Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:8652.
HR, 12-12-2025, nr. 24/04078
ECLI:NL:HR:2025:1889
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-12-2025
- Zaaknummer
24/04078
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1889, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1062
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2508
ECLI:NL:PHR:2025:1062, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1889
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑11‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2026-0006
Uitspraak 12‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Burenrecht. Kwalitatieve verplichting. Burengeschil over beplanting op erf. Uitleg verplichting in notariële akte dat heg niet hoger zal worden dan 1,50 meter. Door grieven ontsloten gebied.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04078
Datum 12 december 2025
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiseres 2] ,
beiden wonende te [plaats] ,
EISERS tot cassatie,
hierna: [eisers] ,
advocaten: M.J. van Basten Batenburg en M. van Tiel,
tegen
1. [verweerder 1] ,
2. [verweerster 2] ,
beiden wonende te [plaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerders] ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/394023 / HA ZA 22-44 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 april 2022 en 21 december 2022;
b. het arrest in de zaak 200.324.767/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 augustus 2024.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot vernietiging en verwijzing.De advocaten van [eisers] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eisers] zijn sinds januari 2020 eigenaar van de woning en het perceel [a-straat 7] te [plaats] . Zij hebben dit perceel verkregen van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ).
(ii) [verweerders] zijn sinds januari 2019 eigenaar van het perceel [a-straat 1] . Zij hebben dit perceel verkregen van het echtpaar [betrokkenen 2 en 3] (hierna: [betrokkenen 2 en 3] ).
(iii) Het perceel [a-straat 7] grenst, evenals de percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] en [a-straat 4] , aan de achterzijde aan perceel [a-straat 1] . De percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] , [a-straat 4] en [a-straat 5] - [a-straat 7] werden bij notariële akte van 24 december 1993 door [betrokkenen 2 en 3] aan vier kopers, waaronder [betrokkene 4] (gehuwd met [betrokkene 1] ; hierna gezamenlijk: [betrokkenen 1 en 4] ), in eigendom overgedragen.
(iv) In de hiervoor onder (iii) bedoelde notariële akte is onder meer het volgende opgenomen:
“Partijen zijn voorts nog overeengekomen:
- (…)
- dat de kopers inspraak hebben omtrent de op het terrein van de verkopers te plaatsen bosschage ter afscheiding van de percelen, welke niet hoger mag opschieten dan eenhonderdvijftig centimeter.
KWALITATIEVE VERPLICHTING
Partijen komen tenslotte nog overeen:
De verkopers verbinden zich jegens de kopers er voor zorg te dragen dat de vorenbedoelde bosschage niet hoger zal worden dan eenhonderdvijftig centimeter, waartoe verkopers voor het tijdig snoeien hiervan zorg zullen dragen.
Deze verplichting zal overgaan op al degenen die het registergoed zullen verkrijgen, hetzij onder algemene titel, hetzij onder bijzondere titel.
Degenen die van de rechthebbenden een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen zijn eveneens aan de vorenbedoelde verplichting gebonden.
Voorzover bovenstaande niet als een kwalitatieve verplichting kan worden aangemerkt, dient een en ander als een deugdelijk kettingbeding aan de opvolgende eigenaren te worden opgelegd.”
(v) In de notariële akte waarbij het perceel [a-straat 1] door [betrokkenen 2 en 3] aan [verweerders] is geleverd zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
“2a. Verkoper levert het Verkochte vrij van hypotheken, beslagen of inschrijvingen daarvan, maar met alle erfdienstbaarheden, zowel die ten nutte als die ten laste van het Verkochte, alle eventuele andere (beperkte) rechten en met alle kwalitatieve rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6:251 en 6:252 Burgerlijk Wetboek.
(…)
ONDERHOUD HEG AAN DE WEILAND ZIJDE
Verkoper en koper zijn mondeling overeengekomen dat de heg tussen het weiland en de buurpercelen door koper zal worden onderhouden. Dat wil zeggen aan de zijde van het weiland en dat de koper de heg op hoogte houdt.”
(vi) In de notariële akte waarbij het perceel [a-straat 7] door [betrokkene 1] aan [eisers] is geleverd, wordt als volgt naar de hiervoor onder (iv) weergegeven bepalingen uit de notariële akte van 24 december 1993 verwezen:
“BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN
Ten aanzien van met betrekking tot het verkochte bestaande bijzondere lasten en beperkingen van civielrechtelijke aard wordt verwezen naar:
gemelde titel van aankomst, deel 4550 nummer 20, waarin onder meer het volgende voorkomt, woordelijk luidende:
“BIJZONDERE BEPALINGEN
Partijen zijn voorts nog overeengekomen:
- enzovoorts
- dat de kopers inspraak hebben omtrent de op het terrein van de verkopers te plaatsen bosschage ter afscheiding van de percelen, welke niet hoger mag opschieten dan eenhonderdvijftig centimeter.
KWALITATIEVE VERPLICHTING
Partijen komen tenslotte nog overeen:
De verkopers verbinden zich jegens de kopers er voor zorg te dragen dat de vorenbedoelde bosschage niet hoger zal worden dan eenhonderdvijftig centimeter, waartoe verkopers voor het tijdig snoeien hiervan zorg zullen dragen.
De verplichting zal overgaan op al degenen die het registergoed zullen verkrijgen hetzij onder algemene titel, hetzij onder bijzondere titel.
Degenen die van de rechthebbenden een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen zijn eveneens aan de vorenbedoelde verplichting gebonden. Voorzover bovenstaande niet als een kwalitatieve verplichting kan worden aangemerkt, dient een en ander als een deugdelijk kettingbeding aan de opvolgende eigenaren te worden opgelegd.””
(vii) In 1994 is op het perceel van [betrokkenen 2 en 3] als ‘bosschage’ een meidoornhaag geplaatst.
(viii) Door [betrokkenen 1 en 4] zijn vier essenbomen tegen (en/of tussen) de meidoornhaag geplaatst met toestemming van [betrokkenen 2 en 3]
(ix) In november 2020 hebben [verweerders] op hun perceel ( [a-straat 1] ) een nieuwe beukenhaag geplaatst achter de percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] , [a-straat 4] en [a-straat 7] . Deze beukenhaag heeft achter het perceel van [eisers] een hoogte van 180 tot 200 centimeter. Achter de percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] en [a-straat 4] heeft deze beukenhaag een hoogte van ongeveer 150 centimeter. Verder zijn in de beukenhaag achter het perceel van [eisers] negen wilgenbomen geplaatst.
(x) In november 2021 hebben [verweerders] een aantal van de wilgenbomen vervangen en twee wilgenbomen extra geplaatst, waardoor er in totaal elf wilgenbomen in de beukenhaag staan. [verweerders] hebben verder de beukenhaag drie meter uitgebreid naar de waterzijde.
2.2
In deze procedure vorderen [eisers] , voor zover in cassatie van belang, [verweerders] te gelasten (i) de aanwezige bosschage (de meidoornhaag) niet hoger te laten worden dan 150 centimeter, (ii) alle essenbomen inclusief uitlopers van de meidoornhaag, klimop en wilde lijsterbes te verwijderen en verwijderd te houden, (iii) de beukenhaag dusdanig te onderhouden dat deze niet hoger zal worden dan 150 centimeter, en (iv) de laatste drie meter van de beukenhaag te verwijderen en de in en naast de beukenhaag geplaatste wilgenbomen te verwijderen.
2.3
De rechtbank1.heeft de vorderingen van [eisers] tot verwijdering van de essenbomen inclusief uitlopers van de meidoornhaag, klimop en wilde lijsterbes, en tot verwijdering van de laatste drie meter van de beukenhaag en de in en naast de beukenhaag geplaatste elf wilgenbomen, toegewezen. De overige vorderingen van [eisers] heeft de rechtbank afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank vernietigd en een aangepaste veroordeling ter zake van de essenbomen uitgesproken, die erop neerkomt dat de kosten van verwijdering van de essenbomen voor rekening van [eisers] komen. Verder heeft het hof de vordering tot verwijdering van de laatste drie meter van de beukenhaag en de in en naast de beukenhaag geplaatste wilgenbomen afgewezen. Voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:
“de meidoornhaag
(…)
3.3.3.
In verband met de vraag of de kwalitatieve verplichting die de partijen bij de overeenkomst in 1993 beoogden aan te gaan voldoet aan de vereisten van art. 6:252 BW, staat tussen partijen uitsluitend de vraag ter discussie of de overeengekomen verplichting voldoet aan het vereiste dat het moet gaan om een verplichting om iets te dulden of niet te doen. Het hof zal deze vraag onbesproken laten en er hierna veronderstellenderwijs van uitgaan dat sprake is van een kwalitatieve verplichting. Voor de beslissing ten aanzien van de meidoornhaag is de grondslag waarop de beslissing berust – kwalitatieve verplichting of beding met derdenwerking – niet relevant.
(…)
3.3.5.
Dan resteert de vraag of [eisers] op grond van de overeengekomen verplichting aanspraak kunnen maken op een haag die op geen enkel moment hoger is dan 150 cm dan wel die verplichting aldus moet worden begrepen dat de haag regelmatig wordt teruggesnoeid tot een maximale hoogte van 150 cm.
3.3.6.
Een kwalitatieve verplichting is een obligatoire verplichting, die moet worden uitgelegd naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en naar hetgeen zij te dien aanzien over en weer van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). Daarbij geldt dat het in dit geval gaat om een in een notariële akte vastgelegde verplichting, waarbij het aankomt op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht, en die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.
Mede gelet op het feit dat het accent van een kwalitatieve verplichting is gelegen in een dulden of niet doen, hebben [eisers] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd voor een andere uitleg van de verplichting dan door de rechtbank aan die – door de rechtbank als derdenbeding gekwalificeerde – verplichting is gegeven. [eisers] hebben in het bijzonder niets gesteld dat afbreuk kan doen aan het door de rechtbank tot uitgangspunt genomen oordeel dat van de eigenaar van de haag niet meer dan een eenmaal per jaar snoeien van de haag hoeft te worden gevergd. Zij hebben niet gesteld dat een meermalen, en zo ja, hoeveel malen, per jaar snoeien van een dergelijke haag gebruikelijk zou zijn en daarom van de eigenaar van een haag als de onderhavige zou mogen worden verlangd. Evenmin hebben zij de stelling van [verweerders] (…) betwist dat de meidoornhaag al ruim 25 jaar maar eenmaal per jaar werd teruggesnoeid.
(…)
de essenbomen
(…)
3.4.6.
De omstandigheid dat de essenbomen indertijd door de rechtsvoorgangers van [eisers] zelf zijn geplant en het feit dat de toenmalige eigenaren ervan zijn uitgegaan dat de bomen op perceel [a-straat 7] werden geplant, brengen naar het oordeel van het hof wel mee dat [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [verweerders] mogen verlangen dat zij de essenbomen op hun kosten verwijderen. Het hof zal de vordering van [eisers] slechts in zoverre toewijzen dat [verweerders] wordt bevolen om te gedogen dat de essenbomen voor rekening van [eisers] worden verwijderd.”
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.4.6) dat [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [verweerders] mogen verlangen dat zij de essenbomen op hun kosten verwijderen. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
3.1.2
Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.6-3.7 hebben [eisers] aanvankelijk aangevoerd dat zij bereid zijn de kosten van verwijdering van de essenbomen voor hun rekening te nemen, maar hebben zij daarna hun eis gewijzigd. De gewijzigde eis ten aanzien van de essenbomen houdt in dat [eisers] vorderen om [verweerders] te gelasten alle essenbomen inclusief uitlopers van de meidoornhaag, klimop en wilde lijsterbes, die binnen twee meter vanaf de erfgrens tussen de percelen van [eisers] en [verweerders] staan, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom, met verlening van een machtiging op de voet van art. 3:299 BW aan [eisers] om zelf voor verwijdering zorg te dragen indien [verweerders] na het vollopen van de dwangsommen niet tot verwijdering zijn overgegaan, met veroordeling van [verweerders] de kosten voor verwijdering aan [eisers] te voldoen.
De rechtbank heeft ten aanzien van de essenbomen deze gewijzigde vordering toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de essenbomen staan op het perceel van [verweerders] , binnen twee meter van de erfgrens als bedoeld in art. 5:42 BW, en dat [eiser 1] derhalve gerechtigd zijn om verwijdering van deze bomen te vorderen. De rechtbank heeft het beroep van [verweerders] op verjaring van de vordering tot verwijdering en op afstand van recht verworpen.
3.1.3
In hoger beroep hebben [verweerders] de beslissing van de rechtbank ter zake van de essenbomen bestreden met grieven tegen de oordelen van de rechtbank dat de vordering tot verwijdering van de bomen niet is verjaard (grief III) en dat [eisers] geen afstand van recht hebben gedaan (grief IV). [verweerders] hebben in hun memorie van grieven niet aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van verwijdering van de essenbomen voor rekening van [verweerders] komen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10-3.11). Bij deze stand van zaken is het hof buiten het door de grieven ontsloten gebied getreden door te oordelen dat [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [verweerders] mogen verlangen dat zij de essenbomen op hun kosten verwijderen.
3.1.4
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht slaagt. De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.
3.2.1
Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof (in rov. 3.3.5-3.3.6) over de uitleg van de in de notariële akte van 24 december 1993 vastgelegde verplichting om ervoor zorg te dragen dat de ‘bosschage’ (de hiervoor in 2.1 onder (vii) bedoelde meidoornhaag) niet hoger zal worden dan 150 centimeter. De onderdelen 2a en 2b klagen dat het hof bij dit oordeel de objectieve uitlegmaatstaf voor notariële akten heeft miskend en dat het hof, door in rov. 3.3.6 aansluiting te zoeken bij de stelling van [verweerders] dat de meidoornhaag al ruim 25 jaar eenmaal per jaar wordt teruggesnoeid, ten onrechte acht heeft geslagen op een omstandigheid die voor derden niet uit, of aan de hand van, de in de openbare registers ingeschreven akte kenbaar is.
3.2.2
Bij de uitleg van de hiervoor in 3.2.1 bedoelde verplichting uit de notariële akte van 24 december 1993 komt het hier aan – zoals het hof in rov. 3.3.6 terecht voorop heeft gesteld – op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht en die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.3.Met deze objectieve uitlegmaatstaf is niet verenigbaar dat het hof de uitleg die het vervolgens in rov. 3.3.6 heeft gegeven aan de verplichting om ervoor zorg te dragen dat de ‘bosschage’ niet hoger zal worden dan 150 centimeter, mede heeft gebaseerd op omstandigheden die voor derden niet kenbaar zijn uit de in de openbare registers ingeschreven akte, waaronder de omstandigheid dat de meidoornhaag al ruim 25 jaar eenmaal per jaar wordt teruggesnoeid.
De onderdelen 2a en 2b zijn dus terecht voorgesteld. Onderdeel 2c behoeft geen behandeling.
3.3
Ook onderdeel 4 kan onbehandeld blijven.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 augustus 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 496,97 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerders] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 12 december 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑12‑2025
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2508.
Vgl. o.a. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511, rov. 4.2.2.
Conclusie 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Burenrecht. Kwalitatieve verplichting. Burengeschil over beplanting op erf. Uitleg verplichting in notariële akte dat heg niet hoger zal worden dan 1,50 meter. Grenzen van de rechtsstrijd. Misbruik van eigendomsrecht.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04078
Zitting 3 oktober 2025
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
1. [eiser 1]
2. [eiseres 2]
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerster 2]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eisers] respectievelijk [verweerders]
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze procedure betreft een burengeschil. In cassatie komen onder meer de vragen aan de orde of het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de grondslag van het verweer aan te vullen (onderdeel 1), of het hof de juiste uitlegmaatstaf toepast ten aanzien van een in een notariële akte opgenomen kwalitatieve verplichting (onderdeel 2) en of het oordeel van het hof voldoende begrijpelijk is gelet op in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen stellingen (onderdeel 3).
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) [eisers] zijn sinds 15 januari 2020 eigenaar van de woning en het perceel [a-straat 7] te [plaats] . Zij hebben de eigendom van dit perceel van [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ) verkregen.
(ii) [verweerders] zijn eigenaar van het perceel [a-straat 1] . Zij hebben dit perceel op 21 januari 2019 van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (verder [betrokkenen 2 en 3] ) verkregen.
(iii) Het perceel [a-straat 7] grenst, evenals de percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] en [a-straat 4] , aan de achterzijde aan perceel [a-straat 1] . [a-straat 2] , [a-straat 3] , [a-straat 4] en [a-straat 5] - [a-straat 7] werden bij notariële akte van 24 december 1993 als percelen tuinbouwgrond door [betrokkenen 2 en 3] aan vier kopers, waaronder [betrokkene 4] (gehuwd met [betrokkene 1] , tezamen ook [betrokkenen 1 en 4] te noemen) in eigendom overgedragen.
(iv) In de akte van levering van 24 december 1993 is onder meer de volgende bijzondere bepaling opgenomen:
“Partijen zijn voorts nog overeengekomen:- dat de verkopers eenmalig zullen zorgdragen voor het spitten en egaliseren van het verkochte.- dat de kopers inspraak hebben omtrent de op het terrein van de verkopers te plaatsen bosschage ter afscheiding van de percelen, welke niet hoger mag opschieten dan eenhonderdvijftig centimeter.”
(v) In de akte van levering van 24 december 1993 is verder de bepaling opgenomen:
“KWALITATIEVE VERPLICHTINGPartijen komen tenslotte nog overeen:De verkopers verbinden zich jegens de kopers er voor zorg te dragen dat de vorenbedoelde bosschage niet hoger zal worden dan eenhonderdvijftig centimeter, waartoe verkopers voor het tijdig snoeien hiervan zorg zullen dragen.Deze verplichting zal overgaan op al degenen die het registergoed zullen verkrijgen, hetzij onder algemene titel, hetzij onder bijzondere titel.Degenen die van de rechthebbenden een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen zijn eveneens aan de vorenbedoelde verplichting gebonden.Voorzover bovenstaande niet als een kwalitatieve verplichting kan worden aangemerkt, dient een en ander als een deugdelijk kettingbeding aan de opvolgende eigenaren te worden opgelegd.”
(vi) Het perceel [a-straat 1] is op 21 januari 2019 door [betrokkenen 2 en 3] aan [verweerders] geleverd. In de akte van levering zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
“2a. Verkoper levert het Verkochte vrij van hypotheken, beslagen of inschrijvingen daarvan, maar met alle erfdienstbaarheden, zowel die ten nutte als die ten laste van het Verkochte, alle eventuele andere (beperkte) rechten en met alle kwalitatieve rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6:251 en 6:252 Burgerlijk Wetboek.
(…)
ONDERHOUD HEG AAN DE WEILAND ZIJDE Verkoper en koper zijn mondeling overeengekomen dat de heg tussen het weiland en de buurpercelen door koper zal worden onderhouden. Dat wil zeggen aan de zijde van het weiland en dat de koper de heg op hoogte houdt.”
(vii) Perceel [a-straat 7] is op 15 januari 2020 door [betrokkene 1] aan [eisers] geleverd. In de akte van levering staat onder meer:
“BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN Ten aanzien van met betrekking tot het verkochte bestaande bijzondere lasten en beperkingen van civielrechtelijke aard wordt verwezen naar: gemelde titel van aankomst, deel 4550 nummer 20, waarin onder meer het volgende voorkomt, woordelijk luidende:
"BIJZONDERE BEPALINGEN
Partijen zijn voorts nog overeengekomen:
- enzovoorts
- dat de kopers inspraak hebben omtrent de op het terrein van de verkopers te plaatsen bosschage ter afscheiding van de percelen, welke niet hoger mag opschieten dan eenhonderdvijftig centimeter. KWALITATIEVE VERPLICHTING
Partijen komen tenslotte nog overeen: De verkopers verbinden zich jegens de kopers er voor zorg te dragen dat de vorenbedoelde bosschage niet hoger zal worden dan eenhonderdvijftig centimeter, waartoe verkopers voor het tijdig snoeien hiervan zorg zullen dragen. De verplichting zal overgaan op al degenen die het registergoed zullen verkrijgen hetzij onder algemene titel, hetzij onder bijzondere titel. Degenen die van de rechthebbenden een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen zijn eveneens aan de vorenbedoelde verplichting gebonden.
Voorzover bovenstaande niet als een kwalitatieve verplichting kan worden aangemerkt, dient een en ander als een deugdelijk kettingbeding aan de opvolgende eigenaren te worden opgelegd.””
(viii) In 1994 is op het perceel van [betrokkenen 2 en 3] als ‘bosschage’ een meidoornhaag geplaatst.
(ix) Door [betrokkenen 1 en 4] zijn vier essenbomen tegen (en/of tussen) de meidoornhaag geplaatst met toestemming van [betrokkenen 2 en 3]
(x) Op 7 november 2020 hebben [verweerders] op hun perceel ( [a-straat 1] ) een nieuwe beukenhaag geplaatst achter de percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] , [a-straat 4] en [a-straat 7] . De geplaatste beukenhaag heeft achter het perceel van [eisers] een hoogte van 180 tot 200 centimeter. Achter de percelen van [a-straat 2] , [a-straat 3] en [a-straat 4] heeft de geplaatste beukenhaag een hoogte van ongeveer 150 centimeter. Verder zijn in de beukenhaag achter het perceel van [eisers] negen wilgenbomen geplaatst.
(xi) Op 20 november 2021 hebben [verweerders] een aantal van de wilgenbomen vervangen en twee wilgenbomen extra geplaatst, waardoor er in totaal elf wilgenbomen in de beukenhaag staan. [verweerders] hebben verder de beukenhaag drie meter uitgebreid naar de waterzijde (vanuit achterzijde van het perceel [a-straat 7] gezien naar rechts).
2.2
[eisers] hebben in eerste aanleg bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant – kort samengevat en voor zover in cassatie van belang – gevorderd om [verweerders] te gelasten 1) de aanwezige bosschage (de meidoorn/sleedoornhaag) niet hoger te laten worden dan 150 centimeter, 2) alle essenbomen inclusief uitlopers van de meidoornhaag, klimop en wilde lijsterbes te verwijderen en verwijderd te houden, 3) de beukenhaag die twee meter vanuit de erfgrens is geplaatst dusdanig regelmatig te onderhouden dat deze nimmer hoger zal groeien dan 150 centimeter en 4) de laatste drie meter van de beukenhaag te verwijderen en de in en naast de beukenhaag geplaatste 11 wilgenbomen te verwijderen en verwijderd te houden. Door [verweerders] is verweer gevoerd.
2.3
Bij vonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de vorderingen van [eisers] grotendeels toegewezen. De vordering om de meidoornhaag, vanwege een in de akte van levering opgenomen beding, niet hoger te laten worden dan 150 centimeter heeft de rechtbank afgewezen.2.In rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.3 overweegt de rechtbank:
“4.1. Op grond van artikel 6:252 BW kan bij overeenkomst worden bedongen dat de verplichting van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van een haar toebehorend registergoed zal overgaan op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen. Gelet op deze tekst moet het gaan om een dulden of een niet-doen. Naar het oordeel van de rechtbank is het beding in de leveringsakte van [eisers] niet aan te merken als een dulden of een niet-doen. De rechtbank is van oordeel dat dit beding is geformuleerd als een doen. De meidoornhaag kan immers niet op de juiste hoogte worden gehouden als deze niet wordt gesnoeid. Het snoeien van de meidoornhaag is daardoor geen ondergeschikte verplichting. Het beding kan dan ook niet kwalificeren als een kwalitatieve verplichting, waardoor [verweerders] niet gebonden is aan dit beding. Nu dit beding niet kwalificeert als kwalitatieve verplichting wordt de vordering om [verweerders] te gelasten dat hij geen nieuwe bouwwerken of beplanting nabij de erfgrens mag plaatsen die in strijd zijn met de aard en de strekking van de kwalitatieve verplichting afgewezen.
4.2.
[eisers] stelt zich voorts op het standpunt dat sprake is van een kettingbeding en hij beroept zich op nakoming van dit kettingbeding. In de akte van levering van het perceel van [verweerders] staat een bepaling waarmee is getracht het kettingbeding door te geven. Deze bepaling is echter niet op deugdelijke wijze doorgegeven, waardoor de ketting is verbroken en [verweerders] niet gebonden is aan het kettingbeding. Dit maakt dat het beroep op nakoming van het kettingbeding niet slaagt.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het beding wel kwalificeren als een beding met derdenwerking. Partijen verschillen over de uitleg van dit beding. De rechtbank legt het beding zo uit dat met op hoogte houden niet wordt bedoeld dat de meidoornhaag het hele jaar door op een hoogte van 150 centimeter moet worden gehouden, maar dat eenmaal per jaar de meidoornhaag terug moet worden gesnoeid naar 150 centimeter. Niet betwist is dat bij de percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] en [a-straat 4] – bij wie volgens [eisers] in de akte van levering dezelfde kwalitatieve verplichting staat – diezelfde meidoornhaag eenmaal per jaar wordt teruggesnoeid naar 150 centimeter. De vordering van [eisers] om [verweerders] te gelasten de meidoornhaag niet hoger te laten worden dan 150 centimeter wordt daarom afgewezen.”
2.4
Bij vonnis in kortgeding van 3 maart 20233.heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 21 december 2022 opgenomen veroordeling ten aanzien van de essenbomen geschorst. Voor het overige is de vordering van [verweerders] tot schorsing van de executie afgewezen.
2.5
[verweerders] zijn bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank van 21 december 2022. [eisers] hebben zich in hoger beroep verweerd, en hebben zelf incidenteel beroep ingesteld.
2.6
Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 6 augustus 20244.het vonnis van de rechtbank vernietigd ten aanzien van de veroordeling om de laatste drie meter van de beukenhaag te verwijderen en de in en naast de beukenhaag geplaatste 11 wilgenbomen te verwijderen en verwijderd te houden, en heeft de daarop betrekking hebbende vorderingen afgewezen. De veroordeling om op kosten van [verweerders] de essenbomen te verwijderen heeft het hof ook vernietigd, en in plaats daarvan heeft het hof beslist dat [verweerders] moeten gedogen dat de essenbomen voor rekening van [eisers] worden verwijderd. Voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.7
[eisers] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof. [verweerders] zijn in cassatie niet verschenen, en tegen hen is verstek verleend. [eisers] hebben afgezien van het nemen van een schriftelijke toelichting.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, met diverse subonderdelen.
3.2
Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.4.6, waarin het hof oordeelt dat [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [verweerders] mogen verlangen dat zij de essenbomen op hun kosten verwijderen. De betreffende rechtsoverweging luidt als volgt:
“3.4.6. De omstandigheid dat de essenbomen indertijd door de rechtsvoorgangers van [eisers] zelf zijn geplant en het feit dat de toenmalige eigenaren ervan zijn uitgegaan dat de bomen op perceel [a-straat 7] werden geplant, brengen naar het oordeel van het hof wel mee dat [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [verweerders] mogen verlangen dat zij de essenbomen op hun kosten verwijderen. Het hof zal de vordering van [eisers] slechts in zoverre toewijzen dat [verweerders] wordt bevolen om te gedogen dat de essenbomen voor rekening van [eisers] worden verwijderd.”
3.3
Onderdeel 1a klaagt onder meer dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door, in strijd met artikel 24 Rv, de ‘tweeconclusieregel’ en het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe te passen ten aanzien van de vraag voor wiens rekening de essenbomen dienen te worden verwijderd, terwijl [verweerders] daarop in dat verband geen beroep hebben gedaan.
3.4
Art. 24 Rv bepaalt dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het de rechter op grond van art. 24 Rv niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Anders zou de wederpartij immers tekort worden gedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.5.
3.5
Het is derhalve van belang wat partijen hebben aangevoerd ten aanzien van de kosten van het verwijderen van de essenbomen.
3.6
Aanvankelijk vorderden [eisers] ten aanzien van de essenbomen slechts medewerking van [verweerders] voor het verwijderen daarvan. In de inleidende dagvaarding6.hebben zij ten aanzien van de kosten van het verwijderen van de essenbomen aangevoerd:
“De [essen]bomen dienen te worden verwijderd om het vrije uitzicht vanaf het perceel [a-straat 7] weer terug te verkrijgen. Omdat de bomen destijds zijn geplant door de rechtsvoorgangers van [eiser 1] - [eiseres 2] zijn [eiser 1] - [eiseres 2] bereid nu de kosten van het verwijderen van de bomen voor hun rekening te nemen en vorderen medewerking van [verweerder 1] - [verweerster 2] door toestemming te verlenen bij uitvoering van deze verwijdering ook de weilandzijde van de bomen te mogen betreden.”
3.7
[eisers] hebben ten behoeve van de mondelinge behandeling hun eis gewijzigd, en hebben gevorderd om [verweerders] te veroordelen om de essenbomen te verwijderen, dan wel om aan hen machtiging te verlenen om zelf op kosten van [verweerders] voor verwijdering zorg te dragen.7.Uit deze eiswijziging volgt dat [eisers] niet (langer) bereid zijn de kosten voor het verwijderen van de essenbomen te dragen, maar dat deze voor rekening van [verweerders] dienen te komen.
3.8
[verweerders] hebben, blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, ten aanzien van de kosten voor het verwijderen van de essenbomen het volgende gesteld8.:
“Verwijdering van de essenbomen zou op kosten moeten van de wederpartij, want het is door hun rechtsvoorgangers geplant. Het zou kunnen dat beide partijen eigenaren zijn van de essenbomen en in dat geval zouden in ieder geval de kosten gedeeld moeten worden.”
Hieruit volgt dat [verweerders] hebben gesteld dat de kosten voor het verwijderen van de essenbomen voor rekening van [eisers] zouden moeten komen, omdat hun rechtsvoorgangers de bomen hebben geplant. Tevens hebben [verweerders] gesteld voor de verdeling van de kosten voor het verwijderen van de essenbomen van belang te achten wie eigenaar is van de essenbomen. In geval van mede-eigendom zouden de kosten gedeeld moeten worden. Tijdens de mondelinge behandeling waren partijen het uiteindelijk eens dat de essenbomen op het perceel van [verweerders] staan,9.en ook het hof is hiervan uitgegaan.10.
3.9
De rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 21 december 2022 de gewijzigde vordering van [eisers] toegewezen, en daarmee dus impliciet beslist dat de kosten voor het verwijderen van de essenbomen voor rekening van [verweerders] komen.
3.10
[verweerders] hebben in hoger beroep aangevoerd dat de vordering tot verwijdering van de bomen om een aantal redenen afgewezen dient te worden. Ten aanzien van de kosten voor het verwijderen van de essenbomen hebben [verweerders] niets aangevoerd. Onder 61 van de memorie van grieven hebben [verweerders] wel nog het volgende aangevoerd:
“Tussen de meidoornhaag staan vier essenbomen, zodat deze essenbomen op het perceel van [verweerder 1] - [verweerster 2] staan. De wilde lijsterbes en de meidoorn die tegen de meidoornhaag stonden, stonden echter op het perceel van [eiser 1] - [eiseres 2] (productie 17). Het stond [eiser 1] - [eiseres 2] derhalve vrij deze bomen op eigen kosten te laten verwijderen. De kosten daarvan komen niet voor rekening van [verweerder 1] - [verweerster 2] . [verweerder 1] - [verweerster 2] vordert vergoeding van de door haar gemaakte kosten ter uitvoering van het bestreden vonnis, waaronder de kosten voor verwijdering van de twee bomen die tegen de meidoornhaag op het perceel van [eiser 1] - [eiseres 2] stonden.”
3.11
Deze passage heeft, zoals [eisers] terecht betogen, geen betrekking op de kosten voor het verwijderen van de essenbomen. Zij vorderen slechts vergoeding van de door hen gemaakte kosten ter uitvoering van het bestreden vonnis. Weliswaar zijn [verweerders] in het vonnis veroordeeld tot verwijdering van de essenbomen, maar die veroordeling is door de voorzieningenrechter geschorst (zie hiervoor 2.4) waardoor [verweerders] niet tot verwijdering zijn overgegaan.
3.12
Uit het voorgaande volgt dat [verweerders] in eerste aanleg onder meer het standpunt hebben ingenomen dat de kosten voor het verwijderen van de essenbomen voor [eisers] zouden moeten komen, omdat hun rechtsvoorgangers de bomen hebben geplant. [eisers] hebben in eerste instantie gesteld bereid te zijn de kosten voor het verwijderen van de bomen voor hun rekening te nemen omdat de bomen door hun rechtsvoorgangers zijn geplaatst, maar zijn daar in de loop van de procedure op teruggekomen.
3.13
Ik heb erover getwijfeld, maar uiteindelijk meen ik dat het hof niet buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Weliswaar hebben [verweerders] zich er niet expliciet op beroepen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is van hem te verlangen dat hij de kosten van het verwijderen van de essenbomen moet dragen, maar ik meen dat zij wel een stelling hebben ingenomen die naar haar strekking een dergelijk beroep inhoudt, nu [verweerders] zich beroepen hebben op de (bijzondere) omstandigheid dat de bomen die zich op hun grond bevinden door de rechtsvoorgangers van [eisers] zijn aangebracht en dat uit die omstandigheid voortvloeit dat de verwijderingskosten niet voor hun rekening behoren te komen.11.De klacht slaagt derhalve niet.
3.14
In het onderdeel staat niet alleen dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door, in strijd met artikel 24 Rv en het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe te passen. Er staat ook dat het hof hierdoor in strijd heeft gehandeld met de ‘tweeconclusieregel’. Onduidelijk is wat de steller van het middel hiermee precies bedoelt. In de toelichting op de klacht wordt dit verder niet uitgewerkt, en wordt slechts aangevoerd dat in strijd met art. 24 Rv (en in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor) buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Ik begrijp de klacht dan ook zo dat met strijd met de ‘tweeconclusieregel’ niet iets anders is bedoeld dan hiervoor reeds is besproken. Voor zover echter bedoeld is te klagen dat het hof in strijd met de tweeconclusieregel grieven in de beoordeling heeft betrokken die wél door een partij zijn ingenomen, maar pas voor het eerst na de memorie van grieven en de memorie van antwoord (en geen in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel zich voordoet), mist de klacht feitelijke grondslag.12.
3.15
In het verlengde van het voorgaande klaagt onderdeel 1b dat het oordeel ook in strijd is met artikel 24 Rv en het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor nu [verweerders] in het geding niet hebben gesteld dat de kosten van verwijdering van de essenbomen voor rekening van [eisers] dienen te komen, en het hof aldus het partijdebat ten onrechte aanvult.
3.16
Uit het voorgaande (zie hiervoor 3.8) volgt dat [verweerders] in eerste aanleg wel hebben aangevoerd dat de kosten van verwijdering van de essenbomen voor rekening van [eisers] dienen te komen. Gelet hierop mist de klacht van onderdeel 1b, dat [verweerders] dit niet zouden hebben gesteld, feitelijke grondslag. Deze klacht faalt derhalve.
3.17
Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 3.3.5 en 3.3.6 dat betrekking heeft op de uitleg van het beding in de notariële akte van 24 december 1993 ten aanzien van de meidoornhaag. Ten aanzien van dit beding stelt het hof in rechtsoverweging 3.3.3. voorop:
“In verband met de vraag of de kwalitatieve verplichting die de partijen bij de overeenkomst in 1993 beoogden aan te gaan voldoet aan de vereisten van art. 6:252 BW, staat tussen partijen uitsluitend de vraag ter discussie of de overeengekomen verplichting voldoet aan het vereiste dat het moet gaan om een verplichting om iets te dulden of niet te doen. Het hof zal deze vraag onbesproken laten en er hierna veronderstellenderwijs van uitgaan dat sprake is van een kwalitatieve verplichting. Voor de beslissing ten aanzien van de meidoornhaag is de grondslag waarop de beslissing berust – kwalitatieve verplichting of beding met derdenwerking – niet relevant.”
3.18
En in de rechtsoverwegingen 3.3.5 en 3.3.6 overweegt het hof vervolgens:
“3.3.5. Dan resteert de vraag of [eisers] op grond van de overeengekomen verplichting aanspraak kunnen maken op een haag die op geen enkel moment hoger is dan 150 cm dan wel die verplichting aldus moet worden begrepen dat de haag regelmatig wordt teruggesnoeid tot een maximale hoogte van 150 cm.
3.3.6.
Een kwalitatieve verplichting is een obligatoire verplichting, die moet worden uitgelegd naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en naar hetgeen zij te dien aanzien over en weer van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). Daarbij geldt dat het in dit geval gaat om een in een notariële akte vastgelegde verplichting, waarbij het aankomt op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht, en die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.
Mede gelet op het feit dat het accent van een kwalitatieve verplichting is gelegen in een dulden of niet doen, hebben [eisers] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd voor een andere uitleg van de verplichting dan door de rechtbank aan die – door de rechtbank als derdenbeding gekwalificeerde – verplichting is gegeven. [eisers] hebben in het bijzonder niets gesteld dat afbreuk kan doen aan het door de rechtbank tot uitgangspunt genomen oordeel dat van de eigenaar van de haag niet meer dan een eenmaal per jaar snoeien van de haag hoeft te worden gevergd. Zij hebben niet gesteld dat een meermalen, en zo ja, hoeveel malen, per jaar snoeien van een dergelijke haag gebruikelijk zou zijn en daarom van de eigenaar van een haag als de onderhavige zou mogen worden verlangd. Evenmin hebben zij de stelling van [verweerders] (mva inc. hb 8) betwist dat de meidoornhaag al ruim 25 jaar maar eenmaal per jaar werd teruggesnoeid.
Grief 2 in het incidenteel hoger beroep faalt.”
3.19
Onderdeel 2a klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de objectieve uitlegmaatstaf van notariële akten. Het hof zou ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toekennen aan de partijbedoelingen zoals deze naar objectieve maatstaven blijken uit de in de akte van 24 december 1993 gebezigde bewoordingen, namelijk dat de meidoornhaag niet hoger mag worden ('niet hoger mag opschieten') dan 150 centimeter, aldus de klacht.
3.20
Onderdeel 2b voegt daaraan toe dat het hof, door van belang te achten dat de meidoornhaag al 25 jaar eenmaal per jaar wordt teruggesnoeid, miskent dat het bij de uitleg van een notariële akte geen acht mag slaan op gegevens die voor derden niet uit, of aan de hand van, de in de openbare registers ingeschreven akte kenbaar zijn.
3.21
Het hof stelt in r.o. 3.3.3. voorop dat het er veronderstellenderwijs van uitgaat dat sprake is van een kwalitatieve verplichting, omdat de grondslag waarop de beslissing berust – kwalitatieve verplichting of beding met derdenwerking – niet relevant is. Hoewel in hoger beroep niet alleen ter discussie stond of sprake was een kwalitatieve verplichting, maar óók of – zoals de rechtbank had overwogen – sprake was van een ‘beding met derdenwerking’, lijkt het hof ervan uit te gaan dat in ieder geval sprake is van een kwalitatieve verplichting of een ‘beding met derdenwerking’ (in r.o. 3.3.6 door het hof (ook) begrepen als ‘derdenbeding’) en dat in beide gevallen de uitlegmaatstaf hetzelfde is. In cassatie is tegen deze beslissing geen klacht gericht, zodat in cassatie van dit oordeel van het hof uitgegaan dient te worden. Voor een goed begrip van de klachten acht ik het niettemin zinvol om hierna kort in te gaan op verschillende mogelijkheden om rechten en verplichtingen ten aanzien van een onroerende zaak te doen overgaan op rechtsverkrijgers onder bijzondere titel. Daarbij ga ik eerst in op de goederenrechtelijke figuur van de erfdienstbaarheid, en daarna op andere mogelijkheden (zoals kwalitatieve rechten, cessie, kettingbeding (met derdenbeding) en kwalitatieve verplichtingen), om rechten en verplichtingen ten aanzien van een onroerende zaak op een verkrijger onder bijzondere titel te doen overgaan. Daarbij zal ik ook ingaan op de daarbij te hanteren uitlegmaatstaf.
Erfdienstbaarheid
3.22
De wet kent een gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. Een van de goederenrechtelijke rechten is het recht van erfdienstbaarheid. Dit betreft een last waarmee een onroerende zaak (een dienend erf) ten behoeve van een andere onroerende zaak (het heersende erf) kan worden bezwaard, en bestaat in een verplichting om op, boven of onder een van beide erven iets te dulden of niet te doen (art. 5:70 lid 1 BW). De last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, kan ook bestaan in een verplichting tot onderhoud van het dienende erf of van gebouwen, werken of beplantingen die zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf bevinden of zullen bevinden (art. 5:70 lid 2 BW). Een erfdienstbaarheid kan ontstaan door vestiging (art. 3:98 jo. 3:84 BW) en door verjaring (art. 5:72 BW). De in de vestigingsakte opgenomen afspraken hebben goederenrechtelijke werking voor zover ze kunnen worden gerekend tot de ‘inhoud’ van de erfdienstbaarheid’,13.wat betekent dat de rechten en verplichtingen overgaan op de rechtsopvolgers onder bijzondere titel van zowel het heersende erf (de schuldeiser) als het dienende erf (de schuldenaar). Het recht en de last die uit de erfdienstbaarheid voortvloeien, zijn dus kwalitatief bepaald.14.
3.23
Volgens vaste rechtspraak geldt de in het arrest Eelder Woningbouw / […]15.neergelegde objectieve maatstaf voor de uitleg van notariële akten die strekken tot levering van registergoederen en de vestiging van beperkte rechten daarop, en dus ook voor de uitleg van een erfdienstbaarheid.16.Die maatstaf houdt in dat het bij de uitleg aankomt op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht, en die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De ratio van deze objectieve uitlegmaatstaf is gelegen in het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit. Derden moeten kunnen afgaan op hetgeen in een – in de openbare registers ingeschreven – akte is vermeld ter zake van de overdracht van een registergoed of van de vestiging van een beperkt recht op een registergoed.17.Deze objectieve uitlegnorm ziet uitsluitend op de goederenrechtelijk werkende afspraken die in de notariële akte zijn opgenomen en niet mede op in die akte opgenomen bedingen met een verbintenisrechtelijk karakter.18.
Andere mogelijkheden
3.24
Vestiging van een erfdienstbaarheid zal niet in alle gevallen mogelijk zijn of door partijen gekozen worden. Als een met betrekking tot een onroerende zaak gemaakte afspraak niet past in een goederenrechtelijke jas of wanneer de passende jas niet is aangetrokken, geldt het uitgangspunt dat partijen de rechten en verplichtingen die uit de afspraak voortvloeien in beginsel alleen kunnen inroepen tegen degene die partij zijn bij de overeenkomst. Overdracht van de onroerende zaak door de schuldeiser en/of de schuldenaar heeft dan in beginsel niet tot gevolg dat de rechten en/of verplichtingen van rechtswege op de verkrijger overgaan.19.Niettemin is het mogelijk dat rechten en/of verplichtingen overgaan op verkrijgers onder bijzondere titel. Ik bespreek hierna enkele mogelijkheden.
Kwalitatieve rechten en cessie
3.25
Allereerst geldt dat bij overdracht van een onroerende zaak de rechten van de schuldeiser/rechthebbende kunnen overgaan op de rechtsverkrijger op grond van art. 6:251 BW. We spreken dan van kwalitatieve rechten. Als sprake is van een kwalitatief recht, gaat het met de overdracht van de onroerende zaak van rechtswege over op de verkrijger. Voor de overgang van een recht op grond van art. 6:251 lid 1 BW is nodig dat het een voor overgang vatbaar recht is, dat in een zodanig verband staat met het aan de schuldeiser toebehorende goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft zolang hij het goed behoudt. Is voor het recht een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat de verplichting tot het verrichten van de tegenprestatie mede over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang (art. 6:251 lid 2 BW). Een andere mogelijkheid is dat de schuldeiser/rechthebbende zijn recht met betrekking tot de onroerende zaak – niet onaannemelijk is: (bijna) tegelijkertijd met de levering van de onroerende zaak – aan een derde overdraagt door middel van cessie (art. 3:94 BW).20.
3.26
Wat betreft de te hanteren uitleg-maatstaf oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 2 februari 201821.ten aanzien van (de door de cessionaris verkregen rechten bij) een cessie dat, omdat in geval van cessie de cessionaris niet meer of andere aanspraken krijgt dan de aanspraken die de cedent op grond van de overeenkomst met de schuldenaar had, voor de vraag naar die aanspraken bepalend is hetgeen tussen de cedent en de schuldenaar is overeengekomen. En dat voor de uitleg van wat is overeengekomen de Haviltex-maatstaf geldt.22.Ik zou menen dat ditzelfde geldt voor de aanspraken van de nieuwe schuldeiser na overgang van rechtswege op grond van art. 6:251 BW.
Kettingbeding
3.27
Thans schakel ik over op de overgang van contractuele verplichtingen die betrekking hebben op een aan de schuldenaar toebehorende onroerende zaak. Als gezegd, leidt overdracht van de onroerende zaak er in beginsel niet toe, dat de verplichting mee overgaat op de nieuwe rechthebbende. In de praktijk bestond en bestaat er niettemin behoefte om – buiten de mogelijkheid die een erfdienstbaarheid biedt – verplichtingen aan de verkrijgers onder bijzondere titel van de schuldenaar te kunnen opleggen.23.Daartoe is in 1992 de rechtsfiguur van de kwalitatieve verplichting (art. 6:252 BW) ingevoerd. Het toepassingsbereik van de kwalitatieve verplichting is echter beperkt tot verplichtingen om te dulden of niet te doen.
3.28
Om toch verplichtingen tot een doen ten aanzien van een onroerende zaak24.over te laten gaan op de verkrijger van dat registergoed, wordt in de praktijk reeds lange tijd gewerkt met zogenoemde kettingbedingen. Met de term ‘kettingbeding’ wordt gedoeld op een ‘constellatie’ van verplichtingen die wordt opgelegd aan de rechthebbende van een onroerende zaak: (i) een verplichting om met betrekking tot zijn onroerende zaak iets te doen, niet te doen of te dulden, (ii) een verplichting om die verplichting ook op te leggen aan rechtsopvolgers en (iii) een verplichting om aan die rechtsopvolgers de verplichting op te leggen om verplichting (i) op hun beurt op te leggen aan rechtsopvolgers. Een en ander wordt in de regel kracht bijgezet door middel van een boetebeding en de verplichting om de schuldeiser telkens als derde-begunstigde van een derdenbeding25.(zijnde een beding die ertoe strekt een derde het recht te geven een prestatie van een van de partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen ex art. 6:253 BW) aan te wijzen. Aan het kettingbeding komt geen goederenrechtelijke werking toe.26.Niet voldoende is dat er tussen de oorspronkelijke contractspartijen een kettingbeding is overeengekomen; om jegens de verkrijger onder bijzondere titel zijn werking te hebben zal het daadwerkelijk door de schuldenaar aan de verkrijger moeten worden ‘doorgelegd’. Dat gebeurt door bij gelegenheid van de levering van de zaak daadwerkelijk een derdenbeding ten gunste van de schuldeiser overeen te komen.
3.29
Ten aanzien van een kettingbeding met daaraan verbonden een derdenbeding heeft de Hoge Raad reeds overwogen dat in het algemeen de Haviltex-maatstaf moet worden toegepast, maar dat in de verhouding tot rechtsopvolgers, nu met het kettingbeding beoogd is de rechtspositie van derden te bepalen, bij de uitleg daarvan grond bestaat om uit te gaan van een geobjectiveerde variant van de Haviltex-maatstaf, waarbij aan de bewoordingen van de regeling, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de overeenkomst, in beginsel doorslaggevend gewicht toekomt.27.Ik probeer de betekenis hiervan nog wat te verduidelijken. A en B komen een kettingbeding overeen, waarbij A de schuldeiser is. B draagt zijn onroerende zaak over aan C, die het kettingbeding aanvaardt. Waartoe is C nu jegens A gehouden? C wordt hier als het ware beschermd door de geobjectiveerde Haviltex-maatstaf: hij mag in principe afgaan op de bewoordingen van het kettingbeding dat A en B overeenkwamen, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de akte A-B.
Kwalitatieve verplichting
3.30
Een andere mogelijkheid die de wet biedt om verplichtingen van een schuldenaar aan een verkrijger onder bijzondere titel op te leggen is de kwalitatieve verplichting. Kwalitatieve verplichtingen zijn slechts mogelijk ten aanzien van registergoederen, en van een kwalitatieve verplichting kan gelet op art. 6:252 BW slechts worden gesproken indien sprake is van een dulden of niet handelen. De wetgever heeft het bereik van de kwalitatieve verplichting bewust beperkt gehouden. Verplichtingen die als een dulden of niet handelen zijn geformuleerd maar in wezen verplichtingen tot een doen inhouden, kunnen in beginsel niet worden aangemerkt als een kwalitatieve verplichting.28.Overigens meen ik dat kwalitatieve verplichtingen – in beperkte mate – wel gepaard kunnen gaan met nevenverplichtingen tot een doen.29.
3.31
De kwalitatieve verplichting is door de wetgever vormgegeven als een verbintenisrechtelijke figuur. In zoverre betreft het een ‘normale verplichting’ die de schuldeiser een persoonlijk recht geeft. Het bijzondere aan de kwalitatieve verplichting is echter dat door vastlegging in een notariële akte en inschrijving ervan in de openbare registers deze, gelet op art. 6:252 lid 2 BW, ook goederenrechtelijke werking heeft. De kwalitatieve verplichtingen kunnen hierdoor ook worden ingeroepen tegen degene aan wie het registergoed onder bijzondere titel wordt overgedragen, en mede zullen gebonden zijn degene die van de rechthebbende een gebruiksrecht heeft gekregen.30.In die goederenrechtelijke werking vertoont de kwalitatieve verplichting sterke gelijkenissen met een erfdienstbaarheid.31.Niettemin bestaan er belangrijke verschillen tussen de erfdienstbaarheid en de kwalitatieve verplichting32.. Een van die belangrijke verschillen is dat een kwalitatieve verplichting weliswaar aan de kant van de schuldenaar door levering van het registergoed overgaat op de rechtsopvolger, maar aan de zijde van de schuldeiser is geen sprake van ‘kwalitatieve werking’. Het vorderingsrecht is niet gekoppeld aan de eigendom van de ene of de andere onroerende zaak. Wil het recht op nakoming van een kwalitatieve verplichting overgaan, tegelijk met de overdracht van de onroerende zaak door de schuldeiser, dan zal sprake moeten zijn van een kwalitatief recht als bedoeld in art. 6:251 BW33.of zal die aanspraak moeten worden gecedeerd (zie hiervoor).
3.32
Omdat een kwalitatieve verplichting tussen de oorspronkelijke partijen een ‘gewone’ obligatoire overeenkomst is, is in die verhouding op de uitleg van de verplichting de Haviltex-maatstaf van toepassing. In de verhouding tot de verkrijger onder bijzondere titel heeft de kwalitatieve verplichting echter goederenrechtelijke werking. Hierdoor kan de schuldeiser jegens de verkrijger onder bijzondere titel aanspraak maken op nakoming van de verplichting. De inschrijving van de notariële akte in de openbare registers strekt er toe de verplichting aan het registergoed vast te lassen, het ‘belast’ dus als het ware het registergoed. Elke verkrijger van het registergoed wordt qualitate qua schuldenaar van de verplichting. Aldus beschouwd, betreft het de uitleg van een notariële akte die strekt tot de vestiging van een goederenrechtelijke verplichting. Ik meen dat daarop de in het Eelder Woningbouw / […] -arrest genoemde objectieve maatstaf van toepassing is (zie hiervoor 3.23). Van de vraag hoe een beding moet worden uitgelegd moet worden onderscheiden de vervolgvraag of een partij zich ook daadwerkelijk op die bepaling kan beroepen.34.
3.33
Dan kom ik nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klachten. Zoals gezegd is het hof er veronderstellenderwijs van uitgaat dat sprake is van een kwalitatieve verplichting, omdat de grondslag waarop de beslissing berust – kwalitatieve verplichting of ‘beding met derdenwerking’ – niet relevant is. Hiervan dient in cassatie te worden uitgegaan.
3.34
Kort gezegd klagen de onderdeel 2a en 2b dat het hof bij de uitleg van de kwalitatieve verplichting de objectieve maatstaf had moeten toepassen, en geen acht had mogen slaan op gegevens die voor derden niet uit, of aan de hand van, de in de openbare registers ingeschreven akte kenbaar zijn.
3.35
Het hof stelt in r.o. 3.3.6. wat betreft de uitleg van de kwalitatieve verplichting zelf enerzijds de Haviltex-maatstaf voorop, maar noemt daarna ook de – mijns inziens juiste – maatstaf uit het Eelder Woningbouw / […] -arrest (zie hiervoor 3. 33 ).
3.36
Hoewel het hof ook de juiste maatstaf noemt, meen ik dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Bij de uitleg van de kwalitatieve verplichting acht het ook andere omstandigheden van (doorslaggevend) belang die voor derden niet kenbaar zijn uit, of aan de hand van, de in de openbare registers ingeschreven akte, waaronder dat de meidoornhaag al 25 jaar eenmaal per jaar wordt teruggesnoeid.35.Daarmee heeft het hof toepassing gegeven aan een onjuiste uitleg-maatstaf. Een en ander betekent dat de klachten slagen.
3.37
Onderdeel 2c klaagt nog dat in het licht van stellingen van [eisers] onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [eisers] in het bijzonder niets hebben gesteld dat afbreuk kan doen aan het door de rechtbank tot uitgangspunt genomen oordeel dat van de eigenaar van de haag niet meer dan eenmaal per jaar snoeien kan worden gevergd. [eisers] verwijzen daarbij naar hun stellingen onder 91 tot en met 93 van de memorie van antwoord dat zij gewezen hebben op de tekst van de kwalitatieve verplichting die inhoudt dat de meidoornhaag niet hoger mag opschieten van 1,50 meter met als doel behoud van vrij uitzicht.
3.38
Mede gelet op de voorgaande klachten, slaagt ook deze klacht. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.3. van het eindvonnis het beding zo uitgelegd dat met op hoogte houden niet wordt bedoeld dat de meidoornhaag het hele jaar door op een hoogte van 150 centimeter moet worden gehouden, maar dat eenmaal per jaar de meidoornhaag terug moet worden gesnoeid naar 150 centimeter. Daar hebben [eisers] in hoger beroep juist tegenin gebracht dat de tekst van de kwalitatieve verplichting inhoudt dat de meidoornhaag niet hoger mag opschieten dan 1,50 meter, met als doel behoud van vrij uitzicht. Een en ander maakt het oordeel van het hof onbegrijpelijk.
3.39
Onderdeel 3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 3.5.2. en 3.5.5., die als volgt luiden:
“3.5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beukenhaag en de daartussen geplaatste knotwilgen niet in de ‘verboden’ zone van art. 5:42 BW zijn gelegen of daar anderszins op grond van enige wettelijke bepaling niet geoorloofd zouden zijn. Het hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat [eisers] geen recht op vrij uitzicht hebben. Een waarborg van vrij uitzicht kan naar het oordeel van het hof – bij een uitleg als in r.o. 3.3.6 omschreven – evenmin besloten worden geacht in de in de akte van 24 december 1994 neergelegde afspraak inzake de als erfafscheiding te plaatsen meidoornhaag. Er is wat betreft de door [verweerders] aangebrachte beukenhaag en daartussen geplaatste knotwilgen derhalve geen sprake van enig handelen in strijd met een rechtsplicht of van inbreuk op een recht. Aan de orde is alleen de vraag of [verweerders] een uit hun eigendomsrecht voortvloeiende bevoegdheid hebben misbruikt.
(…)
3.5.5.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat het [verweerders] als eigenaar van een perceel grond in beginsel vrijstaat om hun perceel, met inachtneming van de regels van het burenrecht, naar eigen goeddunken in te richten. Zij hoeven, afgezien van bijzondere omstandigheden (zoals een ongebruikelijke bebouwing als in de watertorenarresten), hun keuze voor een inrichting en de wijze van uitvoering daarvan niet tegenover derden te verantwoorden in die zin dat zij die objectief dienen te rechtvaardigen. Het gaat in dit geval om de uitbreiding van een al op het perceel van [verweerders] aanwezige afscheiding (de beukenhaag), waarvan door [eisers] niet wordt gesteld dat [verweerders] daarbij geen redelijk belang zouden hebben. Uit het door [verweerders] verlengen van die afscheiding, het hoger laten van die afscheiding ter hoogte van het perceel van [eisers] en het daarin aanbrengen van knotwilgen, kan wel worden geconcludeerd dat [verweerders] , naar door hen ook niet wordt betwist, hun perceel aldaar meer hebben willen afschermen dan ter hoogte van de percelen [a-straat 2] , [a-straat 3] en [a-straat 4] . Naar het oordeel van het hof kan daaruit echter niet worden geconcludeerd dat [verweerders] hun eigendomsrecht met geen ander doel hebben gebruikt dan om [eisers] te schaden of dat zij in redelijkheid niet tot uitoefening van hun - rechtmatige - eigendomsbevoegdheid hadden mogen komen. Het hof acht, anders dan de rechtbank, geen sprake van misbruik van recht. Grief V in het principaal hoger beroep slaagt. De door [eisers] in hoger beroep ingestelde vordering IV zal worden afgewezen.”
3.40
Onderdeel 3a klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat door [eisers] niet wordt gesteld dat [verweerders] geen redelijk belang zouden hebben bij de uitbreiding van de al op het perceel van [verweerders] aanwezige afscheiding (de beukenhaag). Dit zou het hof onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt. [eisers] zouden dit wél hebben gesteld.
3.41
Uit de stellingen van [eisers] volgt dat zij hebben aangevoerd dat [verweerders] in wezen geen ander belang hadden bij de uitbreiding van de beukenhaag, dan door [eisers] het vrije uitzicht te ontnemen en daarmee te benadelen. Gelet hierop is onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat door [eisers] niet wordt gesteld dat [verweerders] geen redelijk belang zouden hebben bij de uitbreiding van de al op het perceel van [verweerders] aanwezige afscheiding. De klacht slaagt.
3.42
Niettemin meen ik dat een en ander niet tot cassatie kan leiden. Het hof heeft, in lijn met de stellingen van [verweerders] , immers wel beoordeeld of [verweerders] hun eigendomsrecht met geen andere doel hebben gebruikt dan om [eisers] te schaden en of zij in redelijkheid niet tot uitoefening van hun – rechtmatige – eigendomsbevoegdheid mochten komen.
3.43
Volgens onderdeel 3b heeft het hof miskend dat het ingevolge artikel 149 Rv de overweging van de rechtbank in rechtsoverweging 4.13 – dat [verweerders] het belang van vrij uitzicht zijdens [eisers] (wel) dient mee te wegen – als relevant feit diende vast te stellen en in zijn overwegingen diende te betrekken.
3.44
De klacht mist naar mijn mening feitelijke grondslag. Het hof heeft het belang van [eisers] op vrij uitzicht weldegelijk impliciet meegenomen in zijn beoordeling. Het hof is immers ook ingegaan op de vraag of [verweerders] hun eigendomsrecht met geen ander doel hebben gebruikt dan om [eiser 1] te schaden, met welk ‘schaden’ kennelijk het ontnemen van het uitzicht wordt bedoeld. Het hof concludeerde uiteindelijk dat, ondanks dus het belang van [verweerder 1] op vrij uitzicht, niet gezegd kan worden dat [eisers] (gelet op eigenaarsrechten en recht om af te schermen) in redelijkheid niet tot uitoefening van hun - rechtmatige - eigendomsbevoegdheid hadden mogen komen.
3.45
Onderdeel 3c klaagt dat het hof, in strijd met de devolutieve werking van het hoger beroep, in het kader van de belangenafweging van art. 3:13 BW ten onrechte niet is ingegaan op de volgende vijf stellingen:
1. [eisers] hadden op de plaats van de uitgebreide beukenhaag een speciale zithoek gecreëerd om van het open uitzicht te genieten en dit vrije uitzicht wordt door de uitbreiding van de beukenhaag voor een groot gedeelte ontnomen.
2. De kwalitatieve verplichting is er oorspronkelijk op gericht het vrije uitzicht voor [eisers] te behouden en dit is ook met zoveel woorden door de rechtsvoorgangers van [verweerders] bevestigd.
3. Om het perceel als weide te gebruiken is het geheel niet nodig om een hoge beukenhaag te plaatsen, een hekwerk of haag met een hoogte van 150 centimeter is ruimschoots voldoende.
4. Het gehele perceel van [verweerders] , ook aan de tuinzijde van het eigen perceel op [a-straat 1] en [a-straat 2] , [a-straat 3] , [a-straat 4] en [a-straat 5] - [a-straat 7] , heeft een omheining van 150 centimeter hoog.
5. Op de website van Vereniging Eigen Paard is te lezen is dat de omheining van een weide tussen de 1,20 en de 1,50 meter hoog dient te zijn.
3.46
Het hof is zoals gezegd in zijn beoordeling uitgegaan van belang op uitzicht aan de zijde van [eisers] , maar heeft ook overwogen dat [verweerders] als eigenaar van het perceel hun keuze voor een inrichting en de wijze van uitvoering niet tegenover derden hoeven te verantwoorden, dat de keuze voor een bepaalde inrichting niet hoeft te worden onderbouwd, en dat [verweerders] ook een belang hadden bij afscherming van hun perceel. Gelet hierop heeft het hof zijn oordeel voldoende gemotiveerd, en hoefde het hof niet nog afzonderlijk in te gaan op de genoemde stellingen. De klacht faalt.
3.47
De voortbouwklacht van onderdeel 4 behoeft geen afzonderlijke bespreking.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑10‑2025
Ontleend aan het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2508, onder 3.1.1.
Vonnis rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:8652, r.o. 4.3.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3209.
Hof ’s-Hertogenbosch 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2508.
HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900, NJ 2005/92 (Poort/Stoppels), r.o. 3.4, onder meer herhaald in: HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0646, NJ 2006/233 (E-On), r.o. 3.3. Zie ook F.J.P. Lock, ‘De rol van de civiele rechter en de aanvulling op artikel 24 Rv’, RMThemis 2020-6, p. 252-262.
Inleidende dagvaarding van [eisers] van 13 januari 2022, onder 40.
Akte vermeerdering van eis en overlegging producties 18 t/m 23, p. 3-4.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 november 2022, p. 2.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 november 2022, p. 3.
Bestreden arrest, r.o. 3.4.2.
Vgl. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2906, NJ 2015/414, r.o. 3.6.
HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1758, RvdW 2022/1163; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, NJ 2018/ 31 en HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7, m.nt. H.J. Snijders.
Zie hierover Asser/Bartels & Vonck 5 2025/175.
HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901, NJ 2001/350 m.nt. W.M. Kleijn (Eelder Woningbouw/ […] ), r.o. 3.3.
Zie onder meer HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1275, NJ 2020/295, r.o. 3.1.2; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511, NJ 2016/325, r.o. 4.2.2.; HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240, r.o. 3.5.3., HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815, NJ 2011/9 (Genco/ […] ), r.o. 3.8.2.; HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111, r.o. 4.2.2.; HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2397, NJ 2007/5 (WE Vastgoed/ […] ), r.o. 3.3.; HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9168, NJ 2004/251 ( […] / […] ), r.o. 3.4.
HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511, NJ 2016/325 (Hypotheekakte).
HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511, NJ 2016/325 (Hypotheekakte), r.o. 4.2.3. Overigens geldt voor de onderliggende obligatoire overeenkomst wel de gewone Haviltex-norm. Zie hierover ook H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen: in nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 67 e.v. en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/233.
In het bekende arrest HR 3 maart 1905, ECLI:NL:HR:1905:1 ( […] / […] ) heeft de Hoge Raad met betrekking tot art. 1354 BW (oud) geoordeeld, dat rechten die de eigenaar van een zaak met betrekking tot deze zaak bij overeenkomst heeft bedongen wel, maar verplichtingen die hij met betrekking tot deze zaak op zich heeft genomen niet overgaan op degene die onder bijzondere titel verkrijgt. Zie H.W. Heyman, NTBR 2002, p. 298 e.v. over de ‘actualiteit’ van dit arrest.
De notariële leveringsakte van art. 3:89 lid 1 BW kan tevens de cessieakte van art. 3:94 lid 3 BW zijn. Ik plaatste het woord ‘bijna’ tussen haakjes, omdat de stille cessie wel is afgerond door het tekenen van de notariële akte, terwijl voor de levering van de onroerende zaak nog nodig is dat de akte wordt ingeschreven in de openbare registers.
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148, NJ 2018/422, m.nt. H.J. Snijders (Bungalowpark De Horn), r.o. 3.4.1 en 3.4.2.
Met de nuance dat met de rechten van derden rekening dient te worden gehouden op de voet van art. 3:36 BW. Voor de goede orde merk ik op dat een andere vraag is welke van zijn vorderingsrechten door een cedent zijn overgedragen aan de cessionaris. Bij het bepalen hiervan gaat het om uitleg in de rechtsverhouding tussen de cedent en de cessionaris.
Ik beperkt me hier terminologisch gemakshalve tot de onroerende zaak. Een kettingbeding kan uiteraard ook betrekking hebben op andere typen goederen.
Om werking te hebben zal de derde dat beding moeten aanvaarden (art 6:253 lid 1 BW). Indien het een onherroepelijk beding is dat jegens de derde om niet is gemaakt, dan geldt het als aanvaard als het ter kennis van de derde is gekomen en de derde het niet onverwijld heeft afgewezen (art. 6:253 lid 4 BW).
HR 17 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5024, NJ 1986/760, m.nt. C.J.H. Brunner en W.M. Kleijn (Curaçao/Boyé), r.o. 3.3.
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148, NJ 2018/422, m.nt. H.J. Snijders (Bungalowpark De Horn), r.o. 3.4.3 en vlg. HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4410, NJ 2008/104, m.nt. C.E. du Perron (NBA/ […] ), r.o. 3.5.1.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/553; J.R. Beversluis, Enige aspecten van de kwalitatieve verbintenis (diss. Nijmegen 2009), Den Haag: Boom Juridisch 2009, p. 184 e.v. en C.E. du Perron, Overeenkomst en derden : een analyse van de relativiteit van de contractswerking (diss. Amsterdam 1999), Deventer: Kluwer 1999, p. 246 e.v.
Zie Asser/Bartels & Vonck 5 2025/170a en Asser/Sieburgh 6-III 2022/553 met verwijzingen.
N.C. van Oostrom-Streep, De kwalitatieve verplichting (diss. Utrecht 2006), Den Haag: Boom Juridisch 2006, p. 87: “In praktisch resultaat komt de kwalitatieve verplichting een beperkt goederenrechtelijk recht wel heel nabij”.
Zie hierover ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/557 en 558.
Zie hierover ook AG Lindenbergh in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:251) onder 5.20 voor het arrest HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1092.
Aan buiten de akte gelegen feiten en omstandigheden kan bij de uitleg wel betekenis toekomen voor zover daarnaar in de akte wordt verwezen, maar daar is hier geen sprake van. Zie hierover met verwijzingen de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2025:694) onder 5.8 voor HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1319.
Beroepschrift 05‑11‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSZAAK IN CASSATIE (art. 407 Rv)
PARTIJEN
Eisers tot cassatie zijn
de heer [eiser 1]
en
mevrouw [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
hierna gezamenlijk te noemen ‘[eisers] c.s.’.
Eisers kiezen voor deze zaak domicilie te (2566 LB) Den Haag aan het adres Sportlaan 40 op het kantoor van Delissen Martens advocaten belastingadviseurs mediation, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.J. van Basten Batenburg als zodanig voor hen optreedt en namens hen deze procesinleiding ondertekent en indient.
Verweerders in cassatie zijn
de heer [verweerder 1]
en
mevrouw [verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
hierna gezamenlijk te noemen ‘[verweerders] c.s.’.
Verweerders hebben in de vorige instantie domicilie gekozen op het kantoor van de advocaat mr. J. Boogaard (Boogaard Advocaten), met als kantooradres Buitenruststraat 14 te (4337 EH) Middelburg.
CASSATIEBEROEP
[eisers] c.s. stellen beroep in cassatie in tegen het arrest van 6 augustus 2024 welk arrest is gewezen in hoger beroep door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch (Team Handelsrecht) met zaaknummer 200.324.767/01 tussen [eisers] c.s. als geïntimeerden in principaal hoger beroep / appellanten in incidenteel hoger beroep en [verweerders] c.s. als appellanten in principaal hoger beroep / geïntimeerden in incidenteel hoger beroep.
BEVOEGDE RECHTER
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het adres Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
VERSCHIJNEN VERWEERDERS
Verweerders in cassatie kunnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ten laatste verschijnen op vrijdag twintig december tweeduizendvierentwintig (20-12-2024). De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur.
WAAR GAAT DE ZAAK OVER ?
De onderhavige procedure betreft een burengeschil en gaat in de kern over (i) de aard en strekking van een kwalitatieve verplichting met betrekking tot een meidoornhaag, die gelegen is op het perceel van [verweerders] c.s.1. Daarnaast (ii) is aan de orde of essenbomen, die volgens partijen op het perceel van [verweerders] c.s. gelegen zijn, moeten worden verwijderd en op wiens kosten dit dient te geschieden.2. Tot slot (iii) is in geschil of [verweerders] c.s. misbruik van hun eigendomsrecht hebben gemaakt vanwege de hoogte van een beukenhaag en het planten van knotwilgen.3.
Het belang van [eisers] c.s. bij deze procedure is voornamelijk gelegen in het terugkrijgen van het vrije uitzicht en voldoende zon in de tuin conform de situatie zoals deze sinds 1993 gold, hetgeen door (de hoogte van) de meidoornhaag, de essenbomen, de beukenhaag en de knotwilgen in het gedrang is gekomen.4. [eisers] c.s. vorderden in eerste aanleg — kort gezegd en geparafraseerd — op straffe van dwangsommen dat [verweerders] c.s. de aanwezige meidoornhaag niet hoger mag laten worden dan 150 centimeter, alsook [verweerders] c.s. te gelasten de essenbomen inclusief uitlopers van de meidoornhaag, klimop en wilde lijsterbes te verwijderen en verwijderd te houden.5. Ook van de laatste drie meter van de beukenhaag en de elf geplaatste wilgenbomen, werd verwijdering gevorderd.6.
De rechtbank overwoog in haar vonnis dat het beding in de akte van levering van het perceel van [verweerders] c.s. kwalificeert als een beding met derdenwerking, en dat het beding zo moet worden uitgelegd dat eenmaal per jaar de meidoornhaag moet worden teruggesnoeid naar 150 centimeter hoog. De vordering om de meidoornhaag niet hoger te laten worden dan 150 centimeter werd afgewezen.7. De rechtbank wees de vordering tot verwijdering van de essenbomen en de uitloop van de meidoornhaag, klimop en wilde lijsterbes wel toe, alsmede de vordering ten aanzien van de beukenhaag en wilgenbomen, en compenseerde de proceskosten tussen partijen.8.
[verweerders] c.s. gingen in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank en voerden daartoe een zestal grieven aan.9. [eisers] c.s. stelden op hun beurt incidenteel hoger beroep in tegen de voor hen ongunstige overwegingen van de rechtbank.10.
Anders dan de rechtbank, oordeelt het hof dat [eisers] c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [verweerders] c.s. mogen verlangen dat zij de essenbomen op hun kosten verwijderen en dat geen sprake is van misbruik van recht ten aanzien van de beukenhaag en de knotwilgen.11. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de verwijdering van de essenbomen blijft in stand, en de proceskosten tussen partijen worden wederom gecompenseerd.
Cassatiemiddel
[eisers] c.s. voeren tegen het voormelde arrest van het hof het navolgende middel van cassatie aan:
‘Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het hof heeft overwogen en beslist als vermeld in het arrest waarvan beroep, ten onrechte, vanwege na te melden in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen, weergegeven in de diverse hierna te noemen klachtonderdelen.’
Klachten
Het middel valt uiteen in de hierna vermelde klachtonderdelen.
Klachtonderdeel 1
Onderdeel 1a
Het hof is in rov. 3.4.6 van het bestreden arrest buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door — in strijd met art. 24 Rv, de ‘tweeconclusieregel’ en het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor — de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe te passen, aangezien daarop door [verweerders] c.s. in dit verband geen beroep is gedaan. Het hof heeft, aldus oordelend, miskend dat de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid niet ambtshalve kan worden toegepast en geeft daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting.12.
Onderdeel 1b
Het oordeel van het hof in rov. 3.4.6 is onjuist, althans onvoldoende inzichtelijk, want in strijd met art. 24 Rv en het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, omdat [verweerders] c.s. in het geding niet gesteld hebben dat de kosten van verwijdering van de essenbomen voor rekening van [eisers] c.s. dienen te komen en het hof aldus het partijdebat ten onrechte aanvult.
Toelichting
De klachten van onderdeel 1 worden hierna van een gezamenlijke toelichting voorzien.
Het staat de rechter niet vrij om zijn beslissing te baseren op feitelijke gronden die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd.13. Het gaat daarbij ook om rechtsgevolgen die zijn verbonden aan de feitelijke grondslagen, bijvoorbeeld de volgens de rechter uit de vaststaande feiten blijkende maar niet door de verweerder aangevoerde nietigheid van een overeenkomst op basis waarvan de eiser nakoming vordert.14. Door zulke gronden aan zijn beslissing ten grondslag te leggen overschrijdt de rechter niet alleen de grenzen van de rechtsstrijd, maar wordt de wederpartij tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.15.
Het hof overweegt onder rov. 3.4.6 van het arrest dat de omstandigheid dat de essenbomen door de rechtsvoorgangers van [eisers] c.s. zelf geplant zijn en het feit dat de toenmalige eigenaren ervan zijn uitgegaan dat de bomen op perceel 35 werden geplant, naar het oordeel van het hof meebrengt dat [eisers] c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [verweerders] c.s. mogen verlangen dat zij de essenbomen op hun kosten verwijderen. Het hof verbindt daarmee een rechtsgrond aan de door [verweerders] c.s. gestelde feiten die [verweerders] c.s. niet aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd en die overigens evenzeer geen steun vindt in het partijdebat in de gedingstukken.16. Het hof miskent aldus de grenzen van de rechtsstrijd en geeft een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, aangezien partijen op die conclusie van het hof niet bedacht hoefden te zijn. Bovendien miskent het hof dat de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid door de rechter niet ambtshalve mag worden toegepast maar slechts als een partij zich daarop (tijdig) beroept.17. Daarvan is geen sprake omdat [verweerders] c.s. in hun gedingstukken geen (althans geen voldoende kenbaar) beroep op de rechtsregel van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid hebben gedaan.
Klachtonderdeel 2
Onderdeel 2a
Het hof geeft onder rov. 3.3.5–3.3.6 van het arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de objectieve uitlegmaatstaf van notariële akten, door bij de beoordeling van de inhoud en reikwijdte van het — als kwalitatieve verplichting veronderstelde — beding in de akte van 24 december 199318. geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de partijbedoelingen zoals deze naar objectieve maatstaven blijken uit de in de akte van 24 december 1993 gebezigde bewoordingen, namelijk dat de meidoornhaag niet hoger mag worden (‘niet hoger mag opschieten’) dan 150 centimeter.
Onderdeel 2b
Het hof zoekt onder rov. 3.3.6 van het arrest ten onrechte aansluiting bij de stelling van [verweerders] c.s. dat de meidoornhaag al ruim 25 jaar eenmaal per jaar wordt teruggesnoeid, aangezien het hof daarmee acht slaat op een omstandigheid die niet blijkt uit een in de openbare registers ingeschreven akte. Het hof miskent daarmee dat bij de uitleg van een notariële akte geen acht geslagen mag worden op gegevens die voor derden niet uit, of aan de hand van, de in de openbare registers ingeschreven akte kenbaar zijn.19.
Onderdeel 2c
Zonder nader motivering, die ontbreekt, is onbegrijpelijk dat het hof onder rov. 3.3.6 overweegt dat — kort gezegd — [eisers] c.s. in het bijzonder niets hebben gesteld dat afbreuk kan doen aan het door de rechtbank tot uitgangspunt genomen oordeel dat van de eigenaar van de haag niet meer dan eenmaal per jaar snoeien kan worden gevergd, in het licht van de stellingen zijdens [eisers] c.s. op dit punt.20.
Toelichting
De klachten van onderdeel 2 worden hierna van een gezamenlijke toelichting voorzien.
Het hof noemt onder rov. 3.3.6 van zijn arrest de juiste uitlegmaatstaf voor de beoordeling van bedingen in notariële akten, maar parafraseert deze onvolledig en past de maatstaf vervolgens niet op een voldoende kenbare, althans onjuiste wijze toe bij de beoordeling van de inhoud en reikwijdte van het — door het hof als kwalitatieve verplichting veronderstelde — beding in de akte van 24 december 1993.21. Het gaat hierbij om de objectieve uitlegmaatstaf zoals deze is uitgewerkt in diverse arresten van uw Hoge Raad.22. In dit verband kan kortheidshalve worden verwezen naar hetgeen A-G Lindenbergh in dit verband in 2022 schreef over het in acht te nemen toetsingskader.23.
De grieven I en II in incidenteel appel zijdens [eisers] c.s. richten zich tegen het oordeel van de rechtbank omtrent het derdenbeding onder rov. 4.2 en 4.3 van het eindvonnis. [eisers] c.s. hebben daarin onder meer aangevoerd dat uit de tekst van de kwalitatieve verplichting en kettingbeding blijkt dat de bosschage (bedoeld wordt: de latere meidoornhaag) niet hoger mag opschieten dan 150 centimeter, dat het doel van deze afspraak was het behoud van vrij uitzicht, en dat de meidoornhaag ten tijde van het eerste contact tussen partijen hoger was dan deze toegestane hoogte.24. Voorts hebben [eisers] c.s. zich gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat inhoudt dat [verweerders] c.s. (slechts) eenmaal per jaar gehouden zijn tot het terugsnoeien van de meidoornhaag naar 1,5 meter, omdat volgens [eisers] c.s. uit het beding volgt dat de meidoornhaag het gehele jaar op maximaal 1,5 meter hoogte gehouden dient te worden.25. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof (onder rov. 3.3.6 van het arrest) dat [eisers] c.s. in het bijzonder niets hebben gesteld dat afbreuk kan doen aan de uitleg die de rechtbank ten aanzien van het beding heeft gegeven, niet voldoende begrijpelijk. De tekst van de kwalitatieve verplichting leert dat de meidoornhaag niet hoger mag worden (‘niet hoger mag opschieten’) dan 150 centimeter, waarin [eisers] c.s. lezen dat de haag het gehele jaar door op deze (maximale) hoogte moet worden gehouden. Het hof heeft op deze relevante stelling onvoldoende gerespondeerd, aangezien het hof verzuimd heeft om — mede aan de hand van de tekst van de notariële akte — inzichtelijk te motiveren waarom deze lezing van de akte door [eisers] c.s. niet de juiste is. [eisers] c.s. baseren zich op een grammaticale interpretatie van de tekst van de akte in het licht van de oorspronkelijke partijbedoelingen, hetgeen past bij de objectieve uitlegmaatstaf die geldt voor notariële akten. Het hof derhalve laat na om de objectieve uitlegmaatstaf bij notariële akten, die het in rov. 3.3.6 voorop heeft gesteld, op een inzichtelijke wijze toe te passen door de kwalitatieve verplichting uit te leggen op grond van de partijbedoelingen zoals deze zijn neergelegd in de akte van levering van 24 december 1993. Het hof besluit in plaats daarvan aansluiting te zoeken bij de — niet op de inhoud van de akte gebaseerde — lezing van de akte door de rechtbank, die evenwel door [eisers] c.s. aan de hand van de letterlijke tekst van de notariële akte en de oorspronkelijke bedoelingen van de rechtsvoorgangers van partijen, gemotiveerd is bestreden.
Dat het hof in zijn overwegingen aansluiting zoekt bij de stelling van [verweerders] c.s. dat de meidoornhaag al ruim 25 jaar eenmaal per jaar wordt teruggesnoeid, strookt evenzeer niet met de door het hof genoemde objectieve uitlegmaatstaf van de kwalitatieve verplichting, die meebrengt dat geen acht geslagen mag worden op gegevens die voor derden niet uit, of aan de hand van, de in de openbare registers ingeschreven akte kenbaar zijn.26. Of en hoe vaak de meidoornhaag wordt teruggesnoeid dan wel moet worden teruggesnoeid, is geen voor derden kenbaar gegeven dat volgt uit de notariële akte, althans dit is niet gesteld door partijen noch vastgesteld door het hof. Verwacht had mogen worden dat het hof de kwalitatieve verplichting van [verweerders] c.s. ten aanzien van de meidoornhaag had uitgelegd op basis van de in de akte gebezigde bewoordingen, in plaats van het plaatselijke gebruik van het terugsnoeien van de haag. De door [eisers] c.s. voorgestane (grammaticale) lezing van de kwalitatieve verplichting zou dan meer in de rede hebben gelegen.
Klachtonderdeel 3
Onderdeel 3a
De overweging van het hof onder rov. 3.5.5 van het arrest dat — kort gezegd en geparafraseerd weergegeven — door [eisers] c.s. niet wordt gesteld dat [verweerders] c.s. bij de uitbreiding van de op het perceel van [verweerders] c.s. aanwezige afscheiding (de beukenhaag) geen redelijk belang zouden hebben, is niet voldoende inzichtelijk, althans onbegrijpelijk, aangezien [eisers] c.s. zulks wél hebben gesteld.
Onderdeel 3b
Het hof miskent onder rov. 3.5.2 en 3.5.5 van het arrest dat het ingevolge art. 149 lid 1 Rv de overweging van de rechtbank27. dat [verweerders] c.s. het belang van vrij uitzicht zijdens [eisers] c.s. (wel) dient mee te wegen, dient vast te stellen als relevant feit en dat feit vervolgens had moeten betrekken in zijn overwegingen. Het hof heeft dat niet gedaan. Daardoor is de beslissing onvoldoende inzichtelijk en onjuist.
Onderdeel 3c
Het hof heeft in het kader van de belangenafweging van art. 3:13 lid 1 BW onder rov. 3.5.5. van het arrest, het grievenstelsel uit art. 347 Rv, althans de devolutieve werking van het hoger beroep miskend door in zijn overwegingen geen (kenbare) aandacht te besteden aan de navolgende (geparafraseerde) stellingen van [eisers] c.s. uit de eerste aanleg28.:
- —
Dat [eisers] c.s. op de plaats van de uitgebreide beukenhaag een speciale zithoek hadden gecreëerd om van het open uitzicht te genieten en dat dit vrije uitzicht door de uitbreiding van de beukenhaag voor een groot gedeelte wordt ontnomen29.;
- —
Dat de kwalitatieve verplichting er oorspronkelijk op gericht is het vrije uitzicht voor [eisers] c.s. te behouden en dat dit ook met zoveel woorden door de rechtsvoorgangers van [verweerders] c.s. is bevestigd30.;
- —
Dat het, om het perceel als weide te gebruiken, geheel niet nodig is om een hoge beukenhaag te plaatsen, omdat een hekwerk of haag met een hoogte van 150 centimeter daartoe ruimschoots voldoende is31.;
- —
Dat het gehele perceel van [verweerders] c.s., ook aan de tuinzijde van het eigen perceel op nr. 25 en de nrs. 27, 29, 31 en 33–35 een omheining heeft van 150 centimeter hoog32.;
- —
Dat op de website van Vereniging Eigen Paard eveneens te lezen is dat de omheining van de weide tussen de 1,20 en de 1,50 hoog dient te zijn33.;
De voornoemde stellingen zouden in de overwegingen van het hof betrokken hebben moeten worden omdat zij, als zij juist zijn, tot een ander oordeel kunnen leiden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zijn de overwegingen van het hof thans niet voldoende begrijpelijk en aanvaardbaar.
Toelichting
De klachten van onderdeel 3 worden hierna van een gezamenlijke toelichting voorzien.
Het hof overweegt dat het [verweerders] c.s. als eigenaar van een perceel in beginsel vrijstaat hun perceel, met inachtneming van de regels van het burenrecht, naar eigen goeddunken in te richten.34. Door [eisers] c.s. zou volgens het hof niet gesteld worden dat [verweerders] c.s. bij de uitbreiding van de al op het perceel van [verweerders] c.s. aanwezige beukenhaag geen redelijk belang zouden hebben.35. Het hof concludeert onder rov. 3.5.5. van zijn arrest dat geen sprake is van misbruik van recht, — kort gezegd — omdat [verweerders] c.s. met het verlengen van de afscheiding, het hoger laten worden van die erfafscheiding en het daarin aanbrengen van knotwilgen, hun perceel aldaar meer hebben willen afschermen dan ter hoogte van de percelen 27, 29 en 31 en dat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat [verweerders] c.s. hun eigendomsrecht met geen ander doel hebben gebruikt dan om [eisers] c.s. te schaden of dat zij in redelijkheid niet tot uitoefening van hun — rechtmatige — eigendomsbevoegdheid konden komen.
In tegenstelling tot wat het hof overweegt, hebben [eisers] c.s. gesteld dat [verweerders] c.s. bij uitbreiding van de beukenhaag geen redelijk belang hebben.36. Door [eisers] c.s. is immers onder meer aangevoerd dat — kort gezegd en geparafraseerd — (i) zij gedurende de procedure in eerste aanleg meermaals hebben gevraagd welk objectiveerbaar belang [verweerders] c.s. hebben bij het onderscheid dat zij maken bij de hoogte van de beukenhaag achter het perceel van [eisers] c.s. en de overige buren en dat het antwoord daarop telkens achterwege bleef, dat (ii) [verweerders] c.s. in dit kader ook bij memorie van grieven dezelfde schijnbelangen aanvoert (met onderbouwing onder randnrs. 76–77 van de memorie van antwoord in principaal hoger beroep) en (iii) dat er maar één logische verklaring is voor de wijze van inrichting van het perceel van [verweerders] c.s.: het sarren/dwarsbomen van het vrije uitzicht van [eisers] c.s.37. Hieruit kan in voldoende mate worden afgeleid dat [eisers] c.s. zich op het standpunt hebben gesteld dat geen sprake is van een redelijk belang bij (de uitbreiding van) de beukenhaag, althans van een schijnbelang.
Daarbij komt dat er door [verweerders] c.s. geen grieven zijn gericht tegen rov. 4.13 van het eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft onder rov. 4.13 van het eindvonnis overwogen dat hoewel er geen recht is op vrij uitzicht, [verweerders] c.s. dit belang van [eisers] c.s. wel dienen mee te wegen. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat er zijdens [eisers] c.s. geen recht is op vrij uitzicht, maar doet vervolgens niets met het vaststaande gegeven dat [verweerders] c.s. dit belang van vrij uitzicht mee moet wegen, terwijl dat belang (ook in hoger beroep) door [eisers] c.s. nadrukkelijk is benoemd.38. Het hof had dit belang moeten betrekken in zijn overwegingen omtrent de vraag of [verweerders] c.s. in redelijkheid niet tot uitoefening van hun eigendomsbevoegdheid hadden kunnen komen, temeer het bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van eigendomsbevoegdheid in de zin van art. 3:13 lid 1 BW gaat om een afweging van de belangen.39. Door dat niet te doen is het oordeel van het hof niet voldoende begrijpelijk.
Het hof laat evenzeer na de overige aangevoerde belangen zijdens [eisers] c.s. op een voldoende inzichtelijke wijze te bespreken, terwijl deze in het kader van de devolutieve werking van het appel op dit punt betrokken hadden moeten worden in de oordeelsvorming van het hof.40. Het hof had in het licht van deze (vaststaande en niet-vaststaande) belangen moeten beoordelen of sprake is van een onevenredigheid van belangen, zoals artikel 3:13 lid 1 BW vereist.41. Dit temeer omdat het hof in dit geval tot een andere conclusie komt over de vraag of sprake is van misbruik van eigendomsrecht ten aanzien van de beukenhaag en de knotwilgen dan de rechtbank.42. De slotsom is derhalve dat het hof bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van recht de belangen van partijen niet (althans, niet voldoende kenbaar) tegen elkaar heeft afgewogen en in dit verband is voorbijgegaan aan relevante stellingen van [eisers] c.s. in hoger beroep en eerste aanleg, waardoor het hof eveneens de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend.
Onderdeel 4
Indien (één van) de voorgaande onderdelen (slaagt of) slagen, kan het dictum van het bestreden arrest evenmin in stand blijven, nu dat voortbouwt op het oordeel in de door de klachtonderdelen 1 tot en met 3 aangevallen overwegingen.
Vordering
[eisers] c.s. vorderen dat uw Hoge Raad het arrest waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht vernietigt, met zodanige verdere uitspraak als uw Hoge Raad zal vermenen te behoren, met hoofdelijke veroordeling van verweerders in cassatie in de kosten, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Den Haag, 5 november 2024
M.J. van Basten Batenburg
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑11‑2024
Eindvonnis rb, rov. 3.3. Zie tevens rov. 3.3.3. van het arrest van het hof.
Arrest hof, rov. 3.4.1–3.4.6.
Ibid, rov. 3.5.1–3.5.5.
Zie o.m. MvA tevens houdende incidenteel appel en vermeerdering van eis onder randnr. 15.
Dagvaarding in eerste aanleg, petitum onder p. 25–26.
Ibid.
Bestreden vonnis rechtbank, rov. 4.3.
Ibid, rov. 4.5–4.18.
MvG tevens houdende akte wijziging van eis, randnrs. 13–65.
Zie MvA tevens houdende incidenteel appel en vermeerdering van eis, randnrs. 87–114, p. 22–28.
Arrest hof, o.m. rov. 3.4.6 en 3.5.1–3.5.5.
Vgl. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2906{‘X/Stadstoezicht’}, rov. 3.6.
Zie o.m. HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357.
HR 25 april 2008 {‘Houttuin/X’}, ECLI:NL:HR:2008:BC0375.
Vgl. o.m. HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414NJ 2004/460 {‘Regiopolitie/Hovax’}; HR 25 april 2008 {‘Houttuin/X’}, ECLI:NL:HR:2008:BC0375.
[verweerders] c.s. hebben in de memorie van grieven enkel aangevoerd dat het [eisers] c.s. vrij stond de wilde lijsterbes en meidoorn op eigen kosten te laten verwijderen en dat zij vergoeding vorderen van de door hen gemaakte kosten ter uitvoering van het bestreden vonnis. MvG, randnr. 61. Dit zag uitsluitend op de verwijdering van de laatste drie meter beukenhaag en de elf wilgenbomen, alsmede op het terugplaatsen van een en ander voor rekening van [eisers] c.s. Zie MvG, randnr. 63. Deze stelling zag echter niet op de essenbomen; zulks blijkt ook uit het feit dat de uitvoering van het bestreden vonnis in dat verband is geschorst door de voorzieningenrechter, zie rov. 3.1.5. van het arrest van het hof.
Zie HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2906, rov. 3.6 {X/Stadstoezicht} .
Het gaat hierbij om het beding bedoeld in rov. 3.1.1 onder d en e van het arrest. Zie tevens rov. 3.3.2, waarin het hof het beding betrekt en noemt dat dit het opschrift is van de akte van 24 december 1998.
Zie o.m. HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078, NJ 2013/522 {‘Van Wijk c.s./VvE De Prinsenwerf’}, r.o. 3.4.2 en HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337, NJ 2014/119 {‘Bakermans c.s./Mitros’}, r.o. 3.4. Zie ook S.J.L.M. van Bergen, ‘Onbepaalde partijbedoelingen in pandakten’, NTBR 2020/43, par. 7.
MvA tevens houdende incidenteel hoger beroep onder randnrs 91–93.
Zie het beding zoals genoemd onder rov. 3.3.2 van het bestreden arrest.
Zie o.m. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, rov. 4.2.2 en HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337, rov. 3.4.
conclusie A-G Lindenbergh voor HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:102, onder 5.11
MvA tevens houdende incidenteel hoger beroep onder randnrs 91–93.
Ibid, randnr. 111.
Zie o.m. HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078, NJ 2013/522 {‘Van Wijk c.s./VvE De Prinsenwerf’}, r.o. 3.4.2 en HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337, NJ 2014/119 {‘Bakermans c.s./Mitros’}, r.o. 3.4. Zie ook S.J.L.M. van Bergen, ‘Onbepaalde partijbedoelingen in pandakten’, NTBR 2020/43, par. 7.
Vonnis onder rov. 4.13.
MvA tevens houdende incidenteel appel en vermeerdering van eis onder randnr. 73 en dagvaarding in eerste aanleg, nrs. 41–51.
Dagvaarding eerste aanleg, randnr. 20–21, p. 10. Zie tevens randnr. 42, eerste volzin.
Ibid, randnr. 41.
Ibid, randnr. 43.
Ibid.
Ibid, met verwijzing naar productie 15.
Arrest hof, rov. 3.5.5.
Ibid.
MvA tevens houdende incidenteel hoger beroep onder randnrs. 72–78.
Ibid.
Arrest hof, rov. 3.5.2. Onder rov. 3.5.5. vindt de beoordeling plaats aan de hand van de maatstaf voor misbruik van eigendomsbevoegdheid.
Vgl. HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8194, NJ 2003/48, rov. 3.7.3.
MvA tevens houdende incidenteel hoger beroep onder randnr. 73 en dagvaarding in eerste aanleg, nrs. 20–22 en 41–51.
Vgl. tevens Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense bij het voornoemde arrest onder randnr. 16: ‘Uit het voorgaande volgt dat middelonderdeel 2 naar mijn oordeel slaagt met zijn klacht dat het Hof heeft miskend dat het na de constatering dat sprake was van grove schuld in de zin van art. 5:54, in ieder geval grief 2 had moeten bespreken en de belangen had moeten afwegen nu de gehoudenheid daartoe blijkt uit art. 3:13 BW. (onderstreping advocaat)’
Vonnis rb. Rov. 4.11–4.18.