Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/8.2
8.2 Resultaatsvertrouwen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454593:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169, m.nt. Schalken.
HR 16 december 1986, NJ 1987, 562, r.o. 4.2; HR 13 juni 1995, NJ 1995, 673, r.o. 4.4. Dat lijdt echter uitzondering indien zou moeten worden aangenomen dat die niet aan het verzoek heeft voldaan, zie HR 16 december 1986, NJ 1987, 562, r.o. 4.3.4-5. en HR 18 november 2003, nr. 00036/03 (rolbeslissing), r.o. 2.2, opgenomen bij HR 9 maart 2004, LJN AL4367.
Zie art. 588 lid 2, slotzin, Sv.
Zie eerder par. 5.2.
HR 18 maart 1986, NJ 1986, 707.
HR 27 maart 2001, NJ 2001, 381; HR 27 maart 2001, NJ 2001, 455. Van belang was bovendien dat de Zweedse rechter de bewaring van de opgeëiste personen had bevolen voor feiten met betrekking tot de middelen waar het om ging. Zie ook HR 16 januari 1973, NJ 1973, 281.
HR 29 oktober 1985, NJ 1986, 408.
HR 29 oktober 1985, NJ 1986, 298.
HR 20 mei 1980, NJ 1980, 540; HR 1 december 1981, NJ 1982, 296; HR 25 februari 1986, NJ 1986, 630; HR 1 juli 1988, NJ 1989, 304; HR 14 november 2006, NJ 2006, 629. Zie ook HR 13 januari 1987, NJ 1987, 835 en HR 29 november 1983, NJ 1984, 349.
Art. 28 lid 3 WOTS bepaalt uitdrukkelijk: ‘De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.’ Zie verder bijv. art. 11 lid 1, aanhef en onder a. VOGP en voor een voorbeeld uit de jurisprudentie Rb Roermond 17 januari 1989, NJ 1989, 373. Overigens dient hier te worden opgemerkt dat de Nederlandse autoriteiten de feiten wel zelfstandig naar Nederlands recht dienen te kwalificeren bij de vaststelling van het strafmaximum naar Nederlands recht. Zij treden echter niet in het oordeel dat de feiten naar vreemd recht een bepaald strafbaar feit opleveren. Ook de formele vragen komen niet opnieuw aan de orde. Zie voor een extreem voorbeeld, waarin de veroordeelde eerder door Nederland aan Frankrijk was uitgeleverd en de Franse rechter het verweer dat het specialiteitsbeginsel na uitlevering was geschonden, had verworpen: HR 9 september 2003, NJ 2003, 698, r.o. 3.4. Zie voor een ander voorbeeld HR 6 november 2007, LJN BB3996, r.o. 3.3. Zelfs in zo’n geval treedt de Nederlandse rechter niet in de beoordeling van het (aan de vreemde autoriteiten toekomende) vervolgingsrecht.
Zie nader over de straftoemeting bij toepasselijkheid van de exequaturprocedure par. 7.1. en 8.1.
De specialiteitsregel geldt, afhankelijk van het verdrag, ook bij andere vormen van rechtshulp. Met name in het kleine rechtshulprecht pleegt de voorwaarde te worden gesteld dat het materiaal niet in andere strafzaken zal worden gebruikt dan die waarvoor de rechtshulp is verzocht.
Het betreft een vaste lijn in de jurisprudentie, zie o.m. voor het uitleveringsrecht: HR 15 februari 1977, NJ 1977, 619. Zie ook HR 21 juni 1988, NJ 1989, 215 en HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367.
Zie nader hoofdstuk 11.
Zie Hof Den Haag 22 december 2005, NJFS 2006, 37.
Zie HR 25 november 2003, LJN AM2480, r.o. 3.6 en 4.7.1-4.7.4.
HR 17 december 2002, NJ 2003, 179, r.o. 3.3.
Zie bijv. art. 12, eerste (getuige of deskundige) en tweede lid (verdachte) ERV; art. 35 eerste (getuige of deskundige) en tweede lid (verdachte) BURV; art. 9 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 12 juni 1991, Trb. 1981, 188; art. 14 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13; art. 13 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Trb. 1991, 85.
Zie art. 4, tweede lid, UW. De beoordeling van deze garantie is in het uitleveringsrecht voorbehouden aan de minister: HR 8 juli 1992, NJ 1993, 15. De uitleveringsrechter dient niet zelf vooruit te lopen op de uitkomst van een eventuele exequaturprocedure. Eventuele onmogelijkheid van het overnemen van de tenuitvoerlegging staat niet aan toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg: HR 20 mei 2003, NJ 2003, 725. Wel zal de minister normaal gesproken om deze reden de uitlevering weigeren. Dat is anders wanneer het om uitlevering aan de Verenigde Staten gaat omdat het toepasselijke verdrag weigering op deze grond niet mogelijk maakt (zie art. 8 lid 1). Tegen de beslissing van de minister is een kort geding mogelijk.
Op dat punt wordt een enkele keer ook verweer gevoerd, zie Rb Roermond 17 januari 1989, NJ 1989, 373 en HR 21 januari 2003, NJ 2003, 185. In het vonnis uit 1989 was de Rechtbank Roermond van oordeel dat van een ‘gewaarmerkt afschrift’ sprake was omdat het overgelegde document een authentiek afschrift was, dat was voorzien van originele handtekeningen van de griffier en de buitengewoon president (‘Der a.o. Praesident’), en van originele stempels van het Strafgericht Baselstadt was voorzien, zie Rb Roermond 17 januari 1989, NJ 1989, 373.
In een zaak betreffende een Canadees verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van een straf kwam de rechtbank tot de conclusie dat het formulier waarop de personalia van de veroordeelde en essentialia van zijn veroordeling zijn aangemerkt niet als vonnis in de zin van het VOGP kon worden aangemerkt. De Hoge Raad kwam tot een andersluidend oordeel en baseerde zich daarvoor op het feit dat het stuk door de Canadese autoriteiten als ‘judgement’ werd aangeduid en dat het was opgemaakt in de vorm als voorzien in de Criminal Code van Canada. Daarbij was van belang dat ‘bij dat, door de griffier van het gerecht gewaarmerkte, stuk door een rechter ten laste van de betrokkene, wier overbrenging als gevonniste persoon is verzocht, een veroordeling is uitgesproken als bedoeld in art. 1, aanhef en onder a, VOGP’: HR 21 januari 2003, NJ 2003, 185, r.o. 3.7.
HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 288.
Zie nader hoofdstuk 5.
Zie bijvoorbeeld G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 811-812.
Diverse rechtshulpinstrumenten
Resultaatsvertrouwen, waarbij dus sprake is van een sterk of zelfs absoluut vertrouwen dat het beoogde resultaat ook daadwerkelijk is of zal worden bereikt, is ook weer bij de verschillende vormen van rechtshulp op verschillende manieren zichtbaar. Bij sommige vormen van rechtshulp kunnen voorbeelden worden aangehaald die vooral zien op de algemene gang van zaken rond een rechtshulpverzoek. Bij kleine rechtshulp kan worden gewezen op de hiervoor besproken lijn die de Hoge Raad expliciet uiteen heeft gezet in zijn arrest van 5 oktober 2010.1 De Nederlandse rechter toetst bij opsporing onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de vreemde staat enkel aan artikel 6, eerste lid, EVRM en laat de toetsing van de opsporingshandelingen verder over aan de rechter in de vreemde staat. Hier is sprake van een resultaatsvertrouwen waar het om toetsing aan de strafvorderlijke voorschriften van de vreemde staat en andere mensenrechten dan het recht op een eerlijk proces betreft. Zo lang er voldoende toegang tot de rechter bestaat (in de zin van artikel 13 EVRM) en het eerlijke proces gewaarborgd is, gaat de Nederlandse rechter ervan uit dat het resultaat, het waarborgen van de genoemde mensenrechten eventueel in de vorm van het bieden van redres tegen een schending, wordt bereikt. Ook kan worden gewezen op de betekening en uitreiking van stukken door een vreemde staat op verzoek van de Nederlandse autoriteiten. Het uitgangspunt van de Hoge Raad bij de uitreiking van gerechtelijke stukken is dat van een rechtsgeldige uitreiking sprake is, indien het openbaar ministerie heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting van toezending. Vervolgens hoeft, aldus de Hoge Raad, niet te blijken dat de autoriteit van de vreemde staat daadwerkelijk aan het verzoek heeft voldaan.2 Verder geldt de aanname dat een verzoek tot betekening of uitreiking van stukken ook daadwerkelijk is uitgevoerd, wanneer een bericht van die strekking van de aangezochte autoriteiten is uitgegaan.3
Een voorbeeld bij overdracht van strafvervolging is de beperking van het strafmaximum die op grond van artikel 25 EVOS geldt voor die gevallen waarin de vervolging wordt overgenomen, maar de overnemende staat enkel afgeleide rechtsmacht verkrijgt door de overname. De overdragende staat heeft ervan uit te gaan dat de overnemende staat bij de berechting en latere straftoemeting deze grens in acht zal nemen.
Ook kan worden gedacht aan het automatische verval van het vervolgingsrecht bij overdracht van strafvervolging.4 Er wordt, zo is af te leiden uit die bepaling, zonder nadere mededeling zijdens de aangezochte staat op vertrouwd dat de vervolging daadwerkelijk plaatsvindt. In het tweede lid van genoemd verdragsartikel worden omstandigheden opgesomd die tot het herkrijgen van het recht tot strafvervolging leiden. In beginsel is daar echter een nadere mededeling van de aangezochte staat voor nodig, dat die het verzoek niet aanvaardt of de vervolging niet (verder) ter hand zal nemen. Intrekking van het verzoek voordat de aangezochte staat de verzoekende staat kennis heeft gegeven van de beslissing gevolg te geven aan het verzoek leidt ook tot herkrijging van het vervolgingsrecht.
Een interessant voorbeeld uit het uitleveringsrecht betreft het BURV.5 De uitleveringsbepalingen uit het BURV kenden geen weigeringsgrond voor verstekzaken. De gedachte daarachter was dat een dergelijke weigeringsgrond in de verhouding tussen de Beneluxlanden niet nodig zou zijn6 en de Hoge Raad paste dit ook toe in zijn jurisprudentie en ging uit van het bestaan van de mogelijkheid van verzet.7 Hieruit blijkt een in beginsel absoluut vertrouwen in de rechtspleging van de verdragspartijen op dit punt; het verdrag legt aan de verdragspartijen de verwachting op dat verzet mogelijk is.
Aardig is ook nog het resultaatsvertrouwen dat kennelijk gebaseerd wordt op de gelding van een algemeen verdrag ter bestrijding van verdovende middelen, het Verdrag inzake Psychotrope Stoffen, waaraan het vertrouwen – de aanname – wordt ontleend dat gedragingen met betrekking tot een bepaalde stof in de verzoekende staat inderdaad strafbaar zijn aangezien dat verdrag zulks dicteert.8 Het ging in die gevallen om de situatie dat de verzoekende staat wel de strafbepalingen zelf, maar niet de lijst met de opsomming van verboden middelen had meegestuurd. Overigens is de vraag of de Hoge Raad dit ook zo zou benaderen wanneer het niet enkel ging om het probleem dat de lijst niet is meegestuurd, maar ook onderbouwd verweer zou worden gevoerd op dat punt.
Een ander goed voorbeeld is de beperking van de straf na uitlevering in gevallen van gedeeltelijke weigering of aftrek van de uitleveringsdetentie. Die beoordeling is aan de verzoekende staat, ook wanneer wordt aangevoerd dat de uitleveringsdetentie mogelijkerwijs gelijk is aan het strafrestant.9 Voor de aftrek van uitleveringsdetentie kan dat anders zijn wanneer wordt aangevoerd dat er inderdaad na aftrek geen strafrestant meer zou zijn en voor die lezing ook voldoende aanwijzingen bestaan. Uitlevering zou dan zinledig worden. In dat geval heeft de minister te oordelen.10 In alle andere gevallen wordt er gewoon op vertrouwd dat de verzoekende staat de straf op een juiste manier zal verminderen.11 Bij vermindering van een straf die voor meerdere feiten is opgelegd, komt, wanneer voor een deel van die feiten de uitlevering wordt geweigerd, nog het probleem dat de juiste vermindering voor de Nederlandse autoriteiten helemaal niet kenbaar is. Die inschatting dient door de vreemde rechter te worden gemaakt. Op het bereiken van het resultaat, een juiste inschatting van de uiteindelijk nog uit te voeren straf, wordt vertrouwd.
Bij overdracht van executie lijkt in beginsel een resultaatsvertrouwen te gelden aangaande de juistheid van de over te nemen veroordeling.12 Uitzondering daarop vormt een flagrante schending van artikel 6 EVRM, waarover meer in de paragraaf betreffende het vertrouwensbeginsel en mensenrechten. Voor wat betreft de inhoudelijke juistheid van het veroordelend vonnis geldt echter, zoals eerder al bleek, een resultaatsvertrouwen.
Voor de straftoemeting is de te volgen procedure van belang. Geldt de exequaturprocedure dan is van resultaatsvertrouwen geen sprake.13 Geldt de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging dan ligt het anders. In beginsel wordt de opgelegde straf dan onverkort ten uitvoer gelegd. Gezegd kan worden dat in dat geval een resultaatsvertrouwen geldt voor wat betreft de juistheid van de opgelegde straf. Aan de andere kant kent ook dat vertrouwen grenzen, vooral in de strafmaxima van de overnemende staat. Van onverkort resultaatsvertrouwen van de staat van tenuitvoerlegging in de staat van veroordeling is ook in dit verband al met al geen sprake. Eerder bleek ook al dat de staat van veroordeling bij overdracht van de straf het te verwachten resultaat kan beoordelen en dat in zoverre sprake is van inspanningsvertrouwen aan de zijde van die staat van veroordeling.
Garanties van juridische aard
Zoals eerder aangegeven lijken ook bepaalde juridisch getinte garanties een vorm van resultaatsvertrouwen op te leveren. Het specialiteitsbeginsel is, in verschillende vormen, hiervan een voorbeeld.14 In het uitleveringsrecht overweegt de uitleveringsrechter in elk geval dat hij daar geen oordeel over heeft te geven,15 met als vangnet de eventuele dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces.16 De beslissing tot uitlevering van de minister kan daarna in kort geding worden getoetst. Hoewel de kortgedingrechter geen absolute benadering kiest, lijkt de ruimte om vanwege vrees voor schending van het specialiteitsbeginsel in kort geding een verbod te bewerkstelligen voor de Staat om tot uitlevering over te gaan minst genomen zeer minimaal.17
De garantie dat het op een rechtshulpverzoek aan de vreemde staat afgegeven materiaal na gebruik zal worden teruggegeven, hoort daar ook bij. Op naleving van die verplichting tot teruggave van het materiaal wordt, nadat de garantie is verleend, zonder meer vertrouwd, ook wanneer die teruggave van belang is voor een in Nederland te voeren strafproces en de eerlijkheid daarvan,18 en niet enkel betekenis heeft voor de aangezochte staat of een derde-rechthebbende (en de rechtsbescherming van verdachte er dus niet door wordt geraakt).19 Een vrijgeleide voor bepaalde getuigen en deskundigen levert ook een vrijwel absoluut vertrouwen op.20 Belangrijk, ook in praktisch opzicht, is de garantie dat een opgeëiste persoon na berechting wordt teruggeleverd.21
Ook aangaande enkele meer gedetailleerde aspecten lijkt een resultaatsvertrouwen te gelden. Denk aan de authenticiteit van afschriften van bijvoorbeeld een vonnis of een aanhoudingsbevel. Meestal bepalen verdragen dat van bepaalde stukken het origineel of een authentiek afschrift dient te worden meegestuurd. Dat zal gewaarmerkt moeten zijn. Met dat waarmerk wordt te kennen gegeven dat het een authentiek afschrift is. Daarop moet de Nederlandse rechter afgaan.22 In sommige gevallen kan wel de vraag rijzen of een bepaald document als vonnis is aan te merken. Dat aspect wordt wel getoetst al legt ook daar het oordeel van de autoriteiten van de vreemde staat groot gewicht in de schaal.23
Een ander aspect van, vooral, uitlevering dat volledig buiten het beoordelingskader van dat rechtshulpinstrument is gehouden, zijn de proportionaliteit en subsidiariteit van het uitleveringsverzoek. Het staat de aangezochte staat niet vrij te beoordelen of de zwaarte van de zaak het uitleveringsverzoek wel rechtvaardigt en of andere, minder ingrijpende middelen benut hadden kunnen worden.24 Slechts wanneer het verdrag een gekwalificeerde dubbele strafbaarheid eist – dat wil zeggen dat het delict waarvoor uitlevering wordt verzocht in één van beide of beide staten met een bepaalde minimumstraf dient te worden bedreigd – zit in die eis en de toets ervan een zekere abstracte beoordeling van de zwaarte van het delict en dus van (vooral) de proportionaliteit van het uitleveringsverzoek. Daarbuiten geldt een vorm van resultaatsvertrouwen; de aanname dat de verzoekende staat prudent gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het doen van een uitleveringsverzoek.
Interessant is ook het al eerder gememoreerde artikel 552gg, eerste lid, Sv:
‘De stukken betreffende ambtshandelingen terzake van opsporing en vervolging, die de autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot strafvervolging is uitgegaan naar aanleiding van hun verzoek overleggen, hebben de bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige door Nederlandse ambtenaren verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij in de vreemde staat hebben.’
Opvallend is dat deze bewijskracht niet afhankelijk is van het bestaan van een verdrag.25 Voor het onderwerp van dit hoofdstuk is belangrijk te zien dat die ambtshandelingen zonder meer geacht worden dezelfde bewijskracht te hebben. In die zin is er in abstracte zin sprake van resultaatsvertrouwen: de autoriteiten van de vreemde staat worden gelijkgeschakeld met Nederlandse ambtenaren, waarbij de gedachte kennelijk is dat zij die gelijkschakeling waard zijn. Deze gelijkschakeling is vooral van belang in het licht van artikel 344, tweede lid, Sv, dat bepaalt dat ‘[h]et bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd, (…) door de rechter [kan] worden aangenomen op het procesverbaal van een opsporingsambtenaar’, terwijl in beginsel de verklaring van één getuige daartoe niet toereikend is, zie 342, tweede lid, Sv. Zelfs op de grondslag van de uitzondering op de ‘unustestis’-regel waar het enkel Nederlandse opsporingsambtenaren betreft is kritiek te leveren.26 De kern van de kritiek, te weten dat de juistheid van de aanname dat opsporingsambtenaren vanwege hun functie betere getuigen zijn dan de gemiddelde burger niet vaststaat, lijkt a fortiori te kunnen gelden voor opsporingsambtenaren waaraan de Nederlandse wetgever in het geheel geen begrenzing of eisen stelt of kan stellen. Dit alles wil overigens niet zeggen dat in concreto zonder meer van de juistheid van die ambtshandelingen zou moeten worden uitgegaan. Net als bij Nederlandse opsporingsambtenaren kan de rechter die ambtshandelingen aan een beoordeling onderwerpen. Dat relativeert in hoge mate de kracht van deze bepaling. Maar zij biedt in elk geval wel de mogelijkheid om bijvoorbeeld op basis van het procesverbaal van een buitenlandse opsporingsambtenaar tot een bewezenverklaring te komen (zie art. 344, tweede lid, Sv en 342, tweede lid, Sv).
Aan de nauwkeurigheid van de uiteenzetting van de feiten en de aanduiding van de opgeëiste persoon in het uitleveringsrecht is in de vorige paragraaf al aandacht besteed: voor zover de uiteenzetting van de feiten toereikend is voor vaststelling van dubbele strafbaarheid en de aanduiding van de opgeëiste persoon toereikend voor vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, geldt ten aanzien van de verdere eisen – globaal: dat deze uiteenzetting en aanduiding zo nauwkeurig mogelijk dienen te zijn – een vertrouwen dat als resultaatsvertrouwen kan worden getypeerd.