Einde inhoudsopgave
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken
Artikel 14 Vrijgeleide
Geldend
Geldend vanaf 01-06-1991
- Bronpublicatie:
26-10-1988, Trb. 1989, 13 (uitgifte: 23-01-1989, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-06-1991
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-06-1991, Trb. 1991, 89 (uitgifte: 01-01-1991, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Verdragenrecht
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
1.
Degene die ermee instemt te getuigen of medewerking te verlenen aan een onderzoek in de verzoekende Staat uit hoofde van artikel 12 of 13 mag tijdens het verblijf in de verzoekende Staat ingevolge een verzoek:
- (a)
in die Staat niet in hechtenis worden genomen, worden vervolgd of gestraft wegens een strafbaar feit, of worden blootgesteld aan een burgerrechtelijke rechtsvordering waaraan de betrokkene niet anderszins kon worden blootgesteld, met betrekking tot enig handelen of nalaten welk voorafging aan het vertrek van de betrokkene uit de aangezochte Staat; of
- (b)
niet zonder zijn of haar toestemming worden verplicht te getuigen in een andere procedure dan de procedure waarop het verzoek betrekking heeft.
2.
Het eerste lid van dit artikel is niet langer van toepassing wanneer de betrokkene, mits hij of zij niet krachtens artikel 12 als gedetineerde is overgebracht, vrijelijk kan vertrekken, doch de verzoekende Staat niet heeft verlaten binnen dertig dagen nadat hem of haar officieel is medegedeeld dat zijn of haar aanwezigheid niet langer is vereist, ofwel is teruggekeerd na die Staat te hebben verlaten.
3.
Degene die ingevolge een verzoek uit hoofde van artikel 12 of 13 verschijnt voor een autoriteit in een verzoekende Staat mag niet worden blootgesteld aan vervolging wegens de afgelegde getuigenis, behalve in verband met meineed op grond van de wet van die Staat.
4.
Degene die niet instemt met een verzoek uit hoofde van artikel 12 of 13 mag om die reden niet aan enige straf worden blootgesteld of worden onderworpen aan enig dwangmiddel, ongeacht of in het verzoek het tegendeel is gesteld.
5.
Degene die ingevolge een verzoek om rechtshulp als getuige verschijnt in de verzoekende Staat kan weigeren een getuigenverklaring af te leggen indien hij of zij daartoe verplicht is ingevolge de wet van de aangezochte Staat.
6.
Indien iemand zich erop beroept verplicht te zijn om te weigeren een getuigenverklaring af te leggen ingevolge het recht van de aangezochte Staat, neemt de verzoekende Staat wat dit aangaat genoegen met een schriftelijke verklaring van de Centrale Autoriteit van de aangezochte Staat.