Inhoudsopgave
Asser/Bartels & Vonck 5 2025/175:175 Doe-verplichtingen.
Asser/Bartels & Vonck 5 2025/175
175 Doe-verplichtingen.
Documentgegevens:
prof. mr. S.E. Bartels, prof. mr. F.J. Vonck, datum 01-03-2025
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op het beginsel dat een erfdienstbaarheid slechts kan bestaan in een verplichting om iets te dulden of niet te doen, zijn belangrijke uitzonderingen toegelaten.
De eerste is dat de last tevens een verplichting kan inhouden tot het aanbrengen van gebouwen, werken of beplantingen die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid nodig zijn, mits deze gebouwen, werken of beplantingen zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf zullen bevinden (art. 5:71 lid 1 tweede zin BW).
Voorts kan de last bestaan in een hoofd- of nevenverplichting tot onderhoud van het dienende erf of van gebouwen, werken of beplantingen die zich geheel of gedeeltelijk daarop bevinden (art. 5:71 lid 2 BW).
De eerste uitzondering, opgenomen in art. 5:71 lid 1 BW, betreft het aanbrengen van gebouwen, werken en beplantingen op het dienende erf. Deze verplichting kan slechts worden opgelegd wanneer de gebouwen en dergelijke voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid nodig zijn; vgl. het woord ‘bovendien’ in de tweede zin van lid 1. Het gaat hier dus om een nevenverplichting, verbonden met de hoofdverplichting die uit de erfdienstbaarheid voortvloeit.
De uitzondering waartoe art. 5:71 lid 2 BW de mogelijkheid opent, bevat wel een (mogelijke) hoofdverplichting. Het gaat hier om de verplichting tot onderhoud van zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf bevindende gebouwen, werken en beplantingen. De wetgever heeft hier vooral gedacht aan de erfdienstbaarheid om gebouwen, tuinen en dergelijke behoorlijk te onderhouden ten behoeve van een aan een gemeente of ander overheidslichaam toebehorende openbare weg. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 258.
Art. 5:71 BW geeft niet uitputtend aan welke doe-verplichtingen deel kunnen uitmaken van een erfdienstbaarheid. Zo zwijgt de wet over de mogelijkheid om aan de eigenaar van het heersende erf verplichtingen op te leggen, naast een verplichting tot het betalen van retributie. Dit betekent niet dat op hem geen verplichting kan rusten om bijvoorbeeld op eigen kosten de weg waarover hij mag uitwegen te onderhouden, te herstellen of af te sluiten. De vraag hoe ver partijen hiermee kunnen gaan, wordt beantwoord aan de hand van het ‘voldoende-verbandcriterium’. Zie daarover in verband met erfpacht nr. [217]. Als er voldoende verband is met het wezen van de erfdienstbaarheid, werkt de in de vestigingsakte opgenomen afspraak goederenrechtelijk. Dat wil zeggen dat iedere verkrijger van het heersende erf eraan gebonden is. Zo niet, dan is het een afspraak die in beginsel slechts de ontstaanspartijen bindt. In de praktijk kan een zorgvuldig geformuleerd kettingbeding worden opgenomen, om er met behulp van contractueel gereedschap voor zover mogelijk te zorgen dat de afspraak ook rechtsopvolgers bindt.
Zie verder Gräler, Mandeligheid en erfdienstbaarheden (Mon. BW nr. B27) 2021/3.34.5. Door Van Oostrom-Streep, Verstappen & Van Vliet, in: Preadvies KNB 2016, p. 269 e.v. is bepleit de beperkingen met betrekking tot doe-verplichtingen te laten vervallen. Zie hierover ook Heisterkamp, Erfdienstbaarheden en verplichtingen om te doen (diss. Groningen), 2023, p. 280 Zij is van mening dat doe-verplichtingen als erfdienstbaarheid toegelaten kunnen worden mits daarbij strengere eisen worden gesteld aan het verband tussen het heersende en het dienende erf.