of geen sprake is van een zogenoemde onaanvaardbaar zware financiële last, zoals omschreven door het hof in zijn voormelde arresten. In dit kader wijst de kantonrechter erop dat het hof in voormelde arresten heeft overwogen dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer kan worden bewezen door een van de belastingdienst te verkrijgen ‘overzicht biljetten van een proces’ dat betrekking heeft op het kalenderjaar waarin de betrokken lease-overeenkomsten zijn aangegaan, behoudens door Dexia te leveren tegenbewijs. Indien deze stukken reeds als productie zijn overgelegd, kan worden volstaan met een verwijzing daarnaar. Indien feiten of omstandigheden onduidelijk blijven terwijl deze zouden zijn gebleken uit stukken die een partij redelijkerwijs had kunnen overleggen, kan dat in het nadeel van die partij werken.
Voormelde stukken dienen in tweevoud uiterlijk één dag voor de desbetreffende zitting op de griffie van de rechtbank te zijn ingekomen. Ook mogen partijen de stukken op de zitting aan de kantonrechter overhandigen. Indien de stukken niet tijdig worden ingediend of indien niet tijdig om uitstel wordt verzocht, dan vervalt het recht om dit in een later stadium alsnog te doen, tenzij de kantonrechter anders beslist.
Beslissing
De kantonrechter:
- I.
bepaalt dat de zaak zal dienen ter rolzitting van 29 janauri 2015 te 10:00 uur voor conclusie van repliek in conventie/conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van eisende partij;
- II.
draagt partijen op ter gelegenheid van de door hen nog in te dienen processtukken de in de aan dit vonnis gehechte bijlage genoemde gegevens, gestaafd met schriftelijke stukken en zo nodig voorzien van een toelichting, over te leggen.
- III.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier
De kantonrechter
Bijlage 1
De in het vonnis bedoelde over te leggen gegevens en schriftelijke stukken betreffen in elk geval het volgende. Voor zover een stuk reeds is overgelegd kan worden volstaan met een verwijzing naar de desbetreffende productie.
Door gedaagde partij dienen, voor zover van toepassing, de volgende gegevens te worden overgelegd:
- a.
Een afschrift van de in artikel 7:908 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde mededeling aan de notaris (‘opt-outverklaring’);
- b.
Een bewijs van het huwelijk ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomst(en) door middel van een n het aangaan van de lease-overeenkomst(en) afgegeven afschrift uit het huwelijksregister dan wel een uittreksel uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) waaruit dit blijkt.
Door gedaagde partij dienen voorts nadere gegevens (zoveel mogelijk onderbouwd met bewijsstukken) omtrent zijn/haar/hun financiële situatie ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomst(en) (en, indien van toepassing, ten tijde van de verlenging van de lease-overeenkomst(en)) te worden overgelegd, waaronder in elk geval:
- c.
Nadere informatie over het inkomen (bruto en netto) van afnemer en — indien van toepassing — van diegene met wie de afnemer een gezamenlijke huishouding voerde ten tijde van het sluiten van de lease-overeenkomst(en) (en, indien van toepassing, ten tijde van de verlenging van de lease-overeenkomst(en));
- d.
Nadere informatie over het vermogen van afnemer en — indien van toepassing- van diegene met wie de afnemer een gezamenlijke huishouding voerde ten tijde van het sluiten van de lease-overeenkomst(en) (en, indien van toepassing, ten tijde van de verlenging van de lease-overeenkomst(en));
- e.
Nadere informatie over de woonlasten (bruto en netto) van afnemer en — indien van toepassing -van diegene met wie de afnemer een gezamenlijke huishouding voerde ten tijde van het sluiten van de lease-overeenkomst(en) (en, indien van toepassing, ten tijde van de verlenging van de lease-overeenkomst(en));
- f.
Nadere informatie over eventuele schulden en daarbij behorende maandelijkse verplichtingen (aflossing en rente) van afnemer en — indien van toepassing — van diegene met wie de afnemer een gezamenlijke huishouding voerde ten tijde van het sluiten van de lease-overeenkomst(en) (en, indien van toepassing, ten tijde van de verlenging van de lease-overeenkomst(en));
- g.
Nadere informatie over de leeftijd en gezinssamenstelling van afnemer ten tijde van het sluiten van de lease-overeenkomst(en) (en, indien van toepassing, ten tijde van de verlenging van de lease-overeenkomst(en));
- h.
Nadere gegevens over eventuele overige bijzondere lasten (bruto en netto) van afnemer en -indien van toepassing — van diegene met wie de afnemer een gezamenlijke huishouding voerde ten tijde van het sluiten van de lease-overeenkomst(en) (en, indien van toepassing, ten tijde van de verlenging van de lease-overeenkomst(en)), zoals bijvoorbeeld alimentatie.
Door gedaagde partij en eisende partij dienen de volgende gegevens te worden overgelegd:
- i.
Een specificatie van de daadwerkelijk door afnemer aan gedaagde partij betaalde lease-termijnen (betaaldata en bedragen, inclusief totaalbedrag), al dan niet uit een vooraf gestort depot of als vooruitbetaling van toekomstige termijnen, en de daadwerkelijk betaalde restschuld (betaaldatum en bedrag);
- j.
Een specificatie (betaaldata en bedragen, inclusief totaalbedrag) van verrekende en/of door afnemer partij ontvangen dividenden dan wel andere voordelen uit de bij de lease-overeenkomst(en) betrokken effecten.
In geval van eerder en/of gelijktijdig afgesloten (en niet in het geding zijnde) lease overeenkomsten:
Door eisende partij en gedaagde partij dienen ten slotte ten aanzien van tussen eisende partij en gedaagde partij eerder en/of gelijktijdig afgesloten (en niet in het geding zijnde) lease- overeenkomsten de volgende gegevens te worden overgelegd:
- k.
De hoogte van de leasesom, de looptijd en de datum van de beëindiging van de lease-overeenkomst;
- l.
Een specificatie van de daadwerkelijk door afnemer aan gedaagde partij betaalde lease-termijnen (betaaldata en bedragen, inclusief totaalbedrag), al dan niet uit een vooraf gestort depot of als vooruitbetaling van toekomstige termijnen, en de daadwerkelijk betaalde restschuld (betaaldatum en bedrag);
- m.
Een specificatie (betaaldata en bedragen, inclusief totaalbedrag) van verrekende en/of door afnemer partij ontvangen dividenden dan wel andere voordelen uit de bij de lease-overeenkomst(en) betrokken effecten, waaronder een eventueel positief resultaat.